nr. 71
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING
EN MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 13 mei 1996
In het Besluit locatiegebonden subsidies (BLS) is in artikel
18 opgenomen dat de jaarlijks uit te betalen bedragen jaarlijks worden verhoogd
dan wel verlaagd met een prijsindexcijfer. De eerste indexering vindt volgens
dat artikel plaats op 31 december van het jaar volgend op de ondertekening
van het VINEX-convenant.
De veronderstelling bij het opstellen van dit artikel was dat in 1994
alle VINEX-convenanten getekend zouden zijn.
De praktijk heeft uitgewezen dat het goed uitonderhandelen van een dergelijk
contract, voor beide partijen, veel tijd vraagt. In dit geval langer dan voorzien.
Behalve voor het stadsgewest Utrecht zijn dan ook alle VINEX-convenanten in
de loop van 1995 ondertekend in plaats van in 1994.
Dit heeft als consequentie dat alle stadsgewesten waarmee VINEX-convenanten
zijn afgesloten m.u.v. Utrecht, op basis van het eerder genoemde artikel 18
van het BLS, de prijscompensatie per 31/12/1995 missen. Deze beloopt voor
alle budgethouders tezamen een bedrag van f 35,6 mln. Omdat in de convenanten
is overeengekomen dat het totale bedrag in tien jaarlijkse termijnen zal worden
uitbetaald zal het missen van een jaar prijscompensatie over de gehele VINEX-periode
doorwerken.
Hierdoor krijgen de budgethouders een lagere rijksbijdrage in de grondkosten
dan die waarop zij bij de veronderstelde ondertekening in 1994 mochten rekenen.
De nu ontstane situatie acht ik ongewenst uit het oogpunt van de beoogde
woningproduktie op de VINEX-locaties. Ik ben dan ook voornemens om, in afwijking
van art. 18 van het BLS, de eerste prijscom-pensatie per 31/12/1995
toe te kennen. Het betreft de compensatie naar prijspeil 1996. De budgettaire
gevolgen zullen in de eerste suppletoire begroting worden verwerkt.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
D. K. J. Tommel