nr. 9
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 16 december 1996
Hierbij heb ik het genoegen u de Voortgangsnota Scheepvaartverkeer Noordzee
(VSN) aan te bieden.1
Als uitwerking van een beleidsvoornemen van de regering in de Nota Harmonisatie
Noordzeebeleid verscheen in 1988 de Beleidsnota Scheepvaartverkeer Noordzee
(BSN). De regering gaf in de Beleidsnota aan, het vastgelegde beleid na enkele
jaren te evalueren. De nu voorliggende Voortgangsnota voorziet in een dergelijke
evaluatie.
Deze Voortgangsnota geeft, naast de resultaten van het actieplan van de
Beleidsnota Scheepvaartverkeer Noordzee, de hoofdlijnen weer van het huidige
door mij gevoerde scheepvaartverkeersbeleid op de Noordzee.
Met behulp van een binnen mijn departement ontwikkelde, systematische
en waar mogelijk kwantitatieve evaluatiemethodiek, gebaseerd op risico-analytische
modellen en methoden, kunnen uitspraken worden gedaan over de effecten van
het vigerende scheepvaartverkeersbeleid. Aan de evaluatie van het beleid ligt
een uitgebreide analyse van verkeers- en ongevalsgegevens over de jaren 1978
tot en met 1995 ten grondslag.
Na analyse en vergelijking van de resultaten van verschillende metingsperiodes
kan in algemene zin worden geconcludeerd dat de Noordzee een drukke maar veilige
zee is. Op de 50 miljoen vaartuigkilometers, die schepen gemiddeld per jaar
op het Nederlandse deel van de Noordzee afleggen, doen zich gemiddeld slechts
24 ongevallen per jaar voor. Als gevolg van die ongevallen zijn er jaarlijks
gemiddeld 3 doden of vermisten te betreuren en doet zich jaarlijks gemiddeld
een olie-uitstroom voor van 1100 kubieke meter.
De aard en de achterliggende oorzaken van de scheepvaartongevallen en
de ontwikkelingen van het scheepvaartverkeer op de Noordzee geven mij geen
aanleiding met voorstellen te komen tot fundamentele wijziging of intensivering
van het huidige beleid.
Ondanks de conclusie dat zich geen structurele knelpunten voordoen, komt
uit de analyse een drietal punten naar voren, die in de toekomstige beleidsontwikkeling
nadere aandacht zullen krijgen. In de eerste plaats gaat het om het verder
terugdringen van de menselijke factor als (mede-)oorzaak van ongevallen. In
de tweede plaats acht ik een intensivering van het handhavingsbeleid ten aanzien
van de visserij en de zogenoemde «werkvaart» noodzakelijk, om
de relatief grote betrokkenheid van deze categorieën bij ongevallen verder
terug te dringen. Tenslotte wordt een verdere optimalisering van navigatie-
en communicatievoorzieningen nagestreefd.
In het licht van het bovenstaande is besloten om op dit moment niet met
een beleidsnota naar buiten te treden, maar om met de onderhavige Voortgangsnota
verantwoording af te leggen over de resultaten van het sinds 1988 gevoerde
beleid.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink