Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal1994-199524159 nr. 3

24 159
Wijziging van de Natuurschoonwet 1928 en de Gemeentewet (verruiming fiscale faciliteiten ten behoeve van de aanleg van bossen)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Inleiding

De Natuurschoonwet 1928 – hierna aangeduid als de NSW – strekt ertoe fiscale faciliteiten te verlenen tot het behoud van natuurschoon op landgoederen in Nederland. Onroerende zaken die voldoen aan daartoe gestelde voorwaarden, kunnen – op verzoek van de eigenaar – bij gezamenlijke beschikking van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van de Minister van Financiën worden aangemerkt als landgoed in de zin van de NSW («gerangschikt»). Voor de eigenaar heeft de rangschikking tot gevolg dat hij voor zijn landgoed fiscale faciliteiten geniet. Deze faciliteiten zijn voor een deel in de specifieke heffingswetten opgenomen, zoals die met betrekking tot de inkomstenbelasting, de vermogensbelasting en de onroerende-zaakbelastingen. De faciliteiten die betrekking hebben op de heffing van het successie- en schenkingsrecht en de heffing van de overdrachts- en kapitaalsbelasting zijn opgenomen in de NSW zelf. Tegenover de faciliteiten staat onder meer de verplichting het landgoed als zodanig in stand te houden.

In het kader van het Uitvoeringsprogramma Meerjarenplan Bosbouw 1990–1994 heeft de regering op 26 oktober 1993 haar standpunt uitgebracht inzake het advies van de Commissie Bosuitbreiding (Kamerstukken II 1993/94, 21 671, nr. 14).

In het regeringsstandpunt wordt onder meer ingegaan op een aantal maatregelen in de fiscale sfeer waarmee de aanleg van bossen kan worden bevorderd. Een van deze maatregelen, te weten de uitbreiding van de bosbouwvrijstelling in de inkomstenbelasting met een optieregeling, is inmiddels in werking getreden1.

Met betrekking tot de heffing van overdrachtsbelasting acht de regering het geen begaanbare weg om de aankoop van grond ten behoeve van bosaanleg generiek vrij te stellen. Dit oordeel is gebaseerd op overwegingen van uitvoeringstechnische en budgettaire aard. De regering ziet echter wel mogelijkheden om een aantal maatregelen in de sfeer van de Natuurschoonwet 1928 te nemen die de heffing van overdrachtsbelasting betreffen. Het onderhavige wetsvoorstel maakt het onder bepaalde voorwaarden mogelijk een onroerende zaak die bestemd is voor de aanleg van bos aan te merken als een landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928. Hierdoor zijn voor een dergelijke onroerende zaak de hiervoor genoemde fiscale faciliteiten, onder meer met betrekking tot de overdrachtsbelasting, van toepassing die voor natuurschoonwetlandgoederen gelden.

II. De voorgestelde maatregelen

1. Uitbreiding ter zake van de rangschikking voor bos in aanleg

Onder de huidige regelgeving is een van de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen om te kunnen worden gerangschikt als landgoed, dat minimaal een bepaald percentage van de oppervlakte bezet moet zijn met bossen of andere houtopstanden. Het wetsvoorstel voorziet erin dat een onroerende zaak die niet voldoet aan dit vereiste, in bepaalde gevallen toch als landgoed kan worden gerangschikt. Dit is het geval indien het voornemen bestaat om door middel van het aanplanten van bos binnen een periode van drie jaar alsnog aan het vereiste te voldoen. Aan de andere voorwaarden die op dit moment gelden voor rangschikking zal bij het indienen van het verzoek wel reeds moeten zijn voldaan.

Na rangschikking zijn op de onroerende zaak de fiscale faciliteiten ter zake van de verkrijging van landgoederen van toepassing voor het successie- en schenkingsrecht, de overdrachtsbelasting en de kapitaalsbelasting. Daarnaast zullen op dergelijke onroerende zaken de faciliteiten voor landgoederen in de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting van toepassing zijn en zullen de gemeentebesturen de mogelijkheid hebben hiervoor een vrijstelling te creëren voor de onroerende-zaakbelastingen.

Indien achteraf blijkt dat aan het voornemen tot aanleg van bossen op die gronden geen uitvoering is gegeven, dan wel dat de aanplant van bos om enigerlei reden niet is geslaagd, wordt de onroerende zaak niet langer als een landgoed aangemerkt. Dat is ook het geval indien al op enig moment binnen de termijn van drie jaar kan worden verwacht dat niet aan de eisen van bosaanplant zal worden voldaan. De belasting die ter zake van de verkrijging van de gronden niet is geheven dan wel buiten invordering is gelaten, is dan alsnog verschuldigd. Ook zijn dan de faciliteiten die in de inkomstenbelasting, vermogensbelasting en onroerende-zaakbelastingen gelden voor gerangschikte landgoederen niet meer van toepassing.

Naast de eis dat voldoende bos moet worden aangeplant, moet de onroerende zaak gedurende de termijn van drie jaar onverkort blijven voldoen aan de overige eisen die voor een landgoed gelden. Indien daaraan niet meer wordt voldaan, zal de rangschikking worden ingetrokken op grond van artikel 3.

Uiteraard dienen ook bij de aanvraag tot rangschikking op basis van de voorgestelde faciliteit de procedureregels in acht te worden genomen die gevolgd moeten worden bij een aanvraag tot een «normale» rangschikking. Voorts is het noodzakelijk te voldoen aan bepaalde – aanvullende – voorwaarden. Deze voorwaarden zullen in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 worden neergelegd. Een van de voorwaarden zal zijn dat van het voornemen om bos aan te planten, blijk wordt gegeven door een begin van uitvoering nadat bij de aanvraag een beplantingsplan is overgelegd dat is goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

2. Uitbreiding van de vrijstelling van overdrachtsbelasting

Naast de uitbreiding van de vrijstelling van overdrachtsbelasting die voortvloeit uit de hiervoor beschreven verruiming van de mogelijkheid tot rangschikking, wordt voorgesteld deze vrijstelling in nog een tweetal opzichten uit te breiden. Deze vrijstelling, die is opgenomen in artikel 9a van de NSW, is thans alleen van toepassing op de verkrijging door een in Nederland gevestigde rechtspersoon, welke hoofdzakelijk de instandhouding van een of meer landgoederen ten doel heeft. De vrijstelling wordt in de eerste plaats uitgebreid tot verkrijgingen van landgoederen door natuurlijke personen. Daarnaast zal voor rechtspersonen de beperking vervallen dat zij in Nederland gevestigd moeten zijn.

III. Overige wijzigingen

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt in de tekst van de NSW enkele Staatsbladaanduidingen te laten vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving. Voorts is bij de invoering van een algehele vrijstelling voor NSW-landgoederen in de Wet op de vermogensbelasting 19641 verzuimd een verwijzing naar die wet in de NSW dienovereenkomstig aan te passen. Deze verwijzing wordt nu alsnog aangepast. Op een tweetal plaatsen is ten slotte de oude benaming «Minister van Landbouw en Visserij» vervangen door Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

IV. Budgettaire en personele gevolgen

De budgettaire consequenties van deze maatregelen bedragen 1 mln.

De omvang van de personele gevolgen is van dien aard dat deze kunnen worden opgevangen binnen de huidige formatie.

V. Artikelsgewijze toelichting

Artikel I (wijzigingen in de Natuurschoonwet 1928)

Onderdeel A (artikel 1)

Onderdeel A.3. De bepaling in het nieuwe vierde lid opent de mogelijkheid om een onroerende zaak die nog niet voldoet aan het vereiste dat een bepaald percentage van de oppervlakte met houtopstanden is bezet, toch als een landgoed aan te merken indien het voornemen bestaat door bosaanplant alsnog aan dat vereiste te voldoen. Het gaat hierbij derhalve om onroerende zaken die onder de huidige regelgeving als landgoed zouden kunnen worden aangemerkt indien daarop voldoende bos of andere houtopstanden aanwezig zouden zijn. De vereisten bedoeld in artikel 1, derde lid, van de NSW met betrekking tot de oppervlakte, de aard van het terrein, de wijze en aard van de bebouwing en het soort gebruik dat van de terreinen en de gebouwen wordt gemaakt, blijven onverminderd gelden. Daarbij dient wat betreft het gebruik van de terreinen te worden uitgegaan van de situatie zoals die zal zijn nadat de beoogde bosaanplant heeft plaatsgevonden. Uiteraard is het enkele voornemen om tot bosaanplant over te gaan onvoldoende om een onroerende zaak als landgoed aan te merken. Er zal onder meer een realistisch beplantingsplan moeten zijn dat goedkeuring behoeft van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Deze voorwaarde zal worden neergelegd in het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928.

Onderdeel B (artikel 3a)

De bepaling in het eerste lid strekt ertoe een onroerende zaak als bedoeld in artikel 1, vierde lid, die als landgoed is aangemerkt niet langer als zodanig aan te merken indien binnen een periode van drie jaar onvoldoende bosaanplant is gerealiseerd of naar verwachting onvoldoende aanplant zal worden gerealiseerd. Indien zich in de loop van deze periode bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, kan deze termijn maximaal met twee jaar worden verlengd. Te denken valt hierbij aan gevallen waarin de bosaanplant is mislukt door onvoorziene omstandigheden die niet aan de eigenaar zijn toe te rekenen. Op grond van het voorgestelde derde lid kan ook een deel van de onroerende zaak niet langer als landgoed worden aangemerkt.

Voor de eigenaar kan het van belang zijn zekerheid te krijgen over de vraag of de onroerende zaak naar het oordeel van de Ministers op een bepaald moment voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van de NSW. Ingevolge het tweede lid kan de eigenaar een daartoe strekkende verklaring vragen.

Onderdelen C en D

De bepalingen in deze onderdelen strekken ertoe in de tekst van de NSW enkele Staatsbladaanduidingen te laten vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving. Voorts wordt, zoals in het algemeen gedeelte reeds is toegelicht, in onderdeel C een verwijzing naar de Wet op de vermogensbelasting 1964 aangepast.

Onderdeel E (artikel 8)

Het bestaande eerste lid van artikel 8 bevat de bepaling dat het recht van successie, recht van overgang of recht van schenking dat ingevolge artikel 7, eerste lid, van de NSW buiten invordering is gebleven alsnog wordt ingevorderd indien binnen 25 jaar na het overlijden of de schenking een rangschikking wordt ingetrokken op grond van beschikkingen als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, NSW. De onderhavige wijziging strekt ertoe dat de voornoemde rechten tevens worden ingevorderd indien een onroerende zaak op grond van een beschikking als bedoeld in artikel 3a (zie hiervoor onderdeel B) niet langer als een landgoed wordt aangemerkt.

De bepalingen in de onderdelen E.2 en E.3 strekken ertoe enkele Staatsbladaanduidingen te laten vervallen, conform de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Onderdeel F (artikel 9a)

Artikel 9a van de NSW geeft een vrijstelling van overdrachtsbelasting bij de aankoop van landgoederen die gerangschikt zijn. De vrijstelling geldt zowel bij aankoop door natuurlijke personen als door rechtspersonen. Met betrekking tot rechtspersonen is de bestaande eis vervallen dat zij in Nederland gevestigd moeten zijn.

Onderdeel G (artikel 9c)

De wijziging in het eerste lid strekt ertoe dat aan de gevallen waarin de ingevolge de artikelen 9a of 9b van de NSW niet geheven overdrachtsbelasting of kapitaalsbelasting alsnog verschuldigd worden, wordt toegevoegd het geval waarin een rangschikking wordt ingetrokken op grond van een beschikking als bedoeld in het voorgestelde artikel 3a (zie hiervoor onderdeel B).

Artikel II (wijzigingen in de Gemeentewet)

Zonder de in dit artikel voorziene wijziging van de Gemeentewet zou de fiscale faciliëring die voortvloeit uit de in dit wetsvoorstel voorziene verruiming van de mogelijkheid tot rangschikking, zich ook dwingend uitstrekken tot de onroerende-zaakbelastingen. Dit zou niet in overeenstemming zijn met het beleid van de regering dat erop gericht is het draagvlak van de onroerende-zaakbelastingen breed te doen zijn (zie bij voorbeeld Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 27). De gemeentebesturen hebben echter wel de mogelijkheid om naast de wettelijk verplichte vrijstellingen nog andere vrijstellingen in hun belastingverordening op te nemen. Ze kunnen derhalve ook voor deze categorie landgoederen een vrijstelling opnemen.

Artikel III

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Het tweede lid strekt ertoe artikel 7, derde lid, van de NSW met betrekking tot de onroerende zaken die op grond van de onderhavige wet als landgoed kunnen worden aangemerkt slechts van toepassing te doen zijn indien de belastbare feiten voor de Successiewet 1956 zich voordoen na de inwerkingtreding van de onderhavige wet. Artikel 7, derde lid, van de NSW bepaalt dat de fiscale faciliteiten met betrekking tot het successierecht, het schenkingsrecht en het recht van overgang ook toepassing vinden indien een onroerende zaak pas na de verkrijging op verzoek van de verkrijgers wordt gerangschikt als landgoed.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Wet van 24 juni 1994 tot wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 met het oog op het bevorderen van beleggingen en investeringen die in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos (Stb. 497).

XNoot
1

Wet van 24 december 1993, houdende wijziging van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Wet op de loonbelasting 1964 en de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Stb. 733).