24 327 (R 1543)
Protocol tot wijziging van de op 25 november 1975 te Paramaribo ondertekende Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname; Paramaribo, 14 november 1994

A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 6 februari 1995 en het nader rapport d.d. 19 juli 1995, aangeboden aan de Koningin door de minister van Buitenlandse Zaken.

Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 15 december 1994, no. 94.010060, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, bij de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het Protocol tot wijziging van de op 25 november 1975 te Paramaribo ondertekende Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname; Paramaribo, 14 november 1994, met toelichtende nota.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 15 december 1994, nr. 94.010060, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk zijn advies inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 6 februari 1995, nr. W03.94.0763/K, bied ik U hierbij aan.

1. Artikel 2 van het op 14 november 1994 ondertekende Protocol tot wijziging van de op 25 november 1975 te Paramaribo ondertekende Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreft een wijziging van artikel 6, vierde lid, eerste volzin, van de Toescheidingsovereenkomst. Volgens de toelichting op dit artikel dient het vereiste van woonplaats in dit artikellid te vervallen om de administratieve procedures en potentiële problemen te elimineren, die zouden kunnen rijzen doordat het nationale recht de effectuering van het optierecht uit de Toescheidingsovereenkomst in de weg kan staan door de vreemdelingrechtelijke verplichting van toelating tot Nederland. De Raad van State van het Koninkrijk kan uit deze passage niet opmaken of de bedoelde procedures en problemen zich reeds hebben voorgedaan. Hij acht dit denkbaar, aangezien kinderen die op 25 november 1975 minderjarig waren inmiddels meerderjarig zijn geworden en de bedoelde vreemdelingrechtelijke verplichting van toelating reeds langer bestaat. De raad adviseert in de toelichtende nota hierop in te gaan en, indien reeds procedures hebben plaatsgevonden, de uitkomst daarvan aan te geven.

Ook ware in te gaan op de vraag in welke mate het aantal naturalisaties naar verwachting zal toenemen in verband met de voorgestelde wijziging.

1. Naar aanleiding van het door de Raad gestelde, is de toelichting met betrekking tot de wijziging van artikel 6, vierde lid, herschreven.

2. Voor een redactionele kanttekening verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

2. Aan de redactionele kanttekening van de Raad is gevolg geven.

De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Protocol wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,

W. Scholten

Ik moge U verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

H. A. F. M. O. van Mierlo

Bijlage bij het advies van de Raad van State van het Koninkrijk van 6 februari 1995, no.W03.94.0763/K, met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.

– In de toelichtende nota op artikel 6, vierde lid, de uit één zin bestaande eerste alinea herschrijven, aangezien deze niet aanstonds te begrijpen is.

Naar boven