nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Op grond van artikel 10, vierde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting
1964 (hierna: Wet IB) kan de willekeurige afschrijving milieu-investeringen
(VAMIL) bij regeling van de Minister van Financiën na overleg met de
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de
Minister van Economische Zaken buiten toepassing worden gesteld, dan wel per
kalenderjaar worden beperkt. Blijkens de toelichting op het amendement waarbij
deze bepaling is ingevoerd (kamerstukken II 1989/90, 20 872, nr. 15),
kan van deze bevoegdheid gebruik worden gemaakt indien bij voorbeeld het met
de regeling gemoeide budgettaire beslag uitgaat boven, of dreigt uit te gaan
boven, hetgeen voor de regeling beschikbaar is. Teneinde de mogelijkheid te
bieden om van deze bevoegdheid effectief gebruik te maken, is in artikel 10,
zevende lid, van de Wet IB juncto artikel 1 van de Meldingsregeling vervroegde
afschrijving milieu-investeringen bepaald dat aangegane investeringsverplichtingen
of gemaakte voortbrengingskosten, binnen drie maanden moeten worden aangemeld.
Begin december 1994 bleek dat tot dan toe over 1994 een aanmerkelijk groter
beroep op de VAMIL was gedaan dan in de jaren daarvoor. Bovendien waren er
aanwijzingen dat een toename van het beroep op de faciliteit kon worden verwacht
waardoor het voor 1994 beschikbare budget dreigde te worden overschreden.
Dit vormde voor mij aanleiding om, na overleg met de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister van Economische Zaken,
met gebruikmaking van voormelde bevoegdheid bij regeling van 6 december 1994,
nr. WDB 94/476, Stcrt. 236, de VAMIL te schorsen voor investeringen verricht
na 8 december 1994 (Regeling buiten toepassing stellen willekeurige afschrijving
milieu-investeringen). Bij regeling van 23 december 1994, nr. WDB 94/494M,
Stcrt. 250, heb ik de VAMIL weer opengesteld voor investeringen verricht vanaf
1 januari 1995 (Wijziging van de Regeling buiten toepassing stellen willekeurige
afschrijving milieu-investeringen).
Op grond van artikel 10, vijfde lid, van de Wet IB dient een voorstel
van wet tot goedkeuring van de schorsingsregeling binnen drie maanden na de
inwerkingtreding van die regeling ter goedkeuring te worden gezonden aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe
aan deze verplichting te voldoen.
Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om een wijziging aan te brengen
in artikel 10, derde lid, van de Wet IB. Na invoering van de Wet tot wijziging
van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in het belang van de werkgelegenheid
(Wet van 29 juli 1994, Stb. 610), is de bepaling dat voor de ingebruikneming
van het bedrijfsmiddel niet meer vervroegd kan worden afgeschreven dan ter
zake van aangegane verplichtingen is betaald, direct aan het derde lid, onderdeel
c, toegevoegd. Deze bepaling, welke ook gold voor de voorloper van de willekeurige
afschrijving, de vervroegde afschrijving voor milieu-investeringen, ziet echter
niet alleen op onderdeel c, maar tevens op de onderdelen a en b van het derde
lid. Teneinde dit duidelijker tot uitdrukking te laten komen, wordt de zinsnede
waarin de betalingsvoorwaarde is opgenomen, vooraan een nieuwe regel geplaatst
en worden in de tekst van de voorwaarde de onderdelen a, b en c van het derde
lid expliciet genoemd. In de voorwaarde is tevens de uitdrukking «vervroegd
worden afgeschreven» vervangen door «willekeurig worden afgeschreven»
nu de vervroegde afschrijving is vervangen door willekeurige afschrijving.
In onderdeel b van het derde lid is de term «vrije afschrijving»
vervangen door willekeurige afschrijving.
Voorts heb ik in het derde lid, onderdeel b, en in het zesde lid meer
expliciet gemaakt dat de VAMIL, in lijn met de wetsgeschiedenis, slechts van
toepassing is op investeringen in bedrijfsmiddelen die in het belang zijn
van het Nederlandse milieu. Slechts bedrijfsmiddelen die in Nederland nog
niet gangbaar zijn mogen immers worden aangewezen, terwijl de faciliteit voorts
kan worden gezien als een opvolger van de Milieutoeslag in de Wet investeringsrekening
die alleen bedoeld was voor investeringen die in Nederland worden gebruikt.
Wat het gebruik van bedrijfsmiddelen buiten Nederland betreft heb ik een extra
voorwaarde opgenomen in het nieuwe achtste lid. Deze voorwaarde houdt in dat
bedrijfsmiddelen die bestemd zijn om buiten Nederland te worden gebruikt slechts
in aanmerking komen voor de faciliteit indien door de Minister van Financiën
in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer is verklaard dat zij in belangrijke mate kunnen bijdragen
aan de bescherming van het Nederlandse milieu. Een verzoek om een dergelijke
verklaring dient de belastingplichtige te richten aan de Minister van Financiën.
Een gebruik voor buitenlandse investeringen met als hoofddoel belastingbesparing
zonder dat een reële bijdrage wordt geleverd aan de bescherming van het
Nederlandse milieu is in strijd met doel en strekking van de regeling (vergelijk
de antwoorden op de vragen van het kamerlid Poppe over misbruik van de VAMIL-regeling,
bij brief van 20 december 1994, kenmerk WDB94/465U, aan de Voorzitter
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal).
In artikel 10, zesde lid, van de Wet IB is tevens duidelijker tot uitdrukking
gebracht dat het moet gaan om bedrijfsmiddelen die niet eerder zijn gebruikt.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend