Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal1994-199524217 nr. A

24 217
Vaststelling van een kader voor regeling van rechten en verplichtingen van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden (Wet kaderregeling vut overheidspersoneel)

A
OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOOR ZOVER NADIEN GEWIJZIGD

WETSVOORSTEL

a. Het woord «collectieve» is op alle plaatsen waar het in het wetsvoorstel voorkwam, geschrapt.

b. In artikel 1, eerste lid, onderdeel e, is «overheids- en onderwijspersoneel» vervangen door: personeel dat behoort tot de in onderdeel b bedoelde sectoren.

c. In artikel 1, eerste lid, onderdeel f, is na het woord «vrijwillig» ingevoegd: vervroegd.

d. Artikel 1, tweede lid, luidde:

Bij ministeriële regeling wordt zonodig nader bepaald tot welke sector groepen van overheids- en onderwijspersoneel worden gerekend te behoren.

Het is komen te luiden:

Bij ministeriële regeling wordt zonodig vastgesteld tot welke sector groepen van het personeel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, behoren.

e. Artikel 4 luidde:

Artikel 4

1. De werking van een door de gezamenlijke sectorwerkgevers en centrales gesloten collectieve vut-overeenkomst strekt zich mede uit tot alle instellingen die niet behoren tot een sector als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, maar die laatstelijk vóór het tijdstip, bedoeld in artikel 7, eerste lid, lichaam zijn in de zin van de daar genoemde wet, alsmede tot het personeel van die instellingen.

2. Het eerste lid geldt voor een overeenkomst als daarin bedoeld, voor zover daarbij rechten en verplichtingen zijn overeengekomen die gelijk zijn voor het gehele personeel van overheids- en onderwijsinstellingen en tevens financiering in omslag over die instellingen en hun personeel is overeengekomen. Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.

3. De werking van een door een sectorwerkgever afzonderlijk en partijen of een partij ter andere zijde gesloten collectieve vut-overeenkomst strekt zich mede uit tot instellingen die op grond van de aard van hun werkzaamheid of hun financiële verhouding tot een of meer overheids- of onderwijsinstellingen beschouwd worden als te behoren bij de desbetreffende sector. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Bij ministeriële regeling wordt zonodig nader bepaald bij welke sector een instelling als bedoeld in de eerste volzin beschouwd wordt te behoren.

4. Het gezag of bestuur van een instelling als bedoeld in het eerste lid kan besluiten dat het eerste of het derde lid dan wel beide leden niet van toepassing zijn of ophouden van toepassing te zijn op die instelling.

5. Een besluit als bedoeld in het vierde lid behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister, die zijn instemming niet verleent of onthoudt dan nadat hij de partijen bij de desbetreffende collectieve vut-overeenkomst heeft gehoord.

6. Onze Minister stelt regels omtrent het bekend maken van een besluit als bedoeld in het vierde lid, het tijdstip waarop het gevolg daarvan intreedt en de op dat tijdstip resterende financiële verplichtingen van een instelling.

7. Een gezag of bestuur van een publiekrechtelijke instelling die niet behoort tot een sector, maar die laatstelijk vóór het tijdstip, bedoeld in artikel 7, eerste lid, lichaam is in de zin van de daar genoemde wet, kan een collectieve vut-overeenkomst aangaan, met dien verstande dat, in afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel e, de regeling die dat bestuur en zijn wederpartij of wederpartijen daarmee beogen te treffen uitsluitend de desbetreffende instelling en zijn personeel aangaat.

Het artikel is gesplitst in een artikel 4 en een artikel 5, luidende:

Artikel 4

1. De werking van een door de gezamenlijke sectorwerkgevers en centrales gesloten vut-overeenkomst strekt zich mede uit tot een instelling die niet behoort tot een sector als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, indien en voor zover personeel van die instelling ambtenaar in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan wel overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP is, alsmede tot dat personeel.

2. De werking van een door een sectorwerkgever afzonderlijk en partijen of een partij ter andere zijde gesloten vut-overeenkomst strekt zich mede uit tot een instelling als bedoeld in het eerste lid, onder de in dat lid genoemde voorwaarde en beperking, die op grond van de aard van haar werkzaamheid of haar financiële verhouding tot een of meer overheids- of onderwijsinstellingen geacht moet worden te zijn verbonden met de desbetreffende sector, alsmede tot het personeel van die instelling dat de in het eerste lid genoemde hoedanigheid heeft. Onze Minister beslist zonodig, op grond van de in de eerste volzin gegeven maatstaven, met welke sector een instelling geacht wordt te zijn verbonden.

3. Het eerste en het tweede lid gelden voor een overeenkomst als daarin bedoeld, voor zover daarbij rechten en verplichtingen zijn overeengekomen die gelijk zijn voor het gehele personeel van overheids- en onderwijsinstellingen, respectievelijk van de instellingen die behoren tot de desbetreffende sector, en tevens financiering in omslag over die instellingen en hun personeel is overeengekomen.

4. Artikel 3 is van overeenkomstige toepassing op een instelling en personeel tot welke de werking van een vut-overeenkomst zich ingevolge dit artikel mede uitstrekt.

Artikel 5

1. Het gezag of bestuur van een instelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan besluiten dat artikel 4, eerste of tweede lid, dan wel beide leden, niet van toepassing zijn of ophouden van toepassing te zijn op die instelling.

2. Een besluit als bedoeld in het eerste lid behoeft de voorafgaande instemming van Onze Minister, die zijn instemming niet verleent of onthoudt dan nadat hij de partijen bij de desbetreffende vut-overeenkomst heeft gehoord.

3. Onze Minister stelt regels omtrent het bekend maken van een besluit als bedoeld in het eerste lid, het tijdstip waarop het gevolg daarvan intreedt, de vóór dat tijdstip ontstane rechten en verplichtingen uit een vut-overeenkomst en de daarmee verband houdende financiële verplichtingen van een instelling en haar personeel na dat tijdstip.

4. Een gezag of bestuur van een instelling als bedoeld in artikel 4, eerste lid, die publiekrechtelijk van aard is, kan een vut-overeenkomst aangaan, met dien verstande dat, in afwijking van artikel 1, eerste lid, onderdeel e, de regeling die dat bestuur en zijn wederpartij of wederpartijen daarmee beogen te treffen uitsluitend de desbetreffende instelling en haar personeel aangaat. Artikel 2, derde lid, is niet van toepassing.

f. De artikelen 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 zijn vernummerd tot respectievelijk de artikelen 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13.

g. Het tweede lid van artikel 8 (oorspronkelijk 7) luidde:

2. Op de dag vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip bestaande rechten en verplichtingen van belanghebbenden, organen en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, op grond van de in het eerste lid genoemde wet, blijven, mits zij niet op dat tijdstip volgens de bepalingen van die wet eindigen, met ingang van dat tijdstip op de voet van die bepalingen bestaan maar worden beschouwd als uit een collectieve vut-overeenkomst ontstane rechten en verplichtingen.

Het is komen te luiden:

2. Op de dag vóór het in het eerste lid bedoelde tijdstip bestaande rechten en verplichtingen van belanghebbenden, lichamen en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, op grond van de in het eerste lid genoemde wet, de bepalingen van de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel en de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel II, blijven, mits zij niet op dat tijdstip volgens de bepalingen van die wetten eindigen, met ingang van dat tijdstip op de voet van die bepalingen bestaan maar worden beschouwd als uit een vut-overeenkomst ontstane rechten en verplichtingen.

h. Het vierde lid van artikel 8 (oorspronkelijk 7) luidde:

4. Rechten en verplichtingen van belanghebbenden, organen en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, op grond van de in het eerste lid genoemde wet, die op of na het in het eerste lid bedoelde tijdstip zouden ontstaan uit hoofde van de in het derde lid genoemde wet ontstaan dienovereenkomstig maar worden beschouwd als uit een vut-overeenkomst ontstane rechten en verplichtingen.

Het is komen te luiden:

4. Rechten en verplichtingen van belanghebbenden, lichamen en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, die op of na het in het eerste lid bedoelde tijdstip zouden ontstaan uit hoofde van de in het derde lid genoemde wet, ontstaan dienovereenkomstig, met dien verstande dat te dien aanzien een vut-overeenkomst waaraan de belanghebbende rechten zou hebben kunnen ontlenen indien hij niet met recht op wachtgeld zou zijn ontslagen, in de plaats treedt van de in het eerste lid genoemde wet.

i. Het vijfde lid van artikel 8 (oorspronkelijk 7) luidde:

5. In afwijking van het eerste lid blijft artikel 24 van de daarin genoemde wet van toepassing op een beslissing als bedoeld in dat artikel, genomen voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip.

Het is komen te luiden:

5. In afwijking van het eerste lid blijft artikel 24 van de in dat lid genoemde wet van toepassing op een beslissing als bedoeld in dat artikel, genomen voor het in het eerste lid bedoelde tijdstip en is dat artikel van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een beslissing die op of na dat tijdstip is genomen naar aanleiding van een verzoek of een aanvraag, gedaan voor dat tijdstip, op basis van die wet.

j. Het zesde lid van artikel 8 (oorspronkelijk 7) luidde:

6. Voor de toepassing van het tweede, vierde en vijfde lid, alsmede ten aanzien van de rechten en verplichtingen die zijn ontleend aan de bepalingen van de Wet doorstroming onderwijspersoneel en de Wet doorstroming onderwijspersoneel II, treedt het Vut-fonds in de plaats van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds.

Het is komen te luiden:

6. Voor de toepassing van het tweede, vierde en vijfde lid treedt het Vut-fonds in de plaats van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds.

k. Waar in artikel 9 (oorspronkelijk 8) verwijzingen voorkomen naar artikel 7, is «7» steeds vervangen door: 8.

l. Het zesde lid van artikel 9 (oorspronkelijk 8) luidde:

6. Het bestuur van het Vut-fonds stelt voor de toepassing van het derde, vierde en vijfde lid regels vast, overeenkomstig de artikelen 12, 13, eerste en tweede lid, 15, eerste tot en met derde lid, 16, 17, 18, 19 en 20 van de in het eerste lid genoemde wet.

Het is komen te luiden:

6. Het bestuur van het Vut-fonds stelt voor de toepassing van het derde, vierde en vijfde lid regels vast ter zake van de onderwerpen, geregeld in de artikelen 12, 13, eerste en tweede lid, 15, eerste tot en met derde lid, 16, 17, 18, 19 en 20 van de in het eerste lid genoemde wet.

m. In het eerste lid van artikel 10 (oorspronkelijk 9) is «7» vervangen door: 8. In het tweede lid van dat artikel is «8» vervangen door: 9.

n. In artikel 11 (oorspronkelijk 10) is tussen «Wet» en «doorstroming» ingevoegd: bevordering.

o. In artikel 12 (oorspronkelijk 11) is «10» vervangen door: 11.

MEMORIE VAN TOELICHTING

a. Het op enkele plaatsen voorkomende woord «collectieve» is geschrapt.

b. Waar artikelen worden genoemd, is op enkele plaatsen de nummeraanduiding gewijzigd in verband met de vernummering van de artikelen 5 tot en met 12.

c. In de tweede alinea van paragraaf 1 is de zinsnede «De daarmee gemoeide uitgaven komen (tot 1 januari 1995) ten laste van het ABP, waar tegenover staat» gewijzigd in: De daarmee gemoeide uitgaven kwamen tot 1 januari 1995 ten laste van het ABP, waar tegenover stond«

d. In paragraaf 3 is de laatste volzin geschrapt. Toegevoegd is de volzin: Zie hiervoor ook de volgende paragraaf.

e. In paragraaf 4 is het gedeelte van de tekst vanaf het woord «kortom» tot het einde van deze paragraaf vervangen door:

Kortom, er moeten rechten en verplichtingen in het leven worden geroepen voor anderen dan de contractspartijen. Hetgeen partijen bij een vut-overeenkomst beogen voor een collectief te doen gelden, moet dus gelding krijgen in de rechtspositie van de individuele belanghebbende personeelsleden, zowel aan de rechten- als aan de verplichtingenkant. Ook dient de regeling verbindend te zijn voor de werkgevers bij de overheid en het onderwijs dan wel in de desbetreffende sector. Dit alles wordt dan ook in het wetsvoorstel uitdrukkelijk geregeld. Gelet op het belang dat is aangeduid aan het slot van paragraaf 3, is voorts in het wetsvoorstel geregeld dat de betrokken instellingen en hun personeel in beginsel onder de werking vallen van bij de overheid en het onderwijs af te sluiten vut-overeenkomsten.

f. In verband met de splitsing van het oorspronkelijke artikel 4 in een artikel 4 en een artikel 5, is in paragraaf 10 de oorspronkelijke toelichting op artikel 4 eveneens gesplitst, met enige redactionele aanpassingen.