24 217
Vaststelling van een kader voor regeling van rechten en verplichtingen van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden (Wet kaderregeling vut overheidspersoneel)

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 10 oktober 1995

1. Algemeen/strekking van het wetsvoorstel

Het strekt tot voldoening dat alle fracties die aan het woord zijn in het verslag, zich meer of minder uitdrukkelijk kunnen verenigen met de strekking van het wetsvoorstel. De bedoeling is om een wettelijke grondslag te leggen voor regeling naar privaatrechtelijk model van rechten en verplichtingen ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden (vut) van in de eerste plaats het overheids- en het onderwijsperoneel. Dit past in het normaliseren van de wijze van het totstandkomen van de arbeidsvoorwaarden van dat personeel. Ook de beoogde privatisering van het ABP, de uitvoerder van de huidige Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden, moet in dit verband worden genoemd. Verder wordt hiermee de formeel-wettelijke kant ter zake van vut bij de overheid en het onderwijs in overeenstemming gebracht met de feitelijk ontstane situatie.

Op de vraagpunten en opmerkingen waartoe het voorstel overigens aanleiding gaf, wordt onderstaand ingegaan.

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA en D66 stelden aan de orde hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot de in het regeerakkoord opgenomen financiële taakstelling op het terrein van de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel. Het bevreemdde de leden van de fractie van D66 dat op geen enkele wijze melding wordt gemaakt van uit die taakstelling voortvloeiende voornemens ten aanzien van de vut- regeling. De leden van de CDA-fractie vroegen om een toelichting op het daarover gestelde onder punt 8 van het naar aanleiding van het advies van de Raad van State aan de Koningin uitgebrachte nader rapport.

Het wetsvoorstel beoogt een overgang van puur publiekrechtelijke regeling naar regeling volgens privaatrechtelijk model. Uitdrukkelijk wordt het treffen van een vut-regeling of vut-regelingen gedelegeerd aan de sociale partners, gerepresenteerd door de sectorwerkgevers en de centrales. Daarmee is dus (bewust) niets gezegd over het al dan niet treffen door de partners van een regeling of over de inhoud van zo'n regeling. Uitsluitend in het licht van overgangsaspecten is in de memorie van toelichting opgemerkt: «in aanmerking genomen dat de overgang van wettelijke regeling naar een regeling naar privaatrechtelijk model een stelselwijziging is, waarmee op zich niet is beoogd materieel een wijziging aan te brengen in de bestaande vut-arrangementen, ligt het in de rede dat bij die overgang de gezamenlijke sectorwerkgevers en de centrales van overheidspersoneel het centrale arrangement voortzetten door dit in een vut-overeenkomst vast te leggen. «Daaraan wordt toegevoegd: uiteraard neemt dit niet weg, dat er vanuit andere gezichtspunten voor de sociale partners bij de overheid en het onderwijs redenen kunnen zijn om over wijziging van de bestaande arrangementen in onderhandeling te treden.» Het is duidelijk dat het regeerakkoord die gezichtspunten voor in ieder geval een deel van de partners oplevert.

Evenwel hebben noch het wetsvoorstel noch de toelichting erop de intentie een richting aan te geven voor de inhoud die de sociale partners in de toekomst aan het verschijnsel «vut» zullen geven. Anderzijds zijn er diverse overgangsaspecten die de wetgever zich als zorg dient aan te trekken. Voor die aspecten vormt de bestaande situatie het vertrekpunt. Wellicht dat door de opmerkingen die daarover zijn gemaakt bij de leden van de fractie van D66 het onjuiste beeld is gevormd van een vasthouden aan de huidige regeling, met voorbijgaan aan de door hen aangeduide ontwikkelingen. Ik wijs deze leden erop dat juist de met het wetsvoorstel beoogde regeling naar privaatrechtelijk model, ook in samenhang met een overeenkomstige opzet voor de pensioenregeling, het meer dan nu mogelijk maakt om snel te reageren op ontwikkelingen.

Hoe staat het met het overleg tussen Minister en centrales over de vut, zo vragen de leden van de fractie van D66 voorts.

Door een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de overheidswerkgevers en de centrales van overheidspersoneel is een onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de vut-regeling voor het overheidspersoneel te vervangen door een systeem van flexibele pensionering. De werkgroep is er niet in geslaagd om gezamenlijk tot een rapportage te komen. Dit doordat verschil van mening ontstond over de vraag of de reguliere pensioenaanspraken in de te verkennen varianten van flexibele pensionering konden worden betrokken. Mede op basis van de rapportage van de verrichtingen van de werkgroep, die uiteindelijk door de werkgeversdelegaties is voltooid, is ten behoeve van het overleg in de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken een voorstel gedaan om de vut-regeling op korte termijn te beperken en vanuit die situatie toe te groeien naar de invoering van een nader uit te werken systeem van flexibele pensionering. Dit voorstel is door de centrales afgewezen, dit mede in verband met het bijbehorende voorstel voor een besparing op het nabestaandenpensioen. In vervolg daarop is, na verdere studie, op 21 september jl. aan de centrales van overheidspersoneel een nieuw voorstel voorgelegd. De tekst van dit voorstel is ter informatie bij deze nota gevoegd.1

Met betrekking tot de financiële taakstelling op het terrein van de arbeidsvoorwaarden van het overheidspersoneel vragen de leden van de fractie van D66 naar de relatie tussen het – thans afgesloten – Cao-akkoord voor de rijkssector en voorstellen betreffende de vut-regeling. De bedoelde taakstelling is een taakstelling ten aanzien van de totale arbeidsvoorwaardenruimte, waarvan wordt beoogd een gedeelte op de vut-regeling en een gedeelte op de sectorale arbeidsvoorwaardenruimte te realiseren. De totale taakstelling is reeds ingeboekt en versmalt de marges voor het overleg over de sectorale arbeidsvoorwaarden. Binnen deze smallere marges spelen zich thans de onderhandelingen af omtrent de sector-cao's. Het akkoord voor het rijkspersoneel is ook binnen deze marges gesloten. Wanneer er een besparing op de vut wordt gerealiseerd, dan ontstaat er een ruimere marge voor het sectoroverleg.

De leden van de CDA-fractie willen een toelichting op de gevolgen van het wetsvoorstel voor de ambtenaren, zowel de werkenden als al uitgetredenen.

De met het wetsvoorstel beoogde stelselwijziging betekent als zodanig geen voor- of nadelen voor de bedoelde belanghebbenden als het gaat om het niveau van aanspraken en het bijdragen aan de financiering daarvan. Gevolgen zijn er voor de juridische vorm van de vastlegging van hun rechten en verplichtingen ter zake van vut.

Het valt te betreuren dat de leden van de VVD-fractie de tekst van de memorie van toelichting niet altijd even duidelijk vinden. Er wordt steeds met de nodige inzet en nauwkeurigheid naar gestreefd om wetsvoorstellen te voorzien van een toelichting die voor honderd procent duidelijk is. Het lijkt kennelijk toch niet steeds mogelijk om deze doelstelling volledig te bereiken. Terecht merken de genoemde leden op dat er een onjuistheid is in de door hen aangegeven verwijzing. In plaats van «artikel 5» had er moeten staan: artikel 4.

De leden van de fractie van de RPF wijzen erop dat op dit moment op grond van een arbitrale uitspraak de vier grote gemeenten de bevoegdheid hebben om eigen, van de sectorale regeling afwijkende, vut-regelingen vast te stellen. De leden van deze fractie vragen hoe die bevoegdheid past in het nieuwe stelsel, of daarvoor voortaan een basis in een vut-overeenkomst is vereist en zo ja, of een dergelijke basis zal worden opgenomen in de door de Minister voor te bereiden vut-overeenkomst.

De desbetreffende arbitrale uitspraak is de uitspraak van de daartoe door partijen ingestelde arbitragecommissie van 24 augustus 1994 en betreft de bevoegdheidsverdeling voor het maken van arbeidsvoorwaardelijke afspraken in de sector gemeenten tussen het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) en het Georganiseerd Overleg (GO) in de vier grote gemeenten. In die uitspraak is bepaald dat, op grond van het ten aanzien van dat overleg geldende protocol, de arbeidsvoorwaardelijke afspraken die met betrekking tot de pré-vut-regeling voor het gemeentepersoneel in het LOGA worden gemaakt bindend zijn voor de vier grote gemeenten, indien en voorzover zij niet ieder voor zich op lokaal niveau in hun GO tot overeenstemming zijn gekomen over een eigen regeling.

De onderhavige bevoegdheid past niet zonder meer in het nieuwe stelsel. Immers, het wetsvoorstel wijst voor de sector gemeenten de VNG aan als tot het sluiten van een vut-overeenkomst bevoegde sectorwerkgever. Wel opent het tweede lid van artikel 2 de mogelijkheid van een verdere decentralisatie van de bevoegdheid van afspraken op het terrein van vut, binnen een sector. De sectorale overlegpartijen kunnen daartoe besluiten. Het is nu niet mogelijk om de laatste vraag van de leden van de RPF-fractie te beantwoorden. Het is nu niet bekend wat de inhoud zal zijn van een beoogde, door de sectorwerkgevers gezamenlijk en centrales af te sluiten overeenkomst en dus ook niet of partijen daarin ruimte zien voor een bevoegdheid als de vier grote gemeenten nu hebben ten aanzien van een zogenoemde pré-vut-regeling.

De leden van de SGP-fractie willen weten in hoeverre de voorgestelde regeling van vut naar privaatrechtelijk model kan leiden tot veranderingen in het niveau van de uitvoeringskosten. De voorgestelde systeemwijziging behoeft als zodanig niet te leiden tot een verandering van dat niveau. Verwacht mag wel worden dat de sociale partners dit aspect terdege zullen bewaken.

Deze leden vragen voorts om een overzicht van recente ontwikkelingen met betrekking tot de vut-regelingen in de marktsector en in de sfeer van de overheid. Daarbij stellen zij de vraag naar de betaalbaarheid van deze regelingen in de toekomst.

Volgens de meest recente rapportage van de Inspectiedienst van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Cao-afspraken 1995, tweede interimrapportage) zijn er in de marktsector nog geen grootscheepse wijzigingen te constateren in het beeld van vut-regelingen in de Cao's. Dit blijkt uit steekproef-onderzoek van 133 cao's, waarvan er 125 een vut-regeling kennen.

Uit onderzoek van 98 akkoorden die voor geheel 1995 gelden blijkt dat de gemiddelde structurele uittredingsleeftijd inclusief de eenmalige verlagingen ligt op 60 jaar. Dit is een beeld dat niet afwijkt van de jaren 1993 en 1994. Evenals in 1994 is ook in 1995 in een groot aantal Cao's overeengekomen een studie te verrichten naar alternatieven voor de vut. Het gaat hier om mogelijkheden van flexibilisering van de huidige regelingen, de omzetting van de vut-regeling in een systeem van flexibele pensionering of het integreren van de vut- en pensioenregeling. In het algemeen is de betaalbaarheid nu en in de toekomst daarbij een belangrijk element. In een gering, maar groeiend aantal Cao's is afgesproken een systeem van flexibele of pré pensionering in te voeren in plaats van de vut-regeling. De uittredingsleeftijd ligt in een dergelijk systeem beduidend hoger dan bij de daarvoor geldende vut-regeling het geval was.

De leden van de groep-Nijpels zijn bezorgd dat de uiteindelijke uitwerking van de voorgestelde wet zal leiden tot een minimalisering van de huidige vut-regelingen. Deze leden tonen zich tevens verbaasd over de gelijktijdige aankondiging van maatregelen ter verruiming van het fiscale regime ten behoeve van de invoering van flexibele pensioneringsregelingen. Zij wijzen erop dat een en ander kan leiden tot het overbodig maken van de vut-regelingen en dat een omschakeling van een vut- naar een pensioenregeling een periode inluidt waarin twee systemen naast elkaar bestaan. Een dergelijke situatie zou een dubbele premiebetaling met zich meebrengen. Genoemde leden vragen naar een reactie op de door hen geschetste problematiek.

Anders dan de leden van de groep-Nijpels, zie ik in de door hen geschetste ontwikkelingen eerder nieuwe kansen en mogelijkheden dan het ontstaan van problemen. De voorgestelde wet kaderregeling vut overheidspersoneel brengt voor de sociale partners bij de overheid en het onderwijs ruimere mogelijkheden met zich voor overleg en afspraken over vervroegde uittreding. De gedachten van de staatssecretaris van Financiën gaan uit naar ruimere fiscale mogelijkheden voor de opbouw van pensioenrechten. Bovendien zijn vut en flexibele pensionering geen aan elkaar tegengestelde systemen van vervroegde uittreding. Beide systemen kunnen zeer wel in combinatie met elkaar worden gehanteerd, in het bijzonder in de overgangsfase van een vut- naar een pensioensysteem, wanneer nog te weinig pensioen is gespaard voor een aanvaardbare hoogte van de uitkering. Een dergelijke combinatie maakt deel uit van mijn voorstel aan de centrales van overheidspersoneel ter zake van vut. Ook wanneer in het arbeidsvoorwaardenoverleg wordt gekozen voor de invoering van een systeem van flexibele pensionering voor het overheidspersoneel zal het regelingsinstrumentarium van de voorgestelde Wet kaderregeling vut overheidspersoneel van betekenis zijn. Ten slotte moet worden opgemerkt dat het niet zo is, zoals de genoemde leden veronderstellen, dat bij een overgang van vut naar een systeem van flexibele pensionering er tweemaal voor vervroegde uittreding betaald moet worden. Beide elementen, gecombineerd in één uitredingsregeling, hebben het karakter van communicerende vaten. De kosten van de vut zullen dalen, naarmate het pensioendeel een groter aandeel in de uitkeringskosten zal hebben.

2. Contractspartijen en reikwijdte van de contracten

Uit het gestelde in paragraaf 1 van deze nota blijkt dat het een misverstand is bij de leden van de D66-fractie dat, naar hun indruk, in het wetsvoorstel ervoor wordt gekozen dat in alle acht sectoren, alsmede in een aantal met overheidsinstellingen gelijk te stellen instellingen, voorlopig gedwongen vast moet worden gehouden aan de bestaande vut- regeling.

In de met het wetsvoorstel beoogde situatie zullen meer dan nu het geval is per sector verschillen kunnen ontstaan tussen de onderscheidene vut-regelingen. De leden van de CDA-fractie hebben er twijfels over of dit wel verstandig is. Heeft de Minister een visie op de mate waarin hij verschillen in regelingen ten aanzien van overheidspersoneel aanvaardbaar acht? Ook de leden van de groep-Nijpels stellen een overeenkomstige vraag.

Voorop moet worden gesteld dat met het sectoren-model bewust mogelijk gemaakt is dat er verschillen ontstaan tussen de sectoren, juist om meer «maatwerk» te kunnen verkrijgen. Aan de sociale partners dient het nodige vertrouwen te worden gegeven. Ik wijs erop dat aan werkgeverszijde het Verbond Sectorwerkgevers Overheid een waarborg is voor onderlinge afstemming. Het past voorts in de taakomschrijving van de Raad voor het overheidspersoneelsbeleid (Rop) om te waken voor een onwenselijke mate van het ontstaan van (verdere) verschillen op het terrein van vut, of wat daarvoor, hoe ook genaamd, in de plaats zou kunnen komen.

De vraag van de leden van de CDA-fractie of een sector kan kiezen voor een ander financieringsstelsel dan omslag, beantwoord ik bevestigend.

De leden van de fractie van de VVD en van D66 hadden enkele vragen en opmerkingen over de positie van instellingen en hun personeel die niet behoren tot de overheid in engere betekenis (rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) of het onderwijs, maar wel onder de reikwijdte van de huidige Vut-wet vallen («andere instellingen»). In dat verband wilden de eerstgenoemde leden een nadere toelichting op de zin: «..... wordt de hoedanigheid van contractspartner van de sectorwerkgevers beperkt tot het overheidspersoneel in engere zin en het onderwijspersoneel» (memorie van toelichting, §3).

Deze zin betekent dat een door een sectorwerkgever gesloten vut-overeenkomst alleen directe gebondenheid oplevert voor instellingen en hun personeel die tot de desbetreffende sector behoren. Niettemin regelt het wetsvoorstel ook, dat andere instellingen die op grond van zekere maatstaven met een sector verbonden zijn, eveneens zijn gebonden. Het belang hiervan is tweeledig. De sector kan belang hebben bij een zo breed mogelijk draagvlak voor de financiering. Het belang voor de andere instellingen is – en dit is de voornaamste reden voor de in het wetsvoorstel gekozen constructie – dat zij in de situatie waarin de huidige Vut-wet niet meer bestaat, niet zonder meer op het vut-terrein op zichzelf worden teruggeworpen. Het laat zich denken dat er instellingen zijn voor welke een eigen vut-regeling financieel niet haalbaar is. Dit alles neemt niet weg – hiermee kom ik terug op de in het vorenstaande weergegeven passage uit 3 van de memorie van toelichting – dat er feitelijk in het kader van arbeidsvoorwaardenvorming in ruime zin geen directe band is tussen de andere instellingen en de sectorwerkgevers. Daarom regelt het wetsvoorstel dat de andere instellingen zich op het vut-terrein kunnen losmaken van de sectoren. Daarvoor geldt dan wel een instemmingsprocedure. Deze is in het wetsvoorstel opgenomen met het oog op de voormelde belangen. Mijn voornemen is evenwel om als beleidsbeginsel aan te houden om, indien een instelling te kennen geeft niet (meer) gebonden te willen zijn aan de desbetreffende vut-overeenkomst, die wens te honoreren. De partijen bij die overeenkomst zullen daarover echter wel moeten worden gehoord.

Wat betreft de vrijheid van de sectoren: het wetsvoorstel staat hieraan niet in de weg. Echter tussen de sociale partners zelve kunnen afspraken bestaan op het punt van gezamenlijkheid. Dit als antwoord op de vraag van de leden van de VVD-fractie: waarom niet direct zelfstandige ruimte voor sectoren en instellingen, en voorts op de vraag van de leden van de fractie van D66 waarom in het onderwijs of in een van de andere sectoren niet gekozen zou kunnen worden voor andere vormen dan de betrekkelijk eenvormige en starre vut-regeling voor de overheid?

Het is niet wenselijk om – zoals de leden van de fractie van D66 suggereerden – nu een tijdstip vast te stellen voor het einde van de voor partijen tijdelijk verplichte uitvoering van een vut-overeenkomst door het Vut-fonds. De reden voor deze verplichting is om de in het Convenant inzake de privatisering van het ABP overeengekomen mitigering, voor alle ambtenaren in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet, van de financiële bijdrage aan de vut-financiering zoveel mogelijk op de oorspronkelijk beoogde wijze ten uitvoer te leggen. Er moet de mogelijkheid zijn om in overleg met de sociale partners, afhankelijk van ontwikkelingen, tot een vaststelling van het tijdstip van het einde van de onderhavige verplichting te komen. Zie verder ook §8 van deze nota, onder artikel 9.

Uit de vragen en opmerkingen van de leden van de VVD en van D66 over de positie van de «andere instellingen», mede in relatie tot de tijdelijk verplichte uitvoering door het Vut-fonds kan worden begrepen dat zij die positie te strak geregeld vinden. Ik wijs hen dan op een analoge situatie die zich in de marksector kan voordoen. Ik bedoel de situatie waarin een collectieve arbeidsovereenkomst, die mede een vut-regeling inhoudt, inclusief de uitvoering van die regeling door een zeker fonds, algemeen verbindend is verklaard.

De leden van de fractie van D66 vroegen voorts waarom bijvoorbeeld Kamers van Koophandel wel, en de SER en Pbo-organen niet vallen onder de gebruikte term «andere instellingen». De reden hiervoor is eenvoudig dat de eerstgenoemde instellingen onder de huidige Vut-wet vallen en de laatstgenoemde niet. Het door dit wetsvoorstel te scheppen kader betreft uitsluitend de «kring» van de Vut-wet.

De leden van de fractie van het CDA alsmede de leden van de GPV-fractie hebben vragen met betrekking tot de mogelijkheden, waarin het wetsvoorstel voorziet, dat andere organisaties dan de centrales optreden als contractspartner aan werknemerszijde. Dit zal zich voordoen indien zo'n organisatie op grond van een wettelijke bepaling representatief moet worden geacht voor het personeel, werkzaam in een sector dan wel door een sectorwerkgever, gehoord de centrales, als zodanig wordt beschouwd. Aan de eerstbedoelde norm voldoet nu de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Ten aanzien van de tweede norm zal inderdaad naar objectieve criteria de representativiteit moeten worden beoordeeld. De centrales moeten hierover worden geraadpleegd. Hun instemming is niet vereist, uiteraard wel wenselijk. Ik zie er niet op voorhand een gevaar in, dat meer dan één organisatie representatief zou zijn. Een en ander geldt ook voor de door de leden van de GPV-fractie genoemde organisaties.

3. Grondwettelijke aspecten van privaatrechtelijke regeling van vut voor overheidspersoneel

De leden van de CDA-fractie zijn bezorgd over de samenhang in de vut-regelingen voor de diverse sectoren. Hoe wordt door de wetgever toegezien op de uitvoering van de delegatiebevoegdheid?

De minister van Binnenlandse Zaken, als bestuurlijk verantwoordelijke voor het overheidspersoneelsbeleid, kan als zodanig worden aangesproken over het functioneren van het sectorenmodel. Overigens moet, zoals al opgemerkt in paragraaf 1 van deze nota, aan de sociale partners het nodige vertrouwen worden gegeven. Voor zover de genoemde leden doelen op verschillende vut-regelingen binnen een sector, wordt opgemerkt dat er een afspraak bestaat tussen de sociale partners dat niet eerder kan worden overgaan tot een zogenoemde doordecentralisering binnen een sector, dan nadat daarover tussen sociale partners op het niveau van de desbetreffende sector overeenstemming is bereikt en vervolgens in de Raad voor het overheidspersoneelsbeleid is overlegd.

De leden van de fractie van de SGP stellen de vraag of de vut-regeling voor het overheidspersoneel strekt tot behartiging van bepaalde algemene belangen door de overheid. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, dringt zich, aldus deze leden, de vraag op of de overheid van het privaatrecht gebruik mag maken als voor die behartiging een publiekrechtelijke weg openstaat.

De laatste vraag is er een van beleidsmatige aard. Het beleid van normalisering, een van de gronden voor dit wetsvoorstel, leidt tot een bevestigende beantwoording van die vraag. De vut-regeling maakt deel uit van de arbeidsvoorwaarden en behoort vanuit een gezichtspunt van dat beleid een zaak te zijn van de sociale partners. Tegen het gebruikmaken van het privaatrecht bestaat dan ook geen bezwaar.

4. Bevoegde rechter

De leden van de fracties van D66 en van het GPV vragen de regering in te gaan op hetgeen door de president van de Centrale Raad van Beroep te kennen is gegeven over de gevolgen van dit wetsvoorstel, en van het wetsvoorstel inzake de privatisering van het ABP, voor de rechtsbescherming. De nota naar aanleiding van het verslag inzake het laatstgenoemde wetsvoorstel bevat daarover een beschouwing. De essentie daarvan is als volgt. Het (gewezen) personeel dat aanspraken ontleent aan de huidige Algemene burgerlijke pensioenwet en de Wet uitkering wegens vrijwillig vervroegd uittreden bestaat uit een categorie ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet en een categorie van personen die werkzaam zijn (waren) op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Voor elke van beide categorieën is ter zake van hun arbeidsrechtelijke rechtspositie in het algemeen niet dezelfde rechter bevoegd. In vut- en pensioenzaken is dat wel het geval. De aard van de materie heeft destijds tot die keuze geleid.

Het huidige systeem van de rechtsbescherming voor de onderhavige groepen van personeel is dus niet zo helder als wordt gesuggereerd door de Centrale Raad van Beroep. De aard van de materie als grondslag voor de keuze van de bevoegde rechter voor beide categorieën wordt in beide wetsvoorstellen in stand gelaten. Echter het gegeven dat rechten en plichten ter zake van vut en pensioen bij overeenkomst zullen zijn geregeld, leidt principieel tot de keuze voor de burgerlijke rechter.

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze rekening is gehouden met een taakverzwaring voor de kantonrechter, die naar hun indruk het gevolg zou kunnen zijn van de wijziging in de rechtsbescherming. Die taakverzwaring is betrekkelijk, door het grote aantal kantonrechters. Verder zal een door het bestuur van het Vut-fonds te creëren procedure van bezwaar en beroep binnen dat fonds een beperkende invloed kunnen hebben op het aantal kantongerechtsprocedures in vut-zaken betreffende (gewezen) overheids- en onderwijspersoneel. Overigens zal moeten worden bezien hoe binnen het justitiële apparaat zonodig in ondersteuning van de kantonrechters kan worden voorzien.

5. Overgangsaspecten

Welke gevolgen heeft dat, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, voor de financiering van de aanspraken indien één van de sectoren uit het centrale arrangement zou stappen (in de situatie waarin dat arrangement materieel ongewijzigd is voortgezet).

Voorop moet worden gesteld dat het systeem van het wetsvoorstel met zich brengt dat de sociale partners ook over gevolgen als hier bedoeld, afspraken moeten maken. Die zouden kunnen inhouden dat de uitgestapte sector en de gezamenlijke overblijvende sectoren voortaan de eigen (gezamenlijke) vut-lasten hebben te dragen, met een overgangsregeling ter zake van de kosten van uitkeringen die zijn ingegaan vóór het tijdstip van uitstappen van een sector.

Voor de leden van de fractie van het CDA is het volstrekt onduidelijk wat de consequenties van het wetsvoorstel zijn voor de lopende vut-verplichtingen. De memorie van toelichting noch het wetsvoorstel gaan hierop in, zo merken zij op. Als goed werkgever dient de overheid deze consequenties te regelen en wel nu bij de overgang naar een privaatrechtelijk model, aldus deze leden.

Ik meen dat hier niet in de eerste plaats een zorg van de overheid als werkgever in geding is, maar een zorg van de wetgever, die immers onder meer de huidige Vut-wet wenst in te trekken. Vanzelfsprekend zijn dan ook de door de leden van de CDA-fractie bedoelde consequenties geregeld en wel in artikel 8. Verder moge hier worden verwezen naar de toelichting op dat artikel.

De leden van de CDA-fractie wijzen op de aanpassing die in artikel 8, vierde lid, van de voorgestelde wet is aangebracht, nadat de Raad van State advies heeft uitgebracht. Deze leden veronderstellen dat met deze wijziging een aantasting heeft plaatsgevonden van de rechten van hen die als 55-jarige of ouder wegens de afslanking van de overheid of een reorganisatie zijn ontslagen met recht op wachtgeld en aldus onder de zogenoemde wachtgeld-vutregeling vallen. Deze veronderstelling is onjuist. De onderhavige redactionele aanpassing strekt ertoe om scherp te stellen dat de bedoelde belanghebbenden vut-aanspraken hebben naar de omvang van de vut-regeling zoals die luidt op het tijdstip waarop zij daarvan gebruik hadden kunnen maken als zij niet met recht op wachtgeld de dienst hadden verlaten. Dit is geheel in overeenstemming met de wachtgeld-vutregeling. Iets anders is de «vut-garantie» die in sommige gevallen aan belanghebbenden wordt gegeven, door de overheidswerkgever. Zo'n garantie ziet op de vut-regeling zoals die luidt op het tijdstip van het ontslag met recht op wachtgeld. Deze garanties, waarop de leden van de CDA-fractie waarschijnlijk het oog hebben, worden door de onderhavige aanpassing niet aangetast. Deze is, overigens, met instemming van de centrales van overheidspersoneel in het wetsvoorstel aangebracht.

6. Nagestreefd tijdstip van overgang

De leden van de PvdA-fractie en de leden van de SGP-fractie vroegen naar de haalbaarheid van de datum van 1 januari als ingangsdatum van de voorgestelde stelselwijziging.

Zeker ook gezien de aan het begin van deze nota gedane constatering heb ik goede hoop dat de wetgevingsprocedure tijdig zal kunnen worden afgerond. Er zijn geen signalen die erop zouden wijzen dat de betrokken uitvoeringsinstellingen (het al bestaande Vut-fonds, met het ABP als administrateur) niet op tijd klaar zouden zijn voor hun taken met ingang van de onderhavige datum. Dit als antwoord op een desbetreffende vraag van de leden van de RPF-fractie. Indien het wetsvoorstel niet tijdig, dus niet uiterlijk op 1 januari 1996, als wet in werking zou treden, heeft dat als gevolg dat de huidige Vut-wet nog enige tijd zou blijven gelden. Omdat in artikel 8 van het wetsvoorstel de datum van 1 januari is genoemd als onder meer de uiterste datum van intrekking van de Vut-wet, zal bij nota van wijziging een voorziening voor de bedoelde situatie worden getroffen. Voor die situatie moet verder worden geregeld dat, aangenomen dat de voorgestelde Wet privatisering ABP wel in werking is getreden, het Vut-fonds in de plaats treedt van het ABP als uitvoerder van de Vut-wet. Deze voorziening zal worden opgenomen in het wetsvoorstel inzake de privatisering van het ABP.

7. De positie van het ABP en het Vut-fonds

Er is niet voor gekozen om uitvoering door het Vut-fonds blijvend voor te schrijven, waar de leden van de fractie van het CDA blijkens een door die leden gestelde vraag voorstander van zijn, omdat zo'n voorschrift niet zou stroken met de strekking van het wetsvoorstel.

Er is – ik merk dit op gezien een daarop betrekking hebbende opmerking en een vraag van de leden van de VVD-fractie – geen verschil van mening tussen de ondergetekende en de Algemene Rekenkamer over het van toepassing zijn van de Comptabiliteitswet op het Vut-fonds, zoals uiteengezet in paragraaf 9 van de memorie van toelichting. Zo'n meningsverschil bestaat wel met betrekking tot het Algemeen burgerlijk pensioenfonds vanaf de voorgestelde privatisering van dat fonds. In het raam van de schriftelijke behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel zal ik daarop ingaan. Daaruit zal blijken – dit wordt opgemerkt als reactie op een vraag van de leden van de GPV-fractie – dat het gaat om niet geheel gelijke gevallen. De kern van het verschil is de tijdelijk verplichte uitvoering door het Vut-fonds van een vut-overeenkomst of vut-overeenkomsten.

8. Artikelen

Onderschreven wordt dat de met dit wetsvoorstel te bereiken situatie, regeling naar privaatrechtelijk model door de sociale partners van vut voor overheids- en onderwijspersoneel, blijvend kritische aandacht moet hebben. Het komt mij evenwel voor dat een evaluatie-artikel, als door de leden van de CDA-fractie gevraagd, daarvoor een wat strak keurslijf is.

Het wetsvoorstel is naar zijn strekking niet bepalend voor de invulling die de sociale partners in de toekomst inhoudelijk aan «vut» zullen geven. Door de sociale partners wordt thans en wellicht ook in de toekomst in brede zin het sectorenmodel geëvalueerd. Onduidelijk is dan ook welke projecten bedoeld worden waarvan jaarlijks de voortgang zou moeten worden gerapporteerd. De ondergetekende is hoe dan ook steeds bereid, in zijn hoedanigheid van bestuurlijk verantwoordelijke voor het overheidspersoneelsbeleid, aan de Kamer de nodige informatie te verschaffen en van gedachten te wisselen over de situatie, zoals die zich na inwerkingtreding van het wetsvoorstel als wet zal ontwikkelen.

Artikel 1

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat uit de gehanteerde terminologie en definitie van het begrip sectorwerkgever moet blijken dat dit wetsvoorstel en het voorstel inzake de privatisering van het ABP op dat punt in essentie niet van elkaar afwijken. Ik onderschrijf deze mening. De formuleringen in beide wetsvoorstellen zijn in essentie ook gelijk. Niettemin zal in het kader van een voor een aantal andere punten uit te brengen nota van wijziging worden bezien of een verdere redactionele afstemming wenselijk is.

De vragen van de genoemde leden over het optreden, als partij bij een sectorale vut-overeenkomst, van andere organisaties dan de centrales zijn beantwoord in paragraaf 2 van deze nota.

De leden van de fractie van D66 geven er de voorkeur aan om niet, zoals nu is gebeurd, het IPO aan te wijzen als sectorwerkgever voor de sector provincies, maar de gezamenlijke provincies, vertegenwoordigd door het IPO. Zo luidde aanvankelijk die aanwijzing in het wetsvoorstel privatisering ABP, waarna aanpassing heeft plaatsgevonden aan de tekst op dit punt van het wetsvoorstel kaderregeling vut.

De voorkeur van de leden van de fractie van D66 lijkt te berusten op de (zuivere) vertegenwoordigingsgedachte. In die benadering zou die gedachte ook tot uiting moeten komen in – bij voorbeeld – het aanwijzen als sectorwerkgever van de VNG. Maar, zoals wordt opgemerkt in de toelichting op artikel 1, de daar genoemde partijen vertegenwoordigen niet rechtens de Staat, de verenigingen van ambtenaren of de besturen van provincies, gemeenten of waterschappen, maar worden binnen het met dit wetsvoorstel te scheppen kader zelfstandig als bevoegde rechtssubjecten beschouwd.

De leden van de SGP-fractie willen nader toegelicht zien de mededeling in de toelichting op artikel 1, dat de collectieve regeling (een vut-overeenkomst) geen verplichtingen voor de partijen bevat, maar uitsluitend rechten en verplichtingen voor de betrokken instellingen en hun personeelsleden. Uit de aard van de privaatrechtelijke overeenkomst volgt toch automatisch dat voor partijen rechtsgevolgen in het leven worden geroepen, zo merken zij op. Dat laatste is natuurlijk zo. Partijen zijn gebonden aan hetgeen zij zijn overeengekomen, als vut-regeling voor het personeel ten aanzien waarvan de wet hen bevoegd heeft gemaakt. De overeenkomst is er echter per definitie op gericht om – als wezenlijk rechtsgevolg – voor anderen (geldelijke) rechten en verplichtingen in het leven te roepen.

Artikel 5

De leden van de CDA-fractie stellen voorts de vraag of het niet wenselijk is een regeling te ontwerpen voor het uittreden van sectoren.

Dit is wenselijk. De strekking van het wetsvoorstel brengt met zich dat dit een verantwoordelijkheid is van partijen. Dit ligt anders dan ten aanzien van de «andere instellingen», die via een soort «algemeen-verbindend-verklaring» zijn gebonden aan een vut-overkomst. Zij kunnen zich losmaken van die gebondenheid, in welk kader door het wetsvoorstel een taak is toegedacht aan de minister van Binnenlandse zaken, in een bestuurlijke rol. In die rol dient deze het nodige te regelen voor een ordelijk uittreden van de betrokken instelling.

Artikel 8

De toelichting op artikel 8 spreekt onder andere over het honoreren van al ontstane verwachtingen van aanspraken. Ter beantwoording van vragen daarover van de leden van de RPF-fractie: het gaat dan om personen die in een wachtgeldsituatie «uitzicht» hebben op het verkrijgen van recht op vut-uitkering. Dit uitzicht berust op de in te trekken Wet van 28 september 1989, de wachtgeld-vutregeling. Het onderhavige «honoreren» houdt in dat zij aanspraken houden conform de voormelde regeling. Dit houdt in dat zij aanspraken verkrijgen op basis van een vut-regeling zoals die luidt op het tijdstip waarop zij daarvan gebruik hadden kunnen maken als zij niet met recht op wachtgeld de dienst hadden verlaten.

Artikel 9

De leden van de CDA-fractie vragen voorts waarom voor de bevoegdheid van het bestuur van het Vut-fonds die is vervat in het achtste lid van artikel 9 niet het vereiste geldt van overeenstemming met de Minister en de CCvGOA.

Het gaat hier om de financiering van lasten wegens vut-uitkeringen die zijn ingegaan vóór de beoogde datum (1 januari 1996) van ingang van het nieuwe stelsel van regeling van vut. In het wetsvoorstel wordt geregeld dat in ieder geval voor die financiering het huidige stelsel van omslag, zoals geregeld in de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, in stand blijft. Vijf jaar na 1 januari is voor het merendeel van de voormelde uitkeringen de duur verstreken. Afhankelijk van de (financierings-) ontwikkelingen op het vut-terrein, zou het kunnen zijn dat het irrationeel is om dan voor een beperkt aantal uitkeringen het voormelde omslagstelsel in stand te houden. De beslissing hierover is toevertrouwd aan het bestuur van het Vut-fonds. Gesteld kan worden dat hier niet een zodanig belang aan de orde is, dat het vereiste van overeenstemming met de Minister en de CCvGOA zou moeten gelden.

De leden van de VVD-fractie hadden enige vragen over de bijdragen van het ABP aan het Vut-fonds, die worden aangewend om tijdelijk de op de ambtenaren drukkende vut-lasten te mitigeren.

Deze afspraak betekent niet dat er met betrekking tot de centrale vut-afspraken tot en met het jaar 2000 niets kan veranderen. Zij hoeft geen belemmering te vormen voor de «andere instellingen» om eigen afspraken te maken. Wel moeten zij er daarbij acht op slaan dat zulke afspraken niet de evenbedoelde mitigeringsdoelstelling ten aanzien van het betrokken personeel in gevaar brengen, hetgeen natuurlijk ook niet in het belang van die instellingen zou zijn.

In relatie tot de mitigerings-afspraak brachten de leden van de VVD-fractie de tijdelijk verplichte uitvoering door het Vut-fonds ter sprake. «Voorshands» kan alleen «ceteris paribus« worden vertaald als: tot en met het jaar 2000. Het is duidelijk dat het in toenemende mate onwaarschijnlijk wordt dat de overige omstandigheden – in dit geval de vut-regeling voor het overheids-, het onderwijspersoneel en het met die categorieën op een lijn te stellen personeel alsmede de financiering daarvan – tot het jaar 2000 gelijk zullen blijven.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven