24 170 Gehandicaptenbeleid

Nr. 110 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 september 2010

In de motie Jan de Vries (Kamerstukken II 2009/2010, 24 170, nr. 107) wordt de regering verzocht te onderzoeken of en, zo ja, hoe het mogelijk is dat een passende AWBZ-indicatie in de toekomst kan leiden tot een automatische toekenning van de regeling ouders van thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG). Achtergrond van deze motie is het verminderen van de administratieve lasten van de ouders en de uitvoeringsorganisaties.

In deze brief geef ik aan wat de resultaten van het onderzoek zijn en hoe ik deze motie heb uitgevoerd.

Administratieve lastenvermindering voor ouders en de uitvoeringsorganisaties is een van de speerpunten van het kabinetsbeleid. De afgelopen jaren zijn er veel initiatieven geweest om de administratieve lasten te verminderen. Het gebruik van de indicatie Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (ABWZ) voor het bepalen van het recht op TOG is hier een voorbeeld van. Sinds april dit jaar hoeven kinderen niet langer apart geïndiceerd te worden voor de TOG, maar wordt er gebruik gemaakt van een reeds bestaand indicatie-instrument, de AWBZ-indicatie. Kinderen die dusdanig gehandicapt zijn dat hun ouders in aanmerking komen voor de TOG, worden door deze wijziging niet langer belast met nog een extra keuring.

In de motie wordt verzocht te onderzoeken of de administratieve lasten voor de ouders van deze kinderen niet nog verder omlaag gebracht kunnen worden door het automatisch toekennen van de TOG. Samen met de Sociale Verzekeringsbank (SVB) heb ik uitgebreid onderzocht wat de mogelijkheden zijn om de administratieve lasten terug te brengen voor de ouders van deze kinderen en voor de SVB zelf. Het onderzoek heeft betrekking op de verschillende mogelijkheden voor het toekennen van het recht op TOG en de invloed daarvan op administratieve lastenvermindering.

Het startpunt van het onderzoek was het in kaart brengen van het huidige proces van het aanvragen en vaststellen van het recht op TOG.

In de huidige situatie is het proces van aanvragen als volgt. De ouder die denkt recht op TOG te hebben, moet zelf initiatief ondernemen voor het aanvragen van TOG. Hij of zij vraagt de TOG aan door middel van het opsturen van een aanvraagformulier (verkrijgbaar via de SVB). Naast het aanvraagformulier moet de ouder ook een kopie opsturen van de AWBZ-indicatie. Aan de hand van de AWBZ-indicatie kan de SVB bepalen of een kind voor minstens tien uur AWBZ-zorg per week is geïndiceerd, één van de voorwaarden voor het recht op TOG.

Voor de ouder en de SVB zouden de administratieve lasten lager liggen als het mogelijk zou zijn voor de SVB om elektronisch gegevens uit te wisselen tussen het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en de Bureaus Jeugdzorg. Deze twee laatste instanties verstrekken de AWBZ-indicaties. Op het moment dat er elektronisch gegevens uitgewisseld kunnen worden, hoeft de ouder niet langer een kopie van de AWBZ-indicatie op te sturen. Hiermee wordt voorkomen dat overheidsorganen onnodig een dubbele gegevensuitvraag doen bij de burger. Daarnaast zou het voordeel voor de SVB zijn dat zij geen medische gegevens hoeven op te slaan. Hiervoor gelden namelijk zwaardere privacy-eisen.

Er zijn twee verschillende mogelijkheden om naar aanleiding van het elektronisch gegevens uitwisselen het proces van aanvragen te organiseren. In de eerste mogelijkheid doet een ouder een aanvraag, maar hoeft hij niet langer een indicatie op te sturen. De SVB verifieert bij het CIZ of Bureau Jeugdzorg of een kind daadwerkelijk voor minstens tien uur zorg per week geïndiceerd is. De tweede mogelijkheid is dat de SVB van het CIZ en Bureau Jeugdzorg een signaal krijgt wie er voor ten minste tien uur zorg per week geïndiceerd is. Vervolgens kijkt de SVB wie er volgens hen in aanmerking komt voor de TOG. Deze mensen krijgen een aanvraagformulier opgestuurd door de SVB.

De minste administratieve lasten zouden voor de burger ontstaan bij het automatisch toekennen oftewel ambtshalve toekennen. Het ambtshalve toekennen betekent in het geval van de TOG dat de SVB aan de hand van gegevens die reeds bekend zijn bij hen, bepaalt of iemand in aanmerking komt voor de TOG. Wanneer uit de gegevens blijkt dat dit het geval is, dan krijgt deze persoon het recht op TOG automatisch toegekend. Hij of zij hoeft hiervoor zelf geen actie voor te ondernemen. Het nadeel van ambtshalve toekennen is dat burgers ergens recht op krijgen, zonder dat zij ingestemd hebben met de verplichtingen die bij dit recht horen. Het ontneemt de burger de mogelijkheid en verantwoordelijkheid voor een keuze. Indien een gekoppelde toekenning de voorkeur zou hebben, zouden beide regelingen tot één regeling moeten worden samengevoegd.

Gezien de huidige wetgeving is alleen de huidige manier van aanvragen een mogelijkheid. De wetgeving voorziet momenteel niet in de mogelijkheid dat het CIZ en Bureau Jeugdzorg elektronisch gegevens uitwisselen. Ik ben voornemens de wetgeving zodanig aan te passen dat elektronische gegevensuitwisseling vanaf 2011 mogelijk is. Dat betekent dat vanaf dat moment de administratieve lasten van ouders verminderd kunnen worden ten opzichte van de huidige situatie. Voor het verminderen van deze lasten zijn er drie mogelijkheden, die hierboven beschreven zijn.

Vanaf 2011 is de situatie als volgt. Nadat de SVB een signaal ontvangt van het CIZ en Bureau Jeugdzorg, zullen de burgers die in aanmerking komen voor de TOG, een reeds zoveel mogelijk ingevuld aanvraagformulier opgestuurd krijgen van de SVB met daarbij informatie over de rechten en plichten voor de TOG. Het enige wat de burger nog hoeft te doen, is het formulier ondertekenen en terugsturen. Ik heb inmiddels de TOG zo aangepast dat deze werkwijze mogelijk wordt.

Op deze manier worden de ouders optimaal gefaciliteerd bij het verkrijgen van de TOG, terwijl er tegelijkertijd sprake is van een bewuste handeling van de burger. Het is wenselijk dat de burger op de hoogte is van de consequenties van het aanvragen en ontvangen van een financiële tegemoetkoming van de overheid.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

Naar boven