Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24400-XIII nr. 52 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24400-XIII nr. 52 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 25 juni 1996
Bijgaand doe ik u voor uw informatie toekomen het verslag van de Nederlandse delegatie naar de 20e Zitting van de Raad en de 18e Zitting van de Permanente Comités van de Internationale Tropisch Hout Organisatie (ITHO), Manilla (Filipijnen), 15–23 mei 1996.
VERSLAG VAN DE NEDERLANDSE DELEGATIE NAAR DE 20E ZITTING VAN DE RAAD EN DE 18E ZITTING VAN DE PERMANENTE COMITÉS VAN DE INTERNATIONALE TROPISCH HOUT ORGANISATIE (ITHO), MANILLA (FILIPIJNEN), 15–23 MEI 1996
De Raad komt iedere zes maanden bijeen om zich te buigen over een reeks van onderwerpen die verband houden met de internationale handel in tropisch hout en het beheer van tropische bossen.
De zitting werd geopend door de President van de Repubiek Filipijnen Fidel V. Ramos. President Ramos ging in zijn toespraak in op het Filipijnse streven om de ITHO Jaar-2000-Doelstelling te realiseren en op de inspanningen om het land duurzaam te ontwikkelen. Voorts werden toespraken gehouden door de Ghanese Minister van Land- en Bosbouw Dr. K. Adjei, de Vice-Minister van Bosbouw van Papua Nieuw-Guinea en de Uitvoerend Directeur (UD) van de ITHO Dr. B.C.Y. Freezailah.
De zitting werd geïnspireerd door een binnen de organisatie nog niet eerder vertoond streven naar efficiency en transparantie van de zijde van de nieuwe voorzitter, de heer Don Wijewardana (Nieuw-Zeeland). De nieuwe werkwijze (vergaderschema, informele sessies, transparantie in het besluitvormingsproces) was met name een handreiking naar de consumentenlanden die aanstoot hebben genomen aan de inefficiency en ineffectiviteit van de laatste zittingen.
Als afsluiting van een open onderhandelingsproces nam de Raad een achttal besluiten. De belangrijkste besluiten hebben betrekking op de evaluatie van de voortgang terzake van de Jaar-2000-Doelstelling van de organisatie, verbetering van de samenwerking tussen ITHO en CITES, de inwerkingtreding van de Internationale Tropisch Hout Overeenkomst (ITTA, 1994) en certificering.
Daarnaast werd via bespreking in informele sessies voortgang geboekt met betrekking tot gevoelig liggende onderwerpen met brede implicaties als vergroting van de efficiency en effectiviteit van de organisatie alsmede unilaterale handelsmaatregelen en verbetering van de markttoegang voor tropisch hout. Tijdens de volgende zitting zal over deze onderwerpen verder worden gesproken en wellicht ook besluitvorming plaatsvinden.
Voorts werden twee studies op het gebied van certificering van bos en hout(producten) gepresenteerd en werd mondeling verslag gedaan van de voortgang inzake de ITHO-missie naar Bolivia.
Tenslotte vond de jaarlijkse marktdiscussie plaats tussen vertegenwoordigers van handel en industrie over een actueel thema.
Nederland heeft constructief kunnen bijdragen aan het voorspoedige verloop van de zitting. Ondanks deze positieve ontwikkelingen toonde een groot aantal consumentenlanden zich niettemin wederom ontevreden over de efficiency en effectiviteit van de organisatie en stelden zij vragen bij de rol en positie van de organisatie in het licht van de zich voltrekkende verbreding van de internationale discussie van hout naar bos en van tropische bossen naar alle bossen.
De zitting werd bijgewoond door 43 van de 53 ledenlanden, de Europese Unie en 20 waarnemers, waaronder enkele niet-ledenlanden, VN-organisaties en NGO's.
1. Raadsbesluiten1
De Raad nam de volgende besluiten:
– Decision 1(XX) Projects and Pre-Projects (zie bijlage 1);
– Decision 2(XX) Entry into Force of the International Tropical Timber Agreement, 1994 (zie bijlage 2);
– Decision 3(XX) Strengthening the Project Cycle (zie bijlage 3);
– Decision 4(XX) Update of Study on Certification of all internationally traded Timber and Timber Products (zie bijlage 4);
– Decision 5(XX) ITTO Participation in Country sponsored Initiatives related to the Inter-governmental Panel on Forests (IPF) (zie bijlage 5);
– Decision 6(XX) Management of the Administrative Budget for 1996 (zie bijlage 6);
– Decision 7(XX) Cooperation between ITTO and CITES (zie bijlage 7);
– Decision 8(XX) Mid-Term Review of Progress towards the Achievement of the Year 2000 Objective (zie bijlage 8).
De evaluatie («mid-term review») van voortgang door ledenlanden richting de Jaar-2000-Doelstelling (d.w.z. het streven naar de realisering van de internationale handel in tropisch hout uit duurzaam beheerde bronnen per het jaar 2000) die de vorige zitting een aanvang had genomen, was ditmaal wederom een belangrijk aandachtspunt.
De evaluatie resulteerde na een intensief onderhandelingsproces in de voorzittersgroep in een besluit van de Raad (8 (XX)) met de volgende belangrijkste elementen:
– de producentenlanden worden aangemoedigd om in aanvulling op bestaand(e) nationa(a)l(e) wet- en regelgeving en beleid, voort te gaan met de ontwikkeling van nationale strategiën ter realisering van de Jaar-2000-Doelstelling;
– de producentenlanden worden verzocht eind september dit jaar schattingen aan de Raad voor te leggen van de behoeften en kosten in verband met de realisering van de Jaar-2000-Doelstelling;
– een expert panel zal deze schattingen beoordelen, aanbevelingen doen voor het mobiliseren van de benodigde middelen en rapporteren aan de volgende zitting van de Raad;
– de Raad zal het rapport van het expert panel tijdens de volgende zitting bespreken en eventueel noodzakelijk geachte aanvullende maatregelen overwegen teneinde de Jaar-2000-Doelstelling te bevorderen.
De Raad heeft besloten een bespreking en mogelijk besluit over de eventuele noodzaak tot het verder ontwikkelen van voorbeelden van indicatoren van duurzaam bosbeheer zoals vervat in de «Criteria for the Measurement of Sustainable Tropical Forest Management» tot de volgende zitting uit te stellen. Met de verdere ontwikkeling wordt beoogd de indicatoren bruikbaarder te maken en ze facilitair te maken voor het meten en monitoren van voortgang richting de realisering van de Jaar-2000-Doelstelling alsook voor het schatten van de benodigde middelen. In zijn openingsspeech had de UD voorgesteld om de criteria en indicatoren via een uitgewerkte, gefaseerde aanpak aan te passen teneinde een brug te slaan tussen hoge aspiraties enerzijds en practische ervaring met wat haalbaar is anderzijds.
3. Internationale Overeenkomst inzake Tropisch Hout, 1994
In januari 1994 is de tekst van de Internationale Overeenkomst inzake Tropisch Hout (ITTA, 1994) met bijlagen als opvolger van het verdrag uit 1983 vastgesteld. Deze zitting heeft de Raad de UD gemachtigd om de SG UNCTAD te verzoeken tot het bijeenroepen van een conferentie op enigerlei tijdstip gedurende de derde zitting van het Intergoevernementeel Bossenpanel (IPF) van de VN Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CSD) (Genève, 9–20 september 1996), teneinde te bevorderen dat de ITTA, 1994 op 1 januari 1997 in werking zal treden (Besluit 2(XX)). Deze datum is gekozen vanwege het 10-jarig bestaan van de organisatie in 1997 en de aanvang van het nieuwe fiscale jaar per 1 januari 1997.
Nederland en Duitsland zijn medio 1995 reeds tot ondertekening en voorlopige toepassing van het nieuwe verdrag overgegaan. De EU en de overige Lid-Staten hebben dit voorbeeld begin mei 1996 gevolgd. De nationale ratificatieprocedure terzake van de ITTA, 1994 loopt momenteel en het streven is gericht op afronding daarvan voor eind 1996.
3.2 Efficiency en effectiviteit
Door een aantal consumentenlanden was en marge van de vorige zitting informeel al enig denkwerk en discussie besteed aan een verbetering van de algemene efficiency en effectiviteit van de organisatie. De consumentenlanden zijn in toenemende mate ontevreden over de structuur en het functioneren van de organisatie en stellen vragen bij de rol en positie van de organisatie in het licht van de zich voltrekkende verbreding van de internationale discussie van hout naar bos en van tropische bossen naar alle bossen. Zij zijn van mening dat de inwerkingtreding van de ITTA, 1994 de gelegenheid biedt en een noodzaak inhoudt voor een gedegen renovatie van de organisatie.
De Raad nam de vorige zitting op voorstel van de consumentenlanden Besluit 4(XIX) aan waarbij werd bepaald dat tijdens de eerstvolgende zitting een discussie zou dienen plaats te vinden over de implicaties van de inwerkingtreding van de ITTA, 1994. Als basis voor de discussie zou een rapport van de UD moeten dienen over het management van het werk van het Secretariaat, de Raad en de Permanente Comité's waarin zou worden voortgebouwd op de ervaring opgedaan onder het huidige verdrag (ITTA, 1983) en aanbevelingen zouden worden gedaan voor noodzakelijke veranderingen in het licht van de ITTA, 1994. Het nieuwe verdrag brengt namelijk nieuwe taken voor de organisatie met zich mee en zal daarnaast een nieuwe prioriteitstelling ten aanzien van bestaande taken inhouden.
In zijn openingsspeech gaf de UD echter aan dat hij het niet opportuun had geacht een rapport op te stellen omdat de organisatie reeds in een voortdurend proces van diverse reorganisaties verwikkeld is en hij een adempauze op zijn plaats achtte. Hij was van mening dat beter eerst de uitkomsten van de lopende reorganisaties konden worden afgewacht alvorens de Raad desgewenst tot een nieuwe reorganisatie zou besluiten. Op die wijze zou een betere basis bestaan om te beoordelen welke nieuwe elementen met het oog op de inwerkingtreding van de ITTA, 1994 zouden moeten worden geïntroduceerd.
De consumentenlanden waren zeer verontwaardigd over deze «openlijke obstructie van een duidelijke en rechtstreekse opdracht van de Raad» en verzochten de UD om een zakelijke opheldering te verschaffen over de motieven voor zijn nalatigheid. De UD bleek hiertoe niet bereid aangezien hij naar zijn mening reeds voldoende helderheid had verschaft in zijn speech. Teneinde de UD tot actie te bewegen werkten de consumentenlanden als stok achter de deur aan een concept-besluit waarin werd bepaald dat een gekwalificeerde management consultant de UD zou moeten bijstaan bij het opstellen van het rapport waarom door de Raad was verzocht en de ledenlanden in de gelegenheid zouden worden gesteld om hun opvattingen over het management van de organisatie en de noodzakelijk geachte veranderingen aan de UD kenbaar te maken. Dit concept-besluit zou later op instigatie van de UD worden getroffen door een blokkade van de producentenlanden (zie 6. hierna).
In reactie op de druk die door de consumentenlanden op hem werd uitgeoefend, gaf de UD uiteindelijk een voorlopige uiteenzetting over nieuwe elementen die verband houden met de inwerkingtreding van de ITTA, 1994 en deed hij de toezegging een alomvattend rapport op te stellen ten behoeve van discussie en besluitvorming door de Raad tijdens de volgende zitting. De UD zal bij het opstellen van het rapport worden bijgestaan door een kleine groep van de meest betrokken ledenlanden. Zij zullen voor dit doel tussentijds door de UD op de zetel van de organisatie worden uitgenodigd. De toon voor de volgende zitting lijkt nu reeds gezet.
De vormgeving van deze activiteit hangt nauw samen met de inwerkingtreding van de ITTA, 1994 en de algemene verbetering van de efficiency en effectiviteit van de organisatie. Twee consultants ingehuurd door de UD presenteerden deze zitting hun interim rapport over een versterking van de projectcyclus aan de Raad. Deze verzocht de consultants om hun werkzaamheden voort te zetten met inachtneming van het commentaar van de Raad en hun eindrapport aan de volgende zitting te presenteren (Besluit 3(XX)). De ledenlanden hebben tot 20 juli a.s. gelegenheid om hun schriftelijke commentaar aan de UD toe te sturen. De vergadering van het Expert Panel for Technical Appraisal of Project Proposals in augustus a.s. zal met twee dagen worden verlengd teneinde het panel in de gelegenheid te stellen om opties te ontwikkelen en uit te werken voor een versterking van de projectcyclus en deze te bespreken met de consultants.
De Raad zette ook deze zitting met het zich voortslepende debat over de relatie tussen de ITHO en de Convention on International Trade in Endangered Species of Flora and Fauna (CITES) voort. De producentenlanden wensten wederom uiting te geven aan hun verontrusting over het plaatsen van een mahoniesoort op Appendix III (verplichting tot registratie van internationale handel) van CITES op voorstel van Costa Rica. Ook de CITES Plants Officer was weer aanwezig om waar nodig nadere uitleg en raad te geven.
Met de bedoeling om de verhouding met de producentenlanden te verbeteren en in de hoop een eind te kunnen maken aan het debat waren de consumentenlanden ditmaal bereid om een constructieve houding in te nemen ten aanzien van een mogelijk besluit inzake CITES.
Na intensieve onderhandeling in de voorzittersgroep besloot de Raad (Besluit 7(XX)) dat de UD zorg dient te dragen voor een effectieve participatie van de ITHO in de tijdelijk ingestelde CITES Timber Working Group (TWG). De TWG kijkt naar de practische en technische aangelegenheden in verband met de implementatie van CITES voor houtsoorten en zal terzake aanbevelingen doen aan de 10e CITES Conferentie van Partijen. De bijdrage van de ITHO aan de TWG dient met name gericht te zijn op het benadrukken van het belang van commercieel verhandelde tropische houtsoorten voor de economische ontwikkeling van de tropisch houtproducerende landen en van de noodzaak om obstakels voor de internationale handel in tropisch hout te voorkomen.
Twee studies over het certificeren en keurmerken van duurzaam geproduceerd hout werden gepresenteerd aan de Raad. Het betrof enerzijds een studie naar markten en marktsegmenten voor gecertificeerd(e) hout(producten) en anderzijds een algemene studie naar ontwikkelingen in de formulering en implementatie van certificatieschema's voor alle internationaal verhandelde hout(producten).
In het eerste rapport werd geconcludeerd dat er slechts een zeer beperkte markt voor gecertificeerd(e) hout(producten) is die zich slechts marginaal zal ontwikkelen en dat de markt in het algemeen niet bereid is om een premie voor duurzaam geproduceerd hout te betalen. Het rapport werd sterk bekritiseerd vanwege de slechte kwaliteit en geringe onderbouwing. Derhalve werd besloten om het slechts in zeer beperkte kring te distribueren.
Voor het tweede rapport bestond alom waardering. Het werd algemeen beschouwd als een critisch en constructief rapport dat beoogt een bijdrage te leveren aan een effectieve implementatie van certificering. In het rapport wordt certificering onder meer omschreven als een aangelegenheid die de Noord-Zuid tegenstelling overstijgt en mondiaal van aard is. De opstellers waren van mening dat het rapport slechts voorlopige bevindingen kon betreffen aangezien nog slechts zeer weinig betrouwbare informatie voorhanden is en feiten en meningen maar moeilijk te onderscheiden zijn.
In de algemene discussie naar aanleiding van de presentatie van dit rapport werd onder meer gewezen op de comparatieve voordelen van hout uit gematigde streken ten opzichte van tropisch hout, de toepasselijkheid van initiatieven door de industrie (ISO) respectievelijk de milieubeweging (FSC), de relevantie van certificering voor locale markten, het belang van tracering van hout(producten) door de gehele keten van 'zand tot klant', de kwetsbare positie van kleine en middelgrote bosbedrijven en het kostenaspect.
Hoewel veel ledenlanden geen directe rol voor de organisatie inzake certificering zien weggelegd, werd besloten om de ontwikkelingen op dit gebied te blijven volgen. De Raad verzocht de UD om twee consultants te contracteren teneinde een alomvattend geactualiseerd rapport over certificering van alle hout(producten) aan de 23e zitting van de Raad (Yokohama, november 1997) voor te leggen (Besluit 4(XX)).
6. Unilaterale handelsmaatregelen en markttoegang
Tijdens de vorige vergadering vond een confrontatie tussen producenten- en consumenten-landen plaats over de zogenoemde unilaterale acties van consumentenlanden op alle overheidsniveau's gericht op een beperking of verbod van de internationale handel in tropisch hout. De producentenlanden wilden toen via een besluit van de Raad uiting geven aan hun verontrusting over die acties vanwege de teruglopende inkomsten uit de internationale handel in hout die daarvan het gevolg zijn. Deze inkomsten zijn dringend benodigd voor de financiering van de totstandbrenging van duurzaam bosbeheer. De consumentenlanden gaven echter aan dat zo'n besluit voor hen niet aanvaardbaar was. Het concept-besluit werd ditmaal wederom door de producenten op tafel gelegd en door de consumenten geblokkeerd.
Om de impasse te doorbreken en het onderwerp bespreekbaar te maken belegde de voorzitter een informele sessie. Ter inleiding van de discussie werden door Maleisië en Nederland presentaties gehouden van de respectieve standpunten van de producenten- en de consumentenlanden. Van producentenzijde werd onder andere gewezen op de immense behoefte aan financiële middelen voor de totstandbrenging van duurzaam bosbeheer in zijn volle omvang, het grote belang dat zij hechten aan handel boven ontwikkelingssamenwerking («more trade than aid») ten behoeve van een zelfstandige ontwikkeling en op de verplichtingen die uit de WTO voor de gehele overheid voortvloeien. Van consumentenzijde werd erop gewezen dat de problemen van de producentenlanden worden onderkend, de consumentenboycots de aandacht van de centrale overheden hebben maar dat geen juridische middelen ter beschikking staan om regulerend op te treden, een eventueel noodzakelijk geachte verandering in de houding van de lagere overheden beter via de constructieve weg van voorlichting en dialoog tot stand kan worden gebracht en tenslotte dat de producentenlanden zelf in dit verband een substantiële bijdrage kunnen leveren door tijdig duurzaam geproduceerd tropisch hout in voldoende hoeveelheden op de internationale markt aan te bieden.
De inleidingen en discussie hebben zeker bijgedragen aan een beter inzicht in de achtergronden van de wederzijdse standpunten. Niettemin zijn de standpunten ver uiteen blijven liggen en zal tijdens de volgende zitting verdere discussie nodig zijn om het onderwerp in een beter perspectief te kunnen plaatsen en meer gebalanceerd te kunnen presenteren.
De producentenlanden zullen alsdan echter zonder twijfel zeer grote druk uitoefenen om tot besluitvorming door de Raad te komen, zonodig ten koste van besluitvorming over onderwerpen waaraan door de consumentenlanden groot belang wordt gehecht.
Zo werd de blokkade van de consumentenlanden op het concept-besluit van de producenten-landen deze zitting al – ondanks de constructieve houding van de consumentenlanden inzake het CITES-besluit – beantwoord met een blokkade van een concept-besluit van de consumentenlanden inzake vergroting van de efficiency en effectiviteit van de organisatie.
De leider van de ITHO-missie naar Bolivia ter bevordering van duurzaam bosbeheer in dat land, Dr. Kenneth F. King (Ghana), heeft mondeling verslag gedaan van de nog voorlopige bevindingen van de missie. Het schriftelijke eindverslag zal medio augustus gereed zijn en worden voorgelegd aan de zitting van de Raad in november dit najaar.
De missie trekt onder meer de tentatieve conclusie dat de bossector een belangrijke rol kan spelen in de sociaal-economische ontwikkeling van het land en beveelt aan om boswetgeving, -beleid en een industrieplan op te stellen alsmede een bosdienst op te zetten. De bosgebieden van Bolivia dienen in kaart te worden gebracht en onder te worden verdeeld in gebieden die in aanmerking komen voor exploitatie resp. bescherming. De Boliviaanse overheid heeft reeds enkele van de voorlopige conclusies en aanbevelingen overgenomen.
De jaarlijkse marktdiscussie had dit jaar als thema 'Changing Trade Flows in the Light of Sustainable Tropical Forest Management'. Voor de eerste keer werd de discussie georganiseerd en voorgezeten door vertegenwoordigers van de handel en industrie, dit uit onvrede over de inzet van het Secretariaat bij voorgaande gelegenheden. Inleidingen over het thema werden gehouden door sprekers uit Brazilië, Filipijnen, Ghana, Japan, Nederland en de Verenigde Staten. De heer A. Stoit, voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Houtondernemingen (VVNH), belichtte het thema vanuit het Europese perspectief.
De algemene uitkomst van de discussie was dat duurzaam bosbeheer slechts een van de vele factoren van variërend belang is die gezamenlijk van invloed zijn op de internationale handel. Als belangrijkste ontwikkeling in de huidige internationale handel in tropisch hout werd genoemd de snelle opkomst van Aziatische landen anders dan Japan als belangrijkste importeurs van alle soorten hout en als belangrijkste spelers in boskapactiviteiten in de resterende tropische bossen op de wereld. Deze ontwikkeling biedt enerzijds nieuwe kansen maar houdt zeker ook grote risico's in. Een andere belangrijke ontwikkeling is die met betrekking tot plantages. Zij nemen gestaag in aantal toe en worden steeds belangrijker als basis voor de houtproductie. Tenslotte werd opgemerkt dat voor producentenlanden de toekomst van de handel in tropisch hout ligt in het vervaardigen van producten met toegevoegde waarde.
Zoals gebruikelijk vergaderden de permanente comite's simultaan en vond discussie plaats over het projectprogramma van de organisatie. Deze zitting werden 14 nieuwe projecten en 8 nieuwe pre-projecten goedgekeurd en besloten tot het bijeenroepen van het 12e Expert Panel for Technical Appraisal of Project Proposals (Besluit 1(XX)). Nederland heeft voor een periode van 2 jaar zitting in dit panel.
Opvallend was de geringe kwaliteit van de ingediende voorstellen. Het Expert Panel heeft aanbevolen om projectvoorstellen meer te richten op activiteiten die een concrete bijdrage leveren aan de realisering van de Jaar-2000-Doelstelling en kritisch te kijken naar voorstellen die liggen op de rand van het mandaat van de organisatie. Daarnaast heeft het panel gewezen op het belang dat projecten ook na beëindiging van financiering in ITHO-kader levensvatbaar zijn.
9.2 Permanent Comité voor Marktinformatie (PCM)
Verslag werd gedaan van de voortgang van een pré-project inzake de evaluatie en verbetering van de statistische functies en netwerken van de organisatie (PPD 12/95 Rev.2 (M)). Voor de uitvoering ervan is een technische werkgroep ingesteld waaraan door een Nederlandse expert wordt deelgenomen. De werkgroep heeft ten doel het opstellen van een rapport ter voorlegging aan de volgende zitting van de Raad in november dit jaar. De Raad zal dan de preciese rol van de organisatie op genoemd gebied dienen vast te stellen binnen het mandaat van de ITTA, 1994 en die van andere internationale organisaties alsmede binnen het beschikbare budget. Gewezen werd op het belang om afdoende participatie (direct danwel indirect) van de handel en de milieubeweging in de tweede en tevens laatste vergadering van de werkgroep in juni dit jaar te verzekeren De vierde fase van het Nederlandse project PD50/94 (M,I) Selection and Introduction of Lesser-known and Lesser-used Species for Specific End-uses zal na deze zitting van de projectenlijst worden afgevoerd als gevolg van een onvoldoende financiële dekking.
De behandeling van een derde herziene versie van project PD 1/95 Rev.2 (M) Training Development on Assessment of Sustainable Forest Management in Indonesia (Indonesia) zal tijdens de volgende zitting plaatsvinden. Het Indonesische Ecolabelling Instituut (LEI) heeft reeds nationale criteria en indicatoren voor duurzaam bosbeheer op basis van de ITHO-criteria opgesteld. Doel van het project is de totstandkoming van duurzaam bosbeheer in Indonesië te versnellen door de implementatie van een certificatieschema. Van Nederlandse zijde is in een eerder stadium reeds belangstelling getoond om het project mede te financieren.
9.3 Permanent Comité voor Herbebossing en Bosbeheer (PCF)
Het comité heeft aandacht besteed aan de voortgang van 54 projecten en 12 pré-projecten in uitvoering, de eindrapporten van 6 voltooide (pré-)projecten en aan voorstellen voor 7 nieuwe projecten en 5 nieuwe pré-projecten.
Een punt van zorg is dat een groot aantal projecten niet binnen de oorspronkelijk getelde termijn wordt afgerond. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Daarnaast is het laten doorstromen van ervaringen opgedaan in de vele projecten naar andere landen en regio's en (beleids-)niveaus een probleem waarvoor nog geen oplossing in zicht is.
Het comité heeft een herziene versie besproken van PPD 6/93 Rev.1 (F) inzake de ontwikkeling van richtlijnen voor de bescherming van tropische bossen tegen vuur en besloten tot verlenging van het pré-project teneinde de concept-richtlijnen af te ronden. Nederland was een van de landen die commentaar had geleverd op het oorspronkelijke voorstel.
De discussie terzake van PPD 12/93 (F) inzake biotechnologie en bevordering van duurzame productie van tropisch hout is vervolgd. Het comité deed een oproep om indiening van soortgelijke projecten te bevorderen vanwege de positieve bijdrage die biotechnologie aan de verbetering van het bosbeheer kan leveren.
9.4 Permanent Comité voor Bosbouw Industrie (PCI)
Het comité heeft besloten tot verlenging van PD 1/93 Rev. 1 (M,F,I) «ITTO Fellowship Programme – Phase II» met een jaar. Doelstelling van het project is het bevorderen van de ontwikkeling van opleiding en institutionele versterking van de bosbouwsector in producentenlanden. Onder dit project zijn reeds 145 fellowships verstrekt aan ontvangers in 23 ledenlanden. Het comité sprak zijn vertrouwen uit over het project als effectief middel om training, overdracht van technologie en samenwerking tussen ledenlanden tot stand te brengen.
10. Financiële aangelegenheden
De Raad verleende de UD toestemming om USD 200 000,- van het werkkapitaal naar de lopende rekening over te schrijven om een verwacht tekort op de begroting van het lopende jaar voor de implementatie van het werkprogramma van de organisatie op te vangen (Besluit 6(XX)). Het voorziene tekort is het gevolg van een achterstand in de voldoening van de contributieverplichtingen door de ledenlanden.
De Raad deed een oproep aan de ledenlanden om hun achterstallige contributies van het lopende jaar en voorafgaande jaren zo spoedig en volledig mogelijk te voldoen. Nederland heeft zoals gebruikelijk geheel en tijdig aan zijn contributieverplichtingen voldaan.
Een bedrag van USD 8,67 miljoen werd door donorlanden (i.h.b. Japan) gecommitteerd voor de financiering van het projectprogramma van de organisatie. Ditmaal werden door Nederland geen toezeggingen voor projectfinanciering gedaan.
– 21e zitting van de Raad, Yokohama (Japan), 13 – 20 november 1996;
– 22e zitting van de Raad, Santa Cruz (Bolivia), 21 – 30 mei 1997;
– 23e zitting van de Raad, Yokohama (Japan), 12 – 20 november 1997.
12. Samenstelling van de delegatie
De Nederlandse delegatie was als volgt samengesteld:
mr. M. Braeken (EZ/BEB/DHZ/MES) – gedelegeerde;
ir. D. de Groot (LNV/IKC/NBLF) – plv. gedelegeerde;
mw. drs. I. van Tol (DGIS/DIO/EP) – plv. gedelegeerde;
ir. E. Lammerts van Bueren (Stichting Tropenbos) – adviseur;
A. Stoit (VVNH) – adviseur.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24400-XIII-52.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.