nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Met genoegen heb ik vastgesteld dat de leden van de fracties van de PvdA
en de VVD ermee instemden dat het gewogen gemiddelde van de salariswijzigingen
in de acht overheidssectoren bepalend wordt voor het op peil houden van de
welvaartsvastheid van de buitengewone pensioenen en uitkeringen ingevolge
de wetten voor oorlogsgetroffenen. De leden van de fractie van D66 vroegen
daarbij nader toe te lichten waarom niet de salariswijzigingen van het rijkspersoneel
worden gevolgd.
In antwoord op deze vraag moet ik vooropstellen dat in de Algemene burgerlijke
pensioenwet (Abp-wet) ingevolge de Wet financiële voorzieningen privatisering
ABP sinds 1 januari 1995 geldt dat ook de welvaartsvastheid van de pensioenen
van de gewezen rijksambtenaren is gerelateerd aan het gewogen gemiddelde van
de algemene salariswijzigingen in de acht overheidssectoren. In de toelichting
op die wetswijziging werd uiteengezet dat de bezoldigingswijzigingen van het
rijkspersoneel in de oude overlegstructuur binnen de overheidssector als uitgangspunt
voor de pensioenaanpassingen konden worden genomen, omdat de bezoldigingswijzigingen
in de andere overheidssectoren die van het rijkspersoneel volgden. Nu dat
niet meer het geval is moet worden gelet op de algemeen geldende salariswijzigingen
binnen alle overheidssectoren. De zinsnede «bezoldiging van het overheidspersoneel»
geeft aan dat het niet uitsluitend gaat om de aanpassingen van de salarissen
van het burgerlijk overheidspersoneel, maar dat o.m. ook de salariswijzigingen
van het militair beroepspersoneel dienen te worden meegewogen. Vanwege de
nauwe samenhang tussen de Algemene militaire pensioenwet (Amp-wet) en de Abp-wet,
o.m. tot uiting komend in de systematiek van die wetten, die zoveel mogelijk
eensluidend is, zijn ook de aanpassingen van de militaire invaliditeitspensioenen
per 1 januari 1995 gerelateerd aan de algemene bezoldigingswijzigingen van
het overheidspersoneel. En daar ligt de schakel met de wetten voor oorlogsgetroffenen.
Bij wet van 13 december 1990 (Stb. 641) werd de welvaartsvastheid
in die wetten gekoppeld aan de ontwikkelingen van de dienstinvaliditeitspensioenen
van de militaire oorlogsslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. Vanwege die
koppeling brengt de recente wijziging van de Amp-wet op dit punt nu dus ook
een overeenkomstige wijziging van de wetten voor oorlogsgetroffenen met zich
mee.
Voor een antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66 naar
de verschillende uitkomsten – gesteld dat het idee van rechtstreekse
koppeling aan de salariswijzigingen van het rijkspersoneel mogelijk was geweest –
verwijs ik naar de Regeling van de algemene bezoldigingswijziging 1 januari
1995. Volgens deze beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken van
16 maart 1995 (Stcrt. 59) is naar de stand van 31 oktober 1994 per 1 januari
1995 voor bijvoorbeeld de sector Rijk en de sector Defensie een salariswijziging
van 0,5 procent afgesproken en bedraagt de algemene bezoldigingswijziging
0,48 procent.
De leden van de fractie van de PvdA vroegen of de oorlogsgetroffenen zelf
nog in de nieuw voorgestelde procedure worden betrokken. Het antwoord op die
vraag luidt dat de welvaartsvastheid in de wetten voor oorlogsgetroffenen
bij eerdergenoemde wet van 13 december 1990 zonder meer aan de militaire invaliditeitspensioenen
en daarmee indirect aan de ambtelijke pensioenen is gekoppeld. Die koppeling
zonder meer vloeide mede voort uit het feit dat de buitengewone pensioenen
en uitkeringen geen parallel vertonen met het model van bijvoorbeeld de ambtelijke
pensioenen in relatie tot de ambtelijke salariswijzigingen, waarover met de
organisaties van belanghebbenden wordt overlegd. In het verlengde van die
koppeling zonder meer is bij dezelfde wet van 13 december 1990 in de wetten
voor oorlogsgetroffenen de verplichting vervallen, om voor de aanpassingen
aan de pensioenwijzigingen van rijksambtenaren en militairen advies te vragen
aan de wettelijk aangewezen adviesorganen op het terrein van de oorlogsgetroffenen.
De leden van de fracties van PvdA, VVD en D66 verzochten voorts een nadere
motivering van de voorgestelde wettelijke basis om de pensioenen en uitkeringen
met terugwerkende kracht aan te passen en met name te verlagen.
De systematiek is dat naar aanleiding van een bezoldigingswijziging de
Minister van Binnenlandse Zaken, in overeenstemming met de Centrale Commissie
voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken, vaststelt of en zo ja, in hoeverre
die bezoldigingswijziging een algemeen karakter heeft. Wordt aan die wijziging
een algemeen karakter toegekend, dan worden bij zogenaamde aanpassingsbesluiten
nadere regels gesteld om de pensioenen van de burgerlijke en militaire ambtenaren
en de buitengewone pensioenen en uitkeringen ingevolge de wetten voor oorlogsgetroffenen
in overeenkomstige mate aan de algemene bezoldigingswijziging aan te passen.
Bij de recente herziening van de Abp-wet en de Amp-wet is onder meer voorzien
in de behoefte aan een adequate basis in deze wetten om een aanpassingsbesluit,
waarin de pensioenen worden verlaagd, met terugwerkende kracht in werking
te laten treden.
Daar de wetten voor oorlogsgetroffenen een overeenkomstig aanpassingssysteem
hebben, is het nodig om ook voor deze wetten in een basis te voorzien om –
indien zich dat geval mocht voordoen een aanpassingsbesluit waarin pensioenen
worden verlaagd met terugwerkende kracht in werking te laten treden. Immers,
alleen dan kunnen de buitengewone pensioenen en uitkeringen ingevolge de wetten
voor oorlogsgetroffenen in overeenkomstige mate aan de algemene bezoldigingswijziging
worden aangepast.
Sinds de koppeling in 1990 van de buitengewone pensioenen en uitkeringen
in de wetten voor oorlogsgetroffenen aan de militaire invaliditeitspensioenen
heeft overigens een verlaging niet plaatsgevonden. De laatste keer dat zich
een verlaging van de uitkeringen en pensioenen voordeed, was de
zogenaamde 3-procentsmaatregel per 1 januari 1984 in het kader
van de toenmalige inkomensmatiging.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers