nr. 12
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Rijswijk, 24 juni 1996
Tijdens het Algemeen Overleg over wachttijden in de zorg,dd
20 juni jl, zegde ik toe concrete vragen zoveel mogelijk schriftelijk te zullen
beantwoorden.
De heer Oudkerk (PvdA) drong aan op een rol van de Wetenschappelijke Verenigingen
bij het opstellen van protocollen voor indicatiestelling en voor maximaal
aanvaardbare wachttijden. Ook was hij van opvatting dat sprake zou moeten
zijn van tripartite afspraken waarbij dus de verzekeraar, de aanbieder en
de patiënt betrokken zijn. In lijn met mijn beleidsbrief MTA en doelmatigheid
van zorg (TK 24 126, nr. 9) ben ik het er mee eens dat de Wetenschappelijke
Verenigingen een belangrijke initiërende rol krijgen bij het opstellen
van tripartite richtlijnen. Ook deel ik de mening dat in de overeenkomst tussen
verzekeraar en aanbieder het wachtlijstbeleid van de instelling een rol zou
moeten spelen.
Om het kwaliteitsbeleid van de specialisten een duidelijke impuls te geven
is per 1996 4,2 mln extra beschikbaar gesteld. Visitatie en richtlijn ontwikkeling
zijn hierbij belangrijke elementen. Nadrukkelijk is door de specialisten gesteld
dat in het kader van het kwaliteitsbeleid ook de doelmatigheid een belangrijke
plaats heeft.
Ten aanzien van de hartchirurgie heb ik met brief van 1 juni 1995 de betrokken
beroepsgroepen gevraagd om zo spoedig mogelijk, doch in elk geval voor 1 januari
1997, landelijke afspraken te maken over protocollering van de indicatiestelling.
Dit was voor mij een van de – belangrijkste – voorwaarden
om de aanbeveling van het Landelijk Platform Hartchirurgie over te nemen,
om de capaciteit voor open hartoperaties met 650 te verruimen.
Zweden kent het begrip wachtlijstgarantie. Noorwegen overigens ook. Echter
hoewel de basisgedachte goed is – de instelling moet als de wachttijd
is overschreden de kosten betalen voor zorg elders – blijkt de praktijk minder gunstig. Namelijk om te voorkomen dat er betaald moet
worden treedt er selectie aan de poort op. Niet alle patiënten komen
op de wachtlijst. Wel heeft deze benadering er toe geleid dat de registratie
van wachttijden en wachttijdverschillen in vergelijking met ons land sterk
ontwikkeld is. In Zweden wordt het garantie-systeem ook mogelijk gemaakt door
de decentralisatie van het gezondheidszorgsysteem, waardoor men in eerste
instantie slechts toegang heeft tot zorg binnen de eigen «provincie».
In Engeland is na de teleurstellende ervaringen met een wachtlijstfonds,
de wachtlijstconsulent geïntroduceerd. Deze consulent gaat bij extreem
lange wachtlijsten ter plekke kijken wat de oorzaak is. In geval van ondoelmatigheid
worden er geen extra middelen beschikbaar gesteld. Over dit systeem is met
wél tevreden.
In de Nederlandse situatie ligt de verantwoordelijkheid voor dergelijke
onderzoekingen primair bij de verzekeraars. Ik zal het onderwerp wachtlijst-onderzoek
ter plekke bij de stuurgroep «wachttijden in de zorg» van de KNMG
extra onder de aandacht brengen. Wellicht zou in Nederland eens met een «wachtlijstbrigade»
geëxperimenteerd kunnen worden.
Ten einde tot beter gebruik van wachtlijsten te komen is inderdaad een
06-regiolijn een goed idee. Consumenten zouden met verkregen informatie rekening
kunnen houden bij wensen ten aanzien van verwijzingen. Mijns inziens zijn
het regionale patiënten/consumenten platform en de regionale verzekeraar
hierbij de direct belanghebbenden.
De afspraken in Alkmaar over de inkomensharmonisatie gaan uit van een
honorarium (omzet) van f 350 000,–. Boven dit bedrag kan een
toelage van maximaal 10% komen in verband met erkende werkbelasting. In het
basisbedrag zitten naast het salaris, de kosten die voor rekening van de specialist
komen zoals bv verslaglegging en de premies werknemers/werkgeverslasten verwerkt
(waaronder pensioen en invaliditeit).
Mevrouw Van Blerck (VVD) stelde dat de kosten van de zorg al jaren lang
een zelfde aandeel van het Bruto Nationaal Produkt zijn. Ik kan haar meedelen
dat ik over veertien dagen de gegevens over 1995 beschikbaar heb. Volgens
het CBS is in 1995 sprake van een lichte daling in dit opzicht.
Mevrouw Dankers (CDA) vroeg zich af of de nadruk op protocollen en standaarden
niet zal leiden tot een te veel aan geregel. Ik denk het niet. Normeringen
zijn nodig om interdoktervariaties tegen te gaan en toetsing eenduidig te
maken. In ons land is het evenwel zo dat er altijd ruimte blijft voor individuele
beslissingen en voor gemotiveerd afwijken van een protocol.
De heer Leerkes (Unie 55+) noemde het lange wachten voor ggz-hulp. Ik
kan meedelen dat betrokken partijen voornemens zijn om in de nabije toekomst
regionaal beter te gaan samenwerken. Naar ik hoop zal dat de kwaliteit en
doelmatigheid van de verleende hulp doen toenemen en de wachttijden doen verminderen.
De heer Marijnissen (SP) vroeg hoe ik de huidige wachtlijstomzeilende
initiatieven zal tegengaan. Zoals al eerder aan de orde gesteld, is er geen
plaats voor wachtlijstomzeilende initiatieven, wel voor wachtlijstverminderende
initiatieven waar iedere patiënt van kan profiteren. Dit betekent dat
de initiatieven een onderdeel moeten zijn van de reguliere zorg en derhalve
qua kosten een integraal onderdeel zijn van het instellingsbudget en de honorariakaders
van de specialisten. Daar waar niet conform gehandeld wordt, is men op basis
van de Wtg in overtreding.
De heer Van Boxtel (D66) vroeg zich af of er inzicht per regio te geven
is in de verschillende wachtlijsten en de oorzaken ervan. Dat inzicht heb
ik helaas niet. Zolang er geen gestandaardiseerde registratie is zullen gegevens
ook moeilijk vergelijkbaar zijn. Ik zal de NVZ via de KNMG-stuurgroep verzoeken
versnelt de landelijke registratie in te voeren. De NVZ komt begin 1997 met
een evaluatie van het gebruik van het Handboek.
De kosten van privé-klinieken die uitgaan boven de vigerende tarieven
voor medisch specialisten worden door de ziekenfondsraad niet geaccepteerd
als aanvaardbare kosten. In voorkomende gevallen vindt dan ook correctie plaats.
Met de heer Van Boxtel ben ik het eens dat er meer «awareness»
nodig is bij huisartsen waar het arbeidsgebonden klachten betreft. Dit geldt
overigens ook voor de betrokken specialisten. Ik heb de indruk dat de beroepsgroepen
zich hiervan bewust zijn geworden. In het kader van de bevordering van het
kwaliteitsbeleid zal ik het ook onder de aandacht van betrokkenen brengen.
Ik hoop met deze beantwoording de verdere discussie over wachttijden in
de zorg te bevorderen.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers