Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1995-199624217 nr. 6

24 217
Vaststelling van een kader voor regeling van rechten en verplichtingen van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden (Wet kaderregeling vut overheidspersoneel)

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 17 oktober 1995

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd

A. Aan artikel 8 wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:

7. Indien en voor zover op het in het eerste lid bedoelde tijdstip niet is voorzien in bepalingen, als bedoeld in artikel 3, achtste tot en met elfde lid, artikel 6, achtste lid, en artikel 7, achtste lid, van de in het eerste lid genoemde wet, wordt daarin voorzien door Onze Minister. De vorige volzin is van toepassing ten aanzien van:

a. toekenningen aan belanghebbenden van uitkeringen;

b. vaststellingen van het bedrag van uitkeringen (uitkeringspercentage); en

c. verrekeningen van uitkeringen met andere inkomsten, door het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, voorzover die toekenningen, vaststellingen en verrekeningen hebben plaatsgevonden in de naar het oordeel van Onze Minister gerechtvaardigde verwachting dat met terugwerkende kracht bepalingen als bedoeld in de vorige volzin zouden gaan gelden op grond waarvan die toekenningen, vaststellingen en verrekeningen konden plaatsvinden. Op de door Onze Minister te treffen voorziening is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

B. Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, komt te luiden:

2. In afwijking van het eerste lid blijft het Algemeen burgerlijk pensioenfonds aan het Vut-fonds de jaarlijkse bijdrage verschuldigd, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de in het eerste lid genoemde wet, met dien verstande dat, in afwijking van het tweede en derde lid van dat artikel:

a. deze bijdrage het hierna aangegeven percentage bedraagt van de loonsom in het desbetreffende jaar:

1996: 1,17 procent;

1997: 0,94 procent;

1998: 0,71 procent;

1999: 0,47 procent;

2000: 0,24 procent, waarbij,

b. onder loonsom wordt verstaan: het totaal in enig jaar van de inkomens bedoeld in artikel 3.1, eerste tot en met het vijfde lid, van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

2. Toegevoegd wordt een negende lid, luidende:

9. Onze Minister stelt regels omtrent de vergoeding door lichamen van bedragen ter zake van uitkeringen als bedoeld in artikel 8, zevende lid.

C. Artikel 11 komt te luiden:

Artikel 11

1. In artikel 11, tweede lid, van de De Wet financiële voorzieningen privatisering ABP wordt de punt achter het woord «Vut-wet» vervangen door een komma en wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel en de Wet bevordering doorstroming onderwijspersoneel II.

2. In artikel 90 van de in het eerste lid genoemde wet wordt «1 februari 1995» vervangen door: 1 januari 1995.

3. Artikel III, onderdeel d, onder 2, van de Wet van 21 april 1993, tot wijziging van de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden en de Wet houdende bijzondere regelen met betrekking tot het recht op uitkering als bedoeld in de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden (Stb. 237) komt te luiden: het ontslag in de zin van de onder 1 genoemde wet is verleend voor 1 januari 1993 dan wel voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

D. Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12

1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. De artikelen 8, zevende lid, en 9, negende lid, werken terug tot en met 1 maart 1987. Artikel 11, eerste en tweede lid, werkt terug tot en met 1 januari 1995. Artikel 11, derde lid, werkt terug tot en met 1 mei 1993.

2. Indien het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 1995, wordt de in artikel 8, eerste lid, genoemde datum vervangen door de dag van inwerkingtreding van deze wet.

Toelichting

Onderdeel A

Zoals gezegd in de memorie van toelichting, § 1, kwam in 1989 in het bijzonder op het vut-terrein de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming op gang. Om de daaruit resulterende sectorale en andere, afwijkende vut-afspraken van de benodigde wettelijke basis te kunnen voorzien, zijn in de Vut-wet enige delegatiebepalingen opgenomen. Het gaat om, bij voorbeeld, de deeltijd-vut voor het rijkspersoneel en 59½ jaar als vut-leeftijd voor gemeentepersoneel.

De vorenbedoelde bepalingen zijn in de praktijk niet goed hanteerbaar gebleken. Dit gegeven, in samenhang met de praktijk dat op arbeidsvoorwaardelijk terrein in de diverse overleggremia overeengekomen, voor het belanghebbende personeel gunstige, wijzigingen ten uitvoer worden gelegd vooruitlopend op regeling bij of krachtens wet, maakte het voor het uitvoeringsorgaan van de Vut-wet moeilijk te beoordelen of decentraal afgesproken bijzondere vut-arrangementen door hem onder de vigeur van de Vut-wet konden worden uitgevoerd. Achteraf moet worden vastgesteld dat dit strikt formeel niet steeds het geval was. Daarbij moet worden opgemerkt dat als gevolg van een samenstel van factoren, te weten capaciteitsproblemen, de onduidelijkheid van de genoemde delegatiebepalingen, ook in relatie tot decentrale ontwikkelingen op het vut-terrein, de nodige regelingen krachtens de Vut-wet niet tijdig konden worden getroffen.

De voorgestelde uitbreiding van artikel 8 van het wetsvoorstel met een zevende lid strekt ertoe om een, uit een oogpunt van rechtmatigheid van handelen van de uitvoerder van de in te trekken Vut-wet alsmede van aanspraken van belanghebbenden, correcte afsluiting van de periode van gelding van die wet te bewerkstelligen.

Dit motief geldt mede voor een wenselijke formalisering van de eenmalige maatregel betreffende de afvloeiing van personeel van de Sociale Verzekeringsbank en de Raden van Arbeid in 1987, waartoe het toenmalige kabinet heeft besloten. Dit in verband met een destijds ingrijpende vermindering van het arbeidsvolume bij deze instellingen ten gevolge van de invoering van het nieuwe stelsel van studiefinanciering, de automatisering van de kinderbijslag- en AOW/AWW-administratie alsmede de omvorming van de Raden van Arbeid tot districtskantoren van de Sociale Verzekeringsbank, zoals neergelegd in de Wet Opheffing Raden van Arbeid. In verband met deze operatie is aan de betreffende instellingen, in het kader van de Wet arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en gesubsidieerde sector, extra ruimte toegekend ter financiering van een eenmalige verruimde afvloeiingsregeling voor personen van 57½ jaar en ouder in het jaar 1987 op het niveau van de vut-regeling voor het rijkspersoneel. Daarvoor werd aangesloten bij de vut-regeling zoals neergelegd in de Vut-wet, die ook regulier van toepassing was op het vrijwillig vervroegd uittreden van personeel van de genoemde instellingen. De kosten van de uitkeringsperiode voordat het recht op een reguliere vut-uitkering zou ontstaan waren voor rekening van de betreffende instellingen. De afspraken daarover zijn destijds vastgelegd in een uitvoeringsovereenkomst tussen genoemde instellingen en het ABP, maar in die vorm niet toereikend om de rechten van het betreffende personeel te waarborgen in het overgangsrecht van dit wetsvoorstel. Deze afvloeiingsregeling kon destijds strikt genomen niet onder de vigeur van de Vut-wet worden gebracht, doordat die wet niet voorzag in de mogelijkheid van declaratie door het ABP van vut-kosten, anders dan bij het Rijk.

Het complement van het zevende lid van artikel 8 in de sfeer van de financiering is het voorgestelde negende lid van artikel 9 (onderdeel B, 2). Dit heeft betrekking op vut-kosten (uitkeringen aan belanghebbenden zolang deze jonger zijn dan 61 jaar, voor zover zij niet recht op vut-uitkering hebben wegens vervroegde uittreding na 40 dienstjaren) die ten laste dienden te komen van lichamen in de zin van de Vut-wet. Opgemerkt wordt, dat de te stellen regels betrekking zullen hebben op bedragen die in feite al nagenoeg alle reeds door het ABP zijn ontvangen. Voor zover dat nog niet het geval zou zijn, kan niet worden gezegd dat de te stellen regels, die een verstreken periode zullen betreffen, strijd met de rechtszekerheid opleveren, nu het al lange tijd ruimschoots bij de betrokken instellingen bekend is dat zekere voor rekening van het ABP komende vut-lasten door hen dienen te worden vergoed. In verband met de voormelde afvloeiingsregeling is een terugwerkende kracht tot en met 1 april 1987 voorzien (onderdeel D).

Onderdeel B, 1

Bij de ontwikkeling van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP bleek een vermindering van de administratieve lasten mogelijk door de invoering van een vereenvoudigd loonbegrip. Voor de financiering van de vut-uitkeringen wordt het thans voor de pensioenen geldende loonbegrip gevolgd. Omwille van uniformiteit in de uitvoering is het wenselijk om voor de financiering van de vut-uitkeringen aan te sluiten bij het nieuwe loonbegrip ter zake van de financiering van de pensioenen. Daartoe behoeft artikel 9, tweede lid, van het wetsvoorstel aanpassing. In deze bepaling is de voortzetting geregeld van de verplichting van het ABP om tot en met het jaar 2000 een bijdrage aan het Vut-fonds te betalen met het oog op de mitigering van de vut-lasten voor het overheidspersoneel gedurende die periode. Genoemde bijdrage is uitgedrukt als een percentage van de loonsom, waarvoor hetzelfde loonsombegrip wordt gehanteerd als voor de financiering van de pensioenen. Thans geldt als loonsombegrip het ambtelijk inkomen bedoeld in artikel C 1 van de Abp-wet op grond waarvan maandelijks de daadwerkelijke loonsom wordt bepaald. Per 1 januari 1996 zal in het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP voor de financiering van de pensioenen een peildatumsysteem voor de vaststelling van de loonsom worden gehanteerd. Op een vaste peildatum zal dan een voor het gehele jaar geldende loonsom worden vastgesteld. Doordat de peildatumsystematiek leidt tot de vaststelling van een lagere loonsom dan het daadwerkelijk inkomen in enig jaar vergt de invoering van dit systeem aanpassing van de bijdragepercentages genoemd in artikel 41 van de Wet FVP/ABP. De voorgestelde wijziging van het tweede lid van artikel 9 voorziet in de invoering van de peildatumsystematiek en de aanpassing van genoemde bijdragepercentages.

Onderdeel C

Naast de reeds in het wetsvoorstel opgenomen wijziging van artikel 11 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP (Wet FVP/ABP), dient ook artikel 90 van deze wet te worden gewijzigd. In het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet FVP/ABP, zoals dat – met instemming van de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken – aan de Tweede Kamer is aangeboden stond in artikel 90 de datum van 1 januari 1995 in plaats van 1 februari 1995 vermeld als datum waarop de lopende vut-uitkeringen «afgeroomd» zouden worden. Deze afroming dient ter correctie van het netto-effect van de bruteringsoperatie op de tijdens de invoering van het nieuwe bruto-netto-traject lopende vut-uitkeringen. De bruto-salarissen van het overheidspersoneel zijn per 1 januari aangepast in verband met de wijziging per die datum van het bruto-netto-traject. Dit om te voorkomen dat de inkomenspositie van het overheidspersoneel zou worden aangetast. De brutering werkt ook door naar de lopende vut-uitkeringen. Zou dit echter zonder meer zijn gebeurd, dan zou dat leiden tot een onbedoelde netto-inkomensstijging voor degenen met een al ingegane vut-uitkering, doordat daarop een aantal inhoudingen waarvoor de compensatie is bedoeld niet van toepassing is. Dit effect wordt door de afroming gecorrigeerd. De hier voorgestelde wijziging betreft de datum tot welke vut-uitkeringen als reeds lopende uitkeringen kunnen worden beschouwd, welke zouden moeten worden afgeroomd.

Daar de vut-uitkering wordt berekend op basis van het salaris over de maand voorafgaande aan de datum van ingang, zou de getrokken grens, met zich brengende afroming van de vut-uitkeringen die voor 1 januari 1995 waren ingegaan, er toe leiden dat de uitkeringen die per 1 januari 1995 zouden ingaan – met het (oude) salaris over de maand december 1994 als grondslag – niet zouden worden afgeroomd. Bij nota van wijziging is daarom in artikel 90 van de Wet FVP/ABP de datum van 1 januari 1995 gewijzigd in 1 februari 1995. De centrales van overheidspersoneel zijn echter in de voorlichting aan hun leden uitgegaan van de datum van 1 januari 1995, zoals die in het oorspronkelijke wetsvoorstel stond vermeld. Om de verwachtingen van betrokkenen die hun keuze om per die datum met vut te gaan op deze informatie hebben gebaseerd te honoreren, is afgesproken om in artikel 90 van de Wet FVP/ABP de datum van 1 februari 1995 met terugwerkende kracht te vervangen door 1 januari 1995.

In het derde lid van artikel 11 wordt een correctie aangebracht op het overgangsrecht dat geldt bij de invoering van de verlaging van het vut-uitkeringspercentage van 80 naar 75 voor vut-uitkeringen die in zijn gegaan na 1 mei 1993, zoals dat is gerealiseerd bij Wet van 21 april 1993 (Stb. 237). Bij de verlaging van het uitkeringspercentage gold voor de belanghebbenden in de zin van de Wet van 28 september 1989 (wachtgeld-vutters) overgangsrecht. In artikel III, onderdeel d, is bepaald dat die wachtgeld-vutters aan wie vóór 1 mei 1993 (datum inwerkingtreding van de wet) wachtgeld-vut-ontslag is verleend en waarbij is gegarandeerd dat de bepalingen van de Vut-wet van toepassing zijn zoals deze luiden op het moment van ontslag (wachtgeld-vut-garantie) bij het ontstaan van het recht op een vut-uitkering recht hebben op het oude uitkeringspercentage van 80. Dit betekent dat de wachtgeld-vutters aan wie door de werkgever geen wachtgeld-vut-garantie is verleend bij het ontstaan van het recht op een vut-uitkering recht hebben op het nieuwe (lagere) uitkeringspercentage van 75. In de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken is geconstateerd dat deze ongelijkheid in behandeling ongewenst is. Met de centrales van overheidspersoneel is afgesproken om de betreffende bepaling zo aan te passen dat ook de wachtgeld-vutters aan wie voor 1 mei 1993 ontslag is verleend zonder een wachtgeld-vut-garantie bij het ontstaan van recht op een vut-uitkering eveneens aanspraak hebben op het oude uitkeringspercentage van 80.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal