24 400 XIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) voor het jaar 1996

nr. 50
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 19 juni 1996

Met deze brief bied ik u het rapport van de externe evaluatie van de regeling technische ontwikkelingskredieten (TOK)1 aan en wil ik u informeren over de beleidsontwikkelingen omtrent het TOK. Tevens maak ik u, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, zesde lid, van de Kaderwet verstrekking financiële middelen EZ, kenbaar voornemens te zijn binnenkort een voordracht te doen voor een nieuw Besluit technische ontwikkelingskredieten 1997.

1. De evaluatie van het TOK

In 1995 is door een extern bureau een evaluatie-onderzoek uitgevoerd naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het TOK. Bij deze evaluatie is, zoals ik heb toegezegd nadrukkelijk aandacht besteed aan de resultaten en de spin-off van het TOK. Als bijlage bied ik u het eindrapport van het onderzoek aan. Hiermee heb ik gewacht tot ik u concreet aan kon geven wat met de resultaten van het onderzoek wordt gedaan.

De hoofdconclusie is: houd de opzet en het karakter van de TOK-regeling in stand, aangezien van een doelmatige regeling sprake is. Kort samengevat zijn de belangrijkste bevindingen als volgt:

– In driekwart van de projecten is het TOK van beslissende invloed op de doorgang van het project, het «free-riders» effect bij het TOK is beperkt.

– De TOK-projecten zijn in hoge mate innovatief en risicovol.

– De resultaten van de TOK-projecten zijn beter dan van minder risicovolle projecten:

* vaker een blijvende verhoging van R&D-uitgaven;

* positievere resultaten t.a.v. werkgelegenheid, omzet en investeringen.

– De selectiecriteria zijn in samenhang complex.

– Bij kleinere bedrijven is de faalkans van projecten groter.

– Vereenvoudiging van de aanvraagprocedure is gewenst.

2. Beleidsdoelstellingen

In de nota «Kennis in beweging» ( kamerstukken II 1994/95 24 229 nr. 1 met bijlage) is aangegeven dat vanwege de achterstand van de Nederlandse economie op het terrein van kennis en technologie investeren in R&D een van de hoofdlijnen van het beleid is. Om het uitvoeren van ontwikkelingsprojecten door het bedrijfsleven te stimuleren, zal het TOK ook zijn bijdrage moeten blijven leveren, mede vanwege het gebleken succes. Zoals in «Kennis in beweging» is aangekondigd, zal de toegankelijkheid voor het MKB worden vergroot. Ook zal worden getracht de effectiviteit van met name de kleinere kredieten te vergroten. Dit heeft een aantal wijzigingen van de AMvB en de uitvoering tot gevolg. Deze wijzigingen worden in deze brief besproken.

3. Voordracht gewijzigd Besluit technische ontwikkelingskredieten

Teneinde het TOK toegankelijker te maken voor het MKB wordt een viertal aspecten in de AMvB gewijzigd. Deze aspecten betreffen het selectiecriterium m.b.t. het technische risico, de kostendefinitie, de rapportageverplichting bij technisch mislukte projecten en de voorstudie.

De selectiecriteria

Een van de aanbevelingen van de evaluatie is om het criterium «meer dan normaal technisch risico» te herformuleren. Dit criterium wordt door de aanvrager niet begrepen, een ondernemer mag in zijn ogen niet «meer dan normaal» risico gaan lopen door een project. Het onbegrip wordt vergroot door de spanning tussen dit criterium en de eis dat er vertrouwen dient te zijn in de technische haalbaarheid van het project.

Voornemen: «meer dan normaal» te vervangen door «substantieel».

De kostendefinitie

Het grootste probleem bij het TOK voor de kleinere TOK-gebruikers blijkt de kostendefinitie te betreffen. Het TOK kent sinds de AMvB van 1994 een limitatief beschreven integrale kostendefinitie. Door deze definitie is bij alle bedrijven herziening van de kostenverdeelstaat en herberekening van opslagpercentages vereist. Dit leidt door het afwijken van de reguliere kostentoerekening tot een slechtere fraudebeheersing en tot veel extra werk bij bedrijven en de uitvoeringsorganisatie Senter. Omdat het TOK als enige regeling uitgaat van integrale kosten, kent alleen het TOK dit probleem.

Voornemen: overgaan tot een niet limitatief omschreven integrale kostendefinitie, welke aansluit bij de door de aanvrager gebruikte kostentoerekeningssystematiek. Hiermee stijgt de bedrijfsvriendelijkheid en uitvoerbaarheid van de regelgeving aanzienlijk.

Rapportageverplichting

Een aspect dat van invloed is op de lastendruk, is de periode waarover de ondernemer een rapportageverplichting heeft over o.a. de behaalde omzetten (met bijpassende accountantsverklaringen). In de huidige situatie geldt die verplichting gedurende tien jaar of totdat gedurende een aaneengesloten periode van vijf jaar geen omzet is verkregen. Bij technisch mislukte projecten wordt geen omzet behaald en is er derhalve sprake van een overbodige rapportageverplichting gedurende vijf jaren.

Voornemen: voor de technisch mislukte projecten, waarvan de ontwikkeling is stopgezet en nooit omzet gemaakt zou kunnen worden kan de ondernemer kwijtschelding van het krediet aanvragen (en daarmede ook ontheffing krijgen van de rapportageverplichting).

Voorstudie

In de huidige situatie kunnen ondernemingen met minder dan 100 werknemers kosten voor het opstellen van het projectplan en het onderzoeken van de haalbaarheid van het project als projectkosten opvoeren. Reden hiervoor is dat deze kosten veelal niet zelfstandig door het MKB kunnen worden gedragen; deze bedrijven kunnen de risico's van mislukking niet spreiden over een groep van projecten.

In de huidige situatie weet de aanvrager van tevoren niet of hij ook een TOK krijgt en dus of hij zijn in dat kader te maken haalbaarheidskosten ook achteraf gefinancierd krijgt. Ook krijgt men alleen kosten van derden vergoed en kleinere bedrijven zijn minder geneigd deze kosten te maken. De mogelijkheid is om deze redenen tot op heden nauwelijks benut. Voor kleinere ondernemingen zou een voorstudie echter van groot nut kunnen zijn om de eigen besluitvorming voor uitvoering van de ontwikkeling op te funderen. Voor EZ kan in twijfelgevallen een voorstudie gewenst zijn om meer vertrouwen in het project te krijgen.

Voornemen: De mogelijkheid tot het subsidieren van een voorstudie op te nemen in de fase van de behandeling van een TOK-aanvraag. Indien er onvoldoende vertrouwen in het project is om tot toekenning van het krediet over te gaan, kan worden besloten tot opschorten van de aanvraagprocedure, in afwachting van de uitkomsten van de voorstudie. De voorstudie zou gericht moeten zijn op het opsporen van lacunes in kennis van het project. Het betreft hier een subsidie aan een beperkt aantal aanvragers met een beperkte omvang van de kosten. In de voorliggende AMvB is in artikel 8 lid 2, de mogelijkheid geschapen om dit voornemen per ministeriële regeling nader te regelen.

4. Uitvoeringstechnische wijzigingen

Vereenvoudiging van de aanvraagprocedure

De toegankelijkheid van een regeling wordt sterk vergroot door vereenvoudiging van de aanvraagprocedure. Met ministeriële regeling is ingaande 1 januari 1996 een versimpeld aanvraagformulier ingevoerd, in omvang teruggebracht van 8 pagina's naar 1. Eveneens per 1 januari is een eenvoudige folder ingevoerd. De reactie hierop vanuit het bedrijfsleven is onverdeeld positief. Momenteel wordt een TOK-handboek opgesteld dat de aanvrager begeleidt bij het opstellen van zijn projectplan en het indienen van de aanvraag. Standaard wordt een kleinere aanvrager ter begeleiding door een Senter-adviseur bezocht tijdens de aanvraagfase.

Begeleiding tijdens de uitvoering van het project

Senter-adviseurs brengen extra bedrijfsbezoeken bij kleinere bedrijven die een TOK-project in de ontwikkelingsfase hebben. Doel hiervan is met name om de ondernemer een spiegel te kunnen voorhouden over zijn project en de ontwikkeling daarbij. Door de bedrijven wordt zo'n onafhankelijke spiegel voor zijn handelen als zinvol ervaren voor het herkennen en oplossen van knelpunten. De verwachting is dat de slaagkans van de projecten (en dus de effectiviteit van het beleid) door deze bezoeken zal stijgen.

Ik vertrouw u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Economische Zaken

G. J. Wijers


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven