Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1995-199624217 nr. 4

24 217
Vaststelling van een kader voor regeling van rechten en verplichtingen van overheidspersoneel, onderwijspersoneel en daarmee gelijk te stellen personeel ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden (Wet kaderregeling vut overheidspersoneel)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 26 september 1995

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek naar dit wetsvoorstel, heeft de eer van haar bevindingen als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgaveblz.
  
1. Algemeen/strekking van het wetsvoorstel1
2. Contractspartijen en reikwijdte van de contracten4
3. Grondwettelijke aspecten van privaatrechtelijke regeling van vut voor overheidspersoneel6
4. Bevoegde rechter7
5. Overgangsaspecten8
6. Nagestreefd tijdstip van overgang8
7. De positie van het ABP en het Vut-fonds8
8. Artikelen9

1. Algemeen/strekking van het wetsvoorstel

De leden van de PvdA-fractie hebben met waardering kennis genomen van het wetsvoorstel.

Het wetsvoorstel beoogt een wettelijke grondslag te geven aan de privaatrechtelijke regeling van rechten en plichten terzake van de vut voor overheids- en onderwijspersoneel. Het voorstel past daarmee in het proces dat in gang is gezet om te komen tot aanpassingen van de arbeidsvoorwaarden voor ambtenaren aan de huidige maatschappelijke opvattingen.

Deze leden steunen deze ontwikkeling nadrukkelijk, temeer daar hierover van meet af aan overleg en overeenstemming is geweest met de centrales van overheidspersoneel.

In dat proces van modernisering past ook de privaatrechtelijke regeling van de vut. Daardoor ontstaat ruimte voor al dan niet centraal overleg over de vervroegde uittreding. De gewijzigde financieringsopzet heeft bovendien geleid tot een aanzienlijke vermindering van de financiële vraagstukken bij het ABP.

In dit verband vragen deze leden of en zo ja in welke mate de bij regeerakkoord uitgesproken voornemens terzake van de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren gevolgen hebben gehad voor het voorliggende wetsvoorstel.

Bij de uitwerking van de voornemens, zoals neergelegd in het onderhavige voorstel van wet, hadden de leden van de PvdA-fractie nog slechts enkele vragen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van de wet kaderregeling vut overheidspersoneel. Deze leden onderschrijven het uitgangspunt en de bedoeling van het wetsvoorstel. Zij onderschrijven ook dat het wetsvoorstel past in een lopend proces van normalisering in brede zin van de arbeidsvoorwaarden bij de overheid. De constatering dat de huidige situatie niet meer geheel strookt met de nog vigerende vut-wet wordt eveneens onderschreven. Een en ander dient inderdaad te leiden tot aanpassing van de wetgeving. Er resteren echter nog een aantal vraagpunten.

De leden van de CDA-fractie vragen een nadere toelichting op de gevolgen c.q. de voor- en nadelen voor de ambtenaren, zowel de werkenden als degenen die nu reeds een vut of wachtgeld-vut of pré-vut ontvangen.

Deze leden vragen een toelichting op het gestelde onder punt 8 in het nader rapport (blz. 5) «Voorts merk ik op, dat het voorstel van wet geheel los staat van het in het regeeraccoord gestelde met betrekking tot onder meer de vut-regeling van het overheidspersoneel en dan ook niets afdoet of toevoegt aan hetgeen daarover in dat accoord wordt gesteld.»

Het komt deze leden voor dat die relatie er wel degelijk is, mede gelet op het arbeidsvoorwaardenoverleg en mede gelet op de toekomstige financiering van de vut. Deze leden hebben eerder de indruk dat de regering vooruitloopt op deze wet door te trachten nu alvast de vut-afspraken aan te passen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel.

Zij merken op dat zij de tekst van de memorie van toelichting helaas niet altijd even duidelijk vinden door de gekozen formuleringen en de vele verwijzingen. Klaarblijkelijk was het ook voor de opstellers te ingewikkeld geworden, toen zij onder paragraaf 10 «Artikelsgewijze toelichting» in de toelichting bij artikel 5 verwezen naar diezelfde toelichting bij artikel 5. («Immers daarbij staat het in de toelichting op artikel 5 vermelde belang.....»)

De leden van de D66-fractie stonden in algemene zin positief tegenover het onderhavige wetsvoorstel. Zij hebben echter nog wel enige vragen.

Allereerst bevreemdt het hun dat op geen enkele wijze melding wordt gemaakt van de voornemens die in het regeerakkoord van het huidige kabinet zijn opgenomen omtrent de toekomst van de vut voor overheidspersoneel. Weliswaar is nog niet in alle opzichten duidelijk op welke wijze deze voornemens zullen worden uitgewerkt in het overleg tussen minister en centrales van overheidspersoneel, het mag toch in de memorie van toelichting niet ontbreken dat de context van de totstandkoming van de kaderregeling mede door het regeerakkoord wordt bepaald. Overigens vroegen deze leden hoe het staat met het overleg tussen minister en centrales over de vut. Is er sinds het voorjaar van 1995, toen het overleg hieromtrent werd afgebroken, nog verder over gesproken? Kan de vut opnieuw ter sprake komen nu de cao voor overheidspersoneel niet de steun blijkt te ondervinden van een meerderheid van de betrokken centrales? Was het oorspronkelijke cao-accoord mede bedoeld om een deel van de bezuinigingstaakstelling uit het regeerakkoord op alternatieve wijze in te vullen?

Een tweede algemene opmerking van deze leden betreft de snelle ontwikkelingen op het terrein van de vut in de marktsector. Steeds vaker ziet men de vut ofwel worden beperkt (bijvoorbeeld lagere uitkeringen, hogere toetredingsleeftijd), danwel worden geflexibiliseerd (deeltijd-vut, samenloop met pre-pensionering), dan wel worden afgeschaft en vervangen door een systeem van pre-pensioen, waarin werkgever en werknemer samen bijdragen aan de totstandkoming van vervroegde pensionering. Het grote verschil tussen laatstgenoemde regelingen en de vut is dat de vut doorgaans op omslagbasis is gefinancierd (met als gevolg een dreigende opdrijvende werking op de loonkosten in de komende jaren), terwijl voor pre-pensioenregelingen in een vroeg stadium wordt gereserveerd. Ook in dit wetsvoorstel wordt overigens weer aangestuurd op voortzetting van een omslagstelsel (memorie van toelichting, punt 4).

Genoemd moeten hier ook nog worden de onlangs publiek geworden voornemens van de staatssecretaris van Financiën om de mogelijkheden voor pensioenopbouw vergaand te flexibiliseren, zodat in alle mogelijke omstandigheden alternatieve pensioenvormen tot stand kunnen worden gebracht. Ook in dat licht is de vut in het geding.

Tegenover deze ontwikkelingen roept het wetsvoorstel het beeld op van een vut-regeling, die thans bestaat en in de voorziene toekomst ook (volledig) blijft bestaan, zonder acht te slaan op de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen die sinds het sluiten van het Convenant privatisering ABP (waarvan ook dit wetsvoorstel een uitvloeisel vormt) hebben plaatsgevonden. Deze leden zouden daarom graag zien dat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag alsnog de aansluiting zou schetsen tussen de hierboven geschetste ontwikkelingen, alsmede het regeerakkoord enerzijds, en dit wetsvoorstel anderzijds.

De leden van de groep-Nijpels hebben met belangstelling kennis genomen van het ingediende wetsvoorstel door de regering. Deze leden kunnen zich vinden in het uitgangspunt van dit wetsvoorstel, een wettelijke grondslag te leggen voor privaatrechtelijke regeling van rechten en verplichtingen terzake van vut van overheidspersoneel. Verder constateren zij dat het oorspronkelijke uitgangspunt van de vut-wet, een algemene regeling voor het gehele overheidspersoneel, inderdaad niet meer houdbaar is. Het gevolg van deze ontwikkeling is echter wel dat er binnen de acht aanwezige overheidssectoren aanzienlijke verschillen zijn ontstaan. Hoewel deze leden met deze laatste ontwikkeling niet helemaal gelukkig zijn, menen zij dat deze ontwikkeling onomkeerbaar is. De leden van de groep-Nijpels vragen in hoeverre de regering grote verschillen tussen de verschillende categorieën wenselijk acht. Verder zijn zij bezorgd dat de uiteindelijke uitwerking van de wet zal leiden tot het minimaliseren van de huidige vut-regeling(en).

Tegelijkertijd hebben deze leden met verbazing kennis genomen van de nieuwe belastingmaatregelen ter vergemakkelijking van flexibele pensioenregelingen. Een flexibelere en dus ook een vroegere pensioenregeling zal leiden tot een uiteindelijk overbodig maken van de verschillende vut-regelingen. De leden van de groep-Nijpels vragen waarom besloten is om nu dit voorstel op deze wijze in te brengen. Daarbij wijzen zij wel op het gegeven dat de huidige vut-regelingen alle gebaseerd zijn op het omslagstelsel terwijl pensioenrechten altijd door de betrokken werknemers zelf in de loop van jaren worden opgebouwd (kapitaaldekking). Vervolgens constateren zij ook dat de omschakeling van vut naar pre-pensioen de nodige jaren vergt waarbij beide systemen naast elkaar bestaan en bovendien een dubbele premie betaling moet worden opgebracht. Graag ontvangen deze leden een reactie van deze geschetste problematiek van de regering.

De leden van de RPF-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Via de beoogde regeling wordt de nu voor de overheid uniforme vut-wet vervangen door hetzij centraal, hetzij sectoraal af te sluiten vut-overeenkomsten. Deze ontwikkeling past in het sectorenmodel. Naar het oordeel van deze leden is in deze wet sprake van een juridisch novum: overeenkomsten tussen overheidswerkgevers en organisaties van overheidswerknemers krijgen krachtens wet directe werking ten aanzien van de werkgevers en werknemers. Bij het eveneens aanhangige wetsvoorstel inzake privatisering ABP hebben de leden van de RPF-fractie ook aandacht gevraagd voor dit aspect. Zij verwijzen naar hun bijdrage bij dat wetsvoorstel.

Volgens deze leden is er nog een argument voor de beoogde systeemwijziging. De vut-regeling is de afgelopen jaren regelmatig onderwerp van discussie geweest in het (centrale en sectorale) arbeidsvoorwaardenoverleg. Dat heeft enkele malen geleid tot wijzigingen, die bij wet moesten worden doorgevoerd. Die wijzigingen gingen materieel direct in, maar werden soms veel (twee jaar) later formeel bij wet vastgesteld. Het parlement kwam daarbij steeds voor voldongen feiten te staan. Daaraan komt met de nu voorgestelde wijziging een eind.

De vut is in het verleden in het leven geroepen als werkgelegenheidsmaatregel. Inmiddels is die werkgelegenheidsdoelstelling in de beleving van velen achter de horizon verdwenen en wordt de vut beleefd als een vast onderdeel van de arbeidsvoorwaarden. Het is naar het oordeel van de leden van de RPF-fractie goed om de werkgelegenheidsdoelstelling vast te houden. Het wetsvoorstel is daarmee overigens niet in strijd.

Op dit moment hebben de vier grote gemeenten op grond van een arbitrale uitspraak de bevoegdheid om eigen, van de sectorale regeling afwijkende, vut-regelingen vast te stellen. Hoe past die bevoegdheid in het nieuwe stelsel? Is daarvoor voortaan een basis in de vut-overeenkomst vereist? Zo ja, zal een dergelijke basis worden opgenomen in de door de minister voor te bereiden vut-overeenkomst?

De leden van de RPF-fractie informeren of de bij de uitvoering betrokken instellingen op tijd klaar zullen zijn voor de wijziging per 1 januari 1996.

De leden van de SGP-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel. Blijkens de memorie van toelichting is het streven van de regering er op gericht de volledige overgang van het bestaande wettelijke systeem naar de privaatrechtelijk regeling als neergelegd in het onderhavige wetsvoorstel uiterlijk 1 januari 1996 te doen plaatsvinden. Deze leden vragen of deze streefdatum wel realistisch is, gezien de enkele maanden die nog resteren. Wat zijn de consequenties indien de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel onverhoopt niet voor het einde van dit jaar kan worden afgerond?

De hier aan het woord zijnde leden willen weten in hoeverre de voorgestelde privatisering van de vut-regeling kan leiden tot een verandering in het niveau van de uitvoeringskosten die met deze regeling gemoeid zijn.

Deze leden vragen de regering een overzicht te geven van de recente ontwikkelingen met betrekking tot de vut-regelingen in de marktsector en in de sfeer van de overheid. Blijven deze regelingen in de nabije toekomst betaalbaar?

2. Contractspartijen en reikwijdte van de contracten

Uit het wetsvoorstel blijkt dat in de toekomst een groter verschil zal kunnen ontstaan ten aanzien van de onderscheiden vut-regelingen dan nu reeds het geval is. In feite verdwijnt het algemene begrip ambtenaar. In ieder geval voor wat de vut betreft. De leden van de CDA-fractie vragen of het overigens wel zo verstandig is om deze sectorgewijze verschillen zo te laten verschillen en is het wel zo verstandig dat andere belangenorganisaties (wie dat ook mogen zijn) kunnen optreden als contractpartijen aan personeelszijde? Heeft de regering een visie op de mate waarin verschillen in regelingen ten aanzien van overheidspersoneel aanvaardbaar worden geacht?

Gesteld wordt dat het wat betreft het bijeenbrengen van de nodige financiële middelen voor de hand ligt dat de keuze zal vallen op een omslagstelsel. Kan de sector ook een andere, meer toekomstgerichte keuze maken waarbij het toekomstige recht op vut meer gewaarborgd wordt dan bij een omslagstelsel?

Het wetsvoorstel is, zo lezen de leden van de VVD-fractie in de memorie van toelichting, in de eerste plaats gericht op de vut van overheids- en onderwijspersoneel. Het doel is een situatie te scheppen, waarin de sociale partners bij overheid en onderwijs vut-afspraken kunnen maken en deze kunnen neerleggen in civiel-rechtelijke contracten.

De hoedanigheid van contractpartner van de sectorwerkgevers wordt beperkt tot het overheidspersoneel in engere zin en het onderwijspersoneel. De aan het woord zijnde leden willen gaarne een nadere toelichting over de betekenis van deze niet geheel duidelijke laatste zin. Betekent het, dat vut-afspraken gemaakt door de sectorwerkgevers voor de overheid in engere zin en het onderwijs ook alleen maar van toepassing zijn op de werknemers in die sectoren en dat die afspraken daarmee niet langer verbindend zijn voor de andere instellingen?

Maar als dat zo is, hetgeen deze leden hopen, waarom dan ook de vermelding, dat het van belang is om de onder de vut-wet bestaande situatie materieel te bestendigen in de nieuwe situatie, alsmede de vermelding dat het van belang is, dat betrokken andere instellingen en hun personeel in beginsel onder de werking van de bij overheid en onderwijs af te sluiten overeenkomsten vallen? Wat is dan precies dat «belang» en wat is de betekenis van de terminologie «in beginsel»?

Waarom wordt niet de ruimte geboden aan alle sectoren, maar in ieder geval aan de andere publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen om tot eigen regelingen te komen, onafhankelijk van de centrale afspraken?

De leden van de VVD-fractie zouden een verwijzing naar artikel 5, waarin de mogelijkheid wordt geboden «om niet deel te nemen aan de in beginsel voor hen mede geldende vut-regeling», als antwoord onvoldoende vinden, omdat daar sprake is van een «betrekkelijk zware instemmingsprocedure» en de volgende vraag zou zijn, waarom die betrekkelijk zware instemmingsprocedure dan nodig is.

De aan het woord zijnde leden begrijpen ook, dat het, bij de overgang van wettelijke regeling naar privaatrechtelijk model de bedoeling is, het bestaande centrale arrangement voort te zetten. Hier geldt dezelfde vraag: waarom niet direct zelfstandige ruimte voor sectoren en instellingen?

De leden van de D66-fractie hechten eraan nogmaals uitdrukkelijk hun steun uit te spreken voor de normalisering in brede zin van de arbeidsvoorwaarden bij de overheid, inclusief het daarbij behorende overeenstemmingsvereiste en de sectorale opsplitsing van het overheidspersoneel. Juist in dit kader bevreemdt het hen echter dat in het wetsvoorstel ervoor wordt gekozen dat in alle acht sectoren, alsmede in een aantal met het overheidspersoneel gelijk te stellen instellingen (Sociale Verzekeringsbank, Kamers van Koophandel), voorlopig gedwongen vast moet worden gehouden aan de bestaande vut-regeling. Met name ten aanzien van de overige instellingen zou het toch binnen een redelijke termijn mogelijk moeten zijn om werkgevers en werknemers in deze instellingen de vrijheid te geven om met betrekking tot de vut (en alternatieven voor de vut) eigen afspraken te maken, een en ander uiteraard onverlet de mede-verantwoordelijkheid voor de financiering van lopende vut-uitkeringen. Dat partijen in cao-onderhandelingen op het collectief gericht zijn spreekt vanzelf, maar waarom kan dit collectief binnen deze kaderregeling niet worden beperkt tot overheidspersoneel en onderwijs, maar moet het zich uitstrekken ook tot genoemde andere publiekrechtelijke instellingen. En waarom vallen bijvoorbeeld Kamers van Koophandel daar wel, en de SER en de Pbo-organen daar niet onder? En waarom zou in het onderwijs of in één van de andere sectoren niet gekozen kunnen worden voor andere vormen dan de betrekkelijk eenvormige en starre vut-regeling voor de overheid? En zal ook de doorwerking van het regeeraccoord in de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren straks automatisch doorwerken naar de Kamers van Koophandel en de Sociale Verzekeringsbank, of is het mogelijk dat deze en andere relevante instellingen kiezen voor een andere (eigen) regeling, oftewel voor «opting out»? Op welk moment voorziet de regering een eind aan de verplichting voor partijen om de uitvoering van een vut-overeenkomst onder te brengen bij het vut-fonds? Wanneer kunnen partijen uittreden, desgewenst vervroegd? En hoe verhoudt zich de verplichting om binnen de bestaande vut-regeling te blijven tot de uitspraak in het nader rapport aan de Raad van State: «Zij kùnnen evenwel van meet af aan of later hun eigen weg gaan...». Zou het niet verstandig zijn om reeds nu daarvoor een datum vast te leggen in het wetsvoorstel, in plaats van dit tijdstip nu open te laten?

Blijkens de wetstekst en de memorie van toelichting wordt de betrokkenheid van andere belangenorganisaties dan de centrales als contracts- partijen aan de personeelszijde bij vaststelling van sectorale vut-contracten vergroot. De leden van de GPV-fractie stellen vast dat daarmee wordt aangesloten bij de bestaande ontwikkeling op decentraal niveau waarin ook andere belangenorganisaties dan de centrales deelnemen aan onderhandelingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties. Deze deelname is ook terecht omdat werknemers, gelet op de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van vereniging, de vrijheid moeten hebben zich naar keuze bij een belangenorganisatie aan te sluiten. De verruiming van de mogelijkheden van werkgevers- en werknemersorganisaties om sectorale afspraken te maken kan de deelname van andere belangenorganisaties dan ook verder stimuleren zo menen deze leden. De aan het woord zijnde leden vragen of met dit wetsvoorstel een «zelfstandige» bevoegdheid wordt geschapen voor andere belangenorganisaties om deel te nemen aan het overleg over sectorale vut-contracten. Zij bedoelen daarmee dat in hun ogen alleen objectieve criteria, zoals representativiteit, kunnen gelden voor het al dan niet deelnemen van een andere belangenorganisatie en het niet zo mag zijn dat de beslissing over al dan niet deelname van een belangenorganisatie wordt overgelaten aan de centrales.

De leden van de GPV-fractie vragen voorts welke belangenorganisaties bedoeld zijn en of bijvoorbeeld het GMV en de RMU daar ook onder vallen.

3. Grondwettelijke aspecten van privaatrechtelijke regeling van vut voor overheidspersoneel

De leden van de CDA-fractie zijn bezorgd over de samenhang in de vut-regelingen voor de diverse sectoren. Hoe wordt door de wetgever toegezien op de uitvoering van de delegatiebevoegdheid?

In de memorie van toelichting wordt zijdelings ingegaan op de grondwettelijke aspecten van een privaatrechtelijke regeling van de vut voor het overheidspersoneel. De wetgever heeft steeds in het midden gelaten of de rechtspositie van ambtenaren in regelen van publiekrecht, dan wel in een privaatrechtelijke regeling moet worden neergelegd. De regering stelt dan ook vast dat een grondslag in de wet voldoende in overeenstemming is met de vereisten van artikel 109 van de Grondwet. De leden van de SGP-fractie vragen of de vut-regeling voor het overheidspersoneel strekt tot behartiging van bepaalde algemene belangen door de overheid. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, dringt zich vervolgens de vraag op of de overheid van het privaatrecht gebruik mag maken als voor die behartiging een publiekrechtelijke weg open staat.

4. Bevoegde rechter

De leden van de CDA-fractie kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat het bevoegd worden van de kantonrechter te oordelen over geschillen over rechten en verplichtingen uit een vut-overeenkomst zal leiden tot een taakverzwaring. Op welke wijze is hiermee rekening gehouden, mede gelet op de reorganisatieplannen ten aanzien van de rechterlijke macht?

De leden van de fractie van D66 hadden kennis genomen van het adres van de president van de Centrale Raad van Beroep aan de commissie voor Binnenlandse Zaken, d.d. 16 augustus 1995. Zij vragen de regering aandacht voor de door de Centrale Raad van Beroep geschetste dreigende verbrokkeling van de rechtsbescherming van ambtenaren. Met name doelt de Centrale Raad op de geheel verschillende regeling van de rechtsgang tijdens de actieve periode als ambtenaar enerzijds, en tijdens aanspraken op vut of pensioen anderzijds. Voorts wijst de Centrale Raad op het geruime tijd naast elkaar doen voortbestaan van verschillende beroepsgangen (oude situatie naast nieuwe situatie) en op de onhelderheid in de tot stand te komen jurisprudentie. Deze leden vragen de regering daarom nog eens uitdrukkelijk te willen ingaan op de argumentatie van de Centrale Raad.

Grote aarzelingen hebben de leden van de GPV-fractie ten aanzien van de voorgestelde overheveling van de rechtspraak, inzake geschillen over rechten en verplichtingen uit een vut-overeenkomst, van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage naar de kantongerechten. De regering neemt zonder meer aan dat de overgang op privaatrechtelijke regeling van rechten en verplichtingen ter zake van vrijwillig vervroegd uittreden tot gevolg moet hebben dat de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over geschillen over rechten en verplichtingen uit een vut-overeenkomst. De leden van de GPV-fractie menen dat daarmee voorbijgegaan wordt aan het feit dat voor grote groepen ambtenaren in actieve dienst de inhouding en voor gewezen ambtenaren de uitkering op grond van de vut-regeling gezien moet worden in het licht van hun publiekrechtelijke rechtsverhouding als ambtenaar, respectievelijk als gewezen ambtenaar. Wat verzet zich er tegen, zo vragen de aan het woord zijnde leden, om de competentie van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage te handhaven. Het betreft immers rechtspraak met een omvangrijke precedentwerking waarmee de eenheid van rechtspraak in geschillen over rechten en verplichtingen uit een vut-overeenkomsten gediend is. Voorts menen deze leden dat zwaarwegende redenen aangevoerd moeten worden om wijzigingen aan te brengen in het thans bestaande doorzichtige en uniforme systeem van rechtsbescherming voor (gewezen) ambtenaren. Deze leden voelen daarom meer voor de suggestie van de Centrale Raad van Beroep de beslissingen ter uitvoering van een vut-overeenkomst gelijk te stellen met besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waardoor de rechtbank, eventueel geconcentreerd, in eerste aanleg bevoegd is. Deze leden vragen de regering op de voor- en eventuele nadelen van deze suggestie in te gaan.

5. Overgangsaspecten

Op dit moment zijn de vut-aanspraken wettelijk geregeld. De verwachting is dat het centrale vut-arrangement ongewijzigd wordt voortgezet in de nieuwe geprivatiseerde structuur. Partners kunnen er echter voor kiezen om te komen tot sectorale arrangementen. Welke gevolgen, zo vragen de leden van de PvdA-fractie, heeft dat voor de financiering van de aanspraken indien één van de sectoren uit het centrale arrangement zou stappen?

De kern van het wetsvoorstel is een overgang naar regeling volgens privaatrechtelijk model, aldus de leden van de CDA-fractie. Het is echter volstrekt onduidelijk wat de consequenties zijn voor de lopende vut-verplichtingen. De memorie van toelichting noch de wet gaan in op de bestaande vut-arrangementen. Er staat op pagina 5: «Hierover wordt het volgende opgemerkt. Zoals gesteld in paragraaf 3, is het een zaak van de sociale partners bij de overheid en het onderwijs, hoe de door de voorgestelde wet gegeven mogelijkheid, van regeling naar privaatrechtelijk model van vut-aanspraken en -financiering, aan te wenden ................. ligt het in de rede dat bij die overgang de gezamenlijke sectorwerkgevers en de centrales van overheidspersoneel het centrale arrangement voortzetten door dit in een vut-overeenkomst vast te leggen.». Maar wat zijn de consequenties voor degenen die reeds vut genieten? Met andere woorden, hoe wordt de continuïteit van bestaande, reeds ingegane rechten gewaarborgd? Als goed werkgever dient de overheid dit te regelen en wel nu bij deze overgang naar een privaatrechtelijk model. Dient het kunnen vastleggen hiervan in een vut-overeenkomst niet eerder een verplichting te zijn?

Nadat de Raad van State advies heeft uitgebracht is met name in het overgangsrecht een aantal wijzigingen aangebracht. Met name de wijziging ten aanzien van degenen, die wegens afslanking van de overheid of een reorganisatie als 55-jarige of ouder met recht op wachtgeld zijn ontslagen, kan zeer ingrijpend zijn. Het gaat immers om de omvang van de aanspraken op het moment van overgang van wachtgeld naar vut. Daaromtrent zijn afspraken gemaakt op het wachtgeldmoment. Daar had de overheid belang bij: afslanking. Daarmee zijn betrokkenen accoord gegaan. De leden van de CDA-fractie hebben grote bezwaren tegen het wijzigen van deze contracten en dus aantasting van vastgelegde rechten op een moment dat de onderhavige belanghebbende zich daartegen niet meer kan verweren.

6. Nagestreefd tijdstip van overgang

Doelstelling is volledige overgang naar de privaatrechtelijke regeling op uiterlijk 1-1-96, omdat dit de beoogde datum van privatisering van het ABP is.

Wordt deze datum daadwerkelijk gerealiseerd, zo vragen de leden van de PvdA-fractie.

7. De positie van het ABP en het Vut-fonds

Bij beëindiging van de wettelijke taak van het Vut-fonds kunnen de sociale partners de uitvoering van een vut-overeenkomst ook elders onderbrengen, aldus de leden van de CDA-fractie. Aangezien er naar alle waarschijnlijkheid gekozen wordt voor een omslagstelsel als financiering, kan ten gevolge van het hierbovengestelde het draagvlak worden aangetast. Waarom is er niet expliciet voor gekozen dat de betrokken sectoren en andere instellingen principieel en blijvend de keuze maken voor een gezamenlijk vut-fonds?

Het is de leden van de VVD-fractie gebleken dat er verschil van opvatting is tussen de regering en de Algemene Rekenkamer over het al dan niet van toepassing zijn van artikel 59 van de Comptabiliteitswet, met name na de datum van 1 januari 1996. Zij verzoeken om een expliciete reactie van de zijde van de regering op de opvatting van de Algemene Rekenkamer.

De leden van de GPV-fractie stellen vast dat de Algemene Rekenkamer na aanvaarding van de Wet privatisering ABP bij het ABP geen controlebevoegdheden heeft. Dit in tegenstelling tot de controle van de Algemene Rekenkamer bij het vut-fonds. De controlebevoegheid van de Algemene Rekenkamer eindigt pas nadat de verplichte uitvoering van de vut-overeenkomst door het vut-fonds is beëindigd. Ligt een gelijke behandeling van het vut-fonds en het ABP niet veel meer voor de hand, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Een en ander mag naar de opvatting van deze leden echter niet betekenen dat de uitvoering van wettelijke taken aan de controle van de Algemene Rekenkamer wordt onttrokken.

8. Artikelen

Gelet op de reikwijdte van de privatiseringsoperatie die met dit wetsvoorstel wordt beoogd, verzoeken de leden van de CDA-fractie een evaluatie-artikel in de wet op te nemen. Voor wat betreft de termijn zou aan vijf jaar gedacht kunnen worden. Daarnaast ware een jaarlijkse rapportage over de voortgang van het project aan te bevelen.

artikel 1

Uit het nader rapport blijkt dat «sectorwerkgever» in de zin van het wetsvoorstel privatisering ABP een ruimere categorie is dan «sectorwerkgever» in de zin van het onderhavige wetsvoorstel. Als het inderdaad zo is dat beide wetsvoorstellen in essentie niet van elkaar afwijken, dan zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat dit ook uit de gehanteerde terminologie en definitie moet blijken.

Een organisatie kan, gehoord de centrales, door een sectorwerkgever als representatief worden beschouwd voor het personeel werkzaam in de desbetreffende sector. Op basis van welke criteria kan dit plaatsvinden? Ontstaat niet het gevaar dat meer dan één organisatie als zodanig kan optreden? Kan een dergelijke erkenning alleen plaatsvinden met instemming van de centrales, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State vragen de leden van de D66-fractie of het in wezen niet juister is om in plaats van het Interprovinciaal Overleg (IPO) de gezamenlijke provincies, vertegenwoordigd door het IPO, aan te wijzen. Het lijkt weliswaar een kleinigheid, maar toch is de vraag van belang of aan het IPO intrinsiek een bepaalde status kan worden toegekend, dan wel of het intrinsieke werkgeverschap in feite niet bij de provincies zelve berust, die daartoe het IPO uiteraard als vertegenwoordiger kunnen aanwijzen? Past het niet beter in de hedendaagse opvattingen om niet een vertegenwoordigende organisatie, maar de eigenlijke werkgever aan te wijzen als in beginsel bevoegd? Deze leden geven er derhalve de voorkeur aan om de wijziging, die als gevolg van de opmerkingen van de Raad van State terzake van het onderhavige wetsvoorstel in het wetsvoorstel privatisering ABP zijn aangebracht, terug te draaien en op de oorspronkelijk in dat wetsvoorstel gebezigde terminologie ook in dit wetsvoorstel te hanteren.

De leden van de SGP-fractie willen nader toegelicht zien waarom de collectieve vut-regeling geen rechten en verplichtingen voor de in artikel 1 genoemde partijen bevat, maar uitsluitend rechten en verplichtingen voor de betrokken instellingen en hun personeelsleden. Uit de aard van de privaatrechtelijke overeenkomst volgt toch automatisch dat voor partijen rechtsvolgen in het leven worden geroepen?

artikel 4

De toedelingscriteria «aard van de werkzaamheid» en «financiële verhouding» staan in het tweede lid en niet in het derde lid, zoals gesteld in de memorie van toelichting, zo merken de leden van de CDA-fractie op.

artikel 5

De leden van de CDA-fractie vragen of het wenselijk is om conform de regeling voor het mogelijk uittreden/niet deelnemen van een instelling waarop artikel 4 betrekking heeft, ook een regeling te ontwerpen voor het geval het sectoren betreft.

artikel 9

De leden van de CDA-fractie vragen waarom voor de hier genoemde bevoegdheid van het bestuur van het Vut-fonds geen overeenstemming wordt vereist met de minister en de CCGOA. Ook hier is immers sprake van kostendekking door een specifieke groep werkgevers?

De financieringsafspraak is gebaseerd op het voortbestaan van de feitelijke, thans bestaande situatie met betrekking tot de vut, zo begrijpen de leden van de VVD-fractie. In de financieringsafspraak is een bijdrage opgenomen van het ABP-fonds met de bedoeling de lasten van de vut voor ambtenaren tijdelijk te verminderen tot en met het jaar 2000. Betekent dat, dat er met betrekking tot de centrale vut-afspraken (vut-61 en vut-met-40-dienstjaren) tot en met het jaar 2000 niets kan veranderen?

Voorts wordt vermeld, dat partijen voorshands verplicht zijn om de uitvoering van het vut-fonds onder te brengen bij het Vut-fonds. De reden daarvoor is om de doelstelling van inkomensbeleid zo veel mogelijk op de oorspronkelijk beoogde wijze te bereiken. Betekent dat, dat «voorshands» kan worden vertaald als «tot en met het jaar 2000»?

Tenslotte de vraag in hoeverre het gestelde in artikel 9 een belemmering zou vormen voor de hiervoor door deze leden bepleite vrijheid tot het maken van eigen afspraken voor de andere instellingen, onafhankelijk van de afspraken bij overheid en onderwijs.

De leden van de RPF-fractie vragen of het niet te ver gaat om te stellen dat verwachtingen gehonoreerd worden. Wat zijn overigens «al ontstane verwachtingen»? Suggereert de toelichting niet meer dan in de wetstekst staat?

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier van de commissie,

Hommes


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Brinkman (CDA), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Nijpels-Hezemans (GN), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Van Boxtel (D66), Rehwinkel (PvdA). Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Mulder-van Dam (CDA), Van 't Riet (D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen (CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), H. G. J. Kamp (VVD), Assen (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (U55+), Hoekema (D66), Van Oven (PvdA).