nr. 260
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 12 april 1995
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 28 april 1995. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring
van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers
of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden
van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse
Antillen onderscheidenlijk van Aruba te kennen worden gegeven uiterlijk op
28 mei 1995.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel
5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen,
de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer U hierbij ter
stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 2 februari 1993 te Straatsburg
tot stand gekomen Tweede Protocol tot wijziging van het Verdrag betreffende
beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire
verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1994, 265).1
Een toelichtende nota bij dit protocol treft U eveneens hierbij aan.
De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.
Aan de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba is verzocht
hogergenoemde stukken op 28 april 1995 over te leggen aan de Staten van de
Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.
De Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba zijn
van deze overlegging in kennis gesteld.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
Toelichtende nota
Het Koninkrijk is sinds 9 mei 1985 partij bij het in het kader van de
Raad van Europa op 6 mei 1963 te Straatsburg tot stand gekomen verdrag betreffende
beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire
verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit (Trb. 1964, 4), het
op 24 november 1977 te Straatsburg tot stand gekomen protocol houdende wijziging
van het verdrag (Trb. 1981, 45) en het eveneens op 24 november 1977 te Straatsburg
tot stand gekomen aanvullend protocol bij het verdrag (Trb. 1981, 46). Op
2 februari 1993 is voor ondertekening opengesteld het tweede protocol tot
wijziging van het verdrag. Dit wijzigingsprotocol houdt in dat lidstaten in
hun wetgeving mogen bepalen dat de hoofdregel van het verdrag, namelijk dat
een onderdaan van een verdragsland die de nationaliteit van een ander verdragsland
vrijwillig verkrijgt, daardoor de oorspronkelijke nationaliteit verliest,
wordt doorbroken voor:
– echtgenoten in nationaliteitrechtelijk gemengde huwelijken;
– kinderen uit deze huwelijken; en
– tweede-generatie-migranten, dat wil zeggen onderdanen van een
verdragsland die geboren zijn in een ander verdragsland en daar wonen of hun
gewone woonplaats daar hebben gedurende een periode welke is aangegeven voor
het bereiken van de leeftijd van 18 jaar.
De redenen die hebben geleid tot het opstellen van dit tweede protocol
zijn de volgende.
De migratie-stromen van gastarbeiders, vooral in de zestiger en zeventiger
jaren, tussen Europese landen, gevolgd door migratie van echtgenoten en kinderen,
hebben geleid tot substantiële migranten-bevolkingen in de diverse staten.
Verscheidene lid-staten hebben in algemene zin erkend dat deze personen waarschijnlijk
voor onbepaalde tijd in de gastlanden zullen blijven en daarom moeten worden
geïntegreerd.
Daarbij komt het groeiende aantal huwelijken tussen personen van verschillende
nationaliteiten en de erkenning van het beginsel van de gelijkwaardigheid
der seksen.
Deze faktoren hebben geleid tot toename van het aantal gevallen van meervoudige
nationaliteit. Voorst hebben resoluties van het Comité van Ministers
van de Raad van Europa (bij voorbeeld resolutie (77) 12 inzake de nationaliteit
van echtgenoten van verschillende nationaliteit; onder meer afgedrukt in «Nationaliteitswetgeving,
band I) doorwerking gehad in wetgeving waardoor, ondanks het verdrag van 1963,
het aantal gevallen van meervoudige nationaliteit steeg. Deze ontwikkelingen
maakten het nodig dat opnieuw overwogen moest worden of het beginsel dat meervoudige
nationaliteit zoveel mogelijk moet worden vermeden, wel moet worden gehandhaafd.
Bovendien lijdt het geen twijfel dat voor vele migranten en hun kinderen het
vooruitzicht van verlies van hun oorspronkelijke nationaliteit een contra-indicatie
is voor het aanvragen van de nationaliteit van het land waar zij wonen, de
nationaliteit die zij ook wensen te bezitten.
Verkrijging van de nationaliteit van het gastland is zeker een belangrijke,
zelfs cruciale faktor in de integratie in dat land. Vanuit de landsoptiek
bezien is het niet in het algemeen belang van een land dat een deel van de
bevolking generaties lang niet de nationaliteit bezit van het land dat het
vaderland is geworden. Voor de immigranten is de formele belemmering ten aanzien
van volledige participatie in het politieke leven geen goede zaak.
Aangezien een minder strikte opstelling ten opzichte van het automatisch
verlies van de nationaliteit de verkrijging van de nationaliteit van het gastland
zal bevorderen – met als gevolg volledige integratie in dat land – is verzachting van de strikte regels van het verdrag van 1963 gerechtvaardigd.
De hiervoor weergegeven opvattingen zijn mede aanleiding geweest tot het
voorstel van rijkswet tot wijziging van de rijkswet op het Nederlanderschap,
dat op 1 maart 1995 is aangenomen door de Tweede Kamer der Staten-Generaal
(kamerstukken II 1992/93, 23 029 (R 1461)).
Voor een inhoudelijke toelichting op het protocol zij verwezen naar de
als bijlage aangehechte vertaling van het «explanatory report»
van de Raad van Europa terzake.1
Koninkrijkspositie
Gelet op de door het protocol bestreken materie, zal het, evenals het
verdrag tot wijziging waarvan het strekt, voor het gehele Koninkrijk gelden.
In dit verband heeft de regering van Aruba te kennen gegeven, in het licht
van de toenemende mobiliteit van personen en de consequenties daarvan voor
de Arubaanse samenleving, de in het protocol neergelegde nadere regeling op
het gebied van de nationaliteit volledig te onderschrijven.
Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk wordt niet openbaar
gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel
25a, vierde lid, onder b, van de wet op de Raad van State).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. A. F. M. O. van Mierlo
De Staatssecretaris van Justitie,
E. M. A. Schmitz