nr. 3
KONINKLIJKE BOODSCHAP
Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Staten van de Nederlandse
Antillen, de Staten van Aruba
Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Rijkswet houdende
goedkeuring van het Verdrag inzake de deelneming van buitenlanders aan het
openbare leven op plaatselijk niveau; Straatsburg, 5 februari 1992 (Trb. 1994,
264).
De toelichtende memorie, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden
waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.
's-Gravenhage
9 augustus 1995
Beatrix
nr. 4
VOORSTEL VAN RIJKSWET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op 5 februari 1992 te Straatsburg
tot stand gekomen Verdrag inzake de deelneming van buitenlanders aan het openbare
leven op plaatselijk niveau ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet
de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft, alvorens het Koninkrijk daaraan
kan worden gebonden;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met
gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het
Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk
Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Het op 5 februari 1992 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake
de deelneming van buitenlanders aan het openbare leven op plaatselijk niveau,
waarvan de Engelse en Franse tekst alsmede de vertaling in het Nederlands
zijn geplaatst in Tractatenblad 1994, 264, wordt goedgekeurd voor Nederland
en de Nederlandse Antillen.
Artikel 2
Deze rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad en in het Publicatieblad
van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige
uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken,
De Minister van Buitenlandse Zaken,