Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24249 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 24249 nr. 6 |
Vastgesteld 16 november 1995
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1, belast met het voorbereidend onderzoek, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen omtrent dit wetsvoorstel.
Onder het voorbehoud dat de initiatiefnemer de gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig beantwoordt, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van bovengenoemd wetsvoorstel. Hoewel zij kunnen onderschrijven dat studerenden jonger dan 18 jaar in het hoger onderwijs recht zouden moeten krijgen op studiefinanciering vragen zij zich af of het tijdstip van invoering wel de juiste is. Dit mede in verband met het feit dat deze maatregel reeds door het wetsvoorstel inzake de prestatiebeurs (24 325) – dat reeds bij de Tweede Kamer in behandeling is – ingevoerd zal worden voor het komend schooljaar. Zij menen dat de invoering halverwege een schooljaar veel problemen en verwarring kan veroorzaken. Zij hebben daarover de volgende vragen. Welke gevolgen heeft het voor studerenden die reeds een tegemoetkoming studiekosten hebben gekregen voor het collegegeld en reiskosten voor het hele schooljaar? Hoe verhoudt het een en ander zich met de tempobeurs?
Is de uitvoering bij de Informatie Beheer Groep (IBG) voldoende op de invoering en de voorlichting van deze maatregel halverwege het schooljaar voorbereid? Is de Sociale Verzekerings Bank in staat hierop adequaat te reageren in verband met de toekenning van de AKW?
Tevens vragen de leden van de PvdA-fractie hoeveel studenten dit schooljaar nog van deze maatregel gebruik zouden kunnen maken. Kan aangegeven worden hoe hoog de uitvoeringskosten van deze maatregel zijn en welke dekking hiervoor is gevonden?
De leden van de CDA-fractie zijn verheugd met het initiatief-wetsvoorstel van het lid Lansink waarin de studiefinanciering voor 17-jarigen in het hoger onderwijs mogelijk wordt gemaakt en de leeftijdsgrens tussen WSF en AKW wordt vervangen door een opleidingsgrens. De ongelijke behandeling van studerenden in het hoger onderwijs wordt hiermee ongedaan gemaakt. Deze leden betuigen eveneens hun instemming met een loskoppeling van de prestatiebeurs en het loslaten van de leeftijdsgrens van 18 jaar omdat – ongeacht de wijzigingen in de studiefinanciering – deze onbillijkheid ongedaan gemaakt moet worden.
Gezien de gewekte verwachtingen bij de behandeling van de prestatiebeurs en de in het land als onbillijk ervaren regeling dat studenten jonger dan 18 jaar in het hoger onderwijs geen studiefinanciering ontvangen, hebben de leden van de CDA-fractie slechts één vraag. Hoe kan bevorderd worden dat de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel wordt bespoedigd? Is het niet wenselijk om een datum in de wet te noemen op basis waarvan aanvragen kunnen worden gedaan?
De leden van de VVD-fractie hebben met gemengde gevoelens kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij onderschrijven de doelstelling van het wetsvoorstel, te weten het verschaffen van studiefinanciering aan studenten – jonger dan 18 jaar – in het hoger onderwijs. Ondermeer bij de behandeling van het wetsvoorstel Student op eigen benen (STOEB; 23 634) hebben zij hiervan eerder blijk gegeven. Het hiervoor gekozen middel, een initiatiefvoorstel van zeer smalle strekking, wijzen deze leden echter om meerdere redenen af.
Het ligt naar de opvatting van de leden van de VVD-fractie in de rede een initiatief-wetsvoorstel in te dienen, indien er alle aanleiding toe is een concreet maatschappelijk probleem via wetgeving te regelen, terwijl de regering – ook na herhaald aandringen – nalaat handelend op te treden. Het voorliggende wetsvoorstel voldoet hier niet aan, aangezien het onderwerp reeds de nodige tijd de volle aandacht van de politiek heeft – de doelstelling wordt vrijwel Kamerbreed ondersteund – en de regering reeds wetgeving in gang heeft gezet, teneinde het probleem op te lossen, zij het dat dat wetsvoorstel een bredere strekking heeft. Aan een afzonderlijk wetsvoorstel hebben deze leden dan ook geen behoefte.
Zij zien ook niet in welke de meerwaarde van het voorliggende wetsvoorstel zou zijn, aangezien er materieel toch geen verschillen zijn met de regeling 18-min in het wetsvoorstel inzake invoering van de prestatiebeurs.
De leden van de VVD-fractie vinden het opvallend dat er geen concrete datum van inwerkingtreding wordt genoemd. Het is nu inmiddels november 1995. Indien de indiener snelle behandeling en aanvaarding noodzakelijk acht, dan zou hij een concrete datum genoemd hebben en meer spoed achter de procedure hebben gezet.
Zou het oogmerk van de indiener zijn het voorliggende wetsvoorstel halverwege het studiejaar – dus eerder dan het wetsvoorstel inzake de prestatiebeurs – in te laten gaan, dan wijzen deze leden op de kritiek van de Raad van State terzake. Heeft overigens een uitvoeringstoets door de IBG plaatsgevonden?
De leden van de VVD-fractie achten de onderbouwing van de financiële dekking van het onderhavige wetsvoorstel ontoereikend. Voor zover de indiener suggereert dat door een koppeling aan te brengen tussen de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel en het voorstel van Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS; 23 699) de invoering sneller gerealiseerd zou kunnen worden dan in het wetsvoorstel Prestatiebeurs-nieuw beoogd wordt (1 september 1996), is de dekking onvoldoende. Immers, de invoering van de WTS is voorgesteld op 1 augustus 1996, doch de overheveling van de vo-studerenden uit de WSF naar de WTS is voorzien per 1 januari 1997.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het wetsontwerp voorziet erin dat studerenden in het hoger onderwijs aanspraak op studiefinanciering kunnen maken, ook wanneer zij de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Voor toekenning van studiefinanciering beneden 18 jaar wordt het bepalend of de studerende volledig (voltijds) wetenschappelijk onderwijs danwel hoger beroepsonderwijs volgt.
De leden van deze fractie kunnen van harte met de doelstelling van het desbetreffende wetsvoorstel instemmen. Zij pleiten al lang voor een opleiding-afhankelijke toekenning van studiefinanciering. Studerenden in het hoger onderwijs die jonger dan 18 jaar zijn, moeten gelijk worden gesteld aan hun oudere studiegenoten – met alle rechten en plichten die daarbij horen.
De D66-fractieleden hadden dan ook graag gezien dat de prestatiebeurs onder andere om deze reden in het lopende studiejaar zou zijn geactualiseerd. In het wetsvoorstel inzake de prestatiebeurs was het voorstel om 16- en 17-jarigen aanspraak op studiefinanciering te laten maken immers opgenomen.
De leden van de D66-fractie vinden het voorstel om deze regeling voor 16- en 17-jarigen vóór 1-1-96 alsnog te realiseren op zich een sympathieke gedachte, maar willen het kostenplaatje, zoals geschetst in de memorie van toelichting, nog eens nader bestuderen. De netto structurele stijging van 14 mln gld. zou volgens de memorie van toelichting kunnen worden gecompenseerd door de opbrengst van de afschaffing van de aanspraken op WSF voor studenten in het voortgezet onderwijs, die ouder zijn dan 18 jaar. De leden van deze fractie merken op dat deze afschaffing pas per 1-9-96 voorzien is via het nieuwe wetsvoorstel prestatiebeurs. Hoe denkt de indiener tot die tijd de extra kosten te dekken?
De leden van de fractie van GroenLinks hebben met instemming kennis genomen van voorliggend wetsvoorstel. Het doel van het wetsvoorstel – de mogelijkheid aanspraak te maken op studiefinanciering voor studerenden in het hoger onderwijs, ook wanneer zij de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt – kunnen deze leden onderschrijven. Ook het belangrijkste argument voor onderhavig wetsvoorstel wordt door de leden van de fractie van GroenLinks bevestigd. Met de vaststelling dat kinderbijslag en tegemoetkoming in de studiekosten de bovengenoemde studerenden niet dezelfde positie verschaft als oudere studiegenoten, is de noodzaak voor onderhavig wetsvoorstel gegeven. Dat een adequate reisvoorziening middels de OV-studentenkaart hierbij eveneens een noodzaak is, wordt als een zeer relevant onderdeel van voorliggend wetsvoorstel gezien.
Ondanks de algemene instemming willen de leden van de fractie van GroenLinks hier enkele opmerkingen maken die naar hun mening moeten worden meegenomen in de uiteindelijke beoordeling van onderhavig wetsvoorstel.
Ten eerste betreuren deze leden het feit dat de tijdens de behandeling van het wetsvoorstel STOEB door de minister toegezegde notitie over de positie van 18-minners in het hoger onderwijs, er niet is gekomen. Dit betreuren zij omdat de beoogde invoering van de prestatiebeurs er wél voor heeft gezorgd dat er concrete voorstellen inzake schoolsoort gebonden studiefinanciering gedaan werden. De leden van de fractie van GroenLinks zijn het met de indiener van onderhavig wetsvoorstel eens dat een flexibele leeftijdsgrens los van de prestatiebeurs gezien kan worden. Deze opvatting wordt nog versterkt door de twijfel bij deze leden met betrekking tot de invoering van de prestatiebeurs. De leden van de fractie van GroenLinks pleiten dan ook voor een afzonderlijk wetsvoorstel en een loskoppeling van het wetsvoorstel inzake de invoering van de prestatiebeurs.
Ten tweede zijn deze leden het met de indiener eens dat een zo spoedig mogelijke toekenning van het recht op studiefinanciering aan studenten in het hoger onderwijs, die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, gewenst is. Daarom vinden de leden van de fractie van GroenLinks het begrijpelijk dat het wetsvoorstel er in voorziet om met de terugwerkende kracht van maximaal één kwartaal, het verzoek tot studiefinanciering toe te kennen. De praktische bezwaren met betrekking tot de administratieve problemen voor de IBG wegen volgens deze leden niet op tegen de noodzaak van een spoedige toekenning. Wel willen zij de indiener vragen of de terugwerkende kracht eveneens geldt als onderhavig wetsvoorstel pas in het eerste of tweede kwartaal van 1996 tot wet verheven wordt. Wordt dan de studiefinanciering met terugwerkende kracht toegekend voor de kwartalen (of maanden) waarin de betreffende student ingeschreven staat aan een instelling voor hoger onderwijs of geldt dan eveneens een maximum van één kwartaal?
Ten derde willen de leden van de fractie van GroenLinks enkele opmerkingen maken met betrekking tot de relatie tussen onderhavig wetsvoorstel en de onlangs door de Tweede Kamer aangenomen Wet tegemoetkoming studiekosten. Het vervallen van de kinderbijslagrechten voor studerenden, jonger dan 18 jaar, in het hoger onderwijs, is een onomstreden voorstel. Deze leden vragen zich echter af of de WTS-bepaling voor studerenden jonger dan 18 jaar die volledig hoger onderwijs volgen (zoals aangegeven in de WTS, 23 699, hoofdstuk II, artikel 9, lid 1a) eveneens zal vervallen met het oog op onderhavig wetsvoorstel. Kan de indiener uitsluitsel geven over de gevolgen van zijn wetsvoorstel voor deze WTS-bepaling?
Aansluitend hierop vragen de leden van de fractie van GroenLinks zich af of de indiener zich ervan bewust is dat de tegemoetkoming in de studiekosten voor leerlingen in het voortgezet onderwijs die ouder zijn dan 18 jaar, niet in alle gevallen toereikend zal zijn. Met name voor die leerlingen die niet meer bij hun ouders woonachtig zijn en ook zelf in hun levensonderhoud moeten voorzien, zal de WTS problemen opleveren. Is de indiener met deze leden van mening dat voor deze groep leerlingen een speciale studiefinanciering nodig is, een studiefinanciering die niet afhankelijk is van de schoolsoort maar van de woonsituatie?
Afsluitend willen de leden van de fractie van GroenLinks benadrukken dat zij voorliggend wetsvoorstel positief waarderen. Met de gemaakte kanttekeningen inzake prestatiebeurs, invoeringsdatum en relatie met WTS zien zij de noodzaak in van een wettelijke studiefinancieringsregeling voor studerenden in het hoger onderwijs die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt.
De leden van de GPV-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit initiatief-wetsvoorstel. Hoewel de leden van de GPV-fractie op zich kunnen instemmen met het wetsvoorstel missen zij in de memorie van toelichting een degelijke onderbouwing die een initiatief-wetsvoorstel rechtvaardigt. De voorgestelde wijziging maakt immers ook deel uit van het aanhangige wetsvoorstel dat invoering van de prestatiebeurs beoogt. In de memorie wordt slechts opgemerkt dat ook afzonderlijk regelgeving op dit punt mogelijk is. Dat is op zich juist, maar ligt daarin nu wel voldoende aanleiding om tot afzonderlijke regelgeving over te gaan? De leden van de GPV-fractie kunnen zich voorstellen dat de indiener tot onderhavig initiatief-voorstel komt omdat hij tegen de invoering van de prestatiebeurs is en hij er niet van overtuigd is dat deze beurs ook daadwerkelijk zal worden ingevoerd, terwijl regelgeving op het punt van de leeftijdsgrens juist dringend geboden is. Een dergelijke argumentatie hebben deze leden in de memorie van toelichting echter niet aangetroffen. Heeft deze overweging wel een rol gespeeld?
De leden van de GPV-fractie constateren overigens dat het belangrijkste argument voor de indiener is gelegen in de vaststelling dat het tot nu toe niet mogelijk is gebleken om studerenden jonger dan 18 jaar in het hoger onderwijs via de kinderbijslag en de tegemoetkoming in de studiekosten een zelfde positie te verschaffen als hun oudere studiegenoten, in het bijzonder vanwege de OV-jaarkaart. Ook deze leden zijn van oordeel dat hierin een knelpunt ligt dat snel dient te worden opgelost. Zij vragen echter of naast dit vooral materiële argument ook niet een meer principiële onderbouwing geboden is. De leden van de GPV-fractie herinneren eraan dat zij van meet af aan gekant zijn geweest tegen het hanteren van de leeftijdsgrens van 18 jaar als criterium voor het toekennen van studiefinanciering. Studiefinanciering moet naar het oordeel van deze leden worden beschouwd als een bijdrage van de overheid in de kosten van het volgen van hoger onderwijs aan kinderen van ouders die daarin onvoldoende zelf kunnen bijdragen. Dit uitgangspunt doet recht aan de ouderlijke verantwoordelijkheid en de schoolsoortafhankelijkheid van de studiefinanciering. Het leeftijdscriterium staat daar lijnrecht tegenover. De leden van de GPV-fractie vragen de indiener of ook hij niet van oordeel is dat meer recht moet worden gedaan aan de ouderlijke verantwoordelijkheid en de toekenning van studiefinanciering naar draagkracht. Hoe denkt de indiener, zo vragen de leden van de GPV-fractie, over een beperking van studiefinanciering tot uitsluitend het hoger onderwijs? Verliest als gevolg van het relativeren van de leeftijdsgrens ook de leeftijdsgrens in het mbo niet haar relevantie? Hoe denkt de indiener over de suggestie om ook voor het mbo de WSF te schrappen en in plaats daarvan de AKW en een tegemoetkoming in de studiekosten te stellen? De leden van de GPV-fractie zijn daarnaar met name benieuwd in het licht van de toekomstige discussie over het stelsel van studiefinanciering.
Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), M. M. H. Kamp (VVD), voorzitter, De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp (CDA), Boers-Wijnberg (CDA), Huys (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks (HDRK), Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk (PvdA), Van Vliet (D66), Bremmer (CDA).
Plv. leden: Schutte (GPV), Klein Molekamp (VVD), Valk (PvdA), Marijnissen (SP), Duivesteijn (PvdA), Beinema (CDA), Reitsma (CDA), Lilipaly (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Bakker (D66), Van 't Riet (D66), Deetman (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Van der Ploeg (PvdA), Leerkes (U55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD), Korthals (VVD), Passtoors (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Verhagen (CDA), Lansink (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24249-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.