nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 februari 2001
Met deze brief informeer ik u over de stand van zaken van het Project
Afschaffing Verplicht Procuraat.
Achtergrond
In 1995 heeft het kabinet op advies van de MDW-werkgroep Cohen1 besloten om het verplicht procuraat af te schaffen. Redenen
voor de afschaffing waren:
1. modernisering van de figuur van de dubbele rechtsbijstand in civiele
procedures;
2. opheffen van het domeinmonopolie van de advocatuur;
3. efficiënter maken van de procesvoering voor burgers, advocatuur
en/of de rechterlijke macht.
De commissie «praktische gevolgen afschaffen procuraat» onder
leiding van mr. G. Mannourij heeft vervolgens een onderzoek gedaan naar de
gevolgen van de afschaffing voor de rechterlijke organisatie. De commissie
Mannourij concludeerde in haar rapport dat het afschaffen van het verplicht
procuraat slechts een terminologisch resultaat zou opleveren als niet eerst
aan een aantal organisatorische randvoorwaarden zou worden voldaan. Ook was
het de verwachting van de commissie dat er een werklastverschuiving zou plaatsvinden
van de advocatuur naar de rechterlijke organisatie.
Het project «Organisatorische gevolgen afschaffen procuraat»
(OGAP) werd ingesteld omdat door de commissie Mannourij «niet inzichtelijk
is gemaakt wat de aard en omvang van de werklast van de procureur en de werklastverschuiving
zou kunnen zijn van procuraat naar griffie, noch heeft zij alternatieven voor
inrichting geschetst2 ». Het project OGAP,
dat in 1999 werd afgerond, had daarom vervolgens tot doel het in kaart brengen
van de aanpassingen die in informatie-technologische en organisatorische sfeer
dienen te worden getroffen alvorens kan worden overgegaan naar een situatie
zonder verplichte procureur. Uit dit project (OGAP-rapport, zie voetnoot
2) kwamen drie scenario's naar voren, die steeds een stap verdergaan.
De Nederlandse Orde van Advocaten (NOVA), de Nederlandse Vereniging voor
Rechtspraak (NVVR) en de Gemeenschappelijke Presidentenvergadering hebben
vervolgens in het jaar 2000 elk advies uitgebracht over het OGAP-rapport.
De NOVA, NVVR en de Gemeenschappelijke Presidentenvergadering willen alle
dat er meer onderzoek gedaan wordt naar de organisatorische en financiële
consequenties, voordat overgegaan wordt tot afschaffing van het verplicht
procuraat. De Gemeenschappelijke Presidentenvergadering wees er verder op
dat de gerechten in de gelegenheid moeten worden gesteld zich goed voor te
bereiden.
Het OGAP-rapport gaf aan dat in ieder geval een aanvang kan worden gemaakt
met de verwezenlijking van twee concrete randvoorwaarden: de realisatie van
een landelijk advocatentableau en een landelijk rekening-courantstelsel. In
een situatie zonder verplichte procureur zou immers elke rechtbank eenvoudig
moeten kunnen nagaan of een procederende advocaat uit een ander arrondissement
bevoegd en beëdigd is, en of de griffiegelden zijn voldaan. Deze activiteiten
zijn thans arrondissementaal georganiseerd en hiervoor zou een landelijke
opschaling noodzakelijk zijn.
Stand van zaken
Onlangs is door een extern bureau een informatie-analyse uitgevoerd om
de eisen en wensen van de bij het project betrokken belanghebbenden met betrekking
tot een landelijk advocatentableau en een landelijk rekening-courantstelsel
in kaart te brengen. Naast de ontwikkeling van een landelijk advocatentableau
en een landelijk-rekening courant stelsel moet nog een aantal andere activiteiten
worden ondernomen om het verplichte procuraat af te kunnen schaffen. Deze
activiteiten betreffen onder meer de beschrijving van de toekomstige adminstratieve
organisatie bij de gerechten in de situatie zonder verplichte procureur, de
implementatie daarvan en de voor de afschaffing benodigde wetswijzigingen.
Ik heb recentelijk besloten deze activiteiten te temporiseren om de volgende
redenen.
a) Op dit moment vinden er veel activiteiten plaats rond de modernisering
van de rechterlijke macht. Deze activiteiten zorgen ervoor dat uiterst spaarzaam
dient te worden omgesprongen met extra activiteiten die een beslag leggen
op de veranderingscapaciteit van de gerechten. De veranderingscapaciteit van
de gerechten dient de komende periode niet verder onder druk te worden gezet.
b) Een afschaffing van het verplichte procuraat op korte termijn zou een
complexe operatie betekenen omdat een aantal essentiële moderniseringsprojecten
(zoals bijvoorbeeld de totstandkoming van electronisch berichtenverkeer en
de feitelijke implementatie van het landelijk rolreglement) nog niet is voltooid.
c) Voorwaarde voor de invoering is dat de gerechten de gelegenheid hebben
gekregen om ervaring op te doen met het nieuwe civiele rolreglement. Het rolreglement
wordt momenteel geleidelijk ingevoerd, dit proces vergt nog enige tijd. Bovendien
moeten de rechtbanken eerst op uniforme en elektronische wijze kunnen omgaan
met het rolreglement.
d) Er bestaat nog onvoldoende zicht op de financiële gevolgen voor
de overheid en de omvang van de werklastverschuiving naar de gerechten.
Planning
De komende periode zal ik daarom voortgaan met de ontwikkeling van een
landelijk advocatentableau en zonodig een landelijk rekening-courantstelsel.
In overleg met de rechterlijke macht en de Nederlandse Orde van Advocaten
zal worden gezocht naar de meest praktische vorm ervan. Vervolgens zal de
implementatie hiervan worden voorbereid, inclusief de hiervoor benodigde wetswijzigingen.
Over het moment waarop de implementatie van het volledige project kan plaatsvinden,
zal te zijner tijd overleg met de op te richten Raad voor de Rechtspraak plaatsvinden.
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals