nr. 331a
A
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 13 februari
1995 en het nader rapport d.d. 19 juli 1995, aangeboden aan de Koningin door
de Minister van Buitenlandse Zaken. Het advies van de Raad van State is cursief
afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 23 december 1994, no. 94.010308, heeft Uwe Majesteit,
op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Minister
van Defensie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt onder
meer de Overeenkomst tot wijziging van de Aanvullende Overeenkomst van 3 augustus
1959 bij het NAVO-Verdrag nopens de rechtspositie der krijgsmachten, betreffende
de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten,
zoals gewijzigd bij de Overeenkomsten van 21 oktober 1971 en 18 mei 1981,
met bijlagen; Bonn, 18 maart 1993 (Trb.1993, 121), met toelichtende nota.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 23 december
1994, nr. 94.010308, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies
inzake het bovenvermelde verdrag rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit
advies, gedateerd 13 februari 1995, nr. W02.04.0776, bied ik U hierbij aan.
1. Ten aanzien van het voorgestelde artikel 80A is (artikel 50 van de
herziening) inzake geschillenbeslechting dient naar de mening van de Raad
van State in de toelichtende nota te worden aangegeven welke mogelijkheden,
op grond van tussen Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland ter zake bestaande
internationale verplichtingen, Nederland ten dienste staan, indien de in het
vierde lid aangegeven procedure niet tot oplossing van het geschil mocht leiden.
1. In de toelichting op artikel 80A is thans aangegeven welke weg nog
openstaat, indien een geschil langs diplomatieke weg niet tot een oplossing
is gebracht.
2. Paragraaf III van de toelichtende nota biedt naar het oordeel van de
Raad onvoldoende duidelijkheid. In de eerste alinea wordt onder meer gesteld
dat onder de vigeur van de oorspronkelijke Aanvullende Overeenkomst van 3
augustus 1959 de zendstaten de vereiste van het Duitse recht, voor zover mogelijk,
meer naar de geest dan naar de letter naleefden, terwijl ten behoeve van de
buitenlandse contingenten een groot aantal uitzonderingen op de in Duitsland
geldende wettelijke voorschriften bestond, hetgeen door de militaire noodzaak
werd gerechtvaardigd. De Raad beveelt aan het hier gebezigde onderscheid tussen
«de geest» en «de letter» van het recht voor een goed
begrip met één of meer voorbeelden te verduidelijken en aan
te geven waarom thans de militaire noodzaak voor een restrictieve interpretatie
van en uitzonderingen op de in Duitsland geldende voorschriften niet langer
bestaat. Wat dat laatste betreft, wordt immers in paragraaf I, laatste alinea,
van de toelichtende nota slechts het standpunt van de Bondsrepubliek weergegeven.
In de tweede alinea van paragraaf III wordt uiteengezet dat de gewijzigde
Aanvullende Overeenkomst van 18 maart 1993 de balans tussen het territorialiteitsbeginsel
(van de ontvangende staat) en het vlagbeginsel (van de zendstaten) meer in
evenwicht brengt, waarmee de belangen van de zendstaten en het gastland beter
zijn afgewogen. Daaraan wordt echter toegevoegd, dat het gewenste evenwicht
in Duitse ogen nog niet geheel is bereikt, dat bij de behandeling van de Duitse
goedkeuringswet met betrekking tot het onderhavige verdrag in de Bundesrat
reeds naar voren is gekomen, dat een verdergaande herziening noodzakelijk
voorkomt en dat met betrekking daartoe begin 1995 onderhandelingen zullen
moeten worden geëntameerd.
De Raad beveelt aan in de toelichtende nota een indicatie te geven van
de onderdelen ten aanzien waarvan verdergaande wijzigingen noodzakelijk worden
geacht door de Duitse Bundesrat.
2. Paragraaf III van de toelichtende nota is aangevuld in de door de Raad
aangegeven zin.
3. Voor enkele redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de
bij het advies behorende bijlage.
3. Aan de redactionele kanttekeningen van de Raad is gevolg gegeven, behoudens
de vermelding van vindplaats van de in de toelichting op artikel 57, eerste
lid, onder b, en vierde lid, onder b, genoemde regelingen. Dergelijke nadere
afspraken worden niet gepubliceerd.
De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoelde Overeenkomst
wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State,
W. Scholten
Ik moge U verzoeken mij te machtigen gevolg te geven aan mijn voornemen
het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende
goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 13 februari 1995,
no. W02.94.0776, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging
geeft.
– Verdragen aanhalen overeenkomstig het bepaalde in aanwijzing 88
van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar).
– In de toelichting op artikel 9, derde lid, onder a, de genoemde
richtlijn volledig aanhalen (aanwijzing 89, tweede lid, Ar).
– In de tweede alinea van de toelichting op artikel 57, eerste lid,
onder b, enige nuancering aanbrengen, omdat het woordgebruik van dat artikel
in het geheel niet overeenkomt met dat van artikel 47, derde lid.
– In de toelichting op artikel 57, eerste lid, onder b, de vindplaats
vermelden van de daar opgenomen regeling met betrekking tot het aanmelden
van bepaalde verplaatsingen (aanwijzing 219 Ar).
– In de toelichting op artikel 57, vierde lid, onder b, de vindplaats
vermelden van de daar opgenomen regeling met betrekking tot bepaalde transporten
(aanwijzing 219 Ar).
– In de toelichting op artikel 57, vijfde lid, «artikel 10,
eerste lid, onder c» wijzigen in: artikel 10, eerste lid, quater.
– In de toelichting op artikel 16, eerste lid, aanwijzing 86 Ar
in acht nemen.
– In de toelichtende nota, onder III. Belang van de gewijzigde Aanvullende
Overeenkomst, vijfde alinea, «ondertekeningsprotocol 4 bis inzake toegang»
wijzigen in: ondertekeningsprotocol bij artikel 53, punt 4 bis, inzake toegang.