nr. 41
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING
EN MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 12 december 1995
In de begroting van de uitgaven van het ministerie van VROM voor het jaar
1995 (Kamerstukken II 1994/95, 23 900 XI nr. 2) zijn bij artikel 03.35,
het «Budget locatiegebonden subsidies»,verplichtingen
en uitgaven geraamd welke aan onder andere de provincies als budgethouder
in de vorm van subsidie beschikbaar worden gesteld voor het ontwikkelen in
de periode 1995–2005 van woningbouwlocaties in verstedelijkt gebied
zoals aangegeven in de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex).
Met de provincies zijn daartoe in juli 1994 bestuursakkoorden gesloten
waarbij onder andere is overeengekomen om de eerste subsidiejaartranche in
1995 te voldoen. Voor het doen van deze betalingen op grond van het Besluit
locatiegebonden subsidies (BLS) diende dat besluit te worden gewijzigd. Die
wijziging is in het Staatsblad van 14 november 1995, nr. 527, gepubliceerd.
Gelet op artikel 83 van de Woningwet kan de wijziging eerst met ingang
van 14 januari 1996 in werking treden. Dat zou betekenen dat de op grond van
het BLS aan te gane verplichtingen eerst in 1996 kunnen worden aangegaan en
dat ook de jaartranche 1995 volgens het BLS eerst dan kan worden uitgekeerd.
Gegeven de met de provincies gesloten bestuursakkoorden heb ik –
met inachtneming van beginselen van behoorlijk bestuur (i.c. het vertrouwensbeginsel) –
besloten om vooruitlopend op de inwerkingtreding van de wijziging van het
BLS nog in 1995 de toegezegde subsidiejaartranche van in totaal f 42,7
mln voor 1995 aan de provincies uit te keren. Deze uitkering zal niet plaatsvinden
voordat het koninklijk besluit dat die inwerkingtreding regelt is bekrachtigd
en van mijn contraseign is voorzien.
Hiermee wordt de voortgang in de ontwikkeling van de betreffende VINEX-locaties
gestimuleerd. Een bijkomend voordeel is dat het Rijk daardoor
geen rentevergoeding verschuldigd is, wat wel het geval zou zijn indien eerst
in 1996 zou worden betaald.
Met het in 1995 registreren van de aan de provincies toe te kennen rijksbijdrage
en het in 1995 betalen van de jaartranche 1995 is in de verplichtingen- en
uitgavenraming voor het jaar 1995 van het eerder genoemde begrotingsartikel
03.35 rekening gehouden.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
D. K. J. Tommel