24 400 XIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 1996

nr. 57
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 8 juli 1996

Bijgaand zend ik u, mede namens de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, het verslag van de Nederlandse delegatie naar de negende zitting van de Verenigde Naties Conferentie inzake Handel en Ontwikkeling (UNCTAD IX), die plaats had te Midrand (Johannesburg), Zuid-Afrika, van 26 april t/m 11 mei 1996. Als bijlage bij het verslag is gevoegd het slotdocument van de conferentie, TD/377 «Midrand Declaration and A Partnership for Growth and Development».1

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

A. van Dok-van Weele

Verslag van de delegatie van het Koninkrijk der Nederlanden naar de negende zitting van de Verenigde Naties Conferentie inzake Handel en Ontwikkeling (UNCTAD IX), gehouden te Midrand, Johannesburg (Zuid Afrika) van 26 april–11 mei 1996.

1. Inleiding

Van 26 april tot en met 11 mei 1996 vond te Midrand, Johannesburg, Zuid-Afrika, de negende zitting plaats van de Verenigde Naties Conferentie inzake Handel en Ontwikkeling (UNCTAD IX).

Delegaties van de 187 lidstaten hebben daar overeenstemming bereikt over de taken van de organisatie voor de komende vier jaar en over de bijbehorende structuur. Taakafbakening van dit VN-forum op het gebied van Handel en Ontwikkeling was noodzakelijk, in de eerste plaats vanwege de oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), daarnaast in het licht van de lopende discussie omtrent de algehele VN-hervormingen.

Deze negende Conferentie was een logisch vervolg op UNCTAD VIII (1992, Cartagena de Indias, Colombia) waar reeds een fundamentele hervorming van de organisatie in gang was gezet. Daar immers werd besloten tot verandering van prioriteiten, structuur en werkmethoden. De analytische functie en technische samenwerking kregen meer nadruk ten koste van de onderhandelingsfunctie, een structuur van permanente comités en ad hoc expertgroepen werd in het leven geroepen en tijdens vergaderingen werden informele zittingen gehouden waarbij het mogelijk werd om in een ontspannener sfeer tot een daadwerkelijke gedachtenwisseling te komen.

UNCTAD IX had de bedoeling, met de ervaring van de afgelopen vier jaar, binnen de in Cartagena uitgezette nieuwe koers een nadere prioriteitenstelling en taakafbakening ten opzichte van andere organisaties en een efficiëntere structuur en vergadermechanisme overeen te komen en zo een revitalisering van de organisatie te bewerkstelligen.

Dat de wens hiertoe bestond bij alle regionale groepen was in het voorbereidende traject tot de Conferentie reeds duidelijk geworden. In december 1995 was in een extra zitting van de Raad voor Handel en Ontwikkeling (Trade and Development Board), een beginselovereenstemming bereikt over de werkwijze van de intergouvernementele machinerie.

Voorafgaand aan de Conferentie kwam gedurende enkele weken in Genève het voorbereidende «Committee of the Whole» van hgg. Raad bijeen ter voorbespreking van de ontwerp-eindtekst «A partnership for growth and development». Na een intensief onderhandelingsproces kon uiteindelijk in de slotfase van de Conferentie over de eindtekst overeenstemming worden bereikt. Het document gaat met name in op de gevolgen voor ontwikkelingslanden van de globalisering en liberalisering van de wereldeconomie, de maatregelen die marginalisatie moeten voorkomen en de taken van UNCTAD daarbinnen.

UNCTAD IX is in die zin een succes geworden dat de Conferentie er in is geslaagd zichzelf duidelijker te plaatsen in het krachtenveld van internationale organisaties. Er is besloten tot een prioriteitsstelling die tot uiting komt in de nieuwe intergouvernementele structuur, door middel van het instellen van drie commissies inzake (1) handel in goederen en diensten en grondstoffen; (2) investeringen, technologie en aanverwante financiële onderwerpen; (3) ondernemingen en «business facilitation» en ontwikkeling.

Deze commissies zullen eenmaal per jaar bijeen komen. Zij kunnen op hun respectievelijke deelterreinen expertgroepen instellen; alle echter met een beperkt, door de lidstaten zelf vast te stellen mandaat, waardoor de controle op het vergadermechanisme wordt verbeterd. Jaarlijks kunnen maximaal tien expertgroepen, met een maximale vergaderduur van drie dagen, per groep worden bijeengeroepen.

In het navolgende wordt het verloop van de Conferentie geschetst. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de werkwijze van de Nederlandse delegatie. In hoofdstuk 3 wordt verslag gedaan van de openingszitting die o.m. bestond uit een rondetafel-discussie tussen staatshoofden en regeringsleiders. Hoofdstuk 4 behandelt de plenaire zittingen, belangrijke verklaringen en ministeriële rondetafels. Hoofdstuk 5 doet verslag van het verloop van de eindtekst-onderhandelingen en de besprekingen in het Bureau ten aanzien van de politieke verklaring.

Als bijlage zijn bijgevoegd de Politieke Verklaring (Midrand Declaration; doc. TD/L.360) en het slotdocument «A partnership for growth and development» (doc. TD/L/359).

2. Werkwijze Nederlandse delegatie

Nederland was gedurende de gehele Conferentie-periode vertegenwoordigd door een ambtelijke delegatie van de departementen van Economische Zaken/BEB (ambtelijke delegatieleiding) en van Buitenlandse Zaken/DGIS. Vier leden van de Staten-Generaal waren alternerend aanwezig. Gedurende de eerste week van de Conferentie werd de delegatie op politiek niveau geleid door de Staatssecretaris van Economische Zaken, mevrouw A. van Dok-van Weele, en in de tweede week door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking, drs J.P. Pronk.

De Staatssecretaris heeft tijdens het plenaire debat namens de Nederlandse regering een toespraak gehouden welke inging op de liberalisering van de wereldeconomie, ontwikkelingen in de handels- en investeringspolitiek, mogelijkheden en risico's. Ten aanzien van hervorming van de VN en van UNCTAD beklemtoonde Nederland de noodzaak van vitale organisaties die zich op kerntaken concentreren. Nederland ziet voor UNCTAD een complementaire rol, nl. platform voor dialoog, ten opzichte van de WTO op het gebied van handel en ontwikkeling alsmede gerelateerde onderwerpen als investeringen en ontwikkeling van ondernemingen. In het licht van het laatste werd in de toespraak de suggestie gedaan om een verbintenis tot stand te brengen met UNIDO, de VN-organisatie voor industriële ontwikkeling.

Als bekleder van één van de 32 vice-voorzitterschappen van de Conferentie nam Nederland deel aan de besprekingen in het Bureau (geleid door de Zuidafrikaanse Conferentievoorzitter, Minister van Handel en Industrie, Alec Erwin).

3. Openingszitting; Ronde Tafel Conferentie van Staatshoofden en Regeringsleiders; Ronde Tafel «Heads of agencies».

De opening van de Conferentie werd op 27 april 1996 verricht door President Mandela. In zijn toespraak ging Mandela vooral in op de rol die UNCTAD zou moeten spelen bij bestrijding van de armoede die in grote delen van de wereld bestaat, ondanks de economische en technologische vooruitgang. De ledenlanden van UNCTAD hadden een gedeelde verantwoordelijkheid om de effecten van verkeerd beleid uit het verleden weg te nemen. Ook in de komende eeuw zou UNCTAD uitvoering moeten blijven geven aan de doeleinden waarvoor de organisatie is opgericht.

De redevoering van de Secretaris-Generaal van de VN, Boutros Boutros-Ghali, lag in het verlengde van die van President Mandela. Boutros-Ghali vergeleek Zuid Afrika's lange strijd voor sociale rechtvaardigheid met het streven van UNCTAD om internationale handel tot de motor voor duurzame ontwikkeling van alle volkeren en naties te maken. Zoals ook vele latere sprekers benadrukte hij de rol van UNCTAD bij het bevorderen van economische groei van met name de ontwikkelingslanden in een globaliserende en liberaliserende wereldeconomie. UNCTAD moet een forum zijn waar landen hun visie op ontwikkelingsaangelegenheden kunnen formuleren, uitdragen en delen. De organisatie moet technische bijstand bieden aan de minst ontwikkelde landen en moet voorts dienen als «geweten» en verdediger van de belangen van deze landen. Als zodanig is UNCTAD onvervangbaar, aldus de SG.

Na de openingsceremonie vonden twee Ronde Tafel Conferenties plaats; één van Staatshoofden en Regeringsleiders en één van «Heads of Agencies».

Aan de eerste werd deelgenomen door Koning Hoessein van Jordanië en de Presidenten Mandela (Zuid Afrika), Figueres (Costa Rica), Mkapa (Tanzania) en Delamuraz (Zwitserland). Centraal stond de achterstelling en armoede van 2 miljard mensen.

President Mandela wees erop dat de integratie van landen d.m.v. handel en technologie positieve gevolgen had, maar ook problemen gaf voor de minst ontwikkelde landen.

Volgens Koning Hoessein was in zijn regio, ondanks jaren van oorlog, nu de weg naar een hoopvollere toekomst ingeslagen. President Delamuraz deed een oproep niet te wachten met investeringen in derde wereld landen tot alle wenselijk geachte veranderingen zijn doorgevoerd, uit het oogpunt van solidariteit tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. President Mkapa ging in op de schuldenproblematiek, die de MOL's beperkte in hun mogelijkheden op de internationale markt te concurreren. Om verdere marginalisatie te voorkomen waren maatregelen nodig. Zijn regering poogde de corruptie te bestrijden en had een Commissie ingesteld om de omvang daarvan in kaart te brengen.

President Figueres van Costa Rica maakte indruk door de openhartige en realistische wijze waarop hij zijn visie ontvouwde. Hij gaf aan dat het nu van belang is drie dogma's te doorbreken:

1. Particuliere sector als wondermiddel voor ontwikkeling en groei.

Volgens Figueres komt de markt niet op voor de armen en achtergestelde delen van de bevolking.

2. Van de overheid is niets te verwachten.

Het is volgens Figueres juist van belang om als overheid in nauw overleg met de bevolking overeenstemming («consenso nacional») over de benodigde ontwikkelingsstrategie te bereiken.

3. Eerst moet de economie op orde gesteld worden, voordat aandacht kan worden gegeven aan de sociale aspecten («growth, not equity»).

Ook dit dogma is z.i. onjuist; het is juist van essentieel belang dat een ontwikkelingsstrategie wordt opgezet, waarbij economische, sociale en milieu-aspecten volledig geïntegreerd zijn.

De armsten moeten van ontwikkeling profiteren. In dit verband vroeg Figueres zich af waarom zoveel ontwikkelingslanden bovenmatig veel aan militaire uitgaven spendeerden, e.e.a. ten koste van de armen.

Onder leiding van SG-VN Boutros Ghali vond een paneldiscussie plaats met hoofden van VN- en Bretton Woods-organisaties aan wie vragen werden gesteld door vijf ministers uit Costa Rica, Jordanië, Marokko, Ghana en Noorwegen.

Aanwezig waren: Camdessus (IMF), Ricupero (UNCTAD), Ruggiero (WTO), Sandström (Managing Director WB) en Speth (UNDP).

Voornaamste conclusie was dat in toenemende mate wordt beseft dat globalisering zonder internationale begeleidende maatregelen tot een grotere ongelijkheid tussen en binnen de diverse (groepen van) landen kan leiden, en dat met het oog op voorkoming en bestrijding van deze effecten het multilaterale systeem daarom moet werken aan een verbeterde onderlinge coördinatie op basis van de volgende uitgangspunten:

1. benadering van ontwikkeling als een geïntegreerd concept van niet alleen economische, maar ook van sociale, politieke en milieu-aspecten.

2. aandacht voor verhoogde deelname aan het ontwikkelingsproces voor andere actoren dan alleen de overheid. Betrokkenheid van de «civil society» is essentieel.

3. stimuleren van regionalisering als opstap naar uiteindelijk multilateralisme.

4. onderkenning van het belang van het incorporeren van morele waarden bij de formulering en uitvoering van ontwikkelingsstrategieën.

Aan de bijdragen van de verschillende sprekers kan het volgende worden ontleend:

Op de vraag van Costa Rica hoe IMF denkt de Structurele Aanpassings Programma's ten bate van de hele bevolking te laten zijn, antwoordde Camdessus dat het succes van SAP's niet alleen afhangt van «getting the economic fundamentals right» maar ook en vooral van hervorming van de overheidsstructuur, «good governance» en een goed sociaal-economisch beleid. Het belang van een rechtvaardig en goed rechtssysteem benadrukte hij met een citaat van een Afrikaanse minister volgens wie in Afrika niet de Ministeries van Ontwikkeling of Planning, maar de Ministeries van Justitie het belangrijkst zijn.

Camdessus stelde uitdrukkelijk niet in te willen gaan op de discussie binnen IMF en WB over de schuldenproblematiek, omdat de besprekingen daarover nog gaande zijn. Speth van UNDP ging zeer uitvoerig in op de vraag van de Noorse Minister van Ontwikkelingssamenwerking op welke manieren invulling wordt gegeven aan het Internationale Jaar voor de bestrijding van armoede. Allereerst maakte hij duidelijk dat er nog steeds een toenemende behoefte bestaat aan hulp. Weliswaar is er sprake van een verhoogde stroom van particulier kapitaal naar ontwikkelingslanden, maar deze is geografisch zeer ongelijk verdeeld. Zo gaat slechts 6% van de directe buitenlandse investeringen naar Afrika. De hulp zal echter op andere leest geschoeid moeten worden. Zo moet de «civil society» hierbij betrokken worden, moet hulp niet alleen aan overheden maar ook aan de particuliere sector verstrekt worden, moet gestreefd worden naar «growth with equity», «growth with environment» etc. en moet de hulp niet worden aangewend voor militaire bestedingen. Daarnaast somde Speth nog de clusters op waarover sinds kort binnen het VN-systeem wordt overlegd en gecoördineerd:

– basic social services for all

– jobs for all

– sustaining the natural resource base

– advancement and empowerment of women

– creating an enabling government (o.m. «good governance») (t.a.v. dit laatste punt memoreerde Speth nog dat 1/3 van UNDP's fondsen t.b.v. «good governance» worden aangewend).

Opvallend genoeg werd in dit verhaal niets gezegd over het 20/20-initiatief, wel werd het Special Initiative for Africa kort genoemd. Sandström van de Wereldbank ging vooral in op de noodzaak om bij de uitvoering van liberaliserings- en aanpassingsprogramma's speciale maatregelen gericht op de armste delen van de bevolking te treffen, en daarnaast ook op het terrein van de overheid en het overheidsbeleid maatregelen te nemen: «We must get society right, before we can get economic growth». In dat verband somde hij de drie fundamentele basislessen voor elk land op:

1. investeren in menselijke hulpbronnen

2. belang van «good governance», bestrijding van corruptie e.d.

3. belang van een goed economisch beleid en macro-economische stabiliteit.

Ruggiero van WTO pleitte voor een verhoogde toegang voor MOL's tot de markten van de rijke landen, o.a. door de instelling van een nultarief op alle export uit MOL's. Hij bestreed de opvatting dat de afsluiting van de Uruguay Ronde heeft geleid tot verdere marginalisering van de MOL's. In zijn visie is het liberaliseringsproces pas begonnen (zo moeten de textiel- en landbouwsector nog verder uitonderhandeld worden) en is het voorbarig om nu al een eindoordeel over de gevolgen van het liberaliseringsproces uit te spreken. Ook maakte Ruggiero duidelijk dat er geen sprake van is dat de geïndustrialiseerde landen te lijden zouden hebben van verhoogde import uit ontwikkelingslanden als gevolg van de afsluiting van de UR.

Het aandeel van ontwikkelingslanden in de totale import van de geïndustrialiseerde landen bedraagt immers slechts 1,5%.

Ricupero van UNCTAD stelde dat de armsten tot nog toe weinig hebben geprofiteerd van de toenemende globalisering, en dat er meer wereldwijde regels en arbiters nodig zijn om de toenemende wereldwijde concurrentie in goede en meer rechtvaardige banen te leiden. Hij haalde een rapport van IMF aan: «The logics of competition has to be balanced by logics of more solidarity». Slechts op die manier kan invulling worden gegeven aan beide elementen uit de Cartagena Commitment waartoe tijdens UNCTAD VIII (1992) werd besloten; naast een verbeterde effectiviteit en efficiëntie van het economische systeem, ook en vooral een verbeterde «equity». In dat verband benadrukte ook Ricupero het belang van het opnemen van «equity» als integraal bestanddeel in Structurele Aanpassings Programma's.

4. Plenaire debat en Ministeriële Ronde Tafels

Na de Ronde Tafel Conferentie begon de eigenlijke Conferentie, onder voorzitterschap van de nieuwe Zuidafrikaanse Minister van Handel en Industrie Alec Erwin.

Hij wees erop dat UNCTAD nu op een beslissend moment verkeert: de organisatie kan terugvallen of vastberaden voorwaarts gaan. Deze negende Conferentie was de gelegenheid om UNCTAD de noodzakelijke «duw in de rug» te geven. Succesvolle organisaties zijn die, waar de leden zorgen voor aanpassing aan veranderde omstandigheden en ambities. Daarom moest, aldus Erwin, deze Conferentie absoluut leiden tot concreet resultaat.

Erwin was onder de indruk van de betrokkenheid waarmee de Staatshoofden in de Ronde Tafel Conferentie tijdens de openingszitting de enorme omvang van het armoedeprobleem hadden geschetst. Een rol van UNCTAD op dit terrein vereist herbezinning op de doelstellingen en positie van de organisatie, in de veranderde wereldeconomie.

De term «partnership», die in de Conferentie centraal staat, moet niet zonder inhoud blijven, zowel in de onderlinge relaties tussen de lidstaten als in die met andere multilaterale instellingen, de «civil society», NGO's en het bedrijfsleven.

SG UNCTAD Ricupero typeerde globalisering als een kracht die invloed had op zowel integratie als marginalisering. In dit kader wees hij, evenals vele andere delegaties, op het gevaar van uitsluiting van miljoenen burgers door het proces van globalisering en liberalisering. Hij wees op de problemen die zich voordoen voor zowel de werklozen in industriële sectoren die zijn achtergebleven bij het proces van verandering, als de armen in veel ontwikkelingslanden die nauwelijks van de ontwikkelingen hebben geprofiteerd.

Hij riep op tot een nieuwe vorm van «partnership» waarbij eveneens het bedrijfsleven en andere elementen van de «civil society» betrokken dienen te worden. Deze gedachte werd door velen, m.n. EU-partners, gedeeld.

In de SG's visie zou de taak van UNCTAD uit drie elementen dienen te bestaan, te weten :

1) het verlenen van assistentie aan ontwikkelingslanden en landen die toe wensen te treden tot de WTO in WTO-onderhandelingen;

2) het adresseren van de problemen van marginalisering en uitsluiting op zowel macro- als microniveau;

3) meer nadruk op investeringen en de ontwikkeling van het midden- en kleinbedrijf.

Het plenaire debat stond geheel in het teken van globalisering, liberalisering, marginalisering en de rol die UNCTAD in deze context kan vervullen. De nadruk lag, mede vanwege de locatie, op de problemen die het Afrikaanse continent teisteren.

Voorafgaand aan de plenaire zittingen vonden tevens vier informele Ministeriële Ronde Tafels plaats waarbij eveneens de vier thema's van de Conferentie centraal stonden, nl. :

1) Globalisering: ontwikkeling, instabiliteit en marginalisering;

2) Internationale handel als een instrument voor ontwikkeling in de Post-Uruguay wereld;

3) Ontwikkeling van ondernemingen;

4) Het toekomstige werk van UNCTAD; institutionele implicaties.

Van een echt debat was vrijwel geen sprake. Men beperkte zich veelal tot een herhaling van punten uit de in de plenaire zitting uitgesproken nationale interventies. Enkele landen, waaronder Pakistan grepen dit forum aan om radicale voorstellen, zoals afdwingbaarheid van UNCTAD-aanbevelingen en een reductie van militaire uitgaven in ontwikkelde landen waarbij deze besparingen ten goede zouden moeten komen aan technische assistentie, te lanceren. Deze opvattingen werden duidelijk niet door de andere Aziatische landen gedeeld.

Alle delegaties ondersteunden de noodzaak tot hervormingen van UNCTAD, m.n. in het licht van de totstandkoming van de WTO. De relevantie van UNCTAD werd door niemand ter discussie gesteld. De focus van de interventies was echter gericht op de implementatie van de Uruguay Ronde (UR) en de Marrakech-overeenkomst, waarbij door menig ontwikkelingsland de WTO onder vuur werd genomen. Hierbij benadrukten de ontwikkelingslanden de negatieve gevolgen op korte termijn en werd vrees geuit voor verdere marginalisering van de MOL's. Implementatie van de UR zal in hun visie leiden tot erosie van handelspreferenties en hogere kosten voor voedselimport, farmaceutische artikelen en essentiële kapitaalgoederen. De noodzaak tot onvoorwaardelijke implementatie van de Marrakech-overeenkomst, die specifieke bepalingen bevat gericht op ondersteuning van netto-voedselimporterende landen en mol's werd nogmaals benadrukt. Ook werd gepleit voor instelling van een «safety net» teneinde ontwikkelingslanden in staat te stellen de negatieve gevolgen van de implementatie van de UR het hoofd te bieden en een betere integratie van deze landen in het internationale handelssysteem te bewerkstelligen. Tijdens de Ministeriële bijeenkomst van de WTO in Singapore zouden initiatieven in deze richting kunnen worden ontwikkeld.

Door de meeste ontwikkelingslanden, en enkele ontwikkelde landen waaronder Nederland, werd gewezen op het gevaar van benutting van milieu- en arbeidsnormen voor protectionistische doeleinden. Behandeling in WTO-kader van de thema's handel en arbeidsnormen en investeringen etc. zouden volgens deze ontwikkelingslanden pas plaats moeten vinden na uitvoerige analyses door UNCTAD.

Tevens uitten de ontwikkelingslanden hun bezorgdheid over de dalende ODA-omvang als percentage van het BNP en wezen zij op de noodzaak te komen tot structurele oplossingen voor het schuldenprobleem.

De EU, bij monde van het Italiaanse Voorzitterschap, stelde dat UNCTAD zijn focus zou moeten richten op de minder gefortuneerde landen teneinde hun integratie te faciliteren en een betere participatie in het internationale handelssysteem te bewerkstelligen. UNCTAD zou een complementaire rol naast m.n. de WTO en de Regionale Economische Commissies moeten vervullen. De interventie van de Europese Commissie was geheel in lijn met de EU-verklaring.

De Nederlandse interventie, uitgesproken door de Staatssecretaris van Economische Zaken, kreeg de nodige aandacht als gevolg van de vragenderwijs geformuleerde suggestie, een fusie tussen de sterke kanten van UNIDO en UNCTAD te overwegen. Namens de regering pleitte de Staatssecretaris voor een geïntegreerd (VN-)platform voor handel, productie, investeringen en bedrijfsontwikkeling. Hoewel UNIDO in het verleden een nuttige bijdrage heeft geleverd aan zich ontwikkelende economieën is een zelfstandig bestaan wellicht niet langer noodzakelijk. Voordat de gehele organisatie onder vuur zou komen te liggen is continuïteit van het waardevolle werk mogelijk meer gewaarborgd indien een samenvoeging met UNCTAD zou plaatsvinden.

De VS onderstreepten in een opmerkelijk milde interventie het belang dat zij aan een hervormde UNCTAD zullen blijven hechten. Melding werd gemaakt van het besluit de contributie aan de VN inzake het jaar 1995 te zullen voldoen, waardoor de financiële druk enigszins zal worden verlicht.

Japan hechtte aan Afrika de hoogste prioriteit voor de internationale gemeenschap. Tevens werd het voorstel gelanceerd een deel van de besparingen voortvloeiend uit de hervormingen binnen UNCTAD te herinvesteren in technische assistentie.

Het Verenigd Koninkrijk benadrukte het belang van good governance en gezond economisch management als basisvoorwaarden voor handel. UNCTAD zou zich meer toe moeten leggen op analyse, een praktische benadering moeten vinden voor handel en ontwikkeling, en inkrimping van het Secretariaat door moeten voeren. Ook Argentinië en Japan benadrukten het belang van good governance, respect voor mensenrechten en individuele vrijheden als basis voor economische groei.

Bangladesh, namens de minst ontwikkelde landen, wees op de specifieke problemen van «Small Island Developing States» en «land- locked countries» en toonde zich voorstander van Zuid-Zuid samenwerking waarbij middels triangulaire samenwerking en joint-ventures ondersteuning zou kunnen worden verleend.

De Filipijnen bleken tegenstander van uitbreiding van de midden- en kleinbedrijf-activiteiten van UNCTAD; andere organisaties zoals UNIDO waren immers al actief op dit terrein. Binnen UNCTAD zou de focus zeer duidelijk moeten liggen op de export-zijde. Deze opvatting werd door Canada ondersteund. Ook werd door de Filipijnen, als vrijwel enige delegatie, het belang van vrouwen in het ontwikkelingsproces benadrukt.

Noorwegen en België verwezen naar het 20/20 concept en de positieve uitkomsten van de onlangs in Oslo gehouden Conferentie. België toonde zich tevens voorstander van een nader onderzoek naar de mogelijkheid van invoering van de Tobin-tax.

De vertegenwoordiger van UNIDO wees op een recent uitgebracht Joint Communiqué waarin versterking van de coördinatie tussen UNCTAD en UNIDO op bepaalde terreinen wordt toegelicht. De WTO wees op een nieuw programma in samenwerking met UNCTAD en het International Trade Center (ITC) in het kader van technische assistentie voor MOL's en Afrika waarbij getracht wordt duplicatie te vermijden en synergie te maximaliseren. In eerste instantie zijn 8 Afrikaanse landen geselecteerd, waarvoor lange-termijnprogramma's variërend van Human Resource Development tot exportpromotie zullen worden opgesteld.

De uitvoerend directeur van het Gemeenschappelijk Grondstoffenfonds (GFG) memoreerde het voortkomen van zijn organisatie uit UNCTAD en de veranderde omstandigheden en rol van het GFG. Hij zette de vernieuwde koers uiteen, gericht op de minst ontwikkelde landen, op diversificatie van produktie en export en op de samenwerking, in projectvorm, met andere grondstoffenorganisaties.

5. Onderhandelingsproces eindtekst en politieke verklaring

De onderhandelingen over de opstelling van het slotdocument vonden plaats in het Committee of the Whole, onder leiding van de Zwitserse PV Genève, Ambassadeur Rossier, die ook het voorbereidingsproces in Genève had voorgezeten. De voorbereidende onderhandelingen hadden geleid tot een document van circa 70 bladzijden waarvan over het grootste deel nog geen consensus bestond. Teneinde het proces te versnellen werd in de eerste zitting van het Committee of the Whole besloten tot de instelling van drie redactiegroepen.

Voorafgaand aan de onderhandelingen vond een zeer intensief EU-overleg plaats ter afstemming van een gemeenschappelijke positie. Het overleg verliep moeizaam, omdat bepaalde delegaties op voorhand elk voorstel tot vernieuwing afwezen. Niettemin kon uiteindelijk, mede als gevolg van de meer flexibele opstelling van anderen, inclusief de Europese Commissie, een meer realistische uitgangspositie m.b.t. het slotdocument worden overeengekomen.

De eerste redactiegroep, onder Singaporees voorzitterschap, werd belast met de thema's globalisering, handel en grondstoffen. Tijdens de besprekingen in deze groep kwamen twee onderwerpen telkens terug:

– de balans tussen wat ontwikkelingslanden moeten of kunnen doen, en wat nog van de ontwikkelde landen verwacht kan worden om ontwikkeling en groei tot stand te brengen

– de positionering van UNCTAD t.a.v. met name de WTO. Veelvuldig werd gediscussieerd over de vraag of sommige activiteiten die volgens G-77 op het terrein van UNCTAD lagen, niet tot het mandaat van WTO behoorden, waarover UNCTAD derhalve volgens vertegenwoordigers van enkele landen beter kan zwijgen. Hierbij kan worden gedacht aan onderwerpen als «new issues for the international trade agenda», voorbereiding op toetreding tot WTO, onderhandelingen over de landbouwsector e.d.

Voor de EU werd het woord vooral gevoerd door de Commissie-vertegenwoordiger, die vaak – na consultatie met de aanwezige lidstaten – met constructieve compromisvoorstellen kwam. Deze leidden in veel gevallen tot resultaat. De discussies waren vaak hard en taai: met name de VS-vertegenwoordiger botste met zijn harde en onverbloemde stijl met de vertegenwoordigers van met name de Aziatische groep (Pakistan), en die van de MOL's (Bangladesh). De voorzitter van de speciaal ingestelde «contactgroep» heeft op een gegeven moment de vertegenwoordigers van de Aziatische en van de Latijns-Amerikaanse groep onder vier ogen toegesproken, en een dringend beroep gedaan om niet door te gaan het geduld van de ontwikkelde landen te beproeven door steeds maar weer met verdergaande voorstellen te komen, nadat de ontwikkelde landen al het uiterste hadden gedaan om op diverse punten toe te geven. Waarschijnlijk onder druk hiervan, en onder de tijdsdruk (de andere twee redactiegroepen hadden hun werk al gedaan, en de «deadline» was al enkele malen verzet) werd uiteindelijk op de meeste punten overeenstemming bereikt.

De laatste heikele punten werden op de voorlaatste dag uitonderhandeld in het Committee of the Whole (dit betrof onder meer handel en milieu, diensten, en schulden).

Door de EU werd – na vooroverleg met de Filipijnen als vertegenwoordiger van ASEAN – een paragraaf voorgesteld inzake vrouwen en autonomie. De discussies hierover waren lastig. Met name vanuit Afrikaanse groep werd aangedrongen op verwijzing naar nationale wetgeving en culturele omstandigheden. In de slottekst is uiteindelijk onder verwijzing naar het resultaat van de conferentie van Beijing een bepaling inzake gender en «empowerment» opgenomen.

Over handel en milieu werd op de laatste dag onderhandeld. De groep van Latijns-Amerikaanse en Caribische landen wenste een uitgebreide opsommende paragraaf. De VS wilden oorspronkelijk geen enkele verwijzing, omdat dit onderwerp volgens VS op het terrein van m.n. de WTO lag en omdat verwijzing naar Agenda 21 voldoende moest zijn.

De G-77 wilde benadrukken dat milieumaatregelen niet voor protectionistische doeleinden misbruikt mogen worden. Bij de formulering van de paragraaf wensten de VS vooral gebruik te maken van een desbetreffende tekst van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CSD). Binnen de EU waren enkele lidstaten (VK, Duitsl., Zweden) tegen verwijzing naar «ecolabeling» en de zgn. Multilateral Environmental Agreements, maar ook deze begrippen zijn uiteindelijk in de desbetreffende paragrafen opgenomen, onder verwijzing naar de taken die door de CSD tijdens de vierde zitting aan UNCTAD zijn toebedeeld.

Lang werd gediscussieerd over de opname van «good governance». De G-77 verzette zich aanvankelijk tegen enigerlei verwijzing. Japan stelde het begrip «good management» voor. Voor de «rijke» landen was opname van dit begrip essentieel. In de slottekst staat nu een paragraaf waarin staat dat «democracy and transparant and accountable governance and administration» onmisbaar zijn voor duurzame ontwikkeling. In dezelfde paragraaf wordt gesteld dat mensenrechten en fundamentele vrijheden (waaronder het recht op ontwikkeling) voorwaarde zijn voor sociale ontwikkeling. Terwille van de balans wordt in dezelfde paragraaf verwezen naar de noodzaak van internationale samenwerking voor het bereiken van duurzame ontwikkeling.

Ten aanzien van de schuldenparagrafen werd teruggevallen op de slottekst van de midterm review van de MOL's (New York, 1995). Hoewel oorspronkelijk de G-77 (met name de Afrikaanse Groep) daarop aandrong, is geen verwijzing opgenomen naar een verruiming van de Club van Parijs-voorwaarden. De multilaterale instituten worden opgeroepen te bezien op welke wijze de multilaterale schuld verminderd kan worden. Op het gebied van technische assistentie is UNCTAD's rol beperkt gebleven tot ondersteuning op het terrein van schuldenmanagement.

Over de gevolgen van de Uruguay Ronde is uiteindelijk besloten dat deze niet alleen negatieve, maar ook zeker positieve gevolgen heeft gehad. UNCTAD heeft een duidelijke aan WTO gerelateerde taak gekregen: analyse van de gevolgen van de UR voor ontwikkelingslanden, adviseren aan ontwikkelingslanden die lid zijn van WTO omtrent hoe het beste te profiteren van de speciale voorzieningen voor MOL's en netto-voedselimporterende ontwikkelingslanden, zoals die in het Marrakech besluit staan opgenomen, en verlenen van assistentie aan landen die tot WTO willen toetreden.

T.a.v. grondstoffen werden uiteindelijk slechts diversificatie en risicomanagement genoemd. Prijsstabilisatie is (ondanks een poging daartoe door de Aziatische groep) nergens meer opgenomen. Op aandringen van Colombia is een verwijzing naar de specifieke problemen van de landen die werken aan «eradicating illicit narcotic crops» opgenomen. Erkend werd dat een effectief en efficiënt grondstoffenbeleid niet alleen van internationale prijsontwikkelingen, maar ook van een zorgvuldig en juist nationaal economisch beleid afhangt.

Tenslotte blijft UNCTAD belast met de monitoring van het MOL's Actieprogramma en de «New Agenda for the Development of Africa» (NADAF).

De tweede redactiegroep, onder Tanzaniaanse leiding, kreeg tot taak de paragrafen over investeringen, ontwikkeling van ondernemingen, diensten, en technologie uit te werken.

De onderhandelingen in deze groep verliepen relatief zeer voorspoedig en in een constructieve sfeer, hoewel m.n. de VS en de Aziatische groep met moeite tot concessies bereid waren. Een actieve en essentiële faciliterende rol werd gespeeld door de Zwitserse voorzitter van de ingestelde contactgroep en de Canadese vertegenwoordiger.

De knelpunten betroffen de paragrafen over overdracht van technologie, good governance, fiscale en financiële incentives en de rol van overheden in ontwikkelde landen m.b.t. sturing van investeringsstromen. Daarnaast wensten de VS geen enkele verwijzing naar de WTO-verdragen inzake intellectuele eigendom (TRIPS) en handelsgerelateerde investeringsmaatregelen (TRIMs) en werden op aandringen van de voornaamste B-groep landen door het secretariaat gewenste additionele werkzaamheden in het kader van een «Trade Efficiency Review Mechanism» (TERM) in de kiem gesmoord.

De ontwikkelingslanden wensten een paragraaf over onbelemmerde, preferentiële toegang tot technologie en een verwijzing naar een expansie van restrictieve maatregelen in ontwikkelde landen m.b.t. technologie. Dit was onacceptabel voor de EU, VS en Canada. Het uiteindelijke compromis was in lijn met de wensen van laatstgenoemden: de erkenning dat technologie een kritische factor is voor ontwikkelingslanden teneinde te participeren in de wereldhandel en duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen, en dat de technologische vooruitgang van ontwikkelingslanden, inter alia, bepaald wordt door de beschikbaarheid van technologie op een gezonde commerciële basis, een geschikte «enabling environment» en door de ontwikkeling van «human resources».

Tevens werd de rol die ontwikkelde landen kunnen spelen gereduceerd tot actieve hulp aan MOL's bij hun acquisitie en versterking van technologiecapaciteiten d.m.v. technologielicenties en advisering door experts.

Verwijzingen naar good governance en elementen van dit concept, zoals respect voor eigendomsrechten en rule of law, stuitte op grote weerstand bij de G-77. Deze landen meenden dat UNCTAD niet de organisatie was waar dit concept besproken dient te worden, alhoewel good governance wel een integraal onderdeel was van het Cartagena document. Door vasthoudendheid van de EU, VS en Canada is in een aantal paragrafen toch gerefereerd aan het belang van democratie voor ontwikkeling en aantrekking van investeringsstromen, respect voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden, respect voor eigendomsrechten, «rule of law» en een transparante en «accountable public administration» (in de context van de in april jl. tijdens de hervatte AVVN aangenomen resolutie inzake «public administration and development» omvat dit laatste de belangrijkste elementen van good governance, inclusief de strijd tegen corruptie).

De G-77 wenste eveneens een aantal paragrafen over de sturende rol van ontwikkelde landen die in hun ogen zou moeten bestaan uit het middels financiële en fiscale stimuli sturing geven aan investeringsstromen naar ontwikkelingslanden. Dit stuitte op conceptuele bezwaren bij de EU, VS en Canada, die van mening waren dat het niet tot het werkterrein van overheden behoort particuliere investeringsstromen naar het buitenland te reguleren. In eerste instantie dienen ontwikkelingslanden immers hun eigen investeringsklimaat te verbeteren. Het uiteindelijk bereikte compromis concludeert dat MOL's assistentie nodig hebben als aanvulling op eigen inspanningen. Deze assistentie zou kunnen bestaan uit verbetering van de infrastructuur, human resource development en institutionele capaciteitsopbouw leidend tot verbeteringen in het regulerende en incentives raamwerk.

De derde redactiegroep, onder Noors voorzitterschap, werd opgedragen de tekstonderhandelingen over institutionele vraagstukken (de intergouvernementele machinerie) en technische assistentie te voeren. De besprekingen in de voltallige groep leverden weinig voortgang op zodat de voorzitter besloot tot instelling van (min of meer besloten) subgroepjes voor het echte redactionele werk. Door de gevolgde werkmethode kon vroeger dan verwacht een compromis over de formulering van de tekst worden bereikt.

Het belangrijkste probleem bij de paragrafen over technische samenwerking betrof de bepaling van de voornaamste doelgroep(en). De EU, de MOL's en Afrika streefden naar een exclusieve prioriteit van de MOL's, hetgeen op bezwaren stuitte bij de Latijnsamerikaanse en Aziatische landen alsmede de landen in transitie, die het universele karakter van UNCTAD benadrukten. Terwille van het compromis toonde de EU zich uiteindelijk bereid tot verwijzing naar de landen in transitie, alsmede, op hevig aandringen van de Latijnsamerikaanse landen, naar de «developing countries with structurally weak and vulnerable economies».

In de paragrafen over technische samenwerking wordt uitgebreid ingegaan op de rol en plaatsbepaling van technische samenwerking binnen UNCTAD. Voorts wordt voorzien in een planning en monitoring mechanisme door de TDB. Verder worden de prioriteiten vermeld. Tenslotte wordt een oproep gedaan tot nauwere samenwerking met andere organisaties, m.n. met ITC en WTO.

Tijdens de speciale zitting van de TDB in december 1995 was reeds besloten tot een substantiële vermindering van de omvang van de intergouvernementele machinerie en was m.n. het kader voor de TDB (slechts één jaarlijkse reguliere zitting van twee weken, drie uitvoerende TDB's per jaar) strak geformuleerd. De belangrijkste problemen bij de bespreking van de intergouvernementele machinerie betroffen de vaststelling van het aantal commissies, het vraagstuk van de reiskostenfinanciering van experts uit ontwikkelingslanden, alsmede de institutionalisering van bijeenkomsten met de «civil society» (NGO's, bedrijfsleven, academische wereld).

Voor wat betreft de commissies werd uiteindelijk een compromis bereikt over de invulling van drie commissies, nl.:

– Commissie voor handel in goederen en diensten en grondstoffen

– Commissie voor investeringen, technologie en aanverwante financiële onderwerpen

– Commissie voor ondernemingen, «business facilitation» en ontwikkeling.

Ter bepaling van de taakgebieden van hgg. commissies, wordt verwezen naar de in eerdere hoofdstukken vermelde prioriteiten. Een uitvoerende TDB zal op korte termijn de agenda's van de eerste zittingen van de commissies vaststellen.

Een specifiek probleem bij de bepaling van het aantal commissies vormde de behandeling van de MOL's-problematiek, mede tegen de achtergrond van de organisatiestructuur van het UNCTAD-secretariaat. De MOL's zelf waren voorstander van een aparte MOL's-commissie en waren aanvankelijk alleen bereid hiervan af te zien als de Conferentie zich zou uitspreken ten faveure van een versterking van de MOL's-divisie.

Dit stuitte op de principiële bezwaren bij o.a. de EU, die stelde dat de interne organisatie van het UNCTAD-secretariaat tot de prerogatieven van SG UNCTAD behoort en die bovendien de SG niet wilde dwarsbomen in zijn voornemen de MOL's divisie te ontmantelen en te vervangen door een speciale coördinator. Uiteindelijk werd een compromis bereikt over een formulering waarin wordt gesteld dat de «responsible entity» voor MOL's in staat moet zijn om al zijn taken te vervullen.

Het vraagstuk van reiskostenfinanciering van deelnemers uit ontwikkelingslanden naar exportbijeenkomsten werd doorgeschoven naar de eerstvolgende reguliere TDB (najaar 1996). Wel werd besloten dat jaarlijks maximaal 10 expertbijeenkomsten, met een maximale duur van 3 dagen, door de commissies bijeen kunnen worden geroepen.

De door de SG UNCTAD voorgestelde invulling van een «Development Senate» die als een adviesorgaan van de «civil society» de TDB in haar werkzaamheden zou moeten bijstaan, stuitte aanvankelijk op grote bezwaren bij de EU en bij de meeste G77-lidstaten. Wel was iedereen voorstander van een grotere betrokkenheid van niet-gouvernementele actoren. In de slottekst wordt SG UNCTAD verzocht terzake nadere consultaties te houden.

Verder wordt met waardering kennisgenomen van SG UNCTAD's voornemen om een bijeenkomst te houden met «niet gouvernementele actoren». Deze bijeenkomst, die zal worden gefinancierd met extra budgettaire middelen, zal vermoedelijk in het begin van 1997 plaatsvinden.

Tenslotte zij vermeld dat de Conferentie de AVVN en ECOSOC oproept de relatie tussen de Commissie inzake Wetenschap en Technologie voor Ontwikkeling (CSTD) in UNCTAD te bezien, rekening houdende met de bijzondere verantwoordelijkheden van UNCTAD op het onderhavige terrein.

De politieke verklaring

Nederland nam als een van de vice-voorzitters deel aan de besprekingen in het Bureau, onder voorzitterschap van minister Erwin, die vooral betrekking hadden op de politieke verklaring als onderdeel van het slotdocument van de Conferentie. Elk van de regionale groepen had tevoren elementen voor deze verklaring aangeleverd. De EU-bijdrage omvatte o.a. het beginsel dat de primaire verantwoordelijkheid voor hun ontwikkeling bij betrokken landen zelf berust. Via het «partnership for development» is de internationale gemeenschap echter medebetrokken. UNCTAD zal daarbij een centrale rol spelen, uitgaande van specifieke kerntaken.

De voorzitter stond de volgende structuur voor ogen. Erkennend dat het in Cartagena overeengekomen «partnership for development» niet volledig uit de verf is gekomen, zou het opnieuw centraal moeten worden gesteld. Daarna zou worden ingegaan op de effecten van globalisering en de oprichting van de WTO. Naast de enorme nieuwe mogelijkheden is er het gevaar (in een overgangsperiode) van verdergaande marginalisatie van de minst ontwikkelde landen. Daar ligt de rol van UNCTAD, met zijn specifieke taken (o.a. analyse, technische samenwerking). Wel moest het «partnership» meer inhoud krijgen en worden verbreed (betrekken van de civil society), terwijl de MOL's en de overige ontwikkelingslanden met elkaar en met de «rijke» landen moeten samenwerken. Een omschrijving van de noodzaak voor hervorming van de intergoevernementele machinerie zou worden gevolgd door een pakkende slotuitspraak over de met het bovenstaande beoogde vernieuwing van UNCTAD.

In de daaropvolgende discussie zetten de VS de toon, door zich zeer sceptisch op te stellen over de kansen op een succesvolle afloop van de Conferentie, gezien het moeizame verloop, tot dat moment, van het overleg in de redactiegroepen. Wat was beter, vroeg de VS-woordvoerster zich af: een slecht of in het geheel geen slotdocument? Ook Italië, sprekend namens de EU, toonde zich ontevreden. Het slotdocument moest een demonstratie zijn van de wil tot hervorming van de VN en in het bijzonder van het sociale en economische deel daarvan. Het Verenigd Koninkrijk benadrukte in aanvulling hierop o.a. dat de hervorming van UNCTAD het centrale thema van de verklaring moet zijn. Uit de uiteenzetting van de voorzitter was zulks niet gebleken. Voorts moet bij de taakomschrijving worden ingegaan op de comparatieve voordelen van UNCTAD boven soortgelijke organisaties.

De vervolgens gepresenteerde eerste versie van de Verklaring was teleurstellend, met name omdat de noodzaak van herziening onvoldoende centraal was geplaatst, zodat de EU besloot deze versie af te wijzen, ondanks het te verwachten verlies van «goodwill». Anderzijds bleken ook de ontwikkelingslanden kritiek te hebben; hun bijdragen waren onvoldoende in de ontwerp-verklaring terug te vinden.

De tweede versie was, wat de EU betrof, aanzienlijk beter, met name wat betreft de noodzaak voor hervorming en de prioriteit van de belangen van de MOL's. In het Bureau werd echter vooral door de Aziatische groep stelling genomen tegen het centraal plaatsen van de hervormingsproblematiek.

Aan hieropvolgend EU-delegatieleideroverleg, o.a. ter nadere bespreking van de Verklaring en bilaterale contacten terzake van het Italiaanse Voorzitterschap met minister Erwin, werd door minister Pronk deelgenomen. Minister Pronk legde er de nadruk op dat het politieke karakter van de Verklaring noopte tot een duidelijke weergave van het resultaat van de Conferentie.

In een laatste zitting van het Bureau op de avond voor de slotzitting presenteerde minister Erwin de uiteindelijke versie. Hij maakte duidelijk dat nu een compromistekst op tafel lag, die niet meer kon worden aangepast. Een binnen de EU geformuleerde tekstwijziging (voorstel Nederland en Duitsland) kon in deze «take it or leave it»-situatie niet meer worden ingediend. De conclusie, ook van de EU, was dat in deze versie alle posities goed waren afgewogen en verwoord. Geen van de regionale groepen gaf dan ook aan zich te zullen verzetten tegen aanvaarding in de afsluitende Plenaire vergadering.

In de afsluitende vergadering werden geen echte zaken meer gedaan. De Politieke Verklaring, nu genaamd Midrand Declaration (doc. TD/L.360) en het slotdocument, «A partnership for growth and development» (doc.TD/L/359), werden formeel goedgekeurd (zie bijlagen).

Er zal naar worden gestreefd in juli en in een Uitvoerende Zitting van de TDB te beginnen met de uitwerking van de conclusies, met name wat betreft organisatie en werkwijze van de drie benoemde Commissies. De SG UNCTAD zal zorg dragen voor de herstructurering van zijn secretariaat langs de lijnen zoals eerder in Genève aangegeven.

Het aanbod van Thailand om in het jaar 2000 als gastheer voor de volgende Conferentie op te treden werd in dank aanvaard.

Hierna volgde een lange reeks dankbetuigingen van de woordvoerders van de regionale groepen en individuele landen. UNCTAD, zo was de mening, was erin geslaagd ondanks alle problemen en tegengestelde meningen een «blauwdruk voor zijn overleven» te presenteren. Met respect voor de belangen van de MOL's had de organisatie zijn kerntaken voor de komende periode kunnen definiëren, waarbij de noodzakelijke beperking van de intergoevernementele machinerie volledig was gerealiseerd met het instellen van drie Commissies.

BIJLAGE

Samenstelling van de Koninkrijksdelegatie naar UNCTAD IX, Midrand, Johannesburg, Zuid-Afrika, 26 april–11 mei 1996

Vertegenwoordigers
  
Mw A. van Dok – van WeeleStaatssecretaris van Economische Zaken,
 hoofd van de delegatie
Drs J.P. PronkMinister voor Ontwikkelingssamenwerking
Drs J.-M. Postmaplv. Directeur, Directoraat-Generaal van de
 Buitenlandse Economische Betrekkingen,
 ambtelijk hoofd van de delegatie
  
Leden van de delegatie (alfabetisch)
  
Drs Th. van DijkMinisterie van Economische Zaken
Drs M.C.P. van der KolkPV Genève
Ir J. de Kuiper (plv.)Ministerie van Buitenlandse Zaken
Mr F.J. van de LaarH.M. Ambassade te Pretoria
Mr Drs C.D. NolandMinisterie van Buitenlandse Zaken
Mr G.Chr. Penders (plv.)Ministerie van Economische Zaken
  
Adviseurs van de delegatie
  
Drs J.W.C. ZandvlietGev. Minister H.M. Ambassadeur te
 Pretoria
Ir E.L.P. HessingLid van de Tweede Kamer der S.G.
Drs G.P.M. LeersLid van de Tweede Kamer der S.G.
Prof. dr F. van der PloegLid van de Tweede Kamer der S.G.
Mw M.A. ZwerverLid van de Eerste Kamer der S.G.
  
Administratieve ondersteuning
  
Mw J. KruiderMinisterie van Economische Zaken
Dhr M.F.T. Riemslag BaasMinisterie van Economische Zaken

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven