Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 24094 nr. 40 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 24094 nr. 40 |
Vastgesteld 22 mei 1995
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft op 3 mei 1995 overleg gevoerd met minister Ritzen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over de rapporten van de Informatie Beheer Groep en Bureau Berenschot inzake de uitvoering van de prestatiebeurs.
Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Toelichting van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
De minister wees erop dat de weergave in de media van de uitvoeringstoets die is uitgevoerd door de Informatie Beheer Groep (IB-groep) niet in overeenstemming is met de aard en achtergrond ervan. De toets was gericht op het verkeer tussen de minister en een ambtelijke organisatie en was als zodanig bedoeld als een van de adviezen die de regering heeft ingewonnen voor haar uiteindelijke beoordeling. In de plenaire vergadering is eerder gesproken over deze beoordeling: de regering is van mening dat de prestatiebeurs zorgvuldig kan worden uitgevoerd en neemt de verantwoordelijkheid daarvoor voor haar rekening.
Nu de toets openbaar is gemaakt, zijn ook de interne reflecties op de verschillende aspecten van de uitvoering openbaar. De Kamer is nu volledig op de hoogte van alle aspecten die betrekking hebben op de uitvoering van het wetsvoorstel, traditioneel toch het terrein van de regering. De minister meende dat er daarom nu ook sprake is van enig «commitment» van de Kamer ten aanzien van die uitvoering, juist op twee punten die van groot belang zijn. In de eerste plaats de voorlichting, waarvoor minder tijd beschikbaar is, omdat daarmee niet zal worden begonnen dan nadat de Kamer zich heeft uitgesproken over het wetsvoorstel. In de tweede plaats de korte invoeringstermijn die ertoe zal leiden dat toekenningen worden gedaan op basis van de oude wetgeving. Betrokkenen zullen daarna schriftelijk worden geïnformeerd over de wijziging van hun toekenning. Beide punten zijn voor de regering echter geen aanleiding voor een heroverweging van haar besluit. De minister voegde hieraan toe dat de directeur van de IB-groep vanmorgen desgevraagd nogmaals heeft bevestigd dat de IB-groep de conclusie van de regering deelt dat de uitvoering van dit wetsvoorstel verantwoord is.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
De heer Lansink (CDA) maakte er bezwaar tegen dat de stukken over de uitvoeringsaspecten van het wetsvoorstel Prestatiebeurs pas na lang aandringen vertrouwelijk ter inzage zijn gegeven aan de Kamer en pas daarna openbaar zijn gemaakt. De minister beroept zich erop dat de toets betrekking heeft op het verkeer tussen de minister en een ambtelijke organisatie, maar na de verzelfstandiging van de IB-groep (en juist gelet op de wijze waarop die operatie is verlopen) zouden de adviezen van de IB-groep altijd openbaar moeten zijn, zeker als het om wetgeving gaat.
De minister heeft op 14 december 1994 gevraagd om een uitvoeringstoets. De IB-groep rapporteert op 15 februari en komt tot de conclusie dat «op basis van de voorgaande hoofdstukken (...) invoering van het wetsvoorstel mogelijk is per 1 september 1995 onder de hierboven genoemde strikte voorwaarden en consequenties». Op 20 februari, vijf dagen na de toets, wordt het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer en wordt in de memorie van toelichting over de afstemming met de IB-groep opgemerkt dat «de uitkomsten hiervan (...) dusdanig (zijn) dat in alle redelijkheid mag worden verondersteld dat alle voorgestelde maatregelen tijdig door de IB-groep kunnen worden uitgevoerd». Verder wordt opgemerkt: «Het voorstaande in achtnemend moet ondergetekende concluderen dat hij zich over de uitvoerbaarheid van het voorgestelde stelsel van prestatiebeurzen geen zorgen maakt». Waarom wordt de Kamer in de memorie van toelichting niet volledig geïnformeerd over de bevindingen van de uitvoeringstoets en de strikte voorwaarden en consequenties die tijdig door de IB-groep zijn gesignaleerd?
De heer Lansink wees erop dat hij in het verslag van de Kamer heeft gevraagd om inzage in het advies van de IB-groep. De regering antwoordt in de nota naar aanleiding van het verslag dat zij geen bijzondere problemen verwacht, maar geeft geen inzage in het advies. Wel merkt de minister op dat «De IB-groep heeft aangegeven dat door het herzien van eerder vastgestelde prioriteiten bij de toedeling van de beschikbare capaciteit en een fasering in het aanpassingstraject, invoering met ingang van het komende studiejaar mogelijk is. De IB-groep heeft laten weten dat hierbij moet worden voldaan aan stringente voorwaarden.» Vervolgens worden de knelpunten opgesomd: – het automatiseringstraject is kritiek en ingrijpende wijzigingen kunnen niet of nauwelijks worden aangebracht zonder dat de beoogde invoeringsdatum in gevaar komt; – er is geen ruimte voor herstel van onvolkomenheden of andere wijzigingen (overigens blijkt dit later wel mogelijk bij de toets van de amendementen); – de communicatie zal onder druk komen te staan; – adequate voorlichting is onmogelijk. De minister meldt verder dat stappen zijn ondernomen om de uitvoeringsvoorwaarden te garanderen en de uitvoeringsrisico's waar mogelijk te beperken. Genoemd worden dan: de herziening van de eerder vastgestelde prioriteiten en de voorbereiding, intensivering en aanvang van het voorlichtingstraject. In het antwoord van de minister ontbreken echter de waarschuwingen dat het aantal klachten als gevolg van de snelle invoering zal toenemen, het noodzakelijke onderhoud van het systeem niet kan worden uitgevoerd en de kwaliteit van de uitvoering onder druk zal komen te staan.
Ondanks zijn heldere analyse komt de directeur van de IB-groep tot de conclusie dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is. Hij signaleert wel twee problemen: het automatiseringstraject is kritiek (zoals ook de minister meldt) en de invoering van de prestatiebeurs is niet de enige zware aanpassing waarvoor de Groep zich geplaatst ziet. De consequenties liegen er niet om. De heer Lansink noemde er enkele: latere invoering van wetsvoorstellen waaronder het afdichten van de Schopenhauer-route, latere aanpassing van de Wet studiefinanciering voor de toekenning van beurzen aan gehandicapte studenten en een latere aanpassing van de Wet aan de Gemeentelijke bevolkingsadministratie (GBA). Waarom heeft de minister in de nota naar aanleiding van het verslag niet alle informatie aan de Kamer verstrekt? Waarom heeft hij de uitvoeringstoets niet direct ter beschikking van de Kamer gesteld?
De directeur van de IB-groep sluit niet uit dat de verhoging van de norm van de studievoortgang van 50 naar 70% zal leiden tot een toename van het aantal te verwerken registraties in het CRIAO-systeem en behoudt zich het recht voor hierop later terug te komen. In de nota naar aanleiding van het verslag antwoordt de minister op vragen dienaangaande dat de ervaring met de administratieve verwerking van de voortgangsnorm zodanig is dat geen bijzondere uitvoeringsperikelen behoeven te worden gevreesd. Overigens wijst de directeur van de IB-groep erop dat conform aanwijzingen van het ministerie geen overleg kon worden gevoerd met de instellingen. Hij acht een oordeel van de instellingen over de uitvoerbaarheid echter noodzakelijk. Waarom kreeg hij geen toestemming voor dit overleg? Waarom bleef de Kamer tot nu toe onkundig van dit feit?
De nota naar aanleiding van het verslag is uitgebracht op 31 maart 1995. Op 13 april vraagt de minister aan het Bureau Berenschot om een «double check». Waarom achtte hij een «second opinion» nodig? Uit de vragen die hij aan Berenschot stelt, blijkt in ieder geval onzekerheid. Kennelijk twijfelt hij aan de uitvoering van de toets, de gestelde condities en het realiteitsgehalte van de voorwaarden. Opvallend is de, overigens begrijpelijke, vraag of aan de invoering van de Wet significante risico's zijn verbonden. In de memorie van toelichting stelt de minister immers nog dat de invoering hem geen zorgen baart. Berenschot dekt zich op voorhand in met de opmerking dat «er slechts buitengewoon korte tijd beschikbaar is geweest voor een beoordeling». Kan dan van de Kamer worden gevraagd zich op zo'n korte termijn een oordeel te vormen over deze wetgeving?
Berenschot benoemt twee aspecten van uitvoerbaarheid apart, namelijk de vraag of de activiteiten binnen de tijd en met de beschikbare middelen doenlijk zijn en de vraag of de condities van de uitvoering aanvaardbaar zijn. De «second opinion» wordt vervolgens vooral gericht op het eerste aspect, maar het Bureau schroomt niet om in de conclusie te vermelden dat de invoering «gevolgen (heeft) waarvan het de vraag is of deze aanvaardbaar zijn». In het afschrift van het rapport van 20 april dat de Kamer heeft ontvangen, wordt hierbij in handschrift de vraag gesteld «wat wordt hiermee bedoeld?». Kan de minister die vraag beantwoorden?
Opvallend is verder dat Berenschot vindt dat de conclusie van de uitvoeringstoets eigenlijk niet echt voortvloeit uit de geschetste problematiek. Ook de kanttekening dat in het schriftelijk verkeer tussen het ministerie en de IB-groep een toon is ontstaan die niet louter wordt bepaald door een zakelijke beschrijving van de uitvoerbaarheid, maar door onderhandeling over de condities waaronder dat zou kunnen, geeft te denken, aldus de heer Lansink. Is er werkelijk onderhandeld over condities? Wordt onder druk van de budgettaire problematiek geprobeerd het wetsvoorstel hoe dan ook in te voeren? Hij herinnerde aan de gang van zaken bij de invoering van de Wet studiefinanciering in 1987–1988, toen Kamer en regering samen tot de conclusie kwamen dat een dergelijke gang van zaken zich nooit meer zou mogen voordoen.
Uit de verdere analyse van Berenschot komt een wisselend beeld naar voren. Enkele door de IB-groep opgevoerde punten (de onzekerheid over de de-fiscalisering en het ontbreken van contact met de instellingen) worden minder bezwaarlijk geacht. De ruimte voor wijzigingen blijft diffuus. Dit is nog eens bevestigd door de reacties op de amendementen van de Kamer. Over de aanpassing van de geautomatiseerde systemen blijft het Bureau vaag, al wordt opgemerkt dat in de komende tijd geen nieuwe veranderingen mogen worden ingevoerd. De heer Lansink zei dat dit een nieuw licht werpt op het nog te voeren debat op hoofdlijnen en de door de Kamer gewenste bijstellingen. Berenschot wijst verder nog op het bezwaar dat de berichtgeving achteraf moet worden gewijzigd en het ontbreken van een terugvalscenario wanneer een nieuwe proefproduktie nodig zou zijn. Is de minister bereid na afloop van de proefproduktie van drie weken de Kamer te informeren?
De heer Lansink vond dat bij een ingrijpende wijziging van de systematiek van een wet, de uitvoeringstoets direct ter beschikking van de medewetgever moet worden gesteld. Hij vond ook dat, als de Kamer in enig stadium van de behandeling van een wetsvoorstel behoefte heeft aan informatie om zich een oordeel te kunnen vormen over diverse aspecten van de wet, de regering zo volledig mogelijke informatie moet verstrekken. De behandeling van dit wetsvoorstel is tot nu toe mede beïnvloed door de omstandigheid dat de Kamer bij stukjes en beetjes is geïnformeerd. Dat is jammer en verdere opheldering is nodig om tot een verantwoorde besluitvorming te kunnen komen.
De vraag of de invoering per 1 januari 1995 verantwoord is, is primair ter beantwoording aan de minister, maar de Kamer past als medewetgever ook een oordeel. Nu uit de gevraagde «second opinion» blijkt dat de gevolgen van de invoering niet aanvaardbaar zouden kunnen zijn, moeten regering en Kamer zich nog eens bedenken voordat zij het groene licht geven. De heer Lansink zei dat hij in ieder geval nog niet zover is.
Mevrouw De Vries (VVD) vond het belangrijk dat de stukken, die oorspronkelijk zijn bedoeld voor de oordeelsvorming van de minister, bij de discussie over deze ingrijpende wetswijziging kunnen worden betrokken. De rapporten zijn buitengewoon kritisch, maar de uitvoering van het wetsvoorstel wordt onder een aantal stringente voorwaarden mogelijk geacht.
Berenschot wijst op het belang van de voorlichting; het acht invoering zonder adequate voorlichting mogelijk, maar niet aanvaardbaar. De IB-groep geeft aan dat het automatiseringstraject bijzonder kritiek is, dat het tussentijds herstellen van fouten niet mogelijk is, evenals regulier onderhoud aan het systeem. Zelfs het niet doorgaan van de prestatiebeurs kan tot problemen leiden, omdat de systeemaanpassingen voor STOEB in hetzelfde automatiseringstraject zijn opgenomen. Er zal dus hoe dan ook sprake zijn van een probleem. Daarnaast zal de invoering van het wetsvoorstel ertoe leiden dat een aantal andere wetsvoorstellen op een later moment worden ingevoerd, waaronder de afdichting van de Schopenhauer-route. Deze post zal dus nog langer op de begroting drukken. Verder worden de implementatie van het v.o.-traject en de aanpassing voor gehandicapte studenten een jaar uitgesteld.
Omdat de voorlichting pas in een laat stadium zal beginnen, zullen in veel gevallen berichten worden verstuurd die zijn gebaseerd op de oude regeling. Natuurlijk is in de «kleine lettertjes» voorzien in de mogelijkheid van wijziging, maar om daar nu al op voorhand vanuit te gaan, ging mevrouw De Vries te ver. Overigens meende zij dat het een juiste gang van zaken is dat de voorlichting pas van start gaat nadat de Kamer zich heeft uitgesproken. Voorlichting onder het voorbehoud van een uitspraak van de Kamer is niet erg zorgvuldig, zo meende zij.
De zogenaamde 5+2-maatregel wordt met terugwerkende kracht tot 1 augustus 1991 van toepassing verklaard op het gehele hoger onderwijs. Kan de minister dit besluit toelichten?
De IB-groep wijst erop dat, ook als het strikte uitvoeringsschema tot september 1995 wordt gehaald, er toch fouten in het automatiseringssysteem zullen optreden die leiden tot aanvankelijk foutieve berichtgeving aan grote groepen studenten. Berenschot concludeert op grond hiervan dat de voorziene manco's in het voorlichtingstraject onaanvaardbaar zijn. Welke foutenmarge in de systematiek en in de berichtgeving aan de studenten acht de minister aanvaardbaar? Zijn er parallellen te trekken met de invoering van het wetsvoorstel STOEB die een jaar is uitgesteld?
De wetstekst en de memorie van toelichting zijn niet eenduidig op het punt van de de-fiscalisering van de prestatiebeurs. Los hiervan is het de vraag of de studiefinanciering voor studenten die niet onder de prestatiebeurs vallen, gedefiscaliseerd wordt. Op grond hiervan heeft de IB-groep voor de wijziging van het geautomatiseerde systeem geen rekening gehouden met de-fiscalisering van de studiefinanciering. Ook dit punt verdient aandacht.
Ook mevrouw De Vries wees erop dat er geen overleg is gevoerd met de instellingen, al achtte de IB-groep dat noodzakelijk en heeft de HBO-Raad zelfs met klem aangedrongen op overleg vooraf over de uitvoeringstechnische aspecten.
Berenschot besluit zijn rapport met de cryptische zin: «Het korte onderzoek door ons gedaan, leidt ons niet tot de conclusie dat de uitvoeringstoets ten onrechte aangeeft dat de voorgenomen wetgeving uitvoerbaar is. Wel heeft de invoering gevolgen waarvan de vraag is of deze aanvaardbaar zijn.» Hoe denkt de minister over deze conclusie? Wat is er sinds februari gebeurd om de risico's die in de uitvoeringstoets worden genoemd, tot aanvaardbare proporties terug te brengen? Onder welke condities acht de minister de invoering van de Wet aanvaardbaar?
De heer Rabbae (GroenLinks) vond het een wijs besluit dat de minister de rapporten van de IB-groep en het Bureau Berenschot alsnog aan de Kamer ter beschikking heeft gesteld. Voor zijn eerdere weigering beroept hij zich op het feit dat de rapporten handelen over de uitvoering van het wetsvoorstel, waarvoor de regering verantwoordelijk is. Die uitvoering kan echter tot grote problemen leiden en is daarom een cruciaal aspect van de behandeling van deze wetgeving. Bovendien is het in het belang van een goede wetgeving dat de Kamer de minister gedurende het gehele wetgevingstraject nauwkeurig volgt om zodoende de consequenties te kunnen overzien. De heer Rabbae sloot zich daarom aan bij de opmerking van de heer Lansink dat stukken als de uitvoeringstoets aan de Kamer ter beschikking moeten worden gesteld, opdat zij zich een integraal oordeel kan vormen.
De IB-groep verwacht dat de voorlichting problemen zal opleveren. De IB-groep ging ervan uit dat de voorlichtingsoperatie begin april zou beginnen, maar het is nu al begin mei. Bovendien is het merkwaardig dat het overleg met de instellingen zo laat op gang is gekomen. Waarom mocht de IB-groep geen contact opnemen met de instellingen? Hoe hebben de onderwijsinstellingen gereageerd op het wetsvoorstel?
De heer Rabbae zei dat het geen verbazing mag wekken als de studenten in verwarring raken: eerst krijgen zij bericht over de tempobeurs, even later worden zij op de hoogte gesteld van de invoering van een prestatiebeurs. Dit zal ongetwijfeld aanleiding geven tot veel telefoontjes, maar ook tot juridische procedures. Verwacht de minister dat deze ontwikkelingen een belemmering zullen vormen voor de nieuwe wetgeving?
De IB-groep wijst erop dat er geen ruimte meer is voor verdere wijziging van het geautomatiseerde systeem. Dit betekent dat toekomstige wijzigingen noodgedwongen moeten worden aangepast aan de mogelijkheden van het systeem dan wel pas op een later moment kunnen worden doorgevoerd. Hoe denkt de minister hierover?
Berenschot wijst erop dat in het invoeringstraject geen terugvalscenario is opgenomen. Eventuele bijstelling van het proefscenario van de IB-groep is niet mogelijk. De heer Rabbae vreesde dat een zo weinig flexibel systeem onvoldoende kan inspelen op de wijzigingen die zich in de praktijk voordoen. Bovendien zal het later invoeren van een aantal wetten en het op een later moment afsnijden van de Schopenhauer-route geld kosten.
Berenschot meent dat de IB-groep zijn werk goed heeft gedaan, maar komt niettemin tot de conclusie dat de gevolgen van de invoering van de prestatiebeurs niet aanvaardbaar zijn. De minister zegt terecht dat hij politiek verantwoordelijk is voor de uitvoering van de prestatiebeurs. Welke betekenis hecht hij dan toch aan de conclusie van Berenschot? Kan hij de politieke en maatschappelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor zijn rekening nemen?
Uit beide rapporten kan worden afgeleid dat de problemen die zich kunnen voordoen bij de invoering van de prestatiebeurs en het uitstel van andere maatregelen ten gevolge daarvan, de nodige kosten met zich mee zullen brengen. Aan de andere kant wil de minister de prestatiebeurs graag op 1 september a.s. invoeren, omdat hij daarmee de nodige besparingen kan behalen. Heeft hij uitgerekend wat een jaar uitstel zal kosten of opleveren? Met andere woorden: heeft hij een winst- en verliesrekening opgemaakt?
Ten slotte vroeg de heer Rabbae of de minister de Kamer kan garanderen dat niet binnen één jaar opnieuw over dit onderwerp van gedachten moet worden gewisseld, omdat zich in de praktijk problemen voordoen.
Mevrouw Jorritsma-Van Oosten (D66) wees erop dat de minister tijdens het plenaire debat de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor de invoering van dit wetsvoorstel op 1 september a.s. Zij ging ervan uit dat hij dit heeft gedaan in het bewustzijn van de haken en ogen die worden genoemd in de rapporten die de Kamer nu ter hand zijn gesteld.
Zij was verbaasd over de aankondiging over de implementatie van de 5+2-maatregel met terugwerkende kracht voor cohorten vanaf 1991, omdat zij ervan uitging dat dit al het geval was. Voor welke groepen geldt deze beslissing nu nog en welke gevolgen heeft dit?
Voorlichting over de prestatiebeurs is erg belangrijk en het is dan ook jammer dat dit nu juist zo gebrekkig verloopt. Mevrouw Jorritsma herinnerde eraan dat haar fractie ervoor heeft gepleit dat de voorlichting zou beginnen voordat de Kamer zich had uitgesproken. Die gang van zaken is misschien niet correct, maar is altijd nog beter dan gebrekkige voorlichting of een tekort aan voorlichting. Overigens had daarbij natuurlijk wel het nodige voorbehoud moeten worden gemaakt voor wijzigingen als gevolg van de parlementaire behandeling. Desgevraagd voegde zij hieraan toe dat haar standpunt is gebaseerd op de gedachte dat het basisidee van de prestatiebeurs niet zal veranderen en dat studenten daarover al in een vroeg stadium kunnen worden geïnformeerd.
Ook mevrouw Jorritsma wees op de verwarring die kan ontstaan doordat de studenten die een prestatiebeurs aanvragen, eerst bericht ontvangen dat zij een voorwaardelijke beurs krijgen en vervolgens dat die beurs wordt omgezet in een voorwaardelijke lening. Is het mogelijk in de berichtgeving aan de studenten al te melden dat de toekenning van de beurs als gevolg van het proces van wetgeving binnenkort zal veranderen? Is de minister bereid zich in dit opzicht aan te sluiten bij de bevindingen van Berenschot?
De IB-groep komt in de uitvoeringstoets tot de conclusie dat de toename van het aantal vragen en problemen als gevolg van de invoering van de prestatiebeurs vragen om uitbreiding van de personeelscapaciteit met twintig FTE's. Is in de voornemens van de minister in deze uitbreiding voorzien?
De invoering van de prestatiebeurs leidt ertoe dat een aantal andere trajecten moet worden uitgesteld. Uitstel van de aanpassing van de collegeldbepalingen en afschaffing van de verblijfsduurbeperking vond mevrouw Jorritsma geen bezwaar. Het afdichten van de Schopenhauer-route is niet nadelig voor de studenten, maar wel voor de begroting van het ministerie. Dit geldt ook voor het uitstel van de implementatie van het v.o.-traject. Heeft de minister al een oplossing gevonden voor de budgettaire gevolgen hiervan?
Berenschot waarschuwt ervoor dat na de invoering van de prestatiebeurs voorlopig geen nieuwe veranderingen moeten worden ingevoerd. Het verwijst in dit verband naar de fundamentele discussie die in het vooruitzicht is gesteld. Hoe denkt de minister hierover?
De heer Stellingwerf (RPF) meende dat de Kamer terecht om de informatie heeft gevraagd die de minister haar nu heeft toegezonden. Ook de Kamer staat immers voor een belangrijke afweging en het is ook voor haar van belang te weten of het voorliggende wetsvoorstel in de praktijk kan worden uitgevoerd. Hij steunde daarom de suggestie de procedure zo in te richten dat de Kamer in de toekomst altijd over dergelijke informatie kan beschikken.
De minister heeft de Kamer desgevraagd verzekerd dat een zorgvuldige uitvoering van de prestatiebeurs mogelijk is. Die uitspraak staat enigszins op gespannen voet met de bevindingen van de IB-groep en het Bureau Berenschot. De laatste acht de uitvoering van de voorgenomen maatregelen mogelijk, maar vraagt zich af of de gevolgen daarvan aanvaardbaar zijn.
In beide rapporten wordt een aantal vergaande voorwaarden en consequenties opgesomd. Heeft Berenschot het bij het juiste eind als het stelt dat er sprake lijkt te zijn van een soort onderhandelingsproces tussen het ministerie en de IB-groep? De heer Stellingwerf gaf een korte weergave van de bezwaren. Hij was het ermee eens dat de voorlichting pas kan beginnen als de Kamer zich heeft uitgesproken. Hij vroeg of uit de opmerking dat het onderhoud aan de systemen wederom geen doorgang kan vinden, mag worden afgeleid dat daarvoor ook in de afgelopen jaren geen ruimte was. Verder vroeg hij of de minister zich realiseert dat er door het ontbreken van een terugvalscenario geen weg terug meer is.
Tijdens de plenaire behandeling is een aantal inhoudelijke argumenten genoemd die voor uitstel pleiten. De inhoud van de rapporten van de IB-groep en het Bureau Berenschot ondersteunt dit pleidooi, zo meende de heer Stellingwerf.
De heer Van der Vlies (SGP) stelde voorop dat uit de eerder zo moeizaam verlopen wijzigingen van het stelsel van studiefinanciering een les moet worden getrokken. Over de betrouwbaarheid van de beslissing om een prestatiebeurs in te voeren moet voldoende duidelijkheid en zekerheid bestaan.
In het staatsrecht is de regering verantwoordelijk voor de uitvoering van wetgeving en heeft de Kamer een controlerende taak. Als de minister nu zegt dat de regering verantwoordelijkheid wil en kan dragen voor de invoering van de prestatiebeurs, moet hij zich realiseren dat hij de Kamer in een later stadium niet kan confronteren met de mededeling dat de ontwikkelingen in de praktijk anders zijn dan hij verwachtte. Hij wijst op de betrokkenheid van de Kamer als medewetgever, maar dat wil niet zeggen dat de Kamer medeplichtig is als het gaat om de risico's die kleven aan de uitvoering van de wetgeving, zo benadrukte de heer Van der Vlies. Een situatie als in 1988 moet hoe dan ook worden voorkomen.
Ook hij ging kort in op de knelpunten die zich kunnen voordoen. Om de zorgvuldigheid van de voorlichting geen geweld aan te doen, moet daarmee worden gewacht tot na de parlementaire behandeling. De IB-groep wijst erop dat de invoering van de prestatiebeurs ertoe leidt dat de Groep zijn eerdere prioriteiten moet herzien. Welke consequenties heeft die herziening? Studenten zullen na hun aanvraag eerst een toekenning op basis van de oude wetgeving ontvangen en pas later bericht krijgen over de gevolgen van de invoering van de prestatiebeurs. Moet niet worden gevreesd dat dit in de praktijk bezwaren en verwarring zal oproepen?
De slotzin van het rapport van Berenschot bevat een dubbele ontkenning. De heer Van der Vlies meende dat daarmee aan de conclusie dat het de vraag is of de gevolgen van de invoering van de prestatiebeurs wel aanvaardbaar zijn, ieder gezag wordt ontnomen.
Hij vroeg of de minister zich bewust is van de consequenties van het feit dat er geen terugvalscenario is.
De heer Van der Vlies sloot zich ten slotte aan bij de vraag naar de gevolgen van een jaar uitstel. Is het «point of no return» al gepasseerd?
De heer Van der Ploeg (PvdA) was verheugd over de openbaarmaking van de rapporten van de IB-groep en het Bureau Berenschot. Zijns inziens zou het een goed parlementair gebruik zijn als deze werkwijze voortaan vaker wordt gevolgd.
De discussie over de uitvoerbaarheid van de studiefinanciering lijkt wat archaïsch, zo vervolgde hij. Alom wordt gesproken over de mogelijkheden van de elektronische snelweg en door het koppelen van bestanden kan rente- en uitkeringsfraude worden bestreden. Waarom is het dan zo moeilijk om de uitvoering van de studiefinanciering goed te laten verlopen?
In het rapport van de IB-groep wordt opgemerkt dat over de uitvoerbaarheid van de voorstellen geen overleg is gevoerd met de instellingen, en dat terwijl zij daarbij een belangrijke rol spelen. Zij moeten immers de gegevens verschaffen over de studievoortgang en de uitreiking van diploma's. Welk belang hecht de minister aan hun inbreng?
De IB-groep verwacht dat er meer klachten zullen worden ingediend en dat er meer fouten zullen worden gemaakt bij de uitvoering. Wat is de aard van die klachten en fouten in vergelijking met die over het huidige stelsel van studiefinanciering? Is een schatting mogelijk van het aantal klachten en fouten? Door de overstap van een tempobeurs naar een prestatiebeurs lijkt de studievoortgangscontrole te vereenvoudigen. Nu moet nog van jaar tot jaar worden beoordeeld of een student het juiste aantal studiepunten heeft behaald, terwijl voor de prestatiebeurs alleen wordt gemeten wanneer de propaedeuse wordt behaald en of na zes jaar werkelijk een diploma is behaald. Mag worden verwacht dat op termijn, na het afstuderen van de cohorten van de tempobeurs, een stelsel ontstaat dat gemakkelijker kan worden uitgevoerd?
Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel is een aantal belangrijke amendementen ingediend, zo vervolgde de heer Van der Ploeg. In de rapporten wordt opgemerkt dat het amendement Lansink dat 185 mln. zal kosten, goed uitvoerbaar is. De hoge kosten pleiten echter tegen dit amendement. In het alternatief, het amendement Van der Ploeg c.s., wordt voorgesteld het mogelijk te maken de klok voor twaalf aaneengesloten maanden stil te zetten. Dit amendement heeft het voordeel dat het maar 35 mln. kost, maar als nadeel dat het moeilijker uitvoerbaar is. In de rapporten wordt echter opgemerkt dat het met enige moeite wel uitvoerbaar wordt geacht. Is de minister bereid de extra uitvoeringskosten van dit amendement voor zijn rekening te nemen en dit amendement over te nemen? In het amendement Rabbae wordt voorgesteld studenten de gelegenheid te bieden zich voor een halfjaar tot een jaar uit te schrijven. Dit amendement verdient sympathie, maar uit de rapporten kan worden opgemaakt dat het veel uitvoeringskosten met zich zal meebrengen. Is de minister bereid dit amendement niettemin voor zijn rekening te nemen? Over het amendement Van der Ploeg c.s. over de herkansing van de propaedeuse wordt in de rapporten opgemerkt dat het lastig uitvoerbaar is. Kan de minister dit amendement voor wat betreft de uitvoeringskosten voor zijn rekening nemen?
De heer Van der Ploeg wees erop dat de IB-groep uitgaat van volledige de-fiscalisering. Daartoe lijkt echter nog niet besloten. Een voordeel van volledige de-fiscalisering lijkt dat de uitvoering van de studiefinanciering wordt vereenvoudigd. Nu gelden immers verschillende fiscale regelingen voor de tempobeurs en de prestatiebeurs. Is de minister bereid zich in te zetten voor een uniforme regeling voor beide beurzen? Maakt de-fiscalisering de uitvoering echt eenvoudiger?
Uit de rapporten kan niet worden opgemaakt of leerlingen in het v.o. die alleen kinderbijslag ontvangen, onder de huidige regeling voor tegemoetkoming in de studiekosten vallen. De IB-groep gaat ervan uit dat het aantal toekenningen binnen de TS-regeling gelijk blijft, maar de heer Van der Ploeg verwachtte dat het aantal toekenningen juist zal toenemen als deze leerlingen geen kinderbijslag meer krijgen.
Hij merkte nog op dat hij de zorgen van de Kamer over de voorlichting deelt. Tot slot vroeg hij of de minister de mogelijk negatieve gevolgen die de invoering van de prestatiebeurs zal hebben, aanvaardbaar acht.
Het antwoord van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
De minister stelde voorop dat de leidraad van de regering is en blijft dat een wet alleen mag worden ingevoerd als hij de in de praktijk goed kan worden uitgevoerd en er geen onoverkomelijke risico's worden genomen. Het wetsvoorstel Prestatiebeurs is met het oog daarop meerdere malen in het kabinet besproken en is onderwerp geweest van specifiek overleg met de minister-president en de minister van Financiën. De minister wees erop dat hij zelf direct contact heeft onderhouden met de hoofddirectie van de IB-groep over de uitvoerbaarheid en dat de «double check» op zijn persoonlijk initiatief heeft plaatsgevonden. Hij maakte zich zorgen over het trauma van 1986–1987 dat doorklinkt in de inbreng van de leden, omdat dit verlammend kan werken, terwijl de IB-groep de verschillende trajecten van de studiefinanciering in de afgelopen jaren toch zo kundig heeft uitgevoerd. De IB-groep is gevraagd bij de uitvoeringstoets zo kritisch mogelijk te werk te gaan, opdat alle aspecten die een rol kunnen spelen, de revue passeren en worden beoordeeld. De stukken die de IB-groep vervolgens heeft uitgebracht, zijn echter niet geschreven met het oog op publikatie. Dit geldt ook voor het rapport Berenschot. Beide stukken zouden in andere bewoordingen zijn gesteld als zij voor publikatie waren bedoeld. In de afgelopen jaren heeft voortdurend vertrouwelijk overleg plaatsgevonden tussen de IB-groep en het ministerie. Dit was de Kamer bekend. Juist door het vertrouwelijke karakter van die contacten kon de IB-groep zich zo kritisch opstellen. Kort na het uitbrengen van de uitvoeringstoets zijn de nodige, zeer kritische vragen gesteld aan de IB-groep. Verder is voorgesteld om een «double check» uit te voeren, niet omdat aan de aard of inhoud van de toets werd getwijfeld, maar om de zorgvuldigheid van het traject te waarborgen. Overigens wordt deze procedure steeds vaker gevolgd. Een externe «double check» vormt een extra waarborg voor de uitvoering van beleid.
De heer Lansink (CDA) vond dat de opmerking dat de IB-Groep zich anders zou hebben uitgedrukt als zijn rapport voor publikatie bedoeld was, te denken geeft. Hij vroeg waarom pas na het uitbrengen van de memorie van antwoord is gevraagd om een «double check» en waarom de Kamer daarvan niet onmiddellijk op de hoogte is gebracht.
De minister antwoordde dat de regering verantwoordelijk is voor de uitvoering van haar beleid en daartoe alle aspecten van die uitvoering wikt en weegt. Natuurlijk kan de Kamer, als blijkt dat ondanks de zorgvuldige voorbereiding van de regering, zich toch problemen voordoen, de regering daarop aanspreken. De situatie is nu echter anders, want de Kamer heeft kennis kunnen nemen van de gesprekken die zijn gevoerd over de verschillende aspecten van de uitvoering. Daarmee is zij daarbij toch enigszins betrokken.
In de gesprekken met de IB-groep is in de eerste plaats gesproken over de managementsamenvatting en de stukken die daarvoor de basis vormden. Uit die gesprekken kwam steeds duidelijker naar voren dat de uitvoering van de prestatiebeurs een haalbare zaak is. Vervolgens is besloten aan het Bureau Berenschot een «double check» te vragen. De «timing» van een «double check» is afhankelijk van het tijdpad dat wordt gevolgd. Hij wees nadrukkelijk van de hand dat de «double check» pas is gevraagd als reactie op latere reflecties op de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Hij herhaalde dat de rapporten anders zouden zijn geformuleerd als zij voor publikatie waren bestemd. Nu zij uitsluitend waren bedoeld voor het interne verkeer tussen de bureaus en het ministerie, is gekozen voor andere bewoordingen die aanleiding kunnen geven tot verwarring of misverstanden, omdat onderliggende informatie ontbreekt.
De heer Lansink (CDA) wees erop dat de rapporten zakelijke informatie bevatten die iedere openbaarheid kan velen. Blijft de vraag waarom de minister niet om een «double check» heeft gevraagd voordat hij antwoordt op het verslag van de Kamer. De Kamer heeft in dat verslag immers nadrukkelijk vragen gesteld over de uitvoeringstoets.
De minister zei dat het de logische gang van zaken is dat eerst wordt nagegaan in hoeverre de kritische opmerkingen in de uitvoeringstoets van doorslaggevende betekenis zullen zijn voor de beoordeling. Daartoe is in gesprekken met de IB-groep ingegaan op de aard van de problemen die in de toets worden gesignaleerd. Nadat dit reguliere traject is gevolgd, is om een «double check» gevraagd als een extra zorgvuldigheid. Een «double check» is zeker geen vanzelfsprekendheid en heeft als zodanig ook geen vaste plaats in het tijdpad van de procedures, maar in kritische situaties wordt in toenemende mate van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
De keuze voor de invoering van de prestatiebeurs vraagt inderdaad om herziening van een aantal prioriteiten, zo vervolgde de bewindsman. Voor de Schopenhauer-route geldt dat de Kamer al eerder van dit uitstel op de hoogte was, omdat de afsluitdatum niet in de Wet is vastgelegd, maar bij Koninklijk Besluit wordt geregeld. De financiële consequenties van dit uitstel zijn beperkt en zijn reeds verrekend in het totaal van de uitgaven voor de studiefinanciering. Door de studievoortgangscontrole wordt overigens bereikt dat, in combinatie met de prestatieroute, het filosofieonderwijs een extra injectie krijgt.
Het onderhoud van de systemen en de mogelijkheid van fouten vormden de meest ingrijpende punten in het gesprek met de IB-groep na het verschijnen van de uitvoeringstoets. De minister wees erop dat na 1986 in een snel tempo een informatiseringspakket is samengesteld voor de toekenningen van studiefinanciering. In de afgelopen jaren is vele malen gesproken over dit pakket om zodoende te komen tot een schaduwpakket dat minder problemen kent en minder arbeidsintensief is. Door tijd en energie die nu moeten worden besteed aan de invoering van de prestatiebeurs, zal de ontwikkeling van dit nieuwe pakket vertraging oplopen.
Hij stelde vast dat er bij de toekenningen sowieso fouten worden gemaakt. Dat is niet zo verwonderlijk gelet op het grote aantal toekenningen dat maandelijks moet worden verwerkt. Geen enkel geautomatiseerd systeem kan dit volledig voorkomen. De goedkeurende accountantsverklaring is het criterium voor het aantal fouten dat kan worden toegestaan. In de afgelopen jaren is die verklaring steeds verstrekt en er is geen reden te veronderstellen dat dit in de komende jaren niet het geval zal zijn.
De heer Rabbae (GroenLinks) wees erop dat de IB-groep in zijn rapport schrijft dat de nieuwe systematiek invloed zal hebben op de accountantsverklaring.
De minister antwoordde dat de IB-groep desgevraagd heeft verzekerd dat hij verwacht binnen de foutenmarge van de accountantsverklaring te blijven.
De heer Rabbae (GroenLinks) leidde uit dit en de andere antwoorden van de minister af dat de IB-groep desgevraagd steeds een andere interpretatie geeft van de bevindingen die zijn neergelegd in de uitvoeringstoets. Welke waarde moet dan nog worden toegekend aan het rapport?
De minister onderstreepte nogmaals dat de uitvoeringstoets slechts was bedoeld als informele basis voor gesprekken tussen de minister en de IB-groep, waarin alle punten van kritiek verder zouden worden uitgediept.
In de gesprekken met de IB-groep bleek dat de wijziging van de computerprogramma's vertraging oploopt. Dit betekent dat bepaalde fouten nog steeds handmatig moeten worden gecorrigeerd, maar ook dan wordt de één-procentsmarge niet overschreden. De toekenning aan bepaalde groepen studenten, bijvoorbeeld «aangescheiden kinderen», is zo ingewikkeld, dat hij tot nu toe alleen handmatig kan worden verwerkt. De IB-groep had ook deze toekenningen graag in het geautomatiseerde systeem ondergebracht, maar dit moet nu wachten.
Een ander belangrijk punt is de vraag naar de extra inzet voor de voorlichting over de prestatiebeurs. Op 3 april is toegezegd dat er twintig extra plaatsen kunnen worden ingericht, opdat tijdig met de werving en opleiding van de medewerkers kan worden begonnen.
Op dit moment is er sprake van volledige de-fiscalisering. Het kan zijn dat de staatssecretaris van Financiën hier op enig moment op terugkomt; dan moet worden gehandeld naar bevind van zaken. In ieder geval hoeft op dit punt nu geen actie te worden ondernomen. Overigens wordt ook in het rapport van Berenschot aangegeven dat op dit punt geen problemen te verwachten zijn.
De samenloop tussen STOEB en de prestatiebeurs is inmiddels opgelost. Het automatiseringstraject is door de IB-groep-groep zodanig ingericht dat de prestatiebeurs eventueel nog op het laatste moment kan worden uitgesteld.
De minister merkte vervolgens op dat sinds 21 februari overleg gaande is met de instellingen. Berenschot wijst erop dat de informatie die nodig is voor de uitvoering van de prestatiebeurs, beschikbaar is bij de instellingen en dat de invoering van de prestatiebeurs zal leiden tot een vereenvoudiging van de informatiebehoefte ten opzichte van de studievoortgangscontrole. In antwoord op de vraag waarom niet eerder met de instellingen is gesproken, zei de bewindsman dat met overleg voordat het wetsvoorstel zou zijn ingediend bij de Kamer, nog veel meer zou zijn gepreludeerd op de uitkomst van de parlementaire behandeling.
Het feit dat de toekenningen straks moeten worden herzien, is inderdaad een probleem. Bovendien geldt dit wellicht voor een grotere groep dan eerst werd verondersteld. Pas in de week van 12 juni, als de eindexamenresultaten bekend worden gemaakt, zal duidelijk zijn welke leerlingen aan het hoger onderwijs kunnen deelnemen, maar ruim voor die tijd meldt een flinke groep zich al aan. Voor hen is de toekenning natuurlijk sowieso voorwaardelijk, omdat eerst zekerheid moet bestaan over hun examenresultaat. De minister zei dat hij in samenwerking met de IB-groep zal bevorderen dat zo snel mogelijk een folder wordt gedrukt waarin wordt gewezen op het traject van de parlementaire behandeling en de gevolgen daarvan voor de toekenning.
In de memorie van toelichting wordt over de 5+2-maatregel voor het hoger onderwijs opgemerkt dat er geen sprake is van terugwerkende kracht, maar van een technische correctie die geldt voor buitenlandse opleidingen, onderwijs Aruba en Antillen, coöperatief hoger beroepsonderwijs, opleidingen bekostigd door het ministerie van VWS en erkend onderwijs. Betrokkenen was bekend dat die correctie zou plaatsvinden; bij de toekenning voor het kalenderjaar 1996 zullen zij hiervan op de hoogte worden gebracht.
De minister was van mening dat hij de Kamer in de gevolgde procedure volledig heeft geïnformeerd over de conclusies die hij heeft getrokken uit de gesprekken over de uitvoeringstoets. Hij was zich ervan bewust dat hij de vele uitvoeringsproblemen die zich kunnen voordoen, zelf moet oplossen. Hij verwachtte echter geen problemen gezien de zorgvuldige werkwijze tot nu toe. De risico's zijn zo goed verkend dat de verwachting gerechtvaardigd lijkt dat dit traject goed kan worden ingevoerd.
De minister wilde niet ontkennen dat het handschrift op het rapport van Berenschot het zijne is. Het advies van Berenschot is op dit punt op zijn minst onduidelijk. Hij herinnerde eraan dat hij deze zin heeft voorgelezen tijdens de plenaire behandeling, omdat hij meende dat de Kamer hiervan moest weten. Hij citeerde uit de Handelingen: «Toen vroeg ik mij af of het wel goed was om hiermee (het wetsvoorstel) naar de Tweede Kamer te gaan. Ik zou er ook niet mee gekomen zijn als ik niet heel precies van Berenschot had gehoord dat dit betrekking had op de voorlichting. Het gaat dus om de politieke aanvaardbaarheid van de vraag of het verantwoord is om de voorlichting nu in te laten gaan.» De minister voegde hieraan toe dat Berenschot van mening was dat de IB-groep daar niet over gaat, maar dat de regering een beslissing moet nemen en die moet voorleggen aan de Tweede Kamer.
De invoering van de prestatiebeurs zal zeker enig verlies opleveren en daarom moet een afweging worden gemaakt van de kosten en baten. Uitstel levert in 1996 een verlies op van 490 mln., in 1997 een winst van 55 mln. en in 1998 en 1999 een verlies van respectievelijk 295 mln. en 310 mln. Deze financiële wetenschap is natuurlijk een belangrijk punt in de overwegingen. De verliezen zullen echter niet veel anders zijn als wordt gekozen voor uitstel. Uitstel is wel gunstig voor de voorlichting, omdat die eerder van start kan gaan. Overigens was de minister van mening dat het geen vraag is van staatsrecht of de voorlichting van start kan gaan voordat de Kamer zich heeft uitgesproken, maar de regering heeft respect voor de mening van de Kamer op dit punt.
De vraag of in de toekomst nog andere veranderingen kunnen worden ingevoerd, is afhankelijk van de mogelijkheden van de IB-groep. Nu de invoering van de prestatiebeurs leidt tot een dubbelsysteem, zijn de mogelijkheden voor veranderingen wel beperkt. Daarom zijn het C+3-traject en het v.o.-traject iets in de tijd naar achter geschoven. Dit betekent ook dat de discussie over de lange termijnontwikkeling van de studiefinanciering moet uitgaan van het gegeven dat het systeem nu al betrekkelijk gecompliceerd is.
Ook bij de beslissing over de amendementen die door de Kamer zijn ingediend, moet een afweging worden gemaakt van de mogelijkheden van de IB-groep. Als de IB-groep aangeeft een bepaalde maatregel onmogelijk te kunnen uitvoeren, kan de regering die uitspraak «overrulen», maar daarmee nemen de risico's voor de invoering toe.
De heer Rabbae (GroenLinks) vroeg of de minister kan toelichten waarom de IB-groep op 24 april schrijft dat zijn amendement uitvoerbaar lijkt, maar op 27 april hierop terug komt en schrijft dat het niet uitvoerbaar is. Wat is er gebeurd in die drie dagen?
De minister antwoordde dat hier sprake lijkt van een misverstand. Hij voegde hieraan toe dat het «propaedeuse-amendement» uitvoerbaar lijkt, ook al zullen zich ook hierbij de nodige problemen voordoen. Omdat dit pas op termijn het geval zal zijn, kunnen echter tijdig maatregelen worden genomen.
Gedachtenwisseling in tweede termijn
De heer Rabbae (GroenLinks) herhaalde zijn vraag of de minister de Kamer kan garanderen dat niet binnen een jaar opnieuw over deze problematiek moet worden gesproken.
De heer Lansink (CDA) vroeg de minister in te gaan op het verzoek van de Kamer of in de toekomst de onderliggende stukken aan de Kamer ter hand kunnen worden gesteld.
De heer Van der Vlies (SGP) vroeg nogmaals waar het «point of no return» ligt.
De heer Hendriks vroeg waaraan de vertraging van de uitvoering van de WSF via de GBA is te wijten.
De minister zei dat hij meermalen heeft gezegd dat de regering een zorgvuldige uitvoering mogelijk acht en zich daarvoor optimaal zal inzetten. Daarom verwachtte hij niet dat binnen een jaar opnieuw over dit onderwerp moet worden gesproken. Natuurlijk is dit antwoord gebaseerd op de huidige stand van inzichten over de uitvoering, de uitvoeringstoets en de reactie van de IB-groep op de vragen daarover. Desgevraagd zei hij dat hij politiek gesproken uitsluit dat nadere ontwikkelingen de regering tot een ander oordeel zullen leiden. Wetenschappelijk kan dit natuurlijk nooit worden uitgesloten.
De minister meende dat er twee «points of no return» zijn. Een met een politiek karakter: het tijdstip van de voorlichting die van start kan gaan zodra de Tweede Kamer zich heeft uitgesproken. Het tweede heeft betrekking op de vraag of de automatiseringsprogramma's tijdig klaar zijn. Daarvoor is 1 juli de fatale datum.
Ten slotte merkte de minister op dat de vertraging in de koppeling met de GBA is ontstaan doordat de uitwisseling van gegevens tussen de GBA en de Informatiseringsbank nog onvoldoende is geautomatiseerd.
Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), M. M. H. Kamp (VVD), voorzitter, De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp (CDA), Boers-Wijnberg (CDA), Huys (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks, Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Hirsch Ballin (CDA), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk (PvdA) en Van Vliet (D66).
Plv. leden: Schutte (GPV), Dees (VVD), Valk (PvdA), Marijnissen (SP), Duivesteijn (PvdA), Beinema (CDA), Reitsma (CDA), Lilipaly (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Sipkes (GroenLinks), Bakker (D66), Van 't Riet (D66), Deetman (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Lansink (CDA), Middel (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD), Korthals (VVD), Van Erp (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Zuijlen (PvdA) en Verhagen (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-24094-40.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.