Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1995-199624238 nr. 3

24 238
Geslachtskeuze

nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Rijswijk, 20 oktober 1995

Naar aanleiding van de brief van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 4 oktober jl., waarin de commissie verzoekt aan te geven wanneer de in mijn brief d.d. 12 september jl. (24 238, nr. 2) , vermelde voornemens hun beslag krijgen, deel ik u het volgende mee.

Zoals in mijn bovenvermelde brief meegedeeld acht ik het wetsvoorstel op de fertilisatietechnieken de meest geëigende plaats voor een wettelijke regeling betreffende een verbod op geslachtskeuze op niet medische gronden. De behandeling is immers een uitvloeisel van de mogelijkheden van kunstmatige bevruchtingstechnieken waarop dit wetsvoorstel betrekking heeft.

Het wetsvoorstel fertilisatietechnieken zal in beginsel zien op alle vormen van kunstmatige voortplantingstechnieken. Zo zal, behalve voor geslachtskeuze, onder meer ook een regeling worden getroffen voor de bewaring van en de beschikkingsbevoegdheid over menselijke gameten en embryo's, het bewaren en verstrekken van afstammingsgegevens, pre-implantatiediagnostiek en voor het draagmoederschap.

Voor dit wetsvoorstel is van belang het rapport van de Gezondheidsraad over de stand van de wetenschap op het gebied van kunstmatige voortplantingstechnieken. In dat rapport zal, behalve op in vitro fertilisatie onder meer ook worden ingegaan op pre-implantatiediagnostiek en draagmoederschap. Het rapport zal naar verwachting in het voorjaar van 1996 worden uitgebracht.

Aangezien het wetsvoorstel over onderwerpen gaat waarover in een pluriforme samenleving als de onze de meningen nogal uiteen kunnen lopen meen ik dat advies over dit wetsvoorstel van de Raad voor het Zorgbeleid voor de hand liggend is.

Voor zover thans kan worden overzien kan het wetsvoorstel fertilisatietechnieken in het najaar van 1996 om advies worden voorgelegd aan de Raad voor het Zorgbeleid en in de zomer van 1997 voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State.

Inmiddels heb ik van de Inspectie van de Gezondheidszorg vernomen dat de kliniek voor geslachtskeuze van haar voornemen om geslachtskeuze op medische gronden aan te bieden heeft afgezien en heeft meegedeeld dit uit haar folder te zullen halen.

Voor een specifieke regeling op basis van de WZV lijkt mij derhalve thans geen aanleiding meer te bestaan. Ik geef de voorkeur aan een zorgvuldig afgewogen regeling in de wet fertilisatietechnieken.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers