nr. 7
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 27 november 1995
Het lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de heer Lansink heeft
u op 14 juli 1995 een initiatiefwetsvoorstel doen toekomen tot wijziging van
onder meer de Wet op de studiefinanciering in verband met de leeftijd waarop
aanspraak op studiefinanciering in het hoger onderwijs ontstaat (Kamerstukken
II, 1994/95 24 249, nrs. 1–3)).
Op 24 oktober heeft indiener u een reactie doen toekomen op het advies
van de Raad van State op het initiatiefwetsvoorstel, vergezeld van een Nota
van Wijziging en een gewijzigd voorstel van wet. Ondergetekende wil thans
van deze gelegenheid gebruik maken om enkele kanttekeningen te plaatsen bij
het onderhavige initiatiefwetsvoorstel.
De maatregel die door indiener wordt voorgesteld, maakt ook reeds deel
uit van het wetsvoorstel voor de prestatiebeurs dat thans ter behandeling
in uw Kamer ligt (Kamerstukken II 1994/95 24 325). Over de inhoud van
de voorgestelde maatregel bestaat dan ook geen verschil van inzicht tussen
het initiatiefvoorstel en het regeringsvoorstel.
Wel zijn er belangrijke verschillen van inzicht aan te geven met betrekking
tot de financiële dekking voor het initiatiefvoorstel en de datum van
inwerkingtreding in relatie tot de uitvoerbaarheid van het voorstel.
Financiële dekking
In de toelichting bij het initiatiefvoorstel (pag. 4 van stuk nr. 3) geeft
indiener aan dat dekking voor de structurele meeruitgaven WSF van 14 mln op
jaarbasis, gevonden kan worden in de opbrengst van afschaffing van de aanspraken
op WSF voor studerenden ouder dan 18 jaar in het voortgezet onderwijs (vo
18+). De maatregel waarnaar indiener verwijst is vervat in het voorstel van
Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS; Kamerstukken II, 23 699) dat onlangs
door uw Kamer is aanvaard.
De vo 18+ maatregel wordt, behoudens het bedrag dat is gemoeid met de
OV-studentenkaart voor deze groep studerenden, budgettair neutraal ingevoerd
(Kamerstukken II 1994/95, 23 699, nr. 7, blz. 23). De besparing die wordt
gerealiseerd als gevolg van het niet langer verstrekken van een OV-studentenkaart
aan deze groep studerenden, is ingezet ter compensatie van de stijging van
de uitgaven voor de OV-studentenkaart als gevolg van de keuze week/weekendkaart
(Kamerstukken II 1995/96, 24 400 hoofdstuk VIII, nr. 2, blz. 112).
Daarmee is gegeven dat het initiatiefwetsvoorstel thans geen dekking kan
bieden voor de structurele meeruitgaven die het gevolg zijn van deze maatregel.
In het regeringsvoorstel wordt dekking gevonden voor de kosten van deze
maatregel in de financiële effecten van de overige maatregelen die in
het wetsvoorstel voor de prestatiebeurs zijn vervat.
Inwerkingtreding / uitvoerbaarheid
De Informatie Beheer Groep heeft desgevraagd aangegeven dat zij in staat
is het initiatiefwetsvoorstel uit te voeren, mits daartoe drie maanden van
tevoren de opdracht wordt gegeven. De desbetreffende brief van de IB-Groep
d.d. 7 november 1995 gelieve u in bijlage aan te treffen.1
Daarnaast geeft de IB-Groep aan dat invoering met ingang van het tweede
of derde kwartaal in voorkomende gevallen een overcompensatie voor reiskosten
of uitwonendheid kan veroorzaken als gevolg van de regeling tegemoetkoming
studiekosten.
De IB-Groep spreekt, in het licht van de werklast van de implementatie
van diverse maatregelen waarvoor zij zich thans reeds gesteld ziet, dan ook
een duidelijke voorkeur uit voor een invoering per 1 oktober 1996. Het advies
van de Raad van State, dat niet door indiener wordt gevolgd, wijst ook reeds
in de richting van inwerkingtreding met ingang van een nieuw studiejaar.
Het regeringsvoorstel gaat wel uit van een inwerkingtreding per 1 oktober
1996.
Tenslotte zij hier aangegeven dat het voorstel voor de prestatiebeurs
het geheel van voorwaarden voor studiefinanciering in het hoger onderwijs
regelt en daarmee in zijn geheel een verdere stap is naar de invoering van
een schoolsoortafhankelijke studiefinanciering. Om deze reden maakt de beschikbaarheid
van studiefinanciering voor studenten in het hoger onderwijs jonger dan 18
jaar naar de mening van het kabinet ook onlosmakelijk deel uit van dat wetsvoorstel.
Het kabinet wil u het initiatiefwetsvoorstel Lansink om voornoemde redenen
dan ook ontraden.
Ik vertrouw er op u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
J. M. M. Ritzen