Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 24170 nr. H |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2021-2022 | 24170 nr. H |
Vastgesteld 9 juni 2022
De vaste commissies voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 en voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid2 hebben kennisgenomen van de brief van 19 november 20213, waarmee de eindrapportage Onbeperkt meedoen! over de periode 2018–2021 is aangeboden en de brief van 17 februari 2022 met de reactie op enkele vragen die op 25 januari 2022 hierover zijn gesteld4.
Naar aanleiding hiervan is op 23 maart 2022 een brief gestuurd aan de Minister voor Langdurige Zorg en Sport.
De Minister heeft op 12 april 2022 aangegeven dat het beantwoorden van de vragen niet binnen de gebruikelijke termijn mogelijk is.
De Minister heeft op 8 juni inhoudelijk gereageerd.
De commissies brengen bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.
De griffier voor dit verslag, De Boer
BRIEF VAN DE VOORZITTERS VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Minister voor Langdurige Zorg en Sport
Den Haag, 23 maart 2022
De vaste commissies voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 19 november 20215, waarmee de eindrapportage Onbeperkt meedoen! over de periode 2018–2021 is aangeboden en de brief van 17 februari 2022 met de reactie op enkele vragen die op 25 januari 2022 hierover zijn gesteld6.
De leden van de VVD-fractie danken de regering voor de brief van 19 november 2021, waarin uitvoerig wordt ingegaan op toezegging T02928. Deze toezegging, gedaan tijdens een plenair debat op 19 mei 20207, had betrekking op de vraag van onder meer de woordvoerder namens de VVD-fractie of het College voor de Rechten van de Mens niet standaard moet worden opgenomen in de consultatierondes van aan het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap gerelateerde wetgeving. De leden van de VVD-fractie hebben hierover nog een vraag, waarbij de leden van de fracties van CDA, D66, PvdA en ChristenUnie zich aansluiten.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de brief van 19 november 2021, waarin onder meer wordt gesteld dat het standaard opnemen van het College voor de Rechten van de Mens in consultatierondes niet wenselijk is. Hierover hebben zij nog enkele vragen, waarbij de leden van de fracties van CDA, D66, PvdA en ChristenUnie zich aansluiten.
Naar aanleiding van de brief van 19 november 2021 hebben de leden van de PvdD-fractie op 25 januari 2022 enkele vragen gesteld, waarop de reactie op 17 februari 2022 is ontvangen.8 De leden van de fracties van PvdD en 50PLUS hebben naar aanleiding van deze reactie gezamenlijk nog enkele vervolgvragen. Ook hebben zij nog een vraag over de passage over het College voor de Rechten van de Mens uit de brief van 19 november 2021.
De leden van de VVD-fractie hebben er begrip voor dat de regering niet kiest voor een standaard advies van het College voor de Rechten van Mens (het College) en daarbij vasthoudt aan de uitgangspunten van de Wet afschaffing adviesverplichtingen. Tegelijkertijd schrijft de regering dat ondanks het feit dat de toetsing qua verantwoordelijkheden en procedures goed geborgd is, de toetsing aan het verdrag in de praktijk niet voldoende plaatsvindt of onvoldoende expliciet wordt gemaakt. Daarom wordt voorgesteld te bekijken hoe het VN-verdrag handicap een explicietere plek kan krijgen in het Integraal Afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK). De regering zal samen met het College onderzoeken of de handreiking toetsing aan het VN-verdrag handicap, die door het College wordt opgesteld, past binnen de wetgevingsprocedures van het Rijk. Inmiddels heeft het College de handreiking «Wetgeving en VN-Verdrag Handicap» gepubliceerd.9 Graag vernemen de leden van de VVD-fractie of de genoemde handreiking voldoende handvatten biedt voor toetsing van wetgeving aan het VN-verdrag handicap. Is de regering voornemens om een verwijzing naar de handreiking op te nemen in de Handreiking constitutionele toetsing van het Ministerie van BZK en het IAK?
De leden van de GroenLinks-fractie lezen in de brief van 19 november jl. dat het standaard opnemen van het College in consultatierondes niet wenselijk is en dat in het overgrote deel van de gevallen de constatering zal zijn dat er geen sprake is van samenloop van voorgenomen wetgeving met het VN-verdrag handicap. Ten aanzien hiervan hebben de leden van de GroenLinks-fractie een vraag ter verduidelijking. Is het principiële punt dat besproken werd het standaard opnemen van het College in de consultatierondes in alle wetgevingsprocedures vanuit de rol als toezichthouder op het VN-verdrag handicap, of breder, op alle mensenrechtelijke aspecten van het voorstel? Als dat laatste het geval is, zou hierin dan een specificatie in (hoofd)onderwerpen kunnen worden aangebracht?
Mocht de overweging zijn om het College te consulteren met betrekking tot alle mensenrechtelijke aspecten van wetsvoorstellen, hoe beoordeelt de regering deze mogelijkheid dan?
Een van de belangrijkste argumenten tegen deze standaard consultatievraag aan het College is de taakverzwaring die het met zich mee zou brengen. Zou de regering bij een dergelijke uitbreiding van het takenpakket van het College niet ook de financiering uit kunnen breiden, om zo met eventuele extra medewerkers de taakverzwaring op te vangen? Hoe beoordeelt de regering deze mogelijkheid? De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering bij het beantwoorden van deze vraag specifiek in te gaan op de afweging die zij maakt tussen deze mogelijke extra besteding en de mogelijke meerwaarde van een standaardconsultatie van het College.
De leden van de PvdD-fractie en de 50PLUS-fractie lezen op pagina 8 van de brief van 19 november 2021 dat verplichte toetsing van voorgenomen wetgeving door het College aan het VN-verdrag handicap een te grote verzwaring van het takenpakket van het College met zich mee zou brengen. Wel kan het College gevraagd en ongevraagd advies geven en dan zal dit advies serieus worden meegewogen. Wat wordt bedoeld met serieus meewegen? Dat dit advies terzijde kan worden gelegd en dus niet bindend is? In hoeverre volstaat de toetsing van het IAK door middel van een checklist, nu uit de praktijk blijkt dat die toetsing bij voorgenomen wetgeving niet altijd voldoende plaatsvindt vanwege onbekendheid met het VN-verdrag handicap? Gestreefd wordt naar het opstellen van een handreiking toetsing aan het VN-verdrag handicap. Deze handreiking is inmiddels gereed. Op welke wijze zal deze handreiking onder de aandacht van de ministeries worden gebracht, zodat de bewustwording over het VN-verdrag handicap bij voorgenomen wetgeving op een zo kort mogelijk termijn wordt geïmplementeerd? De leden van beide fracties krijgen hierop graag een reactie.
De leden van de fracties van PvdD en 50PLUS lezen in de brief van 17 februari 2022 dat het uitgangspunt van het beleid is dat reizigers met een beperking zo zelfstandig en laagdrempelig mogelijk gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer (OV). Worden met deze reizigers ook de mensen bedoeld die, bijvoorbeeld door hun leeftijd, geen lange afstanden kunnen lopen? Is de regering het met de leden van de fracties van de PvdD en 50PLUS eens dat, doordat mensen niet kunnen vliegen, het criterium van een hemelsbrede afstand van 400 meter tussen huis en halte impliceert dat mensen (veel) meer dan 400 meter zullen moeten afleggen om toegang te hebben tot het OV? Stelt een afstand van 800 meter of meer tot een R-Net halte mensen die minder goed ter been zijn in staat onbeperkt mee te doen aan het OV? Zo ja, hoe kunnen mensen met krukken, rollator of andere hulpmiddelen zo’n afstand in de praktijk overbruggen?
Mensen die met hulpmiddelen niet meer dan honderd meter kunnen lopen, komen in aanmerking voor een gehandicaptenparkeerkaart. Waarom is het afstandscriterium voor de toegankelijkheid van het OV een veelvoud van de honderd meter die geldt voor een gehandicaptenkaart? Bent u het met deze leden eens dat de afstand tot de ingang van het vervoermiddel de vanuit Onbeperkt meedoen relevante afstand tot het OV is? Zo ja, hoe beoordeelt u in dit kader de aanzienlijke verlenging van tramhaltes?
In de brief staat dat soms twee niet toegankelijke haltes worden samengevoegd tot één toegankelijke halte, omdat er te weinig plek is in de openbare ruimte. Betekent dit dat afstandstoegankelijkheid wordt opgeofferd voor drempeltoegankelijkheid? Is dit, naast de verkeersveiligheid, de enige reden om tramhaltes samen te voegen? Heeft de regering een beeld van de mate waarin ouderen die niet snel ter been zijn het OV als toegankelijk ervaren, en heeft zij een beeld van de ontwikkeling van OV-haltes bij bejaardenhuizen? Zo ja, kan zij deze cijfers met de Eerste Kamer delen en een inventarisatie maken van bestaande OV-haltes bij bejaardentehuizen en zorginstellingen? Zo nee, is zij bereid hiernaar onderzoek te doen?
Per gemeente is er minimaal één verlaagde brievenbus, zo lezen de leden van beide fracties. Betekent dit dat er geen afstandscriterium is voor verlaagde brievenbussen? Welke maximale afstand tot een brievenbus vindt de regering, in het kader van Onbeperkt meedoen, acceptabel voor rolstoelgebruikers? Kan worden toegelicht waarom Arbowetgeving het plaatsen van meer verlaagde brievenbussen belet? Vanuit het VN-verdrag handicap bestaat blijkbaar geen specifieke doelstelling voor het aantal postkantoren. De leden van beide fracties vragen of Nederland geen eigen verantwoordelijkheid heeft op het punt van de bereikbaarheid van postkantoren.
De leden van de vaste commissies voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag voor 29 april 2022.
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, T. Klip-Martin
De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, M.L. Vos
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR LANGDURIGE ZORG EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 april 2022
Geachte voorzitters van de vaste Eerste Kamercommissies Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De (vervolg)vragen in uw brief van 23 maart 2022 inzake «Onbeperkt meedoen» kunnen tot mijn spijt niet binnen de door u verzochte termijn worden beantwoord.10
De reden van het uitstel is dat de beantwoording van uw (vervolg)vragen afstemming vergt met diverse externe partijen.
Ik streef ernaar u uiterlijk 27 mei 2022 mijn reactie te doen toekomen.
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport, C. Helder
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR LANGDURIGE ZORG EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juni 2022
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen die op 23 maart 2022 zijn gesteld door leden van de vaste commissies voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) naar aanleiding van de eindrapportage van het programma Onbeperkt meedoen! over de periode 2018 – 202111 en naar aanleiding van mijn eerdere brief van 17 februari 2022.
Ik stuur u de antwoorden op uw vragen mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.
De Minister voor Langdurige Zorg en Sport, C. Helder
ANTWOORDEN OP VRAGEN EERSTE KAMER (170245.02U)
Vraag
De leden van de VVD-fractie hebben er begrip voor dat de regering niet kiest voor een standaard advies van het College voor de Rechten van Mens (het College) en daarbij vasthoudt aan de uitgangspunten van de Wet afschaffing adviesverplichtingen. Tegelijkertijd schrijft de regering dat ondanks het feit dat de toetsing qua verantwoordelijkheden en procedures goed geborgd is, de toetsing aan het verdrag in de praktijk niet voldoende plaatsvindt of onvoldoende expliciet wordt gemaakt. Daarom wordt voorgesteld te bekijken hoe het VN-verdrag handicap een explicietere plek kan krijgen in het Integraal Afwegingskader voor beleid en regelgeving (IAK). De regering zal samen met het College onderzoeken of de handreiking toetsing aan het VN-verdrag handicap, die door het College wordt opgesteld, past binnen de wetgevingsprocedures van het Rijk. Inmiddels heeft het College de handreiking «Wetgeving en VN-Verdrag Handicap» gepubliceerd. Graag vernemen de leden van de VVD-fractie of de genoemde handreiking voldoende handvatten biedt voor toetsing van wetgeving aan het VN-verdrag handicap. Is de regering voornemens om een verwijzing naar de handreiking op te nemen in de Handreiking constitutionele toetsing van het Ministerie van BZK en het IAK?
Antwoord
Sinds de brief van mijn voorganger op 19 november 2021 is er gelegenheid geweest om de op 21 januari 2022 door het College gepubliceerde handreiking te bestuderen en tot een vervolgproces te komen.12 Inmiddels is er een verwijzing naar de handreiking van het College opgenomen in de Handreiking constitutionele toetsing van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De Handreiking constitutionele toetsing is begin dit jaar opgenomen in het IAK. Daarmee maakt het een vast onderdeel uit van de voorbereidende fase van wet- en regelgeving. Wetgevingsjuristen kunnen hiermee zelf toetsen of en hoe ontwerpwetgeving bijdraagt aan de uitvoering van het verdrag en worden erop gewezen dat zij bij de totstandkoming van hun wetsvoorstel invulling moeten geven aan de algemene verplichting om nauw overleg te plegen met mensen met een beperking en hun organisaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is onlangs gestart met een ronde langs de wetgevingsafdelingen van de departementen om de Handreiking constitutionele toetsing onder de aandacht te brengen.
Vraag
De leden van de GroenLinks-fractie lezen in de brief van 19 november jl. dat het standaard opnemen van het College in consultatierondes niet wenselijk is en dat in het overgrote deel van de gevallen de constatering zal zijn dat er geen sprake is van samenloop van voorgenomen wetgeving met het VN-verdrag handicap. Ten aanzien hiervan hebben de leden van de GroenLinks-fractie een vraag ter verduidelijking. Is het principiële punt dat besproken werd het standaard opnemen van het College in de consultatierondes in alle wetgevingsprocedures vanuit de rol als toezichthouder op het VN-verdrag handicap, of breder, op alle mensenrechtelijke aspecten van het voorstel? Als dat laatste het geval is, zou hierin dan een specificatie in (hoofd)onderwerpen kunnen worden aangebracht?
Mocht de overweging zijn om het College te consulteren met betrekking tot alle mensenrechtelijke aspecten van wetsvoorstellen, hoe beoordeelt de regering deze mogelijkheid dan?
Antwoord
De rol van het College voor de Rechten van de Mens is expliciet bezien vanuit het VN-verdrag handicap. Het kabinet heeft aan het College de vraag gesteld hoe het College aankijkt tegen een mogelijke standaard(advies)rol op het terrein van het VN-verdrag handicap in (alle) wetgevingsprocedures. Het College geeft aan zich in grote lijnen te kunnen vinden in de visie van het kabinet. Volgens het College is het aan de wetgever om een beoordeling van ontwerpwetgeving aan hoger recht zelf uit te voeren en is het niet aan het College om deze taak over te nemen. In de Handreiking constitutionele toetsing staat een verwijzing naar de handreiking «Wetgeving & het VN-verdrag handicap» van het College. Wetgevingsjuristen kunnen hiermee zelf toetsen of en hoe ontwerpwetgeving bijdraagt aan de uitvoering van het verdrag en worden erop gewezen dat zij bij de totstandkoming van hun wetsvoorstel invulling moeten geven aan de algemene verplichting om nauw overleg te plegen met mensen met een beperking en hun organisaties.
Ook ten aanzien van alle mensenrechtelijke aspecten van wetsvoorstellen neemt het College het standpunt in dat het aan de wetgever is om ontwerpwetgeving te toetsen aan hoger recht.
Vraag
Een van de belangrijkste argumenten tegen deze standaard consultatievraag aan het College is de taakverzwaring die het met zich mee zou brengen. Zou de regering bij een dergelijke uitbreiding van het takenpakket van het College niet ook de financiering uit kunnen breiden, om zo met eventuele extra medewerkers de taakverzwaring op te vangen? Hoe beoordeelt de regering deze mogelijkheid? De leden van de GroenLinks-fractie vragen de regering bij het beantwoorden van deze vraag specifiek in te gaan op de afweging die zij maakt tussen deze mogelijke extra besteding en de mogelijke meerwaarde van een standaardconsultatie van het College.
Antwoord
Een uitbreiding van de financiering is niet expliciet onderzocht.
Ten eerste geeft het College aan dat het aan de wetgever is om een beoordeling van ontwerpwetgeving aan hoger recht zelf uit te voeren en dat het niet aan het College is om deze taak over te nemen. Daarnaast doet het geen recht aan het karakter van een toets aan mensenrechtenbepalingen in het wetgevingsproces. Vaak gaat het om het maken van een afweging, waarvan de uitkomst afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Binnen het huidige mandaat kan het College gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen over wetsvoorstellen die raken aan het VN-verdrag handicap. Het College maakt ook gebruik van deze mogelijkheid als het daar aanleiding toe ziet, bijvoorbeeld wanneer een wetsvoorstel vragen oproept in relatie tot het VN-verdrag.
Ten tweede is er inmiddels een verwijzing naar de handreiking «Wetgeving & het VN-verdrag handicap» van het College opgenomen in de Handreiking constitutionele toetsing van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De Handreiking constitutionele toetsing is begin dit jaar opgenomen in het IAK. Daarmee maakt het een vast onderdeel uit van de voorbereidende fase van wet- en regelgeving. Wetgevingsjuristen kunnen hiermee zelf toetsen of en hoe ontwerpwetgeving bijdraagt aan de uitvoering van het verdrag en worden erop gewezen dat zij bij de totstandkoming van hun wetsvoorstel invulling moeten geven aan de algemene verplichting om nauw overleg te plegen met mensen met een beperking en hun organisaties. Het kabinet is van mening dat toetsing van voorgenomen wetgeving aan het VN-verdrag hiermee voldoende is geborgd en dat een standaard(advies)rol van het College niet noodzakelijk is.
Vraag
De leden van de PvdD-fractie en de 50PLUS-fractie lezen op pagina 8 van de brief van 19 november 2021 dat verplichte toetsing van voorgenomen wetgeving door het College aan het VN-verdrag handicap een te grote verzwaring van het takenpakket van het College met zich mee zou brengen. Wel kan het College gevraagd en ongevraagd advies geven en dan zal dit advies serieus worden meegewogen. Wat wordt bedoeld met serieus meewegen? Dat dit advies terzijde kan worden gelegd en dus niet bindend is? In hoeverre volstaat de toetsing van het IAK door middel van een checklist, nu uit de praktijk blijkt dat die toetsing bij voorgenomen wetgeving niet altijd voldoende plaatsvindt vanwege onbekendheid met het VN-verdrag handicap? Gestreefd wordt naar het opstellen van een handreiking toetsing aan het VN-verdrag handicap. Deze handreiking is inmiddels gereed. Op welke wijze zal deze handreiking onder de aandacht van de ministeries worden gebracht, zodat de bewustwording over het VN-verdrag handicap bij voorgenomen wetgeving op een zo kort mogelijk termijn wordt geïmplementeerd? De leden van beide fracties krijgen hierop graag een reactie.
Antwoord
Het kabinet hecht veel waarde aan transparantie en publieke participatie bij het opstellen van wet- en regelgeving. Door internetconsulatie kunnen mensen, bedrijven en instellingen suggesties doen om de kwaliteit en uitvoerbaarheid van wetsvoorstellen te verbeteren. Na afloop van de consultatieperiode worden alle reacties bekeken en wordt eventueel het wetsvoorstel aangepast. Voor alle adviezen en inbreng in consultatie van wetgeving geldt dat die serieus gewogen wordt. Dit geldt ook voor de adviezen van het College.
Sinds de brief van mijn voorganger op 19 november 2021 is er gelegenheid geweest om de op 21 januari 2022 door het College gepubliceerde handreiking te bestuderen en tot een vervolgproces te komen.13 Inmiddels is er een verwijzing naar de handreiking van het College opgenomen in de Handreiking constitutionele toetsing van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De Handreiking constitutionele toetsing is begin dit jaar opgenomen in het IAK. Daarmee maakt het een vast onderdeel uit van de voorbereidende fase van wet- en regelgeving. Wetgevingsjuristen kunnen hiermee zelf toetsen of en hoe ontwerpwetgeving bijdraagt aan de uitvoering van het verdrag en worden erop gewezen dat zij bij de totstandkoming van hun wetsvoorstel invulling moeten geven aan de algemene verplichting om nauw overleg te plegen met mensen met een beperking en hun organisaties. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is onlangs gestart met een ronde langs de wetgevingsafdelingen van de departementen om de Handreiking constitutionele toetsing onder de aandacht te brengen.
Vraag
De leden van de fracties van PvdD en 50PLUS lezen in de brief van 17 februari 2022 dat het uitgangspunt van het beleid is dat reizigers met een beperking zo zelfstandig en laagdrempelig mogelijk gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer (OV). Worden met deze reizigers ook de mensen bedoeld die, bijvoorbeeld door hun leeftijd, geen lange afstanden kunnen lopen? Is de regering het met de leden van de fracties van de PvdD en 50PLUS eens dat, doordat mensen niet kunnen vliegen, het criterium van een hemelsbrede afstand van 400 meter tussen huis en halte impliceert dat mensen (veel) meer dan 400 meter zullen moeten afleggen om toegang te hebben tot het OV? Stelt een afstand van 800 meter of meer tot een R-Net halte mensen die minder goed ter been zijn in staat onbeperkt mee te doen aan het OV? Zo ja, hoe kunnen mensen met krukken, rollator of andere hulpmiddelen zo’n afstand in de praktijk overbruggen?
Antwoord
Het Rijk zet zich samen met de concessieverleners en concessiehouders in de vervoerssector ervoor in dat mensen zoveel mogelijk zelfstandig kunnen reizen. In de beantwoording van uw eerdere vragen zijn diverse initiatieven die hiervoor worden ondernomen geschetst, zoals aanpassingen aan stations, haltes en vervoersmiddelen. Gezien de decentrale verantwoordelijkheid voor het bus- en tramvervoer, kan het Rijk niet voorschrijven op welke plek bus- en tramhaltes aangelegd dienen te worden. Provincies en gemeenten maken deze keuzes op basis van een beoordeling van de lokale situatie. Er is in Nederland daarnaast geen landelijk verplichte norm bepaald voor de maximale afstand tot een halte. Het primaire doel in het openbaar vervoer is dat het toegankelijk is voor zoveel mogelijk reizigers. Reizigers die slecht ter been zijn en de loopafstand tot een halte niet kunnen overbruggen, kunnen als alternatief een beroep doen op WMO vervoer.
Vraag
Mensen die met hulpmiddelen niet meer dan honderd meter kunnen lopen, komen in aanmerking voor een gehandicaptenparkeerkaart. Waarom is het afstandscriterium voor de toegankelijkheid van het OV een veelvoud van de honderd meter die geldt voor een gehandicaptenkaart?
Bent u het met deze leden eens dat de afstand tot de ingang van het vervoermiddel de vanuit Onbeperkt meedoen relevante afstand tot het OV is? Zo ja, hoe beoordeelt u in dit kader de aanzienlijke verlenging van tramhaltes?
Antwoord
De aanvraagcriteria voor een gehandicaptenparkeerkaart en de eisen die in decentrale concessies worden neergelegd voor de afstand tot OV haltes kunnen niet met elkaar vergeleken worden omdat ze op verschillende categorieën reizigers van toepassing zijn.
De criteria voor de afstand tot OV-haltes in decentrale concessies zijn erop gericht dat zoveel mogelijk reizigers een halte binnen een bepaalde afstand kunnen bereiken. Deze criteria komen tot stand in een regionaal en lokaal besluitvormingsproces en leiden tot een eis voor een maximale halte-afstand in een concessie. Het criterium dat een aanvrager niet meer dan 100 meter zelfstandig kan lopen met hulpmiddelen (zoals krukken of een rollator) maakt onderdeel uit van het aanvraagproces voor een gehandicaptenparkeerkaart. Het gaat daarbij om reizigers met een beperking waarvoor een bus- of tramhalte al snel op te grote afstand ligt en voor wie het OV daarom niet altijd een optie is.
Vraag
In de brief staat dat soms twee niet toegankelijke haltes worden samengevoegd tot één toegankelijke halte, omdat er te weinig plek is in de openbare ruimte. Betekent dit dat afstandstoegankelijkheid wordt opgeofferd voor drempeltoegankelijkheid? Is dit, naast de verkeersveiligheid, de enige reden om tramhaltes samen te voegen? Heeft de regering een beeld van de mate waarin ouderen die niet snel ter been zijn het OV als toegankelijk ervaren, en heeft zij een beeld van de ontwikkeling van OV-haltes bij bejaardenhuizen? Zo ja, kan zij deze cijfers met de Eerste Kamer delen en een inventarisatie maken van bestaande OV-haltes bij bejaardentehuizen en zorginstellingen? Zo nee, is zij bereid hiernaar onderzoek te doen?
Antwoord
De eerdere set vragen van uw Kamer over de samenvoeging van haltes was specifiek gericht op haltes in Amsterdam. Zoals in de beantwoording op uw eerdere vragen aangegeven komen de criteria voor de afstand tot OV-haltes in decentrale concessies tot stand via lokaal overleg. Voor wat betreft de ervaring van de ouderen in het OV geldt dat middels verschillende feedback- en inspraakconstructies er informatie wordt verzameld over de ervaring van reizigers. Deze constructies bieden de mogelijkheid voor ouderen om hun ervaringen met het OV te communiceren. Voor de plaatsing van haltes rondom verpleeg- en verzorgingstehuizen geldt dat in decentrale concessies in de regel wordt geëist dat zorginstellingen worden ontsloten en dat vervoerders aangeven hoe zij ouderen gebruik willen laten maken van vervoersdiensten. Zo heeft bijvoorbeeld de Vervoerregio Amsterdam voor ziekenhuizen en enkele verzorgingshuizen een norm van 250 meter afstand tussen ziekenhuis en dichtstbijzijnde halte geïntroduceerd.14 Op dit moment zijn er geen landelijke cijfers die een beeld schetsen van de ervaring door ouderen van het OV of die een inzicht geven in de ontwikkeling van OV-haltes bij bejaardenhuizen. Het in dit antwoord aangehaalde rapport van de Vervoerregio Amsterdam is echter een duidelijk voorbeeld van hoe hiermee op lokaal en regionaal niveau mee om wordt gegaan.
Vraag
Per gemeente is er minimaal één verlaagde brievenbus, zo lezen de leden van beide fracties. Betekent dit dat er geen afstandscriterium is voor verlaagde brievenbussen? Welke maximale afstand tot een brievenbus vindt de regering, in het kader van Onbeperkt meedoen, acceptabel voor rolstoelgebruikers? Kan worden toegelicht waarom Arbowetgeving het plaatsen van meer verlaagde brievenbussen belet? Vanuit het VN-verdrag handicap bestaat blijkbaar geen specifieke doelstelling voor het aantal postkantoren. De leden van beide fracties vragen of Nederland geen eigen verantwoordelijkheid heeft op het punt van de bereikbaarheid van postkantoren.
Antwoord
In reactie op uw eerdere vragen over dit onderwerp heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat aangegeven dat er in de Nederlandse postregelgeving niet gewerkt wordt met afstandseisen voor verlaagde brievenbussen, maar wel een eis is opgenomen dat de verlener van de universele postdienst bij de spreiding van voorzieningen rekening houdt met de specifieke groepen zoals ouderen en mensen met een beperking. Deze aanpak vindt het kabinet effectiever, omdat hiermee maatwerk kan worden gerealiseerd. In de praktijk voert PostNL overleg over het locatiebeleid met koepelorganisaties die mensen met een beperking en ouderen vertegenwoordigen.
Als invulling van dit beleid zorgt PostNL er voor dat er landelijk ca. 500 verlaagde brievenbussen zijn; gemiddeld gezien is er in elke gemeente in Nederland één brievenbus verlaagd. De locaties van de verlaagde brievenbussen zijn afgestemd met Ieder(in), de landelijke belangenvereniging en netwerk voor mensen met een chronische ziekte of beperking.
PostNL kan niet alle brievenbussen in Nederland verlagen vanwege de arbeidsomstandigheden waaronder een chauffeur de brievenbussen moet kunnen legen. De toelichting hierbij is dat er rekening gehouden moet worden met NEN-ISO normen waarin aanbevolen grenzen worden gehanteerd voor handmatig tillen, dragen en bukken in relatie tot de intensiteit, de frequentie en de duur van deze taken.
Verder is in de afgelopen jaren met name in stedelijke gebieden en grotere woonkernen het aantal dienstverleningspunten in winkels uitgebreid, waaronder in veel supermarkten. Hierdoor is het aantal locaties, waar een brief ook kan worden afgegeven, gestegen. Gegeven de laagdrempelige toegang op die locaties kan dat worden beschouwd als een alternatief voor, of in ieder geval een aanvulling op, de verlaagde brievenbus.
Door middel van het netwerk van verlaagde brievenbussen, in aanvulling hierop de uitbreiding van het aantal dienstverleningspunten in winkels en verder het landelijk overleg met koepelorganisaties over het locatiebeleid krijgt in Nederland beleid gericht op de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de postale diensten vorm.
Samenstelling:
Ganzevoort (GL), Gerkens (SP), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Bredenoord (D66), Koole (PvdA), De Bruijn-Wezeman (VVD), Baay-Timmerman (50PLUS), A.J.M. van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD) (voorzitter), Vos (VVD), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Prast (PvdD), Van Pareren (Fractie-Nanninga) (ondervoorzitter), Prins (CDA), Vendrik (GL), Verkerk (CU), De Vries (Fractie-Otten), Van der Voort (D66), Keunen (VVD), Hermans (Fractie-Nanninga), Raven (OSF) en Karakus (PvdA).
Samenstelling:
Kox (SP), Essers (CDA), Ester (CU), Vos (PvdA) (voorzitter), Van Strien (PVV), Oomen-Ruijten (CDA), Schalk (SGP), Stienen (D66), De Bruijn-Wezeman (VVD) (ondervoorzitter), A.J.M. van Kesteren (PVV), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Crone (PvdA), Frentrop (Fractie-Frentrop), Geerdink (VVD), Van Gurp (GL), Moonen (D66), Rosenmöller (GL), Vendrik (GL), De Vries (Fractie-Otten), De Blécourt-Wouterse (VVD), Van Pareren (Fractie-Nanninga), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Prast (PvdD) en N.J.J. van Kesteren (CDA).
Handelingen I 2019/20, nr. 27, item 7, p. 31–32. Plenaire behandeling van het wetsvoorstel Verdere activering participatie jonggehandicapten en harmonisatie Wajongregimes (Kamerstukken 35 213).
file:///H:/Downloads/Handreiking%20Wetgeving%20en%20het%20VN-verdrag%20handicap_College%20voor%20de%20Rechten%20van%20de%20Mens%20(2).pdf
file:///H:/Downloads/Handreiking%20Wetgeving%20en%20het%20VN-verdrag%20handicap_College%20voor%20de%20Rechten%20van%20de%20Mens%20(2).pdf
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24170-H.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.