A
TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS
VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOOR ZOVER NADIEN GEWIJZIGD
I. VOORSTEL VAN WET
Het opschrift luidde:
Regeling van de vergoeding voor de werkzaamheden, de kostenvergoedingen
en de secundaire voorzieningen van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
(Wet vergoedingen leden Eerste Kamer)
De considerans luidde:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel
63 van de Grondwet, wenselijk is een nieuwe wettelijke regeling te treffen
van de vergoeding voor de werkzaamheden, van de kostenvergoedingen en van
de secundaire voorzieningen van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
Artikel 3 luidde:
De hoofdstukken II en IV zijn niet van toepassing op de voorzitter.
Artikel 7, eerste lid, luidde:
Voor de fractievoorzitters wordt de vergoeding, genoemd in artikel 4,
voor de duur van hun voorzitterschap verhoogd met f 414,- per jaar, alsmede
met f 124,- voor elk lid dat de fractie buiten de fractievoorzitter telt,
met dien verstande dat de verhoging in totaal niet meer dan f 2274,-
per jaar bedraagt.
Een nieuw artikel 8 is toegevoegd.
Artikel 10 (oud artikel 13) luidde:
Voor het treffen van voorzieningen inzake ouderdoms- en nabestaandenpensioenen,
alsmede inzake arbeidsongeschiktheid ontvangen de kamerleden een bedrag van
f 2762,- per jaar.
In artikel 10 (oud artikel 13), zijn een nieuw tweede en derde lid toegevoegd.
Nieuwe artikelen 11 tot en met 15 zijn toegevoegd.
Artikel 18, derde lid, (oud artikel 11, derde lid) luidde:
De bedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks door Onze Minister
herzien aan de hand van de index materiële overheidsconsumptie die door
het Centraal Planbureau wordt opgesteld.
Artikel 20 (oud artikel 14) luidde:
De bedragen, bedoeld in de artikelen 4, 7, eerste lid, 9, eerste lid,
10, 11, tweede lid en 13 worden voor 1995 naar evenredigheid aangepast, te
rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 21 (oud artikel 15) luidde:
De wet van 25 juni 1969 tot regeling van de vergoeding van de kosten,
welke uit de vervulling van het lidmaatschap van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
voortvloeien (Stb. 1992, 305), wordt ingetrokken.
Artikel 23 (oud artikel 17) luidde:
Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
II. MEMORIE VAN TOELICHTING
Algemeen
De laatste zin van de tweede alinea luidde:
Het voorliggende wetsvoorstel betreft bijgevolg in hoofdzaak de rechtspositie
van de andere leden dan de voorzitter.
Een vijfde alinea is toegevoegd, die luidt:
Nu de rechtspositie van de leden van de Eerste Kamer in dit voorstel van
wet een definitief karakter krijgt ben ik van mening dat de overzichtelijkheid
er ten zeerste mee gediend is dat de rechtspositie van de voorzitter van de
Eerste Kamer in deze nieuwe wet wordt geïncorporeerd. Hiervoor werd er
reeds op gewezen dat de rechtspositie van de voorzitter definitief is geregeld
bij wet van 18 juni 1992. De inhoud van die wet is in het onderhavige voorstel
opgenomen. In hoofdstuk IV zijn de toelage en de andere voorzieningen van
de voorzitter geregeld. In verband hiermee wordt de wet van 12 november 1975
ingetrokken.
In alinea zes zijn de volgende zinnen toegevoegd, die luiden:
Tot slot zijn in dit hoofdstuk voorzieningen voor de vervanging van de
voorzitter van de Eerste Kamer opgenomen.
Hoofdstuk IV bevat de regeling van de rechtspositie van de voorzitter.
Hij ontvangt onder andere een toelage en een tegemoetkoming in de premie van
een ziektekostenverzekering. Voorts is de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
op de voorzitter van toepassing.
In alinea zeven is de volgende zin toegevoegd, die luidt:
Over de fiscale behandeling van de hierboven voorgestelde vergoedingen
voor de leden van de Eerste Kamer heeft overleg plaatsgevonden met de Staatssecretaris
van Financiën.
Artikelsgewijs
De toelichting bij artikel 3 luidde:
De rechtspositie van de voorzitter van de Eerste Kamer, met uitzondering
van de kostenvergoedingen, is geregeld in de wet van 12 november 1975. Gelet
hierop is in dit artikel, voor de toepassing van de hoofdstukken II en IV,
de voorzitter uitgezonderd.
Aan de toelichting van artikel 7 is de volgende zin toegevoegd, die luidt:
Gelet op het feit dat de toelagen van de fractievoorzitters in de Tweede
Kamer nog per 1 januari 1995 zijn gewijzigd, zijn de in dit artikel genoemde
bedragen na advisering door de Raad van State aangepast.
Bij het nieuwe artikel 8 is een toelichting gevoegd.
Bij de nieuwe leden twee en drie van artikel 10 (oud artikel 13) is een
toelichting gevoegd.
De toelichting bij de nieuwe artikelen 11 t/m 15 luidt:
Verwezen wordt naar het algemene deel van de toelichting.
Gelet op het feit dat deze artikelen bestaande regelgeving betreffen worden
zij niet nader toegelicht.
Aan de toelichting bij artikel 16 (oud artikel 9) is de volgende teksttoegevoegd,
die luidt:
De index houdt de prijsmutatie in van de netto materiële overheidsconsumptie,
zoals die wordt ontleend aan de staat middelen en bestedingen uit het Centraal
Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau. Voor het jaar 1996 gaat
het wat betreft de stijging van de vergoeding van de ambtskosten om de prijsmutatie
voor het jaar 1996 uit het CEP van het jaar 1996.
Aan de toelichting bij artikel 18 (oud artikel 11) zijn de volgende teksten
toegevoegd, die luiden:
Met het door het kamerlid bewoonde deel van de woonplaats, genoemd in
het eerste lid, wordt bedoeld dat gedeelte van de woonplaats dat wordt aangeduid
met eenzelfde postcode.
De bedragen zullen op basis van het derde lid worden geïndexeerd.
Voor deze indexering is, mede gelet op de regeling die geldt voor Tweede-Kamerleden,
aangesloten bij de procentuele wijzigingen van de som van de componenten van
een vergoeding van verblijfkosten voor burgerlijk rijkspersoneel, zoals geregeld
in het Reisbesluit binnenland. Deze componenten, genoemd in artikel 13 van
het besluit, bestaan uit logies, ontbijt, lunch, avondmaaltijd, kleine uitgaven
overdag en kleine uitgaven 's avonds. De bedragen van deze componenten zullen
eenmaal per jaar (per 1 januari) worden bijgesteld.