24 095 Frequentiebeleid

Nr. 509 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 februari 2020

Op 6 februari 2020 vond het plenaire debat met uw Kamer plaats over 5G en de multibandveiling van de 700, 1400 en 2100 MHz-banden (Handelingen II 2019/20, nr. 51, Debat over mogelijke spionage door Huawei in Nederland en de veiling van 5G-frequenties). Met betrekking tot de veiling bleek dat er onduidelijkheid bestond over de eisen die gesteld worden aan nieuwkomers en hoe voorkomen wordt dat een nieuwkomer die in kwader trouw handelt al het spectrum verwerft. Hierover is de motie van het lid Van den Berg ingediend.1 Daarnaast waren er vragen over de dekkings- en snelheidsverplichting voor bestaande vergunninghouders, waarover de motie van het lid Bruins2 is ingediend. In navolging van het debat geef ik u hierbij mijn reactie op deze vragen teneinde het vervolgproces zo spoedig mogelijk te laten verlopen met het oog op een tijdige veiling conform de wens van uw Kamer.

Door het lid Buitenweg (Groenlinks) werd gevraagd wat de gevolgen zijn als een nieuwkomer zich ineens meldt en misschien zelfs in één keer een nieuwe band of zelfs al het spectrum opkoopt. Zij verwees daarbij naar een Noors voorbeeld. Door het lid van den Berg (CDA) werd daarnaast gevraagd hoe het zit als een nieuwkomer één band of één blok koopt om dat vervolgens door te verkopen aan een andere (bestaande) partij.

Zoals ook in het debat aangegeven is het scenario zoals door het lid Buitenweg geschetst een hoogst onwaarschijnlijk scenario. De huidige marktpartijen hebben zwaarwegende belangen om spectrum te verwerven en daarmee is de kans dat er één nieuwkomer is die al het spectrum verwerft zeer gering. Omdat het veilingmodel zodanig is ingericht dat de veiling pas is afgelopen wanneer alle partijen de hoeveelheid frequenties verwerven die zij voor de daarvoor geldende prijzen wensen te kopen, is het zeer de vraag in hoeverre er sprake kan zijn van een businesscase voor het verwerven van zo veel spectrum door een nieuwkomer. Het zou daarnaast een zeer grote investering betekenen: allereerst moeten daarvoor minimaal de reserveprijzen van in totaal minimaal € 900 miljoen (en vanwege de belangen van huidige marktpartijen waarschijnlijk meer) in de veiling worden betaald en vervolgens zouden, binnen de termijn van twee jaar, omvangrijke investeringen in het netwerk moeten worden gedaan (de zogeheten ingebruiknameverplichting).

Voorts merk ik over het door het lid Buitenweg gebruikte Noorse voorbeeld het volgende op. Dat in de genoemde Noorse veiling een nieuwkomer in één keer een nieuwe band kocht, ligt genuanceerder. Hier is waarschijnlijk gedoeld op een veiling in Noorwegen met zogeheten gesloten biedingen waarin een bestaande operator door een nieuwkomer werd uitgeboden in de veiling. Twee andere bestaande operators wisten in de veiling wel frequenties te verwerven. Ik wil er in dit verband op wijzen dat de Nederlandse multibandveiling geen eenmalig gesloten bod-veiling is, maar een meerrondenveiling waarin biedende partijen zelf aan zet blijven en dus niet verrast kunnen worden.

Met betrekking tot inschrijving door met het oog op de nationale veiligheid en openbare orde ongewenste partijen wijs ik u, zoals ik dat ook deed in het debat, op artikel 3.18 van de Telecommunicatiewet. Aan dit artikel worden alle aanvragen om deel te nemen aan de veiling getoetst, voordat de veiling begint. Ik zal een aanvraag weigeren als de veiligheid van de staat of de openbare orde door het verlenen van de vergunning in gevaar kan worden gebracht. Indien nodig zal ik hierover in contact treden met de veiligheidsdiensten. Kwaadwillende partijen worden op grond hiervan geweerd en kunnen dan überhaupt niet meedoen aan de veiling.

Vervolgens is er een ingebruiknameverplichting, die geldt voor álle partijen, zowel bestaande als mogelijke nieuwkomers. De ingebruiknameverplichting wordt gekoppeld aan de vergunde frequenties. Dat betekent bijvoorbeeld dat voor iedere partij die in de veiling vergunningen verwerft in de 700 MHz-band per vergunning een eis wordt gesteld om stapsgewijs binnen twee jaar, respectievelijk vijf jaar in een gebied van minimaal 751 km2, respectievelijk 7.512 km2 dienstverlening te bieden. Dat laatste is ongeveer 21% van Nederland, het percentage dat in het debat op 6 februari werd genoemd. Die ingebruiknameverplichting geldt zoals gezegd per vergunning en moet bij het verkrijgen van meerdere vergunningen dus worden opgeteld. Mocht een partij vanaf vijf vergunningen in de 700 MHz band verwerven dan betekent dat dus na vijf jaar een ingebruiknameverplichting voor heel Nederland (5x21% is immers meer dan 100%)

Uiteraard wil ik ook niet dat deze schaarse frequenties in handen komen van partijen die er niet van plan zijn doelmatig gebruik van te maken. Dat zou de efficiëntie die ik beoog voor de markt teniet doen. Ik ga hier dan ook adequaat voorzieningen voor treffen. De ingebruiknameverplichting dient nu juist dat doel, om speculatief spectrumbezit zonder dit zelf te gebruiken te ontmoedigen. Als de vergunninghouder niet aan de ingebruiknameverplichting voldoet kan een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom worden opgelegd, maar kan ook de vergunning worden ingetrokken op grond van artikel 3.19, tweede lid, van de Telecommunicatiewet. Het geld dat de vergunninghouder voor de vergunning heeft betaald is hij dan kwijt en kan hij niet meer terugverdienen met deze frequenties.

Tenslotte stelde het lid Bruins (CU) aan de orde dat voor de bestaande drie mobiele aanbieders de voorwaarden ten aanzien van de dekkingseis hetzelfde zouden moeten zijn, ongeacht of ze nu voor één blok of twee blokken (in de 700 MHz-band) kiezen.

Voor de dekkings- en snelheidsverplichting is gezocht naar een niveau dat ambitieus en realistisch is. Daarbij hebben we onze adviseurs laten rekenen met twee blokken van 2x5 MHz, omdat dit in de praktijk de gangbare standaard is. Dit leverde de internationaal gezien zeer ambitieuze eisen op om in 2022, respectievelijk 2026, in bijna heel Nederland minimale internetsnelheden van 8 en 10 Mbits te leveren. Als we de dekkings- en snelheidsverplichting zouden laten berekenen op dat éne blok van 2x5 MHz, zouden we deze ambities naar beneden moeten bijstellen, lager dan de genoemde 8 en 10 Mbits. Dat vind ik onwenselijk. Het opleggen van dezelfde dekkings- en snelheidsverplichting bij het verwerven van één blok levert een onhaalbare eis op en zou daarmee disproportioneel zijn. Om die redenen heb ik de motie Bruins tijdens het debat ontraden.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer


X Noot
1

Kamerstuk 24 095, nr. 500

X Noot
2

Kamerstuk 24 095, nr. 502

Naar boven