Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2020-202124077 nr. 464

24 077 Drugbeleid

25 295 Infectieziektenbestrijding

Nr. 464 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 oktober 2020

Naar aanleiding van het debat van 14 oktober over de ontwikkelingen rond het Coronavirus (Handelingen II 2020/21, nr. 14, debat over ontwikkelingen rondom het coronavirus) is op 15 oktober een motie van het lid Van der Staaij (SGP) aangenomen, waarin de regering wordt verzocht «om met spoed te bezien hoe als onderdeel van het pakket extra maatregelen ook het bezit en het gebruik van softdrugs in de publieke ruimte tussen 20.00 uur en 07.00 uur verboden kan worden» (Kamerstuk 25 295, nr. 635).

Met het Openbaar Ministerie, de politie en het Ministerie van VWS heb ik bezien hoe het beste aan dit verzoek gevolg gegeven kan worden. Alvorens daarop in te gaan wil ik in deze brief helderheid scheppen over de werking van het gedoogbeleid en de handhaving van de Opiumwet.

Ik kan uw Kamer melden dat in het verzoek uit de motie om het bezit van softdrugs tussen 20.00 en 07.00 uur te verbieden reeds is voorzien op basis van het reeds bestaande verbod op softdrugs uit artikel 3 van de Opiumwet. Het bezit van softdrugs valt niet onder het gedoogbeleid. Het gedoogbeleid, zoals uiteengezet in de Aanwijzing Opiumwet, geldt alleen voor de verkoop van hennep en hasjiesj (geen andere softdrugs) in coffeeshops. Die verkoop wordt onder bepaalde voorwaarden gedoogd; dit wil zeggen dat het wettelijk verbod niet wordt gehandhaafd.

Hoewel het bezit van softdrugs niet onder het gedoogbeleid valt, geldt wel dat er voor hoeveelheden van minder dan vijf gram een lage opsporingsprioriteit wordt gehanteerd.1 Dit houdt in dat bij het aantreffen van een dergelijke hoeveelheid, de drugs in beslag worden genomen, maar dat er in beginsel geen vervolging wordt ingesteld. Als iemand weigert de drugs af te staan kan er alsnog worden vervolgd. Op dit moment is het handhaven van het strafrechtelijk verbod op softdrugs, waaronder hennep en hasjiesj, dus gewoon mogelijk. Dat is regulier beleid: regelmatig worden joints of andere gebruikershoeveelheden softdrugs door de politie in beslag genomen.

Een verbod op het gebruik van softdrugs is niet in de Opiumwet opgenomen. Wel is er in sommige gemeenten via de APV een (bestuursrechtelijk) lokaal verbod op het gebruik van (soft)drugs ingesteld, ter bestrijding van mogelijke overlast.2

Het gebruik van (soft)drugs of alcohol kan ertoe leiden dat mensen zich niet goed houden aan de regels ter voorkoming van besmetting met het coronavirus. Het is daarom belangrijk dat hiertegen handhavend kan worden opgetreden. Aangezien men om softdrugs te gebruiken deze ook zal moeten bezitten, kan er in alle gevallen worden opgetreden tegen mensen die in de publieke ruimte (op enig tijdstip) met softdrugs worden aangetroffen, ook als men deze op dat moment aan het gebruiken is. Op basis van de noodverordening kan bovendien gehandhaafd worden op de groepsgrootte van maximaal 4 personen of het overtreden van de anderhalve meter afstand. De lokale driehoek bepaalt welke prioriteiten er in de handhaving worden gesteld.

Er kan dus aan het verzoek uit de motie tegemoet worden gekomen door gebruik te maken van bestaande bevoegdheden.

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus


X Noot
1

Dit is eveneens geregeld in de Aanwijzing Opiumwet en de Richtlijn Strafvordering, Softdrugs van het Openbaar Ministerie.

X Noot
2

Hierover zijn op 28 augustus 2019 Kamervragen van het Lid Bergkamp beantwoord (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 3539).