Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 1995-1996
Kamerstuk 24072 nr. 11

Gepubliceerd op 1 februari 1996
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



24 072
Enquête Opsporingsmethoden

nr. 11
EINDRAPPORT

INHOUDSOPGAVE

Ten geleide9
   
Hoofdstuk 1 Inleiding11
1.1 Voorgeschiedenis en instelling11
1.1.1Instelling commissie11
1.1.2Vragen Opsporing gezocht11
1.1.3Definities en indelingen12
1.1.4Beoordelingsvragen14
   
1.2Procedure en werkwijze14
1.2.1Opzet onderzoek14
1.2.2De staf16
1.2.3Afspraken ministers17
1.2.4Uitvoering onderzoek18
1.2.5Openbare verhoren19
   
1.3Opbouw rapport en bijlagen21
   
Hoofdstuk 2 Georganiseerde criminaliteit in Nederland23
   
2.1Inleiding23
   
2.2Definitie24
   
2.3Bestaand beeld26
2.3.1Kwalitatief beeld26
2.3.2Kwantitatief beeld29
2.3.3Beoordeling31
   
2.4Onderzoek georganiseerde criminaliteit32
   
2.5Autochtone groepen34
2.5.1Aanleiding onderzoek34
2.5.2Geschiedenis34
2.5.3Huidige criminele groepen34
2.5.4Netwerken op middenniveau en uitvoerders36
2.5.5Beoordeling36
   
2.6Buitenlandse en allochtone groepen37
2.6.1Aanleiding onderzoek37
2.6.2De Surinaamse connectie38
2.6.3Turkse criminele groeperingen in Nederland39
2.6.4Marokkaanse groepen in Nederland40
2.6.5De Chinese georganiseerde criminaliteit in Nederland41
2.6.6Andere buitenlandse en allochtone groepen42
2.6.7Beoordeling43
   
2.7Branches44
2.7.1Aanleiding onderzoek44
2.7.2Autobranche en autocriminaliteit44
2.7.3Transportbranche46
2.7.4Haven Rotterdam en Schiphol47
2.7.5Horeca47
2.7.6Afvalverwerkingsbranche48
2.7.7Bouwnijverheid49
2.7.8Overige branches50
2.7.9Beoordeling50
   
2.8Vrije beroepsbeoefenaren51
2.8.1Aanleiding onderzoek51
2.8.2Advocatuur52
2.8.3Het notariaat54
2.8.4Accountancy55
2.8.5Beoordeling56
   
2.9Fraude, misbruik legale constructies en witwassen56
2.9.1Aanleiding onderzoek56
2.9.2Fraude57
2.9.3Afscherming58
2.9.4Misbruik van rechtsfiguren59
2.9.5Witwassen59
2.9.6Beoordeling60
   
2.10Lokale studies: Amsterdam, Arnhem, Nijmegen en Enschede60
2.10.1Aanleiding lokale onderzoeken60
2.10.2Amsterdam61
2.10.3Het oosten van Nederland63
2.10.4Beoordeling66
   
2.11Contra-strategieën66
2.11.1Aanleiding onderzoek66
2.11.2Contra-observatie67
2.11.3Intimidatie en bedreiging67
2.11.4Corruptie67
2.11.5Beïnvloeding via de media68
2.11.6Beoordeling71
   
Hoofdstuk 3 De Delta-methode: doorlaten van drugs onder regie van politie en justitie72
   
3.1Inleiding72
   
3.2Omschrijving methode72
   
3.3Ontstaansgeschiedenis74
   
3.4Delta-methode IRT Noord-Holland/Utrecht75
3.4.1Inleiding75
3.4.2IRT Noord-Holland/Utrecht75
3.4.3Delta-methode85
3.4.4Onduidelijkheden rol informant 188
3.4.5Doorgelaten softdrugs89
3.4.6Harddrugs en groei-informant89
3.4.7Oude Bildtzijl: drugs en semtex91
3.4.8XTC-traject92
   
3.5Commissie-Wierenga en politieke besluitvorming97
3.5.1Instelling en rapport commissie-Wierenga97
3.5.2Geheime bijlagen100
3.5.3Debatten Tweede Kamer105
   
3.6Kennemerland114
3.6.1Afbouwtrajecten informanten114
3.6.2Methode verder ontwikkeld118
3.6.3Doorlaten harddrugs118
3.6.4De sapman119
3.6.5Andere dekladingen123
3.6.6Dekmantelfirma's en valse identiteisbewijzen124
3.6.7Administratie Kennemerland125
   
3.7Betrokkenheid FIOD/douanerecherche125
3.7.1Doorlating containers125
3.7.2CID-activiteiten FIOD127
3.7.3Sigarettensmokkel128
   
3.8Beveronderzoek Rotterdam129
   
3.9Gooi en Vechtstreek133
3.9.1Doorgelaten containers Gooi en Vechtstreek133
3.9.2Zaken en banden134
3.9.3Onderzoek van de CID door het openbaar ministerie137
3.9.4Stopzetten onderzoeken138
   
3.10Verdiensten en criminele gelden141
3.10.1Verdiensten141
3.10.2Gebruik criminele gelden142
   
3.11Totaal aantal containers en kilo's144
   
3.12Kennis en verantwoordelijkheid145
3.12.1Politiële en justitiële leiding IRT145
3.12.2Korpsleiding Amsterdam146
3.12.3Openbaar ministerie Amsterdam147
3.12.4Bestuur Amsterdam148
3.12.5Korpsleiding Kennemerland149
3.12.6Bestuur Haarlem150
3.12.7Openbaar ministerie Haarlem150
3.12.8Openbaar ministerie Rotterdam151
3.12.9Ressort Amsterdam152
3.12.10Vergadering van procureurs-generaal153
3.12.11Minister van Justitie154
3.12.12Minister van Binnenlandse Zaken156
   
3.13Beoordeling157
3.13.1Delta-methode157
3.13.2XTC-traject158
3.13.3Informatie IRT-onderzoek158
3.13.4Afbouw informanten158
3.13.5Saptraject159
3.13.6Dekmantelfirma's en valse identiteisbewijzen159
3.13.7Beveronderzoek Rotterdam160
3.13.8Gooi en Vechtstreek160
3.13.9Criminele gelden en verdiensten161
3.13.10Doorgelaten drugs161
3.13.11De opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht, de commissie-Wierenga en de Tweede Kamer161
   
Hoofdstuk 4 Observatie165
   
4.1Inleiding165
   
4.2Vormen van observatie166
   
4.3Juridische structuur en organisatie167
   
4.4Bevindingen168
4.4.1Aftappen telecommunicatie168
4.4.2Scannen169
4.4.3Direct afluisteren171
4.4.4Observeren en volgen173
4.4.5Plaatsbepalingsapparatuur174
4.4.6Foto- en video-apparatuur176
4.4.7Inkijkoperaties177
4.4.8Andere observatiemethoden180
   
4.5Casusonderzoek180
4.5.1De zaak Charles Z.180
4.5.2De zaak Henk R.189
4.5.3Tanker Cleaning Amsterdam en Rotterdam (TCA/TCR)197
   
4.6Beoordeling201
   
Hoofdstuk 5 Informanten204
   
5.1Omschrijving204
   
5.2Juridische basis en omvang205
   
5.3Bevindingen205
5.3.1Werving en registratie205
5.3.2Anonimiteit en bescherming207
5.3.3Runnen van informanten208
5.3.4Activiteiten informanten210
5.3.5Strafbare feiten211
5.3.6Informatie en bewijs212
5.3.7Beloningen213
5.3.8Afspraken met informanten214
5.3.9Sturing en controle217
5.3.10Corruptiegevoeligheid217
   
5.4Casusonderzoek Laundry221
   
5.5Beoordeling226
   
Hoofdstuk 6 Infiltratie229
   
6.1Omschrijving229
   
6.2Juridische grondslag, toetsing en omvang230
   
6.3Bevindingen232
6.3.1Pseudo-koop en pseudo-verkoop232
6.3.2Politie-infiltratie233
6.3.3Burgerinfiltratie237
6.3.4Frontstore239
6.3.5Gecontroleerde aflevering240
6.3.6Doorlaten243
6.3.7Corruptiegevoeligheid245
   
6.4Casusonderzoek249
6.4.1Ramola (Rabo Money Laundering)249
6.4.2Copa (Colombia-Paramaribo)255
6.4.3Verantwoording van de Prisma-methode261
6.4.4AH Oosterbeek264
6.4.5Exportzaak Twente267
   
6.5Combinatie van methoden268
   
6.6Beoordeling269
   
Hoofdstuk 7 Omgaan met informatie en internationale opsporing272
   
7.1Inleiding272
   
7.2Bevindingen272
7.2.1Informatie-inwinning bij derden272
7.2.2Misdaadanalyse274
7.2.3Fenomeenonderzoek275
7.2.4Financieel rechercheren277
7.2.5Beoordeling280
   
7.3Informatiehuishouding281
7.3.1Omschrijving281
7.3.2Bevindingen281
7.3.3Beoordeling284
   
7.4Bestuurlijke rechtshandhaving285
7.4.1Omschrijving285
7.4.2Bevindingen285
7.4.3Beoordeling288
   
7.5Internationale opsporing288
7.5.1Inleiding288
7.5.2Juridische structuur en organisatie289
7.5.3Informatie-uitwisseling290
7.5.4Uitvoering van buitenlandse assistentieverzoeken door Nederland291
7.5.5Uitvoering van Nederlandse assistentieverzoeken in het buitenland295
7.5.6Beoordeling299
 
Hoofdstuk 8 Opsporingsorganisaties en inlichtingendiensten300
   
8.1Inleiding300
   
8.2Criminele inlichtingendiensten300
8.2.1Inleiding300
8.2.2Organisatie300
8.2.3Zaken303
8.2.4Samenwerking307
8.2.5Sturing en controle309
8.2.6Beoordeling312
   
8.3Tactische recherche314
8.3.1Inleiding314
8.3.2Organisatie314
8.3.3Onderzoeken en methoden315
8.3.4Samenwerking316
8.3.5Sturing en controle317
8.3.6Beoordeling318
   
8.4Ondersteunende diensten319
8.4.1Inleiding319
8.4.2Werkzaamheden, juridische basis en omvang319
8.4.3Methoden323
8.4.4Sturing en controle327
8.4.5Beoordeling329
   
8.5Kernteams330
8.5.1Inleiding330
8.5.2Taken en organisatie331
8.5.3Zaken en prioriteiten333
8.5.4Methoden334
8.5.5Sturing en controle335
8.5.6Beoordeling337
   
8.6Bijzondere opsporingsdiensten338
8.6.1Inleiding338
8.6.2Organisatie en samenwerking339
8.6.3Opsporings- en controlebevoegdheden340
8.6.4Methoden340
8.6.5Sturing en controle346
8.6.6Beoordeling346
   
8.7Koninklijke marechaussee en Rijksrecherche347
8.7.1Inleiding347
8.7.2Koninklijke marechaussee347
8.7.3Rijksrecherche348
8.7.4Beoordeling349
   
8.8Binnenlandse veiligheidsdienst349
8.8.1Inleiding349
8.8.2Organisatie en samenwerking350
8.8.3Methoden351
8.8.4Sturing en controle353
8.8.5Beoordeling354
   
Hoofdstuk 9 Sturing en controle van de opsporing355
   
9.1Inleiding355
   
9.2Openbaar ministerie355
9.2.1Inleiding355
9.2.2Organisatie en samenwerking355
9.2.3Sturing en controle door het openbaar ministerie361
9.2.4Centrale toetsingscommissie371
9.2.5Beoordeling378
   
9.3Rechters-commissarissen379
9.3.1Inleiding379
9.3.2Organisatie380
9.3.3Methoden382
9.3.4Beoordeling384
   
9.4De korpsleiding385
9.4.1Bevindingen385
9.4.2Beoordeling387
   
9.5Korpsbeheerders387
9.5.1Bevindingen387
9.5.2Beoordeling391
   
9.6Ministeries391
9.6.1Inleiding391
9.6.2Ministerie van Justitie391
9.6.3Ministerie van Binnenlandse Zaken401
9.6.4Beoordeling404
   
9.7Tweede Kamer405
9.7.1Bevindingen405
9.7.2Beoordeling410
   
Hoofdstuk 10 Conclusies en aanbevelingen412
   
10.1Verantwoording412
   
10.2Crisis in de opsporing413
   
10.3Aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit415
   
10.4De Delta-methode420
10.4.1Uitvoering Delta-methode420
10.4.2De opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht; de commissie-Wierenga; de Tweede Kamer424
   
10.5De opsporingsmethoden427
10.5.1Opsporingsmethoden algemeen427
10.5.2Observatie429
10.5.3Informanten429
10.5.4Infiltranten430
10.5.5Overige informatie-inwinning432
   
10.6Organisatie van de opsporing433
10.6.1Organisatie algemeen433
10.6.2Criminele inlichtingendiensten435
10.6.3Tactische recherche437
10.6.4Ondersteunende eenheden437
   
10.6.5Kernteams438
10.6.6Bijzondere opsporingsdiensten440
10.6.7Binnenlandse veiligheidsdienst441
10.6.8Openbaar ministerie441
10.6.9Rechters-commissarissen en zittende magistratuur444
10.6.10Korpsleiding en korpsbeheerders 444
10.6.11Ministeries445
10.6.12De Tweede Kamer447
   
10.7Aanbevelingen447
10.7.1Inleiding447
10.7.2Algemene uitgangspunten van de opsporing448
   
10.8Normering methoden algemeen449
10.8.1Definitie opsporing449
10.8.2Criteria inzet methode452
10.8.3Procedure verantwoording454
   
10.9Voorstel normering observatiemethode456
   
10.10Gebruik van informanten en infiltranten460
   
10.11Overige methoden465
   
   
10.12Aanbevelingen organisatie opsporing467
10.12.1Algemeen468
10.12.2Criminele inlichtingendiensten468
10.12.3Tactische recherche470
10.12.4Ondersteunende diensten470
10.12.5Kernteams470
10.12.6Bijzondere opsporingsdiensten471
10.12.7Binnenlandse veiligheidsdienst472
   
10.13Sturing en controle472
10.13.1Openbaar ministerie472
10.13.2Rechters-commissarissen473
10.13.3Korpsbeheerders en korpsleiding474
10.13.4Ministeries474
10.13.5De Tweede Kamer475
   
10.14Toekomstige enquêtes475
Lijst van verhoren478
Lijst van enige afkortingen483

TEN GELEIDE

De parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden presenteert hierbij haar eindrapport Inzake opsporing.

Het rapport beschrijft de georganiseerde criminaliteit, de opsporingsmethoden van justitie en politie en de organisatie van de opsporing in Nederland. Het is de neerslag van een jaar onderzoek. De conclusies en aanbevelingen van dit rapport geven een duidelijk antwoord op de hoofdvraag in deze enquête: wat er moet, wat er mag en wat er niet mag bij de opsporing en bestrijding van georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het is hoog tijd dat iedereen weet waar men aan toe is.

Bij de opsporing en bestrijding van georganiseerde criminaliteit blijkt te vaak gezondigd tegen de gulden regel: geen bevoegdheid zonder verantwoordelijkheid, geen verantwoordelijkheid zonder verantwoording. De normstelling is onvoldoende, in de organisatie is onduidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is en het openbaar ministerie heeft te weinig gezag over de politie. Daarom spreken wij van een crisis in de opsporing.

De IRT-affaire heeft meer schade aangericht dan de commissie bij haar aantreden voor mogelijk hield. Om die schade te herstellen moesten de feiten boven water komen. Tonnen drugs zijn Nederland binnengekomen onder regie van politie en justitie. De CID-Kennemerland kon zich ontwikkelen tot een staatje in de staat.

Belangrijker nog is vast te stellen waar de verantwoordelijkheden lagen en waarom de zaak zo lang heeft doorgeziekt. Op basis van dit rapport kan en moet de IRT-strijdbijl nu begraven worden om een nieuwe start te maken. De enquête was meer dan een IRT-enquête.

Gezag en vertrouwen moeten worden hersteld. Er moet veel veranderen in regels, persoonlijke verhoudingen, gedragingen en opvattingen. De verhoren van de enquêtecommissie hebben dat naar onze mening treffend aangetoond. De crisis in de opsporing gaat diep. Zij raakt de legitimiteit van de rechtshandhaving. Eenvoudige oplossingen zijn dus niet voorhanden. Nieuwe regels blijven papier zonder het bewustzijn dat rechtmatige, effectieve en verantwoorde opsporing in de democratische rechtsstaat voorwaarde is voor een verantwoorde bestrijding van georganiseerde criminaliteit.

De commissie vraagt de Kamer een oordeel over de aanbevelingen te geven.

Wat moet er gebeuren?

De wetgever moet betere normen stellen. Het parlement moet zijn taak als controleur en medewetgever zorgvuldiger uitoefenen.

De rechter zal zich, mede op grond van betere normering, actiever met de controle op de opsporing bezig moeten houden. De rechter-commissaris krijgt daarin een belangrijker taak die hij ten volle zal moeten uitoefenen.

Het openbaar ministerie moet het gezag over de opsporing volledig uitoefenen. De minister van Justitie draagt daarvoor de politieke verantwoordelijkheid, zonder uitzondering.

De conclusies en aanbevelingen van dit rapport moeten volledig betrokken worden bij de reorganisatie van het openbaar ministerie. De juiste officier dient op de juiste plaats te zitten.

De beheerders moeten hun beheersverantwoordelijkheid nemen. De politie moet weten dat zij in een democratische rechtsstaat nooit buiten het gezag en beheer van openbaar ministerie en bestuur kan werken. De soms diepe kloof tussen te afstandelijke gezagsdragers en de werkelijkheid van de rechtshandhaving dient te worden gedicht.

De commissie beveelt geen nieuwe reorganisatie van het politiebestel aan. Maar ook de politie mag de conclusies en aanbevelingen van dit rapport niet laten passeren. Wat geldt voor het openbaar ministerie geldt voor de politie. De crisis in de opsporing is niet op te lossen zonder dat de politie beter gaat werken.

De politiek verantwoordelijken moeten de oude en nieuwe generatie van leidinggevenden bij de politie doordringen van de noodzaak van samenwerking, vertrouwen en verantwoorde bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Goed rechercheren volgens de regels kan en moet synoniem zijn met effectieve bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.

De commissie is verantwoordelijk en staat in de schijnwerpers, maar commissieleden zijn nergens zonder staf. In twee personen, de griffier Nicolle Coenen en de secretaris Erwin Muller, wil de commissie de hele staf en de adviseurs danken voor hun fabelachtige inzet. Vermeld zij ook de warme gastvrijheid van de Eerste Kamer, waar de commissie meer dan een jaar gewerkt heeft.

Namens de commissie,

M. van Traa

voorzitter

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

1.1 Voorgeschiedenis en instelling

1.1.1 Instelling commissie

Aan het einde van het kamerdebat van 7 april 1994 over de opheffing van het interregionaal rechercheteam (IRT) Noord-Holland/Utrecht nam de Kamer de motie Dijkstal c.s. aan.1 Deze motie bracht de wens tot uitdrukking om een parlementair onderzoek in te stellen naar de opsporingsmethoden die in Nederland gebruikt worden en de controle erop. Hier ligt het begin van het werk van de parlementaire enquête opsporingsmethoden. Het was duidelijk dat de Kamer, tegen de achtergrond van de IRT-affaire, beter geïnformeerd wilde zijn over dit onderwerp.

De Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden werd op 1 juni 1994 ingesteld door de vaste commissie voor Justitie om een voorstel terzake voor te bereiden.2 Op 21 oktober 1994 bracht zij haar rapport Opsporing gezocht uit met daarin de aanbeveling aan de Kamer om een parlementaire enquête over dit onderwerp te houden. Na het debat op 16 november van dat jaar werd daartoe door de Kamer besloten.3 Op 6 december 1994 stelde de voorzitter van de Kamer de enquêtecommissie opsporingsmethoden in. Zij kent de volgende leden: 4

M. van Traa (voorzitter, PvdA)

Th.C. de Graaf (vice-voorzitter, D66)

A.K. Koekkoek (CDA)

O.P.G. Vos (VVD)

M. Rabbae (GroenLinks)

A. Rouvoet (RPF)

E.G. Aiking-Van Wageningen (AOV, thans Groep Nijpels)

De enquêtecommissie (verder genoemd de commissie) had de opdracht onderzoek te doen naar: –de aard, ernst en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit;–de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid, het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden;–de organisatie, het functioneren van en de controle op de opsporing.

1.1.2 Vragen Opsporing gezocht

Het rapport Opsporing gezocht van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden vormde de basis voor de beslissing van de Kamer tot instelling van de enquêtecommissie.5 Het primaire doel van het nadere onderzoek was het verkrijgen van informatie met het oog op het normeren van methoden die door politie, bijzondere opsporingsdiensten en justitie kunnen worden gehanteerd. De 77 vragen die de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden in haar rapport had vermeld, vormden de belangrijkste leidraad. De vragen van de werkgroep kunnen worden verdeeld in vragen waarop een feitelijk antwoord moet worden gezocht en vragen waarop een normerend antwoord noodzakelijk is. De commissie heeft in haar onderzoek beide proberen te beantwoorden.

De commissie heeft er voor gekozen de bevindingen van het rapport Opsporing gezocht als uitgangspunten te hanteren voor nader en verder onderzoek. De werkgroep heeft een algemeen beeld geschetst van de problematiek. De commissie meende dat het noodzakelijk was te bezien in hoeverre dat algemene beeld bevestigd kon worden door nader systematisch onderzoek. De algemene bevindingen van de werkgroep zijn daarmee tevens onderwerp van onderzoek.

De Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden kon niet aan alle onderwerpen evenveel aandacht besteden. De commissie heeft vastgesteld dat op enkele onderdelen nieuw en aanvullend onderzoek noodzakelijk was. Zo heeft de werkgroep bijvoorbeeld slechts in hoofdlijnen aandacht besteed aan de bijzondere opsporingsdiensten. De commissie besloot een meer diepgaand onderzoek naar deze diensten te doen. De aard en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit bleef voor de werkgroep onduidelijk. De commissie kwam tot de conclusie dat nieuw onderzoek noodzakelijk was om uitspraken te kunnen doen over deze thematiek.

Hoewel het rapport Opsporing gezocht de basis vormde voor de opzet van het werk van de commissie, heeft de commissie vanaf het begin besloten het onderzoek naar de drie genoemde thema's zodanig in te richten dat op systematische wijze de bevindingen van de werkgroep getoetst konden worden.

1.1.3 Definities en indelingen

Het rapport Opsporing gezocht geeft de volgende definitie van het begrip opsporingsmethode:

Het verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en informatie door overheidsorganisaties over (de voorbereiding van) crimineel handelen en criminele organisaties met het doel te komen tot vervolging danwel tot het voorkomen of beëindigen van crimineel handelen of criminele organisaties.

De werkgroep heeft gewerkt met deze brede definitie, die al het overheidshandelen dat ingezet wordt om crimineel handelen te bestrijden, wil omvatten. De commissie heeft ook met deze brede definitie gewerkt om alle verschillende verschijningsvormen van opsporingsmethoden zo goed mogelijk in kaart te brengen. De commissie verstaat onder crimineel handelen het plegen van strafbare feiten.

Dit zegt echter niet alles over de vraag of het ook wenselijk is opsporing een zo ruim bereik te geven. Daarmee kunnen alle activiteiten van de overheid die gericht zijn op voorkomen of beëindigen van crimineel handelen of criminele organisaties, zoals preventiebeleid of anti-corruptiemaatregelen, ook opsporingsmethoden genoemd gaan worden. Bij deze ruime omschrijving vervaagt het begrip opsporing teveel en dreigt de primaire doelstelling van opsporen: het ophelderen van strafbare feiten om te komen tot een strafrechtelijke sanctie, uit het oog te worden verloren.1 Opsporen, als vorm van strafrechtelijk onderzoek, dient altijd dat primaire doel te hebben. Daartoe dienen bevoegdheden om bepaalde methoden te gebruiken. In het laatste hoofdstuk komt de commissie hierop terug. De hier gehanteerde definitie is dus niet de norm, maar de door de commissie onderzochte feitelijke situatie. Hoe worden deze methoden toegepast? Hoe worden ze georganiseerd en gecontroleerd?

In het rapport Opsporing gezocht wordt een verschil gemaakt tussen de begrippen opsporingsmethode en opsporingsmiddel, als aanduiding van een concrete opsporingsactiviteit. In de praktijk blijkt dat onderscheid soms moeilijk te hanteren. Het gaat bijvoorbeeld bij het doorlaten van drugs om een aantal handelingen die niet altijd elk afzonderlijk als opsporingsmiddel zijn aan te merken, maar wel gezamenlijk een opsporingsmethode vormen.

De volgende opsporingsmethoden, onderverdeeld in een aantal categorieën, heeft de commissie onderzocht:

I Observatie

– aftappen telecommunicatie (telefoon, fax, semafoon)

– inzage computerbestanden

– scannen mobiele telefoons en semafoons

– afluisteren met technische hulpmiddelen zoals richtmicrofoons

– observeren en volgen

– gebruik plaatsbepalingsapparatuur

– postvang (schending postgeheim)

– fotograferen en het maken van video-opnames

– inkijkoperaties

II Informanten

– informant/tipgever

– informanten

– gestuurde informanten

Bij informanten is aandacht besteed aan:

– werving en registratie

– beloning informanten

– strafbare feiten door informanten

– anonimiteit en bescherming

– afspraken (deals) met criminelen

– kroongetuigen

– corruptiegevoeligheid

III Infiltratie

– pseudo-koop, voorkoop en toonkoop

– pseudo-verkoop

– projectmatige infiltratie

– gecontroleerde aflevering

– doorlaten

– frontstore

Bij elke infiltratiemethode is de vraag wie infiltreert:

– politie-infiltrant

– criminele burgerinfiltrant

– niet-criminele burgerinfiltrant

IV Informatie

– informatie-inwinning bij derden

– misdaadanalyse

– fenomeenonderzoek

– financieel rechercheren

In de afzonderlijke hoofdstukken zullen omschrijvingen gegeven worden van de centrale begrippen. Definities blijken essentieel in dit onderzoek. Misverstanden waren veelal terug te voeren op verschillende definities van begrippen.

De commissie heeft, in navolging van de werkgroep, niet alle opsporingsmethoden onderzocht. Zij heeft zich in de eerste plaats op opsporingsmethoden gericht, die ingezet worden ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Zo is bijvoorbeeld geen aandacht besteed aan het verhoor, de confrontatie en het sporenonderzoek zoals door de technische recherche en het gerechtelijk laboratorium worden verricht.

1.1.4 Beoordelingsvragen

De commissie heeft verschillende beoordelingsvragen gehanteerd teneinde haar oordeel over de opsporingsmethoden, de organisaties van en de controle op de opsporing te kunnen onderbouwen. Bij de beoordeling van de bevindingen stelde de commissie zich de volgende vragen:

a Hebben de gebruikte methoden een wettelijke of jurisprudentiële basis? Is het gebruik van de methode rechtmatig?

b Zijn de bevoegdheden vastgelegd? Zijn de bevoegdheden duidelijk?

c Zijn de gebruikte methoden controleerbaar? Is het gebruik van de methoden vastgelegd?

d Is vooraf toestemming gegeven voor het gebruik van de methoden? Heeft controle achteraf plaatsgevonden op het gebruik van de methoden?

e Zijn de gebruikte methoden, de toestemming vooraf en/of de controle achteraf openbaar? Is het gebruik van de methode geheel of gedeeltelijk geheim gehouden?

f Zijn de gebruikte methoden verantwoord? In welke mate zijn de methoden subsidiair en proportioneel? In hoeverre zijn risico's genomen door het gebruik van methoden?

g Zijn de methoden effectief? In hoeverre heeft het gebruik van methoden bijgedragen aan het resultaat van de opsporing?

h Functioneren de organisaties die een rol hebben in de opsporing effectief en efficiënt?

i Hebben functionarissen hun verantwoordelijkheid genomen? Zijn bevoegdheden uitgeoefend?

De commissie heeft deze beoordelingsvragen normatief geformuleerd teneinde tot een beoordeling te kunnen komen over de methoden en organisatie van de opsporing. Het gaat bij de beantwoording van deze vragen steeds om een oordeel van de commissie en niet om een beschrijving van feiten.

1.2 Procedure en werkwijze

In bijlage 1 wordt uitgebreid ingegaan op de werkwijze van de commissie en de procedures waarlangs tot beslissingen is gekomen. In deze paragraaf zullen de hoofdlijnen van de gevolgde procedures en de werkwijze van de commissie aan de orde komen.

1.2.1 Opzet onderzoek

De commissie besloot een onderscheid te maken tussen interne onderzoeken en een extern onderzoek.1 De interne onderzoeken vonden plaats door de commissie en haar staf. Het externe onderzoek werd onder verantwoordelijkheid van de commissie uitgevoerd door onafhankelijke wetenschappers. De interne en externe onderzoeken zijn als bijlagen bij dit eindrapport van de commissie gevoegd.

Georganiseerde criminaliteit

De commissie heeft vier hoogleraren criminologie verzocht onderzoek te doen naar de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Prof. dr C.J.C.F. Fijnaut (onderzoeksleider), prof. dr F. Bovenkerk, prof. dr G.J.N. Bruinsma en prof. dr H.G. van de Bunt hebben een uitgebreid onderzoek gedaan naar de navolgende onderwerpen:

a georganiseerde criminaliteit door autochtone groepen;

b georganiseerde criminaliteit door buitenlandse en allochtone groepen;

c betrokkenheid van enkele branches bij de georganiseerde criminaliteit;

d betrokkenheid van vrije beroepsgroepen (advocaten, notarissen en accountants) bij de georganiseerde criminaliteit;

e fraude en witwassen;

f georganiseerde criminaliteit in Amsterdam;

g georganiseerde criminaliteit in Nijmegen, Arnhem en Enschede;

h contra-strategieën door criminele organisaties.

In afzonderlijke rapportages is de onderzoeksgroep ingegaan op deze onderwerpen. De bevindingen van deze deelonderzoeken worden verwoord in aparte rapporten in de bijlagen 8 tot en met 11.

Het onderzoek van de groep Fijnaut vond plaats onder verantwoordelijkheid van de commissie. Binnen die verantwoordelijkheid is het een onafhankelijk wetenschappelijk oordeel over de aard en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit. De commissie geeft in hoofdstuk 2 van dit rapport haar oordeel over de bevindingen van de onderzoeksgroep.

Methoden

De commissie heeft gekozen voor de volgende onderzoeken naar methoden en thema's:

a observatie;

b informanten;

c infiltratie;

d andere wijzen van omgaan met informatie: zoals misdaadanalyse, financieel rechercheren en fenomeenonderzoek;

e informatiehuishouding (opslag en verstrekking van gegevens) en bestuurlijke rechtshandhaving;

f corruptiegevoeligheid van methoden;

g internationale opsporing;

h rechtsvergelijking (België, Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten).

Bij de onderzoeken observatie, informanten, infiltratie en andere wijzen van omgaan met informatie is steeds aandacht besteed aan de omschrijving van de methode, waarbij de verschillende verschijningsvormen aan de orde komen, de juridische grondslag (regelgeving en jurisprudentie), de feitelijke vormen waarin de methoden worden toegepast, de sturing en controle van de methoden en de verslaglegging van de inzet van de methoden.

Naast deze studies heeft de commissie besloten dat het wenselijk en noodzakelijk was nader en diepgaander onderzoek te doen naar enkele bijzondere gevallen. In Nederland hebben zich enkele grote strafzaken voorgedaan die een beeld geven van het functioneren van politie en justitie bij de inzet van opsporingsmethoden. De commissie heeft gekeken naar de zaak Charles Z., de zaak Henk R., de Ramola-zaak, de Laundry-zaak, het Copa-onderzoek, de AH Oosterbeek-zaak, het Export-onderzoek in Twente en het TCR/TCA-onderzoek. De casusbeschrijvingen zijn hoofdzakelijk gestoeld op de stukken die ter terechtzitting door het openbaar ministerie zijn gepresenteerd en de uitspraken van rechtbank, gerechtshof en Hoge Raad, aangevuld met informatie uit de openbare verhoren van zowel bij deze zaken betrokken leden van het politieel onderzoeksteam als de zittende en staande magistratuur. Verder komen de Delta-methode, het Beveronderzoek, het functioneren van de CID Kennemerland en de CID Gooi en Vechtstreek in een apart hoofdstuk aan de orde. In de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 geeft de commissie haar bevindingen over deze casus.

Organisaties

De commissie en haar staf hebben onderzoek gedaan naar verschillende organisaties die een rol spelen bij de opsporing. Daarbij stonden verschillende vragen centraal. Welke opsporingsmethoden worden op welke wijze door deze organisaties gebruikt? Hoe is de interne organisatie vormgegeven? Hoe zijn de leden van de organisatie opgeleid? Met welke organisaties wordt samengewerkt bij de opsporing? Wie bepaalt of en hoe de opsporingsmethoden worden ingezet? Hoe vindt de controle op de inzet van de opsporingsmethoden plaats? Het antwoord op deze vragen moet bijdragen aan het antwoord op de vraag naar rechtmatigheid, effectiviteit en verantwoord zijn van de gebruikte opsporingsmethoden.

De volgende organisaties zijn onderwerp van onderzoek geweest:

a criminele inlichtingendiensten;

b tactische recherche en ondersteunende diensten (observatieteams, arrestatieteams, secties technische ondersteuning, Dienst technische operationele ondersteuning van het Korps landelijke politiediensten, politiële infiltratieteams en bureaus financiële ondersteuning);

c kernteams, inclusief het landelijk rechercheteam;

d bijzondere opsporingsdiensten (Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, Algemene inspectiedienst, Economische controledienst, Dienst recherchezaken, Milieubijstandsteam);

e Binnenlandse veiligheidsdienst en de politieke ofwel regionale inlichtingendiensten;

f Koninklijke marechaussee op Schiphol en de Rijksrecherche;

g openbaar ministerie;

h rechters-commissarissen;

i korpsbeheerders en burgemeesters;

j ministeries van Justitie en van Binnenlandse Zaken.

In algemene zin is aandacht besteed aan de advocatuur, de zittingsrechters, de Tweede Kamer en de particuliere recherchebureaus.

1.2.2 De staf

De commissie kon beschikken over een uitgebreide staf.1 De leiding van de staf, de coördinatie van het onderzoek, van de interviews, voorgesprekken en verhoren en de redactie van de rapporten waren in handen van mr N.J.P. Coenen, griffier van de enquêtecommissie (plaatsvervangend griffier Tweede Kamer) en mr dr E.R. Muller, inhoudelijk secretaris en onderzoekscoördinator van de enquêtecommissie (Crisis Onderzoek Team, Vakgroep Bestuurskunde, Rijksuniversiteit Leiden en Erasmus Universiteit Rotterdam).

De deelonderzoeken van de commissie werden geleid en geredigeerd door prof. mr Y. Buruma, Vakgroep Strafrecht en Strafprocesrecht, Katholieke Universiteit Nijmegen; mr J. Mooijen, officier van justitie te Den Haag; J. Schipper, commissaris van politie Haaglanden; mr P.C. Vegter, rechter-commissaris te Arnhem en mr P.G. Wiewel, Vakgroep Strafrecht en Strafprocesrecht, Universiteit van Amsterdam. Zij hadden tevens een rol in de voorbereiding van de voorgesprekken en de verhoren.

De verschillende deelonderzoeken van de commissie werden uitgevoerd en geschreven door de volgende onderzoekers: dr M. den Boer, Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving, Rijksuniversiteit Leiden; mr D. Ph. van Boetzelaer, substituut officier van justitie Den Haag; mr G.P.M. Grootscholten, strafrechtjuriste; drs M.L.M. Hertogh, Studiecentrum Recht en Beleid, Rijksuniversiteit Leiden; J. Klijnsmit, inspecteur van politie Rotterdam-Rijnmond; drs A.G. Roubos, bestuurskundige; drs A. van Schaardenburgh, Vakgroep Arbeids- en Organisatiepsychologie, Universiteit van Amsterdam; drs P.H. van Toorn, afgestudeerd Europese Studies en bestuurskundige; A.J. Wolfs, doctoraal student bestuurskunde en strafrecht Rijksuniversiteit Leiden; mr D. Nava, assistent-griffier. Een deel van de onderzoekers heeft meegewerkt aan de voorbereiding van voorgesprekken en verhoren.

De commissie werd ondersteund door A.W. de Kool, documentalist; M. Leeflang, documentalist; P. Hercules, medewerker secretariaat; L. Peters, medewerker secretariaat; K. Rangoe, bode en S. van Wageningen, bode.

De commissie heeft veelvuldig gebruik gemaakt van de adviezen van beide inhoudelijke adviseurs: prof. dr U. Rosenthal, Crisis Onderzoek Team, Vakgroep Bestuurskunde, Rijksuniversiteit Leiden en Erasmus Universiteit Rotterdam en prof. mr G. Knigge, Vakgroep Strafrecht en Strafprocesrecht, Rijksuniversiteit Groningen.

Door de combinatie van de verschillende disciplines van de stafleden kon optimaal gebruik gemaakt worden van een ieders kennis en kunde. Elk van de stafleden heeft een veiligheidsonderzoek ondergaan en heeft een geheimhoudingsplicht getekend.

De commissie en haar staf hebben tijdens het onderzoek gebruik kunnen maken van de ruimten van de Eerste Kamer. De commissie is de Eerste Kamer zeer erkentelijk dat zij deze ruimten en ondersteuning ter beschikking heeft gesteld. Zij heeft zich thuis gevoeld in de beschermde omgeving van de Eerste Kamer. De stenografische dienst heeft woordelijke verslagen gemaakt van alle gesprekken en verhoren. Daarnaast heeft zij enkele interviews, die op band zijn opgenomen, woordelijk uitgewerkt. De commissie heeft het zeer op prijs gesteld dat de stenografische dienst te allen tijde bereid was tot het snel vervaardigen van verslagen van de vele gesprekken van de commissie.

1.2.3 Afspraken ministers

Vanaf de aanvang van het onderzoek was duidelijk dat recht gedaan moest worden aan zowel de noodzaak van bescherming van gevoelige informatie als de rechten en bevoegdheden van de enquêtecommissie. Daartoe heeft de commissie afspraken gemaakt met de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken.1

In het kader van deze afspraken zijn de voorzitter en de vice-voorzitter van de commissie uitgebreid op de hoogte gehouden van de bevindingen van het rijksrechercheteam dat een onderzoek doet naar de gebeurtenissen bij de CID-Kennemerland, het zogenaamde Fortteam. Dit team, onder leiding van de advocaten-generaal mr S. Zwerwer en mr P.H.A.J. Cremers en de commissaris van politie, toegevoegd aan de procureur-generaal te 's-Hertogenbosch mr D. Pijl, is de commissie bij haar werk zeer behulpzaam geweest.

De commissie heeft zich verplicht criminele inlichtingen, waaronder gegevens uit CID-registers, vertrouwelijk te behandelen om geen afbreuk te doen aan de belangen van opsporing van strafbare feiten en privacy. Indien de commissie gegevens wilde hebben die volgens de verstrekker herleidbaar waren tot de persoon van een informant of volgens de verstrekker tot levensbedreigende situaties aanleiding kan geven, kon de ambtenaar de gegevens anonimiseren en/of coderen zodat zij niet meer herleidbaar waren tot de bron van de criminele inlichtingen. Vervolgens konden de gegevens worden voorgelegd aan de officieren van justitie mr M. van Erve en mr A. van der Kerk die onderzochten of de anonimisering en/of codering in overeenstemming was met de afspraken. Deze procedure is verschillende malen gevolgd bij gegevens afkomstig van de criminele inlichtingendiensten en van de centrale toetsingscommissie van het openbaar ministerie.

De commissie, in de persoon van haar voorzitter of bij diens ontstentenis de vice-voorzitter, kon alle gegevens die ter kennis kwamen van de commissie, haar medewerkers of de onderzoeksgroep Fijnaut, verifiëren door kennisname van niet-geanonimiseerde en/of niet-gecodeerde gegevens. Bij de stukken waarbij sprake was van anonimisering en/of codering is regelmatig geverifieerd door de voorzitter of de vice-voorzitter wat de werkelijke gegevens waren. In een enkel geval leidde dat tot wijziging van de anonimisering.

De commissie heeft pas na langdurig overleg inzage gekregen in de complete geheime bijlagen bij de rapportage van de commissie-Wierenga. De geheime bijlagen bestaan uit een aanbiedingsbrief, delen van processen-verbaal van de gesprekken van de commissie-Wierenga met getuigen, en twee processen-verbaal van commissaris van politie te Rotterdam H.A. Jansen. Pas tijdens de verhoren bleek de commissie dat er sprake was van een inhoudelijke aanbiedingsbrief, met daarin belangrijke conclusies over de methode van het IRT Noord-Holland/Utrecht. Eerder had de commissie deze aanbiedingsbrief niet ter inzage gekregen van het ministerie van Justitie. Volgens de minister van Justitie was dit slechts te wijten aan een misverstand.

Op 20 oktober 1995 kreeg de commissie de beschikking over de aanbiedingsbrief en de processen-verbaal van Jansen. De ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken weigerden de geheime delen van de processen-verbaal van de getuigen van de commissie- Wierenga aan de commissie ter beschikking te stellen. Tien getuigen maakten bezwaar dat de commissie de beschikking kreeg over de geheime delen van hun processen-verbaal. Na intensieve gesprekken tussen de commissie en het kabinet is op 10 november 1995 afgesproken dat de commissie de beschikking krijgt over alle delen van de geheime bijlagen. Indien geciteerd wordt uit proces-verbaal van verhoren van getuigen die daartegen bezwaar hebben, wordt in overleg getreden met de minister van Binnenlandse Zaken.1 Hiermee werd voorkomen dat de commissie een oordeel aan de Kamer zou moeten vragen of het belang van de staat door de ministers zou kunnen worden ingeroepen. De commissie heeft, door te kunnen beschikken over de geheime bijlagen, een oordeel kunnen geven over de complete bevindingen van de commissie-Wierenga, in het licht van haar eigen onderzoek over de zogenaamde Delta-methode, die een bijzondere opsporingsmethode bij uitstek bleek te zijn.

De commissie meent dat deze afspraken hebben bijgedragen aan de mogelijkheden van de enquêtecommissie om verantwoord onderzoek te doen. Nadat in het begin de nodige verwarring was opgetreden, kon de commissie lopende het onderzoek beschikken over alle door haar gewenste gegevens. De rechten en bevoegdheden van de commissie zijn door de afspraken niet tekort gedaan.

1.2.4 Uitvoering onderzoek

De commissie heeft zeer veel documenten verzameld. In bijlage 1 is een lijst opgenomen van de documenten waarover de commissie kon beschikken. Indien een verstrekker een document als vertrouwelijk bestempelde, werd door de commissie daar als zodanig mee omgegaan. Dat neemt niet weg dat de commissie besloot in het belang van een verantwoorde rapportage in enkele gevallen over te gaan tot openbaarmaking van gedeelten van bepaalde documenten die eerder als vertrouwelijk waren bestempeld.1

In de periode januari tot en met mei 1995 heeft de commissie zich gericht op het verzamelen en bestuderen van documenten en het interviewen van betrokken personen. In totaal zijn met name door de stafleden ruim driehonderd personen geïnterviewd. In bijlage 1 is een lijst opgenomen van de geïnterviewde personen. De geïnterviewden werd toegezegd dat de informatie vertrouwelijk zou worden behandeld en dat niet rechtstreeks zou worden geciteerd uit de gesprekken dan met toestemming van de betrokkene.

Leden van de commissie en de staf hebben vele personen en organisaties bezocht in binnen- en buitenland. Op deze manier heeft de commissie getracht zich een beeld te vormen van de feitelijke opsporing. Enkele leden van de commissie en de staf zijn op bezoek geweest bij politie- en justitiefunctionarissen in België en Engeland.

De documentenanalyse en de gesprekken resulteerden in een lijst van voorlopige bevindingen, die als basis diende voor het verdere vervolg van het onderzoek en de selectie van de personen die de commissie zou willen horen. Hieraan werd tevens een discussie gekoppeld over de normering van methoden en organisatie.

In de maanden juni 1995 tot januari 1996 werden 128 gesprekken gevoerd door de commissie. In bijlage 1 is een lijst opgenomen met deze gesprekken. Deze gesprekken dienden een tweeledig doel. In de eerste plaats was het de bedoeling nadere gegevens van een bepaald persoon te verkrijgen over het onderwerp van de enquête. In de tweede plaats werden de gesprekken gebruikt als een selectiemiddel voor de te verhoren personen. Enkele gesprekken volgend op de verhoren dienden om vragen die waren ontstaan naar aanleiding van de verhoren te kunnen beantwoorden. De gesprekken vonden alle plaats in het gebouw van de Eerste Kamer. Van elk gesprek werd een stenografisch verslag gemaakt dat de geïnterviewde werd voorgelegd. Deze verslagen worden niet openbaar gemaakt. Zij dienden ter ondersteuning van de openbare verhoren en zijn gebruikt als achtergrondinformatie bij het opstellen van de rapporten.

Medio 1995 werden door de staf en de externe onderzoeksgroep de verschillende deelonderzoeken verder uitgewerkt. Daarmee werd bereikt dat eind augustus van alle deelonderzoeken een concept-rapportage beschikbaar was. Deze concept-rapportages alsmede de voorgesprekken vormden de basis voor een lijst van bevindingen.

1.2.5 Openbare verhoren

Het openbaar verhoren van getuigen is een essentieel onderdeel van een parlementaire enquête. Alle getuigen zijn door de commissie onder ede gesteld. De verhoren dienden vijf doelen. In de eerste plaats de waarheidsvinding. In de tweede plaats werd zo kennis genomen van de opvattingen van getuigen. Ten derde werden onduidelijkheden opgehelderd die uit de verschillende deelonderzoeken naar voren waren gekomen. In de vierde plaats verkreeg de commissie op deze wijze een openbare bevestiging van haar bevindingen. Tenslotte werd het publiek inzicht gegeven in de praktijk van opsporing en criminaliteitsbestrijding. De verhoren hadden tevens een publieke verantwoordingsfunctie. De commissie heeft zich terdege gerealiseerd dat de openbare verhoren bepalend zijn voor de meningsvorming over de enquête.

Om deze verschillende doelen zo goed mogelijk te verwezenlijken heeft de commissie gekozen voor een weloverwogen opbouw van de openbare verhoren. In de eerste verhoren werd een beeld gegeven van de georganiseerde criminaliteit in Nederland door de vier hoogleraren en enkele functionarissen uit de praktijk van politie en justitie. Vervolgens gaven getuigen inzicht in algemene aspecten van de verschillende methoden en organisaties van opsporing. Daarna werd expliciet aandacht besteed aan een aantal casus: de Delta-methode, het vervolg van de Delta-methode (CID Kennemerland, Gooi en Vechtstreek, Beveronderzoek), de zaak Charles Z., de zaak Henk R., de zaak AH Oosterbeek, de Laundry-zaak, de Ramola-zaak, de TCR/TCA-zaak, de infiltratiezaak Twente en de Copa-zaak. De verhoren eindigden met getuigen die politieel, justitieel, bestuurlijk en politiek verantwoordelijk zijn voor de sturing en controle van de opsporing en zodoende deze aspecten konden verduidelijken. De commissie heeft met de keuze van de te horen personen veel aandacht besteed aan gerezen moeilijkheden bij de opsporing. Deze aandacht was noodzakelijk om de feiten in de organisatie beter te begrijpen en een goed oordeel ten behoeve van de toekomst van de opsporing te kunnen vormen.

De voorgesprekken, de concept-rapportages en de lijst van bevindingen vormden de basis waarop besloten werd welke personen zouden worden verhoord. De commissie besloot dat telkens een week voordat verhoren plaatsvonden bekend zou worden gemaakt wie er die week zou worden verhoord. Daarmee was het voor de commissie mogelijk in te spelen op ontwikkelingen tijdens de verhoren. De oorspronkelijke lijst is daardoor sterk gewijzigd.

De commissie heeft 93 openbare verhoren gehouden in tien weken. In totaal zijn 88 personen in het openbaar verhoord. Een aantal personen is verzocht terug te komen voor een tweede verhoor. Voor de eerste keer werden de openbare verhoren van een enquêtecommissie rechtstreeks uitgezonden op televisie. De NOS heeft daartoe zelf het besluit genomen, waarmee de commissie heeft ingestemd. Ongetwijfeld heeft de enquête door deze rechtstreekse uitzendingen een extra dimensie gekregen. De commissie erkent dat de rechtstreekse uitzending voor sommige getuigen moeilijk kan zijn, maar voor het werk van de commissie zijn deze integrale live-uitzendingen positief geweest. Op deze manier was voor een ieder zichtbaar hoe in het openbaar verantwoording werd afgelegd voor en door de commissie.

Bij de verhoren van enkele getuigen zijn specifieke veiligheidsmaatregelen getroffen (vermommingen, begeleid binnenkomen en vertrekken, specifieke camera-opstelling, verbod op inzoomen, en filmen en fotograferen op de rug). Over deze veiligheidsmaatregelen vond steeds overleg plaats tussen de betrokken getuige, de betrokken minister en de commissie. Het verhoor van getuige Karstens1 op 25 september 1995 kon geen doorgang vinden toen de commissie op het allerlaatste moment werd geconfronteerd met voorwaarden van de minister van Justitie waarvan de commissie niet eerder in kennis was gesteld. Aangezien geen tijd meer was om tot nader overleg te komen, besloot de commissie zich er officieel van te vergewissen of getuige Karstens aanwezig was. Nadat de voorzitter de getuige had opgeroepen, bleek hij niet te verschijnen. Daarop was overleg met de minister van Justitie noodzakelijk. Dit overleg resulteerde in nadere afspraken over de voorwaarden waaronder personen zouden kunnen verschijnen in de openbare verhoren. Karstens is alsnog verhoord, zij het vermomd, op 2 oktober 1995.

Er hebben geen besloten verhoren onder ede plaats gevonden. De commissie was van mening dat de meerwaarde van een besloten verhoor voor haar werkzaamheden gering zou zijn. Het is, gezien de Wet op de Parlementaire Enquête, niet mogelijk een besloten verhoor rechtstreeks te gebruiken in een openbare rapportage. De commissie besloot geen geheime rapportage te schrijven om te voorkómen dat het openbare politieke debat slechts over een deel van de bevindingen zou kunnen gaan. Zij werd hierin gesterkt door de verwikkelingen rond de geheime bijlagen van de commissie-Wierenga.

Enkele getuigen bleken vanwege hun gezondheidstoestand niet in staat verhoord te worden door de commissie.1 De commissie heeft zich vergewist van de onmogelijkheid van een verhoor. Getuige Kuitert2 gaf persoonlijke redenen op om niet in het openbaar verhoord te kunnen worden. Op basis van schriftelijke vragen van de commissie heeft de getuige een ondertekend proces-verbaal gemaakt met de antwoorden op de vragen van de commissie. Dit proces-verbaal is opgenomen in bijlage 1.

De commissie constateert dat de Wet op de Parlementaire Enquête geen ruimte laat voor het uitbrengen van een openbaar verslag van een besloten verhoor. Zij heeft, in tegenstelling tot vorige enquêtecommissies, van die regel niet willen afwijken.

1.3 Opbouw rapport en bijlagen

In het eindrapport wordt het oordeel van de commissie over de bevindingen gegeven en worden aanbevelingen gedaan voor normering van organisatie en methoden. In elk hoofdstuk geeft de commissie een beschrijving van haar bevindingen, gevolgd door een beoordeling hiervan op basis van de beoordelingsvragen, die in paragraaf 1.4 van dit hoofdstuk zijn weergegeven.

In hoofdstuk 2 geeft de commissie haar beeld van de aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. In dit hoofdstuk komen de resultaten van de onderzoeksgroep Fijnaut aan de orde.

In hoofdstuk 3 wordt een uitgebreide beschrijving en beoordeling van het ontstaan, de werking en het vervolg van de Delta-methode gegeven. In hoofdstuk 4 gaat de commissie in op het gebruik van observatiemethoden en de zaak Charles Z., de zaak Henk R. en de TCR/TCA zaak. Hoofdstuk 5 gaat in op het runnen van informanten, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de Laundry-zaak. In hoofdstuk 6 beschrijft de commissie de vele aspecten van infiltratie. In dit hoofdstuk gaat de commissie in op de Ramola-zaak, AH Oosterbeek, Exportzaak Twente en de Copa-zaak. Tevens komt de combinatie van methoden aan de orde. In hoofdstuk 7 besteedt de commissie aandacht aan andere vormen van omgaan met informatie, zoals fenomeenonderzoek, financieel rechercheren en aan bestuurlijke rechtshandhaving. Bovendien komt de internationale dimensie van opsporing aan de orde.

In hoofdstuk 8 geeft de commissie haar bevindingen weer over de opsporingsorganisaties en inlichtingendiensten. In hoofdstuk 9 staat de sturing en controle van de opsporing centraal. Het eindrapport wordt afgesloten met hoofdstuk 10 dat de verantwoording, conclusies en voorstellen tot normering van methoden en organisaties bevat.

De commissie heeft naast het eindrapport elf bijlagen gepubliceerd.

In bijlage 1 wordt een uitgebreid overzicht gegeven van de werkwijze en de gevolgde procedures van de commissie. In deze bijlage zijn tevens enkele documenten opgenomen die de commissie openbaar wil maken. Aangezien tijdens deze enquête vertrouwelijke gegevens een essentiële rol speelden, is het van belang duidelijkheid te scheppen over de precieze procedure en werkwijze. Tevens wordt geprobeerd enkele aanbevelingen te doen voor toekomstige enquêtes.

De bijlagen 2, 3 en 4 worden gevormd door de stenografische verslagen van alle openbare verhoren.

Bijlage 5 geeft de resultaten weer van de onderzoeken van de commissie naar de gebruikte methoden en enkele relevante thema's. In deze bijlage worden de methoden observatie, infiltratie, informanten en andere vormen van omgaan met informatie uitgebreid beschreven. Tevens komen aan de orde de corruptiegevoeligheid van methoden, de informatiehuishouding, de internationale opsporing, rechtsvergelijking en de meest relevante jurisprudentie. In bijlage 6 komen de bevindingen van de interne organisatie-onderzoeken aan de orde. Alle relevante organisaties in de opsporing worden hier nader beschreven.

De bijlagen 7, 8, 9, 10 en 11 worden gevormd door de rapporten van de onderzoeksgroep Fijnaut. Bijlage 7 is het eindrapport van de leden van de onderzoeksgroep. De andere vier bijlagen worden gevormd door de deelstudies van de onderzoeksgroep Fijnaut. In bijlage 8 komen de autochtone en allochtone criminele organisaties aan de orde. In bijlage 9 wordt een weergave gegeven van de georganiseerde criminaliteit in de branches. Bijlage 10 geeft een beeld van de fraude en het witwassen in georganiseerd verband en de verbindingen tussen vrije beroepsgroepen (advocaten, notarissen en accountants) en de georganiseerde criminaliteit. In bijlage 11 tenslotte zijn de studies naar de georganiseerde criminaliteit in Amsterdam, Arnhem, Nijmegen en Enschede opgenomen.

HOOFDSTUK 2 GEORGANISEERDE CRIMINALITEIT IN NEDERLAND

2.1 Inleiding

Verantwoorde uitspraken over organisatie en methoden van opsporing vereist onderzoek naar de aard, omvang en ernst van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. De Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden heeft geconstateerd dat een eenduidig beeld van de aard, omvang en ernst van de georganiseerde criminaliteit in Nederland ontbreekt. Er bestaan zeer verschillende beelden van en opvattingen over de georganiseerde criminaliteit. Uitkomsten van wetenschappelijke studies over de georganiseerde criminaliteit komen niet steeds overeen met de door politie en justitie geschetste beelden. De werkgroep stelde een aantal vragen over de georganiseerde criminaliteit:

a. Welke categorieën misdrijven vallen onder noemer van de georganiseerde criminaliteit? Welke andere elementen dienen onderdeel uit te maken van een omschrijving van georganiseerde criminaliteit?

b. Wat is de aard van de georganiseerde criminaliteit in Nederland?

c. Waar bestaat het gevaar van verweving van de «onderwereld» en de «bovenwereld»?

d. Is uit de beschrijving van de aard van georganiseerde criminaliteit een beeld te herleiden van de omvang van de georganiseerde criminaliteit?

e. In hoeverre vormt de georganiseerde criminaliteit een bedreiging voor de democratische rechtsstaat?

Tevens vroeg de werkgroep aandacht voor het verschijnsel van contra-observatie: het door criminelen afluisteren en achtervolgen van politie- en justitiefunctionarissen. De werkgroep hoopte dat door nader onderzoek een beter kwalitatief beeld zou kunnen worden geboden van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Daarbij besefte de werkgroep dat het een illusie was te denken dat een parlementair onderzoek een alomvattend beeld zou kunnen opleveren. Een volledig kwantitatief onderzoek zou niet haalbaar zijn uit de aard van de zaak. Bij het betreffende onderzoeksonderwerp 'de criminele wereld' staat, zoals een ingewijde de voorzitter meldde, «de waarheidsvinding niet centraal».1

De commissie besloot tot een omvangrijk onderzoek naar de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit. Daarbij moesten bronnen worden gebruikt die in de al bestaande analyses van de georganiseerde criminaliteit nog niet systematisch zouden zijn verwerkt. Op een andere wijze dan tot nu toe zouden alle beschikbare gegevens moeten worden beschreven en geanalyseerd. De commissie heeft vier wetenschappers gevraagd onder haar verantwoordelijkheid het onderzoek naar de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit te verrichten. Deze verantwoordelijkheid van de commissie laat onverlet de wetenschappelijke onafhankelijkheid van de betrokken onderzoekers. De hoogleraren prof. dr C.J.C.F. Fijnaut (onderzoeksleider), prof. dr F. Bovenkerk, prof. dr G.J.N. Bruinsma en prof. dr H.G. van de Bunt hebben dit onderzoek in de periode februari 1995 tot en met augustus 1995 uitgevoerd. In de bijlagen 7 tot en met 11 zijn de rapporten van de onderzoeksgroep Fijnaut gepubliceerd. Zij heeft op extensieve wijze van politie-informatie, met inbegrip van CID-informatie, gebruik kunnen maken.

De commissie onderschrijft de bevindingen van de onderzoeksgroep Fijnaut. De commissie meent dat de onderzoeksgroep Fijnaut een goed beeld heeft geschetst van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. De combinatie van onderzoeksgegevens en de verwerking van vertrouwelijke politiegegevens geven evidente meerwaarde ten opzichte van de bestaande analyses. Dit onderzoek biedt een veelomvattend beeld van de omvang en aard van de georganiseerde criminaliteit. Op basis van dit omvattende beeld kan de commissie een meer gefundeerd oordeel geven over de ernst van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. De ernst van de georganiseerde criminaliteit kan worden beoordeeld als een beeld bestaat van de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit alsmede de schade die de georganiseerde criminaliteit aanricht.

In paragraaf 2 wordt kort ingegaan op de definitie van georganiseerde criminaliteit. In paragraaf 3 wordt een kort overzicht gegeven van de bestaande kennis op het terrein van de georganiseerde criminaliteit. De mogelijkheden en beperkingen van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit komen in paragraaf 4 aan de orde. In de paragrafen 5 tot en met 11 geeft de commissie een overzicht van de belangrijkste bevindingen van de onderzoeksgroep Fijnaut. Per onderdeel geeft de commissie een beoordeling van de aangetroffen situatie.

2.2 Definitie

De definitie van de georganiseerde criminaliteit geeft aanleiding tot veel verwarring. Velen hanteren een verschillende definitie. Het debat over de georganiseerde criminaliteit blijft vaak steken in discussies over de definitie van het verschijnsel. Zo hanteert de Divisie centrale recherche-informatie (CRI) een lijst van kenmerken om te kunnen bepalen of een groepering valt binnen de categorie van georganiseerde criminaliteit. Met behulp van de antwoorden op enkele vragen kan de organisatiegraad van de verschillende groepen worden aangegeven.

1. Is er binnen de groep sprake van een hiërarchische structuur met een min of meer vaste taakverdeling?

2. Is er sprake van een intern sanctiesysteem?

3. Tracht de groep zijn concurrentiepositie in de criminele wereld te handhaven door geweld te gebruiken tegen personen binnen het criminele milieu?

4. Houdt de groep zich bezig met het witwassen van geld?

5. Is er sprake van criminele contacten met overheidsfunctionarissen of met personen uit overigens legale bedrijven?

6. Wordt door de groep gebruik gemaakt van dekmantelfirma's?

7. Hebben de activiteiten van de groep zich reeds over een langere periode uitgestrekt?

8. Maakt de groep zich schuldig aan het plegen van meerdere soorten delicten?1

Indien een groep voldoet aan 0, 1 of 2 criteria dan wordt gesproken van laag georganisseerd. Als een criminele groep voldoet aan 3, 4 of 5 van deze criteria dan wordt de groep middelhoog georganiseerd genoemd. Een groep die aan 6, 7 of 8 criteria voldoet wordt hoog georganiseerd genoemd. In navolging van de CRI worden in stukken van politie en justitie criminele groeperingen beschreven aan de hand van deze kenmerken.2

De commissie vindt een meer open definitie van de georganiseerde criminaliteit noodzakelijk.3 De kenmerken van de CRI veronderstellen teveel een op zichzelf staande organisatie die volgens bureaucratische principes werkt. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat een dergelijk bureaucratisch beeld van de georganiseerde criminaliteit niet realistisch is.4 De commissie heeft gekozen voor de definitie van de onderzoeksgroep Fijnaut aangezien deze definitie alle wezenlijke elementen in zich heeft, terwijl niet eenzijdig wordt uitgegaan van één perspectief op de georganiseerde criminaliteit. In navolging van de onderzoeksgroep Fijnaut spreekt de commissie steeds over georganiseerde criminaliteit. De toevoeging «zware» is niet steeds noodzakelijk.

Van georganiseerde criminaliteit is sprake wanneer groepen van personen die:

a. primair gericht zijn op illegaal gewin,

b. systematisch misdaden plegen met ernstige gevolgen voor de samenleving en

c. in staat zijn deze misdaden op betrekkelijk effectieve wijze af te schermen, in het bijzonder door de bereidheid te tonen fysiek geweld te gebruiken of personen door corruptie uit te schakelen.

Het plegen van fysiek geweld door criminele groepen is niet alleen gericht op afscherming, maar kan ook andere doelen dienen zoals het dwingen of afstraffen van personen. De levering van illegale goederen en diensten op de bijbehorende zwarte markten (prostitutie, gokken, drugs, etc.) vormt de basis voor de georganiseerde criminaliteit. Daarnaast bestaan echter vormen van georganiseerde criminaliteit waarbij illegale activiteiten worden ontplooid om geld te verdienen in legale bedrijfstakken en nijverheden.

De commissie maakt een duidelijk onderscheid tussen georganiseerde criminaliteit en organisatiecriminaliteit. Van organisatiecriminaliteit is sprake indien leden van een legale organisatie participeren in het plegen van strafbare feiten zonder dat de organisatie als zodanig functioneert als een criminele organisatie. Leden van een legale organisatie plegen misdrijven in het kader van de uitoefening van hun reguliere taken, bijvoorbeeld bedrijven die systematisch frauderen met het betalen van belastingen en het afdragen van premies.

De heerVan de Bunt: Organisatiecriminaliteit is witte-boordencriminaliteit. Daarbij gaat het om misdrijven die worden gepleegd door gewone organisaties, in hun gewone dagelijkse doen. Men denke aan een transportbedrijf dat incidenteel een of twee vrachtwagens inzet voor het transport van bijvoorbeeld hasj van Marokko naar Nederland. Daarmee is er nog geen sprake van een georganiseerde misdaadbende. Het is een legaal en bona fide transportbedrijf dat zo nu en dan illegale bijverdiensten heeft. Dat noemen wij, «in de wetenschap», organisatiemisdaad. Het kan hierbij ook gaan om bakkerijen, wasserettes enz. die de belasting oplichten en die opbrengsten wegsluizen. Georganiseerde misdaad is heel wat anders. In die sfeer organiseren de mensen zich niet om een produkt te leveren, om te transporteren of brood te bakken. Daar is de organisatie primair gericht op het plegen van misdrijven, het verkrijgen van illegaal gewin. Eigenlijk moeten wij in dit kader niet spreken over organisaties omdat het geen organisaties zijn met een hiërarchische structuur, statuten en notulen van vergaderingen. Zo formeel gaat het natuurlijk niet. Het zijn groepen, vaste verbanden, die met elkaar samenwerken om misdrijven te plegen. Dat is de kern van het verschil tussen organisatiemisdaad en georganiseerde misdaad.1

De heerDe Graaf: (...) Andere onderzoekers maken onderscheid tussen georganiseerde criminaliteit en wat men noemt organisatiecriminaliteit. Hanteert u dat onderscheid ook?

De heerVan Duyne: Ja. Bij organisatiecriminaliteit gaat het om misdadige ondernemers, met de klemtoon op ondernemers. Zij plegen fraude om hun onderneming gaande te houden. Daarentegen hebben misdaadondernemers, in handel en nijverheid, zo'n bedrijfstrouw niet. Het eerste wat ze willen is gewoon poen maken, keiharde poen en het bedrijf mag afbranden, vervangen worden door een ander bedrijf en ga maar door. Daar tussenin zit natuurlijk wel een grijs gebied. In het dagelijks leven is niet alles zo helder uit elkaar te splitsen. Je kan grofweg zeggen dat bij een misdaadondernemer de klemtoon op misdaad ligt. Bij een misdadige ondernemer kan je zeggen dat zijn bedrijf niet puur afhankelijk is van het bedrog en de fraude die hij pleegt.2

2.3 Bestaand beeld

Het beeld van de georganiseerde criminaliteit bij politie en justitie is zeer divers.

De heerDe Graaf: (...) Hebt u nu het gevoel dat er een eenduidig – eenduidig is een germanisme, maar ik gebruik het woord toch maar – beeld bestaat bij u en uw collega's wat nu eigenlijk de bedreiging, de ernst en de omvang van de georganiseerde criminaliteit is? Is dat er op het niveau van de korpschefs? Of is er een heel divers beeld?

De heerIJzerman: Ik denk dat het algemene beeld redelijk overeenkomt, maar dat er sprake is van volstrekt verschillende persoonlijke ervaringen en volstrekt verschillende betrokkenheid, afhankelijk van de plek in het land waar je werkt. De informatie over ontwikkelingen wordt vrij algemeen gedeeld en is bekend.1

De CRI heeft in verschillende analyses getracht een kwantitatief beeld te geven van de criminele groepen die in Nederland actief zijn. De beleidsmaatregelen van de regering zijn grotendeels gebaseerd op dit kwantitatieve beeld. Wilzing, voormalig hoofd CRI, heeft in een rapport getracht de kwantitatieve gegevens in perspectief te plaatsen. Wetenschappelijk onderzoeker Van Duyne en anderen hebben in verschillende publicaties getracht op basis van empirisch onderzoek een kwalitatief beeld te geven van de georganiseerde misdaad.2

2.3.1 Kwalitatief beeld

In vervolg op het rapport Misdaadondernemingen uit 1990 heeft onderzoeker Van Duyne van het ministerie van Justitie nader onderzoek gedaan naar misdaadondernemers in Nederland.3

De heerDe Graaf: (...) U hebt uw boek de titel meegegeven «Het spook en de dreiging van georganiseerde misdaad». Daar lijkt een zekere tegenstelling in te zitten. Is het een echte tegenstelling of een paradox?

De heerVan Duyne: Het is geen paradox, het is een echte tegenstelling.

De heerDe Graaf: Wat is er zo spookachtig aan de georganiseerde criminaliteit?

De heerVan Duyne: In het voorwoord heb ik geschreven: het spookachtige zit in ons zelf, in onze voorstelling van de misdaad. Spoken zijn dingen van de geest en geen dingen van de stoffelijke werkelijkheid.

De heerDe Graaf: Spoken bestaan niet.

De heerVan Duyne: Wel. Voor degenen die ze waarnemen, zijn ze heel echt. Bij de kamerbehandeling in 1992 zag je spoken als echtheden rondwaren.

De heerDe Graaf: Het zijn geesten die verschijnen. Je kunt je afvragen of ze daadwerkelijk bestaan, maar in de ogen velen bestaan ze. Wat is nou het spookachtige?

De heerVan Duyne: Het spookachtige is een voorstelling van zaken in de zin van: de misdaad rukt op, de opmars van de misdaad. De ene keer was het de mafia, toen kwamen de Russische horden aanzetten. Iedere keer weer ontstond een dreigingsbeeld.

De heerDe Graaf: En dat dreigingsbeeld deugt niet?

De heerVan Duyne: Op een belangrijk aantal punten is het dreigingsbeeld als een fantoom voorgesteld. Er is zeer wel dreiging. Daarom spreek ik ook over het spook en de dreiging. Van het spook moeten wij af; de dreiging moeten wij onderkennen.4

Van Duyne beschouwt georganiseerde criminelen als illegale ondernemers die er op uit zijn om zoveel mogelijk winst te maken bij het vervullen van illegale functies, zoals het leveren van illegale goederen en diensten. Van Duyne spreekt van misdaadhandel in plaats van georganiseerde misdaad en hij gaat uit van een grote beweeglijkheid van misdaadmarkten: verschillende misdaadondernemers zijn op steeds wisselende markten actief onder steeds variërende omstandigheden. Hij geeft in 1995 een inhoudelijke schets van de roesmiddelenmarkt (hasj, heroïne, cocaïne, XTC) en de georganiseerde bedrijfsmatige misdaad na de bestudering van verschillende strafzaken. Van Duyne verwoordt het als volgt:

De vraag die beleid en politiek steevast stellen is: «Hoe erg is het nu met de georganiseerde misdaad. De uitkomsten van dit onderzoek laten zien, dat het op de georganiseerde misdaadmarkten behoorlijk onheilspellend kan spoken, Dit is slechts een algemeenheid. Maar hoe erg? Juist op deze vraag kan geen ondubbelzinnig antwoord gegeven worden. (...) Misdaadondernemers zijn ondermijnende, maar niet-revolutionaire burgers, die in hun normen en waarden veel minder afwijken van de geldende norm dan de nette burgers denken. Onze rechtsorde is ook zijn rechtsorde.1

De heerDe Graaf: Zoals u het beschrijft, komt het op mij een beetje over alsof de Hollandse georganiseerde criminaliteit echt oer-Hollands is: knus, gezellig, het valt allemaal wel mee en het is allemaal handel. Vroeger deed men in kaas en boter, nu in drugs, maar verder is er niets aan de hand. Is dat niet een beetje een karikatuur?

De heerVan Duyne: Nee, dat is geen karikatuur. Als het om een bepaalde vorm van handel gaat, moet je kijken naar het omringende landschap. De meeste mensen komen geestelijk niet verder dan de straat waarin zij geboren zijn. Dat geldt voor u en mij en ook voor mijnheer Bruinsma en andere misdadigers.

Devoorzitter: Dat heeft u niet kunnen vaststellen, maar dat is uw oordeel.

De heerVan Duyne: De handel is samengesteld. Wij hebben, zoals door Bovenkerk is beschreven, natuurlijk minderhedeneconomieën, maar dat is ook heel aards. Wat is natuurlijker dan dat, als een Turkse minderheid die in hoge mate toegang heeft tot een bronland wil gaan handelen, deze niet in koekoeksklokken gaat handelen maar in heroïne?

De heerDe Graaf: Hebt u geen Zwitsers in uw onderzoek betrokken?

De heerVan Duyne: Nee. Niemand gaat moeilijk doen. Je kan gerust zeggen dat iedereen altijd grijpt naar dat organisatiemodel en die handel welke het dichtst bij de deur liggen. Het gaat om heel pragmatische mensen.

De heerDe Graaf: En ze bedreigen de orde van de samenleving niet?

De heerVan Duyne: Zij bedreigen wel onze rechtsorde, maar het zijn geen uitdagers.2

Volgens Van Duyne is geweld niet altijd kenmerkend voor de georganiseerde criminaliteit:

De heerDe Graaf: Terug naar de basisvraag. U zegt: geweld is niet erg essentieel. Kent u markten die u onder georganiseerde criminaliteit laat vallen, waarin geweld en zelfs het dreigen ermee nagenoeg afwezig is?

De heerVan Duyne: Ja. Het is mij wel opgevallen dat een aantal Hollandse hasjhandelaren als gewone grondstoffenhandelaren te werk gingen. Alleen mag in die grondstof niet gehandeld worden. De chauffeurs werden goed betaald. Als die niet wilden smokkelen, mochten zij sinaasappelen vervoeren. Eigenlijk was iedereen tevreden. Zij maakten wel deel uit van de misdaadmarkt waarin geweldsporen te vinden zijn, maar zij wilden als ondernemers gewoon een onderneming hebben. In één geval stapte iemand zelfs uit zijn onderneming – ik heb dat beschreven – omdat zijn compagnon ook wat in cocaïne wilde doen. Hij zei: dat doe ik niet, want cocaïne is besmet met geweld en ik wil gewoon verkopen. Het is in hoge mate een eigen keus. Geweld is geen natuurverschijnsel, het is een keus en vaak een irrationele keus.3

Wilzing constateert in een vertrouwelijk rapport van maart 1994 een professionalisering van criminele organisaties.4

De heerDe Graaf: U sprak over professionaliteit, verdergaande professionalisering van georganiseerde misdaadgroepen. Betekent dit nu ook dat men zich op verschillende terreinen gaat begeven in dezelfde organisatie, die zowel in drugs kan handelen en natuurlijk een systeem moet hebben om het geld weg te sluizen als ook op andere markten: milieu, afvalverwerking?

De heerWilzing: De diversiteit in de verschillende markten is er echt in de tweede helft van de jaren tachtig nadrukkelijk gekomen. Dat is ook het hele punt. Het ligt eraan waar je je informatie vandaan haalt en waar je je informatie op richt. Kijk je naar de milieumarkt en zet je een stuk van de criminele inlichtingendienst met name op dat gedeelte, dan trek je daar ook steeds meer informatie uit. Hetzelfde zagen wij heel sterk in het informele Meldpunt ongebruikelijke transacties. Als je je sterk op die financiële markt richt, dan zie je heel andere patronen bovenkomen. Je koppelt systemen. Je koppelt legale systemen aan criminele systemen. Je koppelt de landelijke criminele inlichtingendienst aan een systeem als Vennoot, waar steeds nieuwe vennootschapjes worden opgericht en wat door justitie wordt bekeken, aan een kamer van koophandel. Dan krijg je een beeld, een palet dat er net weer even anders uitziet dan wanneer je vanuit de onderwereld naar boven kijkt. Wij zijn natuurlijk als politiebedrijf traditioneel – zo hebben wij de criminele inlichtingendiensten van huis uit opgebouwd; daar zit een enorme ontwikkeling, een veranderingsfase in – begonnen met kroegen bezoeken, de onderkant van de markt bekijken en proberen op die manier naar boven te kruipen. Dat is ons niet altijd even goed bevallen, om het zo te zeggen. Dat liep ook niet altijd even goed. Wij hebben wat dat betreft onze strategie veranderd. Dan praten wij misschien wat makkelijker over de divisie geweld of de divisie financiën, maar zo zit het natuurlijk niet bureaucratisch in elkaar. Dat is alleen om in grote brokken aan te geven wat de systemen zijn die in dit soort organisaties werken.In toenemende mate trachten criminele organisaties zich af te schermen.1

In toenemende mate trachten criminele organisaties zich volgens Wilzing af te schermen. Liquidaties, corruptie en proactief optreden van criminele groepen (contra-observatie) komen steeds vaker voor.

De heerDe Graaf: Ik kom bij mijn laatste vraag over de aard, ernst en omvang van de georganiseerde criminaliteit. Het gaat dan om het onderwerp corruptie, zoals ook vanochtend behandeld in verschillende gradaties. Wat is uw eigen beeld daarvan, dus van de ernst en de omvang? U heeft eerder gezegd dat u het als een wezenlijk element ziet, de kans op corruptie van de georganiseerde criminaliteit. Ziet u een trend van toenemende corruptie?

De heerWilzing: Ja.

De heerDe Graaf: Van toenemende risico's?

De heerWilzing: Ook als ik kijk naar de contacten die op de verschillende niveaus ontstaan tussen de criminele organisaties in de periode dat ik daarnaar kon kijken – ik praat dan over een stuk van mijn ambtelijke verleden – dan is het iets waar wij best bezorgd over waren. Dat is eigenlijk ook de reden waarom wij een soort revival hebben willen creëren, een soort bewustheid: let erop, ga ermee aan de gang, schoon daarop je eigen organisatie, kijk of de mensen er zuiver in zitten. In alle politiekorpsen zijn op het ogenblik projectgroepen aan de gang, die met name met politiële integriteit bezig zijn.

De heerDe Graaf: Bij corruptie gaat het niet alleen om corruptie in de politieorganisatie, maar veel breder. Ook de overheid.

De heerWilzing: Ja.

De heerDe Graaf: Ziet u ook in uw eigen korps, in uw eigen regio dat dat toeneemt?

De heerWilzing: Ik zie het binnen mijn eigen organisatie niet direct echt toenemen. Wat ik wel merk, is dat wij zelf harder en consequenter worden als er iets misgaat. Er is gelekt. Dan wordt er ook harder aangepakt.2

Daarbij wordt niet geschroomd gebruik te maken van het verspreiden van onjuiste informatie (desinformatie) door criminele organisaties waardoor functionarissen van politie en justitie in een kwaad daglicht kunnen komen te staan.

Criminele groepen zijn steeds vaker op de internationale markt actief. Daarbij veroorzaakt vooral het internationale karakter van geldstromen moeilijkheden voor de opsporing. Wilzing spreekt tevens over het innestelen in de bovenwereld door de investering van criminele gelden die niet meer voor eigen consumptie worden aangewend. Beroepsgroepen zoals notarissen, advocaten en accountants zouden worden gecorrumpeerd om dekmantelfirma's op te richten. Ten slotte waarschuwt Wilzing voor het gevaar van corruptiepogingen ten aanzien van de overheid door criminele groepen.

2.3.2 Kwantitatief beeld

In het verleden zijn er verschillende pogingen gedaan om een kwantitatief beeld te geven van de georganiseerde criminaliteit.1 De onderlinge vergelijkbaarheid van deze analyses is gering.2 Het meest recente kwantitatieve beeld wordt gegeven in de landelijke inventarisatie criminele groeperingen 1995 door het Coördinerend beleidsoverleg (CBO).3 Deze inventarisatie vond plaats op basis van ter beschikking gestelde politiegegevens, waaronder CID-gegevens. Het CBO benadrukt dat de waarde van de kwantitatieve gegevens relatief is vanwege de geringe betrouwbaarheid van CID-gegevens en de afhankelijkheid van de subjectieve interpretatie van de criteria door de personen die de gegevens leverden. Een vergelijking tussen de cijfers van de kwantitatieve analyses en de kwalitatieve analyses is vaak moeizaam.

De heerDe Graaf: Verschillen die inventarisaties, die vier die er zijn geweest, onderling in methode voorzover u weet?

De heerWilzing: De methode is elke keer verfijnd en aangepast. In 1985 beslissen wij dat wij met misdaadanalyse komen. In 1987 hebben wij de eerste misdaadanalisten opgeleid en wordt er een besluit genomen door een kleine groep hoofdcommissarissen, de directeur-generaal Politie van Justitie en de generaal van de rijkspolitie, toen nog in de oude organisatie, om toch eens een inventarisatie te maken van, zoals dat toen heette – dan moet ik dat even erbij halen – ook criminele groeperingen. Dat heet dus even anders, veel algemener. Dat is gebaseerd op, zoals wij dat toen noemden, omvang, aard, niet de ernst, en werkgebied van criminele doelgroepen in Nederland. Vanuit dat beeld, dat plaatje is dat destijds door Sietsma, dus door de Amsterdamse club, heel sterk gepromoot. Toen hadden wij eigenlijk een vijftal criteria, de meest eenvoudige criteria: hiërarchische opbouw, sancties, witwassen, corruptie en meer delicten of minder delicten. Dat systeem was sterk afhankelijk van wat de criminele inlichtingendiensten aanleverden. De criminele inlichtingendiensten zijn officieel pas in 1987 gestart. Later is dat beeld veranderd en ging het er ook anders uitzien. In 1989 waren wij verder en hadden wij een hoger aantal criteria. Alleen hadden wij elke keer het probleem bij deze analyses dat, als wij meldden dat wij 599 formulieren terug hadden gekregen, dat ook werd beschouwd als 599 groepen. Daar zaten dan misschien nog wel wat dubbeltellingen in. Die werden er ook uitgehaald. Vervolgens kreeg je de indruk dat alles wat met drie of meer bij elkaar zat en criminaliteit bleek een criminele organisatie was. Voor ons was dat wel eens moeilijk als wij in het buitenland kwamen. Dan zeiden de Italianen: wij hebben drie criminele organisaties. Wij hadden er dan 599. Het was buitengewoon vervelend om dat uit te leggen. Zij spraken over stromingen en wij werkten dat eigenlijk kil, klinisch uit. Vanuit die positie kreeg je een bepaald beeld, waarbij wij wel eens met een variant op de belasting zeiden: leuker kunnen wij het ook niet maken.

Devoorzitter: Die term was er toen nog niet.

De heerWilzing: Neen, dat klopt. Maar wij hadden wel het voortdurende probleem dat wij vastliepen op het feit dat de boodschapper van het nieuws enigszins werd afgemaakt. Het was onprettig nieuws. Het was bovendien allemaal informatie – zo hoorde het ook – van de korpsen. Daarvoor hadden wij een formule bedacht, waar ikzelf een groot voorstander van was. Het waren dus ook niet onze inventarisaties. Het waren de inventarisaties van de Centrale politie- en recherchecommissie. Het waren de inventarisaties later van het CBO. U vraagt misschien: waarom maakten jullie niet een verhaal zoals Fijnaut vanmorgen heeft gepresenteerd? Daar waren die inventarisaties niet voor. Dat was ook onze taak niet. Dat zou een taak horen te zijn of kunnen zijn voor bijvoorbeeld een Wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum. Dan zie je ook het schuiven van de ene naar de andere kant. Wij begonnen met ons een beeld te verschaffen en het werd steeds meer een «management-tool» – zo heb ik het ook genoemd – om groepen aan te pakken. Neem de derde analyse in 1993. Daar hoort ook een dossier onder te liggen waarin alle groepen op naam en toenaam precies zijn uitgewerkt en waarbij je kunt zeggen: dat zouden de groepen horen te zijn die wij moeten kunnen aanpakken. Dan kom je op het probleem: kun je ze aanpakken of is het niet relevant? Kun je het alleen rigide aan de hand van de criteria doen of – dat is een stap verder – zou je het op een andere manier moeten doen? Als er bijvoorbeeld plotseling een liquidatie plaatsvindt of er gaat iets anders gebeuren, dan is er een prioriteitsstelling die er net weer even anders uitkomt. Bij de laatste analyse waren wij zover dat wij ook het beeld konden geven van de groepen die aangepakt waren.

De heerDe Graaf: Dat hebben wij begrepen. Nou is er nogal wat verschil in die analyses door de jaren heen. Dat heeft naar ik aanneem ook te maken met het voortschrijdend inzicht. Toch is het op zichzelf opmerkelijk dat in de eerste analyse van heel veel groepen er uiteindelijk drie worden gedefinieerd als «hooggeorganiseerd» en dat er in volgende analyses, twee en vier jaar later, plotseling 98 respectievelijk 100 groepen hooggeorganiseerd zijn. Heeft dat te maken met de enorme ontwikkeling van de georganiseerde criminaliteit in vier, vijf jaar tijd? Of zegt u: de eerste analyse was gewoon te gebrekkig wat de methode betreft; wij hebben daarna veel verfijnder kunnen werken en dus kregen wij veel meer informatie?

De heerWilzing: Ik denk dat je mag zeggen dat wij in de loop van de tijd een beter inzicht hebben gekregen, dat wij gedifferentieerder met ons meetinstrument aan de gang konden en dat wij daardoor ook een duidelijker zicht kregen. Je ziet ook in de analyses zoals die zich ontwikkelen van 1993 naar 1995 een meer constante vorm. Fijnaut spreekt over 30 à 35 groepen. Wij komen met 100 groepen. Het hangt er ook van af hoe je scala, je meetinstrument is. Twee criteria is laag, zeer laag, van drie tot vijf is midden en van zes tot acht is hoog. Misschien moet je zeggen «alleen acht», maar omdat wij elke keer vragen en ook kritiek kregen, hebben wij gezegd: wij kunnen het op dit moment niet beter bedenken; als u een beter systeem heeft, graag. Wij hebben ook alle wetenschappers bij elkaar gezet in 1993. Wij hebben een uitstekende bijeenkomst gehad. Ik ben er helaas maar heel even bij geweest. Wij hebben toen gezegd: wie het beter kan, mag het zeggen, graag. Elke keer, in elke inventarisatie hebben wij steeds twee problemen. Ten eerste, het wordt enorm zwaar opgepakt en dat wilden wij helemaal niet, onder geen voorwaarde. Ten tweede, het is voortdurend relativeren wat erin staat. Wij hebben de wijsheid niet in pacht, wij zoeken naar een goede methode, vooralsnog lijkt ons dit een methode; wie het weet, mag het zeggen.1

In totaal leverde de inventarisatie 1995 450 actieve criminele groepen op, waarvan het merendeel actief was in de handel in harddrugs (66%) en in softdrugs (39%). In totaal werden 100 groepen als hoog georganiseerd gekwalificeerd.

Van de 100 hoog georganiseerde groepen zijn 44 homogeen van Nederlandse afkomst en 21 groepen zijn homogeen van buitenlandse afkomst (10 groepen afkomstig uit Turkije, 11 overige groepen uit Marokko, Suriname, Iran, China en Oost-Europa). De andere criminele groepen zijn heterogeen samengesteld. Van de 100 hoog georganiseerde groepen hebben 77 groepen criminele contacten met politie, bijzondere opsporingsdiensten, justitie, bedrijfsleven, openbaar bestuur, advocaten, notarissen en accountants. De aard van de criminele contacten blijft onduidelijk.2

In totaal zijn tot nu toe 33 hoog georganiseerde groepen ontmanteld. Volgens de inventarisatie zijn er op dit moment nog 100 criminele groepen actief. Tegen 34 van deze groepen loopt momenteel een recherche-onderzoek.

De heerWilzing: Op grond van de informatie en de kwaliteit daarvan die wij over die periode konden genereren bij de politie, denk ik dat wij naar beste kunnen de groepen eruit hebben gehaald. Wij hebben alleen bij het analyseren daarvan geconstateerd dat groepen die door de betreffende criminele inlichtingendienst aangegeven werden als buitengewoon belangrijk en aan te pakken niet altijd als hoogste op de lijst kwamen en dus ook daadwerkelijk werden aangepakt.3

Vergelijking met de eerdere kwantitatieve analyses is nauwelijks mogelijk aangezien bij elke analyse een andere vragenlijst is gehanteerd en andere personen zijn benaderd. De inventarisatie geeft daarmee een beeld van een bepaald moment. De auteurs stellen nadrukkelijk dat het primaire doel van de inventarisatie ook is om te kunnen bepalen welke criminele groepen bij voorrang dienen te worden aangepakt. Slechts secundair geeft de inventarisatie inzicht in de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. De inventarisatie geeft een beeld, maar dat beeld is maar beperkt.

De heerGonsalves: (...) Wij zijn er nog niet; wij zijn op weg. Vandaar ook dat in de recente conferentie van het CBO heel lang is gesproken over de werking van de criteria. Wij hebben geconstateerd dat wij op dit moment niet beter hebben, maar wij hadden wel het gevoel dat het beter zou moeten. Daarom hebben wij afgesproken dat wij ermee door gaan. Er zijn twee werkgroepen bezig om nog voor het eind van het jaar een nieuwe conferentie te organiseren, waarin wij echt gaan proberen er verder in te gaan. Wij hebben ook gezegd dat wij moeten profiteren van onderzoeken van de heer Fijnaut en de zijnen en bekijken of wij daar methodieken uit kunnen halen om de prioriteitsstelling te verbeteren. Het is dus maar een voorlopige methode, maar wij hebben gezegd: wij moeten nu wat doen; wij kunnen niet eindeloos studeren en wachten, want de criminaliteit moet nu worden aangepakt en laten wij daarom proberen om een aantal criteria vast te stellen.1

2.3.3 Beoordeling

Het is moeilijk op basis van deze gegevens een onderbouwd oordeel te geven over de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. De minister van Justitie concludeerde in de nota De georganiseerde criminaliteit in Nederland (1992) het volgende:

De dreiging die van de hedendaagse criminele organisaties uitgaat voor de Nederlandse samenleving moet naar ons oordeel vanwege de vergaande economische en morele implicaties zeer ernstig worden genomen.2

Dit oordeel werd in deze nota niet door kwalitatief onderzoek nader onderbouwd. Ontegenzeggelijk is de laatste jaren de kennis over het verschijnsel georganiseerde criminaliteit toegenomen. De nadruk heeft binnen politie en justitie vooral gelegen bij de kwantitatieve analyses op basis van het CRI-model.

De commissie meent dat een beter kwalitatief en kwantitatief beeld van de georganiseerde criminaliteit kan worden geschetst. In de afgelopen jaren ontbrak naar het oordeel van de commissie een dergelijk beeld. De noodzaak tot een meer actieve bestrijding van de georganiseerde criminaliteit werd allerwegen gevoeld. Dat leidde binnen politie, justitie, bestuur en politiek tot veel discussie, maar ook tot misverstanden over de ernst van de problematiek. Het ontbreken van een algemeen aanvaard beeld maakte dat er ook meningsverschillen ontstonden over de te nemen maatregelen. Omdat politie, justitie, bestuur en politiek het probleem van de georganiseerde criminaliteit verschillend interpreteerden, ontstonden er verschillen in de beoordeling van de te gebruiken methoden. De vertrouwelijkheid van de CRI-analyses droeg bij aan deze verscheidenheid.

Een beter onderbouwd kwalitatief en kwantitatief beeld van de georganiseerde criminaliteit was wenselijk geweest, vooral om een werkelijke inschatting van het probleem en betere keuzes te kunnen maken. De basis voor het te voeren beleid zou minder ter discussie hebben gestaan. De keuze van de te onderzoeken zaken zou meer richtinggevend zijn geweest. Regering en parlement, maar ook de Nederlandse publieke opinie zouden de werkelijke problematiek van de georganiseerde criminaliteit beter hebben kunnen beoordelen.

2.4 Onderzoek georganiseerde criminaliteit

De commissie heeft de vier hoogleraren gevraagd onderzoek te doen naar drie onderdelen:

– inventarisatie van de problematiek rond de definiëring van het begrip georganiseerde criminaliteit;

– mogelijkheden en beperkingen van onderzoeksmethoden naar georganiseerde criminaliteit;

– feitelijke aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit.

De eerste twee vragen zijn beantwoord in het eindrapport van de onderzoeksgroep Fijnaut. Ter beantwoording van de derde vraag stonden de navolgende vragen centraal:

– Wat voor groepen maken zich in dit land schuldig aan georganiseerde criminaliteit?

– Welke vormen van georganiseerde criminaliteit worden door deze groepen bedreven?

– Op wat voor manieren worden deze vormen van georganiseerde criminaliteit gepleegd?

– En hoe worden de inkomsten uit het plegen van georganiseerde criminaliteit besteed?

De onderzoeksgroep Fijnaut heeft een onderzoeksstrategie gehanteerd waarbij enerzijds op nationaal niveau een aantal deelstudies is gemaakt en anderzijds op lokaal niveau onderzoek werd verricht. Zowel in het nationale onderzoek als in de lokale onderzoeken is aan de hand van een analyseschema onderzocht welke groepen zijn betrokken bij het plegen van georganiseerde criminaliteit en welke vormen van georganiseerde criminaliteit door deze groepen worden bedreven.

Om deze vragen te kunnen beantwoorden is gebruik gemaakt van verschillende bronnen en methoden. De onderzoeksgroep heeft de openbare literatuur en rapporten over de thematiek geanalyseerd. Daarnaast zijn vele gesprekken gevoerd met politie- en justitiefunctionarissen en vertegenwoordigers van branches, allochtone groepen en vrije beroepsbeoefenaren, die een schat aan informatie opleverden over de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Op basis van de bevoegdheden van de commissie heeft de onderzoeksgroep inzage gekregen in een breed scala aan documenten.1 Een groot deel van deze documenten is vertrouwelijk. Het gaat hierbij deels om vertrouwelijke rapporten over concrete strafrechtelijke onderzoeken en deels om informatie van de criminele inlichtingendiensten. Dit betreft voornamelijk analyses van specifieke criminele groeperingen die door een CID of een tactische recherche-eenheid waren vervaardigd.2

Het gebruik van politiebronnen, en meer specifiek van CID-gegevens, herbergt verschillende risico's. Het is onduidelijk in hoeverre de verzamelde gegevens met de werkelijkheid overeenstemmen. Het gaat namelijk vaak om gegevens waarvan de juistheid door nader onderzoek nog niet definitief is vastgesteld. Sommige politiegegevens geven een meer vaststaand beeld weer. Bovendien is het beeld dat ontstaat door een analyse van politiebronnen per definitie vertekend. De onderzoekers zien datgene waaraan de politie de afgelopen jaren aandacht heeft besteed. Criminaliteit waaraan de politie een geringe prioriteit heeft gegeven of milieus waarin zij geen informanten heeft, blijven al vlug buiten het beeld van de politie. Het feit dat de politie pas in de jaren tachtig aandacht heeft besteed aan de georganiseerde criminaliteit betekent dat slechts een beperkt beeld beschikbaar is. De kwaliteit van de rapporten en analyses is daarenboven zeer verschillend naar omvattendheid en inhoud. De analyses richten zich primair op die aspecten die strafrechtelijk van belang zijn en dat zijn niet altijd de aspecten die van belang zijn voor een goed beeld van de georganiseerde criminaliteit. De onderzoekers konden echter op deze manier beschikken over gegevens van politie-onderzoeken waaraan veel tijd en aandacht is besteed. De beschikbare politie-onderzoeken gaven een grondig onderzocht beeld van een deel van de georganiseerde criminaliteit.

Devoorzitter: Heeft u een goede afweging kunnen maken van de waarde van de gegevens van de politie ten opzichte van andere gegevens? Ik kan mij voorstellen dat er ten aanzien van sommige groepen veel meer gegevens zijn dan ten aanzien van andere of dat er ten aanzien van sommige activiteiten veel meer bekend is dan ten aanzien van andere.

De heerFijnaut: Die onevenwichtigheid, kwantitatief en kwalitatief, in de politiedocumentatie maakt het zeer moeilijk om vanuit een algemeen stramien een evenwichtig, afgewogen beeld van de situatie te schetsen. Wij hebben geprobeerd om de drie bronnen van de politie, de algemene verslagen, rapportages en politie-informatie, op elkaar te betrekken en om nooit op één bron af te gaan, om op die wijze, wat betrouwbaarheid betreft, een zo goed mogelijk beeld te krijgen. Het feit dat over bepaalde groepen in Nederland heel weinig bekend is, gewoon omdat er niet systematisch onderzoek naar is verricht door politie en justitie of door anderen, heeft ons genoopt tot een rapport ten aanzien waarvan wij zeggen dat wij op een aantal terreinen vrij goed zijn ingeschoten en een beeld kunnen voorzetten dat naar onze smaak deugt, maar dat wij op andere terreinen moeten erkennen dat wij veel minder of heel weinig weten.1

Een en ander impliceert dat op onderdelen de nodige voorzichtigheid geboden is bij de interpretatie van de gegevens. Desalniettemin is de commissie van oordeel dat de onderzoeksgroep Fijnaut door de combinatie van bronnen en de wijze waarop in het onderzoek is omgegaan met vertrouwelijke informatie, een uniek beeld geeft van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het beeld dat in dit rapport wordt geschetst, is het best mogelijke beeld op dit moment.

Devoorzitter: Maar als uw eindrapportage klaar is, mogen wij er dan van uitgaan dat de enquêtecommissie, en daarmee hoop ik ook Nederland, toch beter weet hoe de werkelijkheid in elkaar steekt?

De heerFijnaut: Ja, daar ben ik van overtuigd. Anders had ik dit onderzoek nooit aangenomen. Ik denk dat de meerwaarde van dit project op twee manieren in elkaar zit. Als je er dag en nacht aan werkt, vraag je je ook wel eens af waar je mee bezig bent en of het de moeite loont. Mijn idee is dat de meerwaarde, en daarmee de betekenis, in tweeërlei opzichten verduidelijkt kan worden. In de eerste plaats is volgens mij de meerwaarde gelegen in de aanpak, de methode. Wij hebben geprobeerd om zo systematisch mogelijk te werken, naar illegale activiteiten, branches, nationaal en lokaal, met een zo breed mogelijke systematische raadpleging van de beschikbare bronnen. Dat geeft in elk geval een stuk minder onzekerheid over wat in Nederland de problemen zijn. In de tweede plaats durven wij, als je naar de resultaten kijkt, in een aantal opzichten te zeggen dat ons beeld beter, scherper en nuttiger is, ook met het oog op de normeringsproblemen.2

In de onderstaande paragrafen worden de belangrijkste bevindingen uit de rapportages van de onderzoeksgroep Fijnaut weergegeven. Deze bevindingen vormden voor de commissie de uitgangspunten voor haar oordeel over de ernst van de georganiseerde criminaliteit. Nadat de commissie over de onderscheiden onderdelen een oordeel heeft geformuleerd over de ernst van de problematiek, volgt in de laatste paragraaf van dit hoofdstuk een omvattend oordeel over de aard, omvang en ernst van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het is wezenlijk per onderdeel een oordeel te vormen aangezien de omvang, aard en ernst van de georganiseerde criminaliteit variëren per type groep en type criminaliteit.

2.5 Autochtone groepen

Het onderzoek naar criminele groepen in Nederland is onderverdeeld in twee delen: autochtone groepen en allochtone en buitenlandse groepen. Dit onderscheid is gemaakt omdat belangrijke verschillen bestaan tussen deze soorten groepen. De «Hollandse netwerken» hebben hun basis in Nederland zelf, terwijl in allochtone gemeenschappen in Nederland criminaliteit voorkomt die direct verbonden is met de drugeconomie in het land van herkomst, te weten Suriname, Turkije en Marokko. De verbinding met de drugeconomie in deze landen heeft duidelijk andere effecten op de allochtone gemeenschappen in Nederland dan op de Hollandse netwerken, waarin allochtonen overigens ook een rol kunnen vervullen. Daarnaast zijn er buitenlandse criminele groepen die nauwelijks een binding hebben met personen van die nationaliteit in Nederland. In deze paragraaf komen de autochtone criminele groepen aan de orde.

2.5.1 Aanleiding onderzoek

De zogeheten Hollandse netwerken spelen een belangrijke rol in de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Het gaat daarbij om criminele organisaties waarvan de deelnemers overwegend bestaan uit personen die Nederland als land van herkomst hebben.

2.5.2 Geschiedenis

In de Nederlandse geschiedenis hebben bendes bestaan die voldoen aan de hedendaagse definitie van georganiseerde criminaliteit. Georganiseerde criminaliteit is in Nederland geen recent verschijnsel. Het is ook geen verschijnsel dat recent door buitenlanders en allochtonen naar Nederland is gebracht. De georganiseerde criminaliteit heeft diepe wortels in de Nederlandse samenleving.

De Bruinsma-clan was in de voorbije decennia de eerste groep die met behulp van geweld een weg naar de top van de hasjgroothandel vond. Klaas Bruinsma had organisatietalent waardoor hij in staat was een harde kern van tien man te sturen. Daarnaast werd Bruinsma constant geadviseerd door allerlei personen die legale bedrijven hadden. Opvallend was het gebruik van excessief geweld. De Bruinsma-clan bleef lang buiten schot van de politie. Er zijn aanwijzingen dat Bruinsma het geld dat hij verdiende, investeerde in legale activiteiten.

2.5.3 Huidige criminele groepen

De autochtone georganiseerde criminaliteit van dit moment houdt zich vooral bezig met grootschalige drugshandel. De onderzoeksgroep Fijnaut heeft zeven toonaangevende criminele groepen nader bezien. Deze groepen zijn hoofdzakelijk actief in de grootschalige hasjhandel en in mindere mate in de handel in cocaïne en heroïne, amfetamine en XTC-preparaten, en nederwiet. De autochtone georganiseerde criminaliteit is klassiek van aard: levering van illegale goederen en diensten.

Het begrip «octopus» dat wel als aanduiding van bepaalde criminele groepen in Nederland is gebruikt, verwart eerder dan dat het een duidelijk beeld geeft.

De heerFijnaut: Dat beeld lijkt mij absoluut verkeerd. Er zijn meerdere groepen en zij werken zeker samen, daar ben ik van overtuigd. Zij wisselen relaties uit. Zij – ik gaf het voorbeeld van Zeewolde – investeren samen in één of twee grote partijen. Zij lenen misschien elkaars transporteurs uit. Van dat soort verbindingen, contacten en samenwerking is zeker sprake. Ik merk daar direct bij op dat, evenals ten aanzien van het probleem van het geld, veel onderzoeken door de Nederlandse politie zijn ingesteld naar deze groepen, maar die onderzoeken houden precies op waar de samenwerking tussen de verschillende groepen begint, omdat men vreest in eindeloze onderzoeken terecht te komen.1

Het gaat om duizenden individuen, groepen en netwerken die soms met elkaar samenwerken, soms elkaar tegenwerken, waarbij sommigen een zekere coördinatie bewerkstelligen. De Nederlandse georganiseerde criminaliteit vormt een diffuus en constant veranderend netwerk van individuen en groepen.

Devoorzitter: Het valt mij op dat u niet spreekt van de criminele organisatie met een duidelijke structuur van boven naar beneden.

De heerFijnaut: Ik ben een beetje huiverig voor het begrip «organisatie» in dit verband, vooral ook omdat het al vlug associaties oproept met een stukje bureaucratie waarin de verhoudingen helder zijn, zowel functioneel als naar verantwoordelijkheid, in de zin dat duidelijk is wie de baas is en wat het middenkader en het voetvolk is. Als je echt goed kijkt naar groepen, liggen die verhoudingen meestal veel diffuser. Dat is begrijpelijk. Als men illegaal opereert, als men een illegale onderneming runt, loopt men natuurlijk groot risico om door de overheid aangepakt te worden. Dus je hebt er alle baat bij om je zo onhelder mogelijk te organiseren. Alle helderheid is in feite een cadeau aan politie en justitie om meer en sneller zicht op je werkwijze, je verhoudingen en je handel te krijgen. Dat begrip «organisatie» sluit eigenlijk niet goed aan op wat de werkelijkheid in onze ogen te zien geeft.2

De onderzochte autochtone criminele organisaties kennen een verschillende interne structuur. De enkelvoudig samengestelde druggroothandelgroepen exploiteren één druglijn. Zij trachten eventueel overheidsoptreden in hun richting te voorkomen door middel van contra-observatie, corruptie en intimidatie.

Groep A exploiteerde een hasjlijn op Marokko. De harde kern van groep A bestond uit ongeveer 30 tot 40 personen waaronder vijf transporteurs, twee monteurs en drie incasseerders. De voorman van groep A had de nodige moeite de groep bij elkaar te houden. Hij moest vaak dreigen met geweld. Het ophalen van de hasj gebeurde met tevoren geprepareerde vrachtwagens, deels per schip en deels per containers. Groep A verkocht de hasj zo snel mogelijk naar een vijftal netwerken van coffeeshops in de eigen streek. Jaarlijks maakt groep A 10 tot 20 miljoen winst. Dit geld werd voor een klein deel besteed aan eigen welzijn maar voor een groot deel werd het geïnvesteerd in auto-bedrijven. De leider van groep A bemoeide zich intensief met het operationele werk. Groep A deed in omvangrijke mate aan contra-observatie

Daarnaast zijn er meervoudig samengestelde druggroothandelsgroepen, die zich richten op druglijnen naar meer landen. De inkomsten van deze groepen worden deels teruggeleid in de criminele handel en deels legaal geïnvesteerd in Nederland en in het buitenland.

Groep B werd geleid door «kamper» C die gezien werd als een van de grootste handelaren in Nederland. Hij controleerde drie hasjlijnen uit Pakistan en Libanon, in 1988 samen goed voor ongeveer 30 ton. Politie en justitie twijfelden er niet aan dat C verschillende mensen had laten ombrengen. C was niet zo zeer leider van een criminele groep maar eerder een makelaar in illegale goederen. C probeerde het risico van de hasjtransporten ook zo veel mogelijk te spreiden. Groep B heeft zich toegelegd op zeer riskante, maar ook zeer lucratieve grote partijen drugs.

Daarnaast zijn er groepen die zich tussen beide andere groepen bevinden. De leiders daarvan stammen uit de kring van de woonwagenbewoners. De bazen bemoeien zich nog intensief met het exploiteren van de drugslijnen. Er is een grote bereidheid tot het gebruik van geweld.

Groep D had een leider E die de naam had een geweldenaar te zijn. Hij ripte partijen drugs uit handen van andere criminele organisaties. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor liquidaties van ettelijke personen. E kon terugvallen op een omvangrijke groep handlangers, maar ook op een advocaat, een accountant, een bankemployé en een medewerker van een Kamer van Koophandel. De belangrijkste drugslijn die groep D exploiteerde was een lijn op Marokko. Langzaam werden hasjlijnen met andere landen uitgebouwd. De groep deed al het mogelijke om de interne communicatie geheim te houden.

Slechts een enkeling investeert in legale sectoren. Het merendeel van deze criminele organisaties gebruikt het met criminele activiteiten verdiende geld voor eigen consumptie en verbetering van de bedrijfsvoering. Van substantile vermenging van crimineel geld met legale geldstromen is voor wat betreft deze groepen geen sprake. Deze criminele organisaties kunnen over zeer omvangrijke geldbedragen beschikken.

De heerFijnaut:(...) Als ik spreek over die zeven groepen en ik kijk naar de transporteurs en naar de becijferingen die zijn gemaakt van de omzet die is gedraaid over twee, drie, vier jaar, dan heb je het misschien over 40, 50, 60, 70 miljoen per groep. Daar moeten dan nog allerlei kosten vanaf.

Devoorzitter: Bruto?

De heerFijnaut: Ja, bruto. Er moet van alles vanaf; tickets voor het vliegtuig, benzine voor de roeiboot! Bij die meervoudige groothandelsgroepen spreek je al vlug over honderden miljoenen: 400, 500, 600 miljoen. Dat zijn gigantische bedragen.1

Een verantwoorde schatting van de totale omvang van het door criminele organisaties verdiende geld is nauwelijks mogelijk.2

Het zijn vooral de autochtone criminele topgroepen die contra-strategieën toepassen. Op verschillende wijzen trachten enkele criminele organisaties door observatie van politie- en justitiefunctionarissen en corrumperende activiteiten het functioneren van politie en justitie te frustreren.

2.5.4 Netwerken op middenniveau en uitvoerders

Naast de top van de criminele organisaties bevinden zich criminele netwerken waarbij de leiders contact hebben met leden van de onderzochte zeven organisaties en de criminele uitvoerders. Zij vormen deels groepen op zichzelf. Netwerken op het middenniveau zijn er zeer veel. De leden van een aantal van die netwerken hebben voortdurend contact met elkaar.

De Hells Angels vormen een dergelijke tussengroep. Zij investeren in horeca-ondernemingen, motorhandel en onroerend goed. De financiële middelen komen uit de handel in verdovende middelen, wapenhandel en de protectie op de Wallen.

Mede vanwege de aandacht van politie en justitie voor de top van criminele organisaties is er nauwelijks zicht op de basis van de georganiseerde criminaliteit.

2.5.5 Beoordeling

Het onderzoek naar de autochtone criminele groepen levert een gedifferentieerd beeld op. Het gaat om enkele tientallen autochtone criminele organisaties die zich vooral bezig houden met de traditionele georganiseerde criminaliteit, waarbij de handel in softdrugs de boventoon voert. Deze criminele organisaties plegen zware misdrijven. Van structurele vermenging tussen de criminele groepen en de legale bovenwereld is weinig gebleken. Er bestaat slechts zelden een duidelijk hiërarchische structuur. Veelal is sprake van losse netwerken.

De Hollandse netwerken vormen een belangrijk deel van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Zij zijn grotendeels verantwoordelijk voor de georganiseerde criminaliteit voor wat betreft de handel in softdrugs. Deze handel in softdrugs wordt omringd met andere vormen van georganiseerde criminaliteit waaronder de handel in harddrugs. De omvang van Hollandse netwerken kan groot zijn: sommige bestaan uit meer dan 100 personen. Daarbij is te zien dat criminele groepen steeds vaker samenwerken met criminele groepen in andere landen. Het geweldgebruik door deze criminele groepen is in een aantal gevallen intensief. Als zodanig vormen de autochtone criminele groepen een cruciaal object van onderzoek door politie en justitie. Politie en justitie besteden aan de Hollandse criminele netwerken in vergelijking met andere criminele groepen terecht veel aandacht. Van enige inmenging in de bovenwereld door investeringen van crimineel geld door deze groepen is in een enkele branche gebleken. Verontrustend is verder de constatering dat enkele van deze groepen zich systematisch bezig houden met contra-strategieën tegen de overheid. In het verhoor van officier van justitie Valente kwam aan de orde dat één van de criminele organisaties gewoon verder functioneerde ondanks het feit dat de leider in de gevangenis zat.1 De mogelijkheden tot het daadwerkelijk doen beëindigen van de activiteiten van criminele groepen zijn beperkt. Op dit moment lijkt het hoogst haalbare het frustreren van de criminele bedrijfsvoering door het arresteren en laten veroordelen van enkele sleutelfiguren. De commissie constateert dat een criminele organisatie nog nooit volledig ontmanteld is.

2.6 Buitenlandse en allochtone groepen

2.6.1 Aanleiding onderzoek

Onderzoek naar buitenlandse en allochtone groepen en georganiseerde criminaliteit is een gevoelige aangelegenheid. Het kan, als er niet zorgvuldig mee wordt omgegaan, gemakkelijk voedsel geven aan racistische vooroordelen. Tot nu toe is aan het onderwerp nauwelijks aandacht besteed. Er bestaat geen duidelijk beeld over de rol van buitenlandse en allochtone groepen in de georganiseerde criminaliteit in Nederland. De CRI-analyses geven daar slechts zijdelings antwoord op.

De eventuele betrokkenheid van etnische gemeenschappen bij de activiteiten van buitenlandse en allochtone criminele groepen kan verschillende negatieve effecten hebben op deze gemeenschappen. Landgenoten zijn de eerste slachtoffers van de georganiseerde misdaad die stamt uit hun land van herkomst. Associatie met georganiseerde criminaliteit kan desastreuze gevolgen hebben voor het aanzien van de gehele etnische groep. In een aantal gevallen zijn criminele organisaties uitvoerders van machthebbers in het land van herkomst. Ten slotte versterkt de betrokkenheid van delen van de etnische groep bij de georganiseerde criminaliteit de vorming van een etnische onderklasse. Deze redenen noodzaken de commissie ertoe aandacht te besteden aan de betrokkenheid van etnische groepen in Nederland bij de georganiseerde criminaliteit.

De vraag naar de activiteiten van internationaal opererende misdaadorganisaties roept de vraag op naar de operationele, financiële en ruimere sociale relaties tussen buitenlandse criminele groepen en de (autochtone en allochtone) groepen die in Nederland genesteld zijn. Gekozen is voor onderzoek naar criminele groepen van verschillende nationaliteit en ethische afkomst waarover de politie informatie beschikbaar had: Surinaamse groepen, Turkse organisaties, Marokkaanse netwerken, Chinese triades, Italiaanse mafia, Colombiaanse kartels, Nigeriaanse en Ghanese netwerken, Russische mafia en Joegoslavische groepen.

2.6.2 De Surinaamse connectie

In Suriname houden verschillende criminele groepen zich bezig met de handel in cocaïne. Suriname dient als tussenstation voor de levering van drugs aan Europa. Enkelen in Suriname zijn zeer rijk geworden van deze drughandel. Er zijn allerlei aanwijzingen voor betrokkenheid van de voormalige legerleiding bij de handel en het transport van cocaïne.

Er is sprake van enige betrokkenheid van Surinamers in Nederland bij de georganiseerde criminaliteit: drugs, illegale autohandel, prostitutie. Deels bestaat de drughandel uit harddrug-smokkel van grote partijen, zoals uit het Copa-onderzoek blijkt.1 Met behulp van koeriers en reizigers worden, ook via een deel van het uitgebreide distributie-apparaat van het Surinaamse bedrijfsleven, kleine hoeveelheden drugs Nederland binnengesmokkeld. Op die manier is een bepaald segment van de bevolkingsgroep direct betrokken bij de drughandel.

Devoorzitter: Maar is er nu ook in Nederland sprake van georganiseerde criminaliteit in de zin van een hechtere groep of van groepen die een monopolie hebben in de cocaïnehandel met Suriname? Of gaat het om kleinere transporten, waardoor er in Nederland ook geen sprake is van duidelijk georganiseerde groepen?

De heerBovenkerk: Allebei. Je treft netwerken aan van mensen die soms met elkaar samenwerken en dan weer eens iets alleen proberen, met hier en daar een kristallisatiepunt. Er zijn ook wel groepen die wat sterker zijn, maar dat is niet het overheersende beeld. De handel is niet in handen van enkelen, het is een veel breder verschijnsel, er is een heel groot aantal mensen op de een of andere manier bij betrokken.

Devoorzitter: En wat doen die mensen in de Surinaamse gemeenschap? Wat gebeurt er als er een pakje hier gekomen is?

De heerBovenkerk: Dat zal in het algemeen verkocht worden. Hoe het precies verloopt, heb ik niet uit het politiemateriaal kunnen afleiden, want daar houdt het op. De politie kijkt naar wat er binnenkomt; wij weten eigenlijk betrekkelijk weinig van de manier waarop die kleinere hoeveelheden verder worden gedistribueerd, maar wij kunnen ons wel voorstellen dat het via een netwerk gaat.

Devoorzitter: En is het dan een Surinaams distributienetwerk of komt bijvoorbeeld cocaïne naar uw mening voor de verspreiding onder autochtone Nederlanders ook in andere handen?

De heerBovenkerk: Ik denk dat de drugs in eerste instantie in de Surinaamse infrastructuur terechtkomt. De Surinaamse bevolking heeft in Nederland een eigen winkelstand ontwikkeld, handel in allerlei tropische produkten, goudsmederijen, eethuizen en wat al niet. Ik denk dat een aantal van die etablissementen – niet allemaal; je moet bij dit onderwerp buitengewoon goed oppassen – als distributiepunt fungeert, soms zelfs zonder dat men er zelf weet van heeft. Dat klinkt gek, maar het geeft aan hoe normaal die handel geworden is. Ik kan dit wel met een anekdote toelichten. Een Surinamer kocht bij een Surinaamse groentehandelaar in een grote stad in Nederland bananen en hij merkte thuis dat er een vreemd wit poeder in zat. Hij ging naar de politie en de handelaar claimde voor de rechter dat hij niet wist dat het spul erin zat. Maar dit wekt de suggestie dat de machtige georganiseerde misdaad in Suriname via die goederenstroom drugs distribueert, zelfs zonder dat men ervan weet.

Devoorzitter: Er is dus in Nederland geen sprake van een apart, hecht georganiseerd netwerk, het is veeleer wijd verbreid?

De heerBovenkerk: Het is wijd verbreid.2

Over de omvang van deze betrokkenheid zijn geen onderbouwde uitspraken te doen. De gegevens zijn daarvoor te verschillend en te weinig onderbouwd.

In het begin van de jaren negentig waren er serieuze aanwijzingen dat de Surinaamse legerleiding een poging ondernam om (Surinaamse) politiemensen binnen te sluizen in de Nederlandse politie met het oog op het verlenen van diensten aan haar regime. Diepgaand onderzoek naar deze vorm van infiltratie is uitgebleven. Daarnaast is, met name in Amsterdam, vastgesteld dat enkele politiemensen van Surinaamse origine frequent twijfelachtige contacten onderhielden met drughandelaren die een prominente positie innemen in criminele groepen. Herhaalde waarschuwingen van de korpsleiding om die contacten te vermijden, bleken niet te helpen.

Devoorzitter: Zijn er nu signalen dat er vanuit Suriname, de Surinaamse groep, speciaal geprobeerd wordt om strategieën toe te passen om te corrumperen? Is dat gebeurd?

De heerBovenkerk: Ja, zonder meer.

Devoorzitter: Is dat succesvol geweest?

De heerBovenkerk: Ja. Ik geloof dat Surinamers op individuele basis en in de vorm van samenwerkende groepjes, waar wij het over hebben, op vrij aanzienlijke schaal kans hebben gezien om mensen bij de Nederlandse politie te corrumperen en om ambtenaren bij gemeenten te corrumperen, bijvoorbeeld ambtenaren die paspoorten uitgeven die essentieel zijn voor illegale immigranten. Dit geldt ook voor mensen bij sociale diensten, alsook bijvoorbeeld bij het bewakingspersoneel van Schiphol en bij de marechaussee. Daar zijn dus ook mensen gecorrumpeerd. Dat zijn soms Hollanders, maar in het overgrote deel van die gevallen gaat het om Surinamers; dat wil zeggen Surinaamse Nederlanders.1

De Surinaamse drughandelaren gebruiken het merendeel van het verdiende criminele geld voor eigen gebruik of voor investering in de eigen organisatie. Er is nauwelijks sprake van investering in de Nederlandse economie. Wel zijn er signalen dat een deel van de Surinaamse infrastructuur in Nederland gebruikt wordt voor het witwassen van crimineel geld.

2.6.3 Turkse criminele groeperingen in Nederland

De Balkanroute maakt Turkije tot een belangrijk land in de doorvoer van illegale goederen. Daarbij worden veelvuldig douane-ambtenaren omgekocht. De Turkse mafia is intensief verbonden met overheidsdiensten en de zakenwereld in Turkije. Naast de klassieke mafia wordt een deel van de georganiseerde misdaad uitgevoerd door politiek-criminele groeperingen.

De Turkse mafia heeft zich vanaf 1980 snel over de verschillende Europese landen verspreid mede vanwege het grote aantal gastarbeiders dat zich hier heeft gevestigd en de families die via volgmigratie zijn herenigd. De Turkse georganiseerde misdaad is voor Nederlandse begrippen ongekend gewelddadig. Wapenbezit komt binnen de Turkse georganiseerde criminaliteit veelvuldig voor. De emigrantengemeenschappen in de verschillende Europese landen hebben intensieve contacten met elkaar, waardoor smokkelaars, geweldsspecialisten en politieke dissidenten gemakkelijk van het ene naar het andere land kunnen worden overgebracht.

Onderzoek naar de Turkse georganiseerde criminaliteit is een essentieel onderdeel van de activiteiten van politie en justitie in Nederland. Bij de Nederlandse politie werken verschillende «Turken-specialisten». Enkele politiemensen spreken nu echter van «Turken-moeheid»: jarenlange strafrechtelijke onderzoeken doen groepen en individuen verdwijnen, maar nieuwe duiken weer op of de oude organisaties continueren gewoon hun werkzaamheden.

De heerBovenkerk: (...) Als je tien jaar of langer steeds hetzelfde type van zaken draait, achter Turkse families aan loopt, vaak met succes – de politie zelf noemt het in het algemeen domme zaken, dus betrekkelijk gemakkelijk te doen – er worden mensen enige tijd achter slot en grendel gezet en je ziet vervolgens dat in dezelfde stad de zaak gewoon doorgaat en door anderen of door andere familieleden wordt overgenomen, kan ik mij voorstellen dat je enigszins hulpeloos neerzit en denkt: waarom doe ik dit allemaal?1

De Turkse criminele organisaties houden zich primair bezig met drughandel. Daarbij is sprake van spreiding over Nederland. Nederland wordt door een fijnmazig Turks distributienetwerk bediend.

Tijdens zijn eerste verhoor deed Bovenkerk de volgende uitspraak: «De enige conclusie die ik trek, is dat enkele tientallen procenten van de volwassen Turkse mannen in Amsterdam in enigerlei functie bij de georganiseerde misdaad betrokken zijn. Ik vind dat een spectaculair hoog percentage.»2 Deze uitspraak leek te zijn gebaseerd op gegevens uit een bestand van de Amsterdamse politie. Nader onderzoek moest een meer precies beeld geven van de betrokkenheid van de Turkse gemeenschap bij de georganiseerde criminaliteit. Op 25 september werd Bovenkerk hierover voor de tweede maal verhoord. Bovenkerk hield tijdens het tweede verhoor staande dat een aanzienlijk deel van de Turkse mannelijke bevolking bij de georganiseerde criminaliteit betrokken is. In dit verhoor maakte Bovenkerk echter duidelijk dat er geen bestand bestond of dat er andere cijfers waren die de conclusie konden onderbouwen dat enkele tientallen procenten van de volwassen Turkse mannen bij de georganiseerde criminaliteit betrokken zijn. In het bestand van de Amsterdamse politie waren na hertelling ongeveer 2000 Turkse mannen aangetroffen die in de periode 1990 – 1995 op de een of andere wijze betrokken zijn geweest bij de georganiseerde criminaliteit. Het bleek niet mogelijk tot een verantwoord percentage van het aandeel van de Turkse bevolking in de georganiseerde criminaliteit te komen.3

De Turkse criminele organisaties veranderen langzaam van strak geleide, hiërarchische organisaties tot lossere netwerken. De Turkse drughandelaren leiden een onopvallend bestaan: velen ontvangen een uitkering. Er zijn enkele gevallen gevonden waarbij Turkse criminele organisaties in Nederlandse onroerend-goedprojecten investeren. Het merendeel van het crimineel verdiende geld wordt evenwel geïnvesteerd in Turkije en in het bijzonder in de toeristenindustrie. De gewelddadigheid van de Turkse organisaties is extreem in vergelijking met andere criminele organisaties.

De gewelddadigheid van Turkse criminele organisaties blijkt bijvoorbeeld in de zaak rond de Turkse familie B. Alle leden van criminele organisatie/familie gedragen zich onopvallend. Alle leden ontvangen een uitkering van de Sociale Dienst. Deze groep laat een Surinaamse dealer vermoorden die betalingsproblemen had. Tevens werd een andere Turkse drugshandelaar vermoord aangezien hij trachtte de hegemonie van de familie aan te tasten. Vervolgens wordt een Turk die voor de familie een safehouse beheert doodgeschoten. Nog later wordt drie aanwezigen bij een rip deal de keel afgesneden. Bij een wraakactie komen weer drie personen om; hun lijken worden in stukken gesneden en verkoold in het Brielsemeer aangetroffen. De totaalscore aan moorden bedraagt elf in een half jaar.

De betrokkenheid van de PKK bij de georganiseerde misdaad manifesteert zich in de afpersing van Koerden in Nederland. De Turkse georganiseerde misdaad is zodanig in Nederland geïntegreerd dat sommige overheidsdienaren van Turkse afkomst (politiefunctionarissen, tolken) gebruikt worden voor criminele doeleinden. In één geval is een poging waargenomen om te infiltreren in de plaatselijke politiek.

2.6.4 Marokkaanse groepen in Nederland

De georganiseerde misdaad uit Marokko heeft zich vooral toegelegd op de cannabishandel en in toenemende mate op harddrugs. Er zijn aanwijzingen dat delen van de Marokkaanse overheid en het hof meewerken aan de cannabis-economie. De Marokkaanse georganiseerde criminaliteit heeft daarmee naast een crimineel tevens een politiek karakter. De cannabis-branche is wezenlijk geworden voor de staathuishouding in Marokko. Vele Marokkaanse drughandelaren investeren intensief in Marokko.

De Marokkaanse gemeenschap in Nederland bevindt zich in een sociale achterstandspositie. De voedingsbodem voor criminaliteit is groot. Er zijn signalen van omvangrijke autodiefstal, mensenhandel, maar vooral cannabishandel. Voor deze laatste zijn ingenieuze smokkelsystemen ontworpen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een netwerk van cannabisgroothandelaren en detaillisten. Marokkaanse instituties worden er diep door geraakt. De Marokkaanse georganiseerde misdaad is opvallend weinig gewelddadig.

Politie en justitie hebben weinig informatie over deze groepering. Over de omvang van de Marokkaanse georganiseerde criminaliteit is weinig te zeggen. Er is nauwelijks sprake van informatie-uitwisseling tussen de Nederlandse en Marokkaanse politie. Het lijkt erop dat de Marokkaanse zware criminaliteit in Nederland een belangrijk steunpunt heeft gevonden. Het netwerk van Marokkaanse instituties in Nederland is moeilijk te doorgronden aangezien het politieke beheersingssysteem vanuit Marokko wordt geleid.

De Rotterdamse politie krijgt zicht op een Marokkaanse criminele groep na een melding van een ongebruikelijke transactie. Een onopvallende Marokkaanse man wisselt wekelijks grote hoeveelheden geld bij een filiaal van de Rabobank. Het filiaal kan het niet meer aan. Het hoofdkantoor werkt samen met de politie en de politie krijgt een uniek inzicht in de hoeveelheid geld die omgaat in de drugshandel in de Rotterdamse wijk Spangen. Het geld kwam grotendeels terecht in Marokko. In totaal leverde het onderzoek 40 verdachten op. De criminele organisaties hebben in totaal minimaal 470 miljoen gulden naar Marokko overgemaakt. In Nederland leefden de leden van die organisatie van een uitkering. Hun levensstijl kwam overeen met die van andere Marokkanen in Spangen.

2.6.5 De Chinese georganiseerde criminaliteit in Nederland

De Chinese georganiseerde criminaliteit wordt veelal gelijkgeschakeld met de triadestructuur. Naar Chinese georganiseerde criminaliteit in Europa is weinig systematisch onderzoek gedaan. Uit onderzoek in andere landen wordt duidelijk dat een omvangrijke Chinese gemeenschap een voorwaarde is voor de Chinese georganiseerde criminaliteit om tot ontplooiing te komen.

De Chinese georganiseerde criminaliteit in Nederland houdt zich met verschillende criminele activiteiten bezig: afpersing en overvallen (vooral op Chinese bedrijven) waarbij veel geweld wordt gebruikt of met geweld wordt gedreigd, uiteenlopende vormen van mensenhandel, handel in heroïne voor de Nederlandse en de buitenlandse markt, vervaardiging van valse credit-cards en het illegale gokwezen.

In Nederland zijn drie Chinese triades actief. Tussen deze triades is sprake van constant wijzigende machtsverhoudingen waarbij veel geweld wordt gebruikt. Zij zijn niet alleen verantwoordelijk voor de Chinese georganiseerde criminaliteit.

Er zijn weinig berichten van pogingen van Chinezen om de politie om te kopen. Advocaten en notarissen spelen nauwelijks een rol. Het is onduidelijk in hoeverre crimineel geld in Nederland wordt geïnvesteerd.

De Chinese gemeenschap in Nederland is aan de ene kant goed geïntegreerd terwijl zij aan de andere kant in sociaal en cultureel opzicht een wereld op zich vormt. Nederland kent in tegenstelling tot enkele andere landen geen China-towns. In hoeverre de Chinese gemeenschap betrokken is bij de georganiseerde criminaliteit blijft onduidelijk. Duidelijk is wel geworden dat de actieve triades gebruik maken van verschillende Chinese restaurants, gokbedrijven en videotheken. Daarbij is vooral verontrustend de mate waarin afpersing van legale Chinese bedrijven plaatsvindt.

2.6.6 Andere buitenlandse en allochtone groepen

De Italiaanse mafia

De verschillende mafia's in Italië – cosa nostra, 'ndrangheta, camorra en de sacra corona unita – zijn de laatste jaren steeds meer naar elkaar toegegroeid. Ondersteuning van elkaars criminele activiteiten komt steeds meer voor. Er is in toenemende mate sprake van één echte Italiaanse mafia. De Italiaanse mafia is uitgewaaierd over Europa.

Vanaf het einde van de jaren tachtig is de Italiaanse mafia actief in Nederland. Dat geldt voor de camorra, die actief is in de cocaïnehandel. Nederland wordt daarbij vooral gebruikt als handelsplaats. Het gaat met name om het treffen van logistieke voorzieningen.

Daarnaast zijn andere Italianen (niet-mafia) crimineel actief in Nederland. De omvang van de Italiaanse georganiseerde criminaliteit in Nederland is omvangrijker dan menigeen had verwacht of voor mogelijk had gehouden. De precieze omvang blijft ook hier onduidelijk. Van een directe betrokkenheid van de kleine Italiaanse gemeenschap in Nederland bij mafiapraktijken is weinig gebleken.

De Colombiaanse kartels

De Colombiaanse drugkartels zijn de laatste jaren razendsnel opgekomen. Ongeveer driekwart van de cocaïne komt uit Colombia. De kartels zijn zoveel mogelijk celsgewijs georganiseerd. De Colombianen hebben zich in Europa voorzien van een aanzienlijke handelsbasis.

Nederland kent een kleine Colombiaanse gemeenschap, waarvan een deel waarschijnlijk betrokken is bij de Colombiaanse drughandel. De Colombiaanse georganiseerde criminaliteit is met vier groepen actief in Nederland. Het gaat nagenoeg volledig om drughandel. Nederland is voor de kartels vooral van logistiek belang. De opbrengsten vloeien nagenoeg geheel terug naar Colombia. In Nederland hebben zich enkele liquidaties en ontsnappingen met hulp van bewakingspersoneel voorgedaan.

De Nigeriaanse en Ghanese criminele netwerken

Nigeriaanse georganiseerde criminelen houden zich vooral bezig met internationale drughandel, illegale autohandel, oplichtingspraktijken en mensenhandel. Er is weinig bekend over de Nigeriaanse en Ghanese netwerken. Politie en justitie hebben weinig gericht onderzoek gedaan naar deze vorm van criminaliteit. De Nigeriaanse organisaties die in Nederland actief zijn, vormen de uiteinden van grotere criminele organisaties. In een aantal gevallen zijn samenwerkingen tussen Nederlandse en Nigeriaanse criminele organisaties aangetoond. De actieve Ghanese criminele groepen in Nederland kennen vooral betrokkenheid bij de drughandel.

Russische mafia

De Russische mafia kreeg vooral kansen na de val van de Muur. Over het aantal misdaadgroepen in Rusland valt weinig te zeggen. Er is sprake van een uitgebreide internationalisering van de Russische mafia, die mede op gang is gekomen via de tot voor kort in Duitsland verblijvende troepen uit de voormalige Sovjet-Unie. Over de Russische mafia in Nederland is echter weinig bekend. Wel is er sprake van afpersing van Nederlandse bedrijven in Rusland.

De Russische gemeenschap in Nederland is niet groot. Er zijn aanwijzingen dat Russische criminelen op beperkte schaal op Nederlands grondgebied actief zijn in vrouwenhandel, illegale autohandel, afpersing, wapenhandel en drughandel. De Russische mafia heeft zich echter nog niet genesteld in Nederland. Eerdere berichten van vooral de BVD over de dreiging van de Russische mafia worden niet onderbouwd met harde gegevens.

Joegoslavische bendes

In verschillende steden in Nederland zijn Joegoslavische benden actief in de vrouwenhandel, autohandel, inbraken en overvallen. Daarbij wordt veel geweld gebruikt. Er is geen sprake van een «Joego-mafia». Het zijn afzonderlijke groepen die wel onderlinge relaties hebben, maar door etnische verschillen allerminst een eenheid vormen. De Joegoslavische bendes schrikken er niet voor terug politie en justitie te intimideren. Hun harde opstelling tegenover de overheid is opvallend.

2.6.7 Beoordeling

De grote verscheidenheid van organisaties, daders en delicten is kenmerkend voor de rol van allochtone en buitenlandse groepen in Nederland. Er valt nauwelijks een algemeen oordeel te geven over de buitenlandse criminele organisaties en de betrokkenheid van etnische gemeenschappen in Nederland bij de georganiseerde criminaliteit. Het is noodzakelijk steeds te differentiëren naar de verschillende buitenlandse en allochtone criminele groepen.

De commissie meent desondanks enkele verontrustende ontwikkelingen waar te nemen. Verontrustend is dat in verschillende gevallen is aangetoond dat delen van etnische gemeenschappen in Nederland intensief betrokken zijn bij de georganiseerde criminaliteit uit hun herkomstland. Deels gaat het dan om het ondersteunen van smokkelroutes, deels gaat het om een directe betrokkenheid bij de handel in en het transport van vooral drugs. Het probleem van die betrokkenheid moet met grote voortvarendheid worden aangepakt. Het risico van verloedering van deze groepen mede door betrokkenheid bij georganiseerde criminaliteit is reëel. Deze criminaliteit brengt in eerste instantie schade toe aan in de etnische gemeenschappen zelf.

Daarbij moet echter de kanttekening worden geplaatst dat weinig gezegd kan worden over de precieze omvang van de betrokkenheid. De cijfers op grond waarvan eventuele percentages zouden kunnen worden genoemd zijn te zacht, te verschillend en te onzeker. De omvang van het probleem blijft daardoor onduidelijk. De commissie meent wel dat voldoende is aangetoond dat sprake is van een ernstig probleem, vooral binnen de Surinaamse, Turkse en Marokkaanse gemeenschappen.

Tevens meent de commissie dat enkele andere aspecten van de buitenlandse georganiseerde criminaliteit in Nederland verontrustend zijn. In de eerste plaats valt op dat politieke verwevenheid een veel belangrijker rol speelt in de buitenlandse georganiseerde criminaliteit dan in de autochtone georganiseerde criminaliteit. De verwevenheid van de georganiseerde criminaliteit met de machthebbers in het land van herkomst plaatst politie en justitie voor grote problemen. In de tweede plaats baart de gewelddadigheid van verschillende vormen van buitenlandse georganiseerde criminaliteit de commissie zorgen. Deze gewelddadigheid maakt op zeer directe wijze inbreuk op het functioneren van de Nederlandse samenleving. Door liquidaties en andere vormen van geweldgebruik en afpersing wordt de maatschappij rechtstreeks geconfronteerd met de uitwassen van de georganiseerde criminaliteit. Ten slotte trachten enkele buitenlandse criminele groepen organisaties binnen de Nederlandse overheid te corrumperen. Het gevaar van beïnvloeding van het Nederlandse openbaar bestuur door buitenlandse criminele groepen mag niet worden uitgevlakt.

Er zijn enkele bevindingen die de dreiging van de buitenlandse georganiseerde criminaliteit relativeren. De hoofdzetels van buitenlandse criminele groepen bevinden zich zelden in Nederland. Het gaat in Nederland steeds om de uitvoerders van de criminele organisaties. Vooral in het transport van illegale goederen spelen de Nederlandse vertakkingen van buitenlandse criminele groepen een belangrijke rol. Er wordt slechts in de Nederlandse economie geïnvesteerd voor zover noodzakelijk voor het uitvoeren van de illegale activiteiten. Nagenoeg alle criminele revenuen vloeien terug naar het land van herkomst. De meeste leden van allochtone misdaadorganisaties leggen een sobere levensstijl aan de dag. Van een vermenging van de Nederlandse legale bovenwereld en de buitenlandse criminele organisaties is weinig gebleken.

Er is reden tot zorg over de betrokkenheid van etnische gemeenschappen in Nederland bij buitenlandse en allochtone criminele groepen. Het gaat niet om incidentele betrokkenheid van enkelen, maar om structurele betrokkenheid van een deel van de etnische gemeenschappen bij de georganiseerde criminaliteit. In vergelijking met de aandacht van politie en justitie voor Hollandse netwerken, wordt minder prioriteit gegeven aan politieel en justitieel onderzoek naar allochtone en buitenlandse criminele groepen. De commissie is van oordeel dat het verminderen van de betrokkenheid van etnische gemeenschappen bij de georganiseerde criminaliteit hoge priorititeit van politie en justitie verdient. Het kan dan niet zo zijn dat politie en justitie bijvoorbeeld door «Turken-moeheid» minder aandacht zouden besteden aan dit probleem.

Het behoeft geen betoog dat de overheid naast repressieve maatregelen expliciet aandacht dient te besteden aan de preventie van betrokkenheid van etnische gemeenschappen bij georganiseerde criminaliteit.

2.7 Branches

2.7.1 Aanleiding onderzoek

Onderzoek in andere landen toont aan dat de ernst van de georganiseerde criminaliteit tevens kan worden afgemeten aan de mate waarin legale branches betrokken zijn bij de georganiseerde criminaliteit. Deze betrokkenheid kan verschillende vormen aannemen. De organisaties binnen de branches kunnen zelf participeren in de georganiseerde criminaliteit. Daarnaast kunnen criminele groepen trachten delen van de branches onder controle te krijgen, waarmee ze gebruik kunnen maken van de infrastructuur van de branches voor hun criminele activiteiten. De onderzoeksgroep Fijnaut heeft daarom systematisch een aantal branches doorgelicht op betrokkenheid bij de georganiseerde criminaliteit. Dit onderzoek biedt een beeld van de vervlechting van de legale «bovenwereld» met de criminele «onderwereld».

2.7.2 Autobranche en autocriminaliteit

Onderzoek naar autodiefstal krijgt weinig aandacht van politie en justitie. Er zijn weinig grootschalige opsporingsonderzoeken naar autodiefstallen gedaan. Daardoor zijn slechts weinig gegevens beschikbaar. De autobranche zelf is weinig openhartig over misstanden binnen de branche.

De organisaties binnen de branche kunnen op vele wijzen slachtoffer worden van criminaliteit (stelen van auto's, overvallen, inbraken). Daarnaast zijn verschillende vormen van organisatiecriminaliteit te onderkennen (laten betalen voor werkzaamheden die niet verricht zijn, minder kilometers op de teller, bewust gestolen of omgekatte auto's verkopen, betalen met zwart geld). Bij beide is het onduidelijk in hoeverre de georganiseerde criminaliteit daar de hand in heeft.

Er zijn verschillende particuliere en publieke registratiesystemen voor autodiefstallen. Er kan derhalve geen volledige duidelijkheid worden gegeven over de omvang van het probleem. Jaarlijks worden ongeveer 35 000 personenauto's gestolen. Het terugvindpercentage varieert van 60% tot 85%. Daarnaast worden ongeveer 150 vrachtauto-combinaties per jaar ontvreemd, waarvan slechts 17 in het buitenland. Het blijft onduidelijk welk aandeel de georganiseerde criminaliteit heeft in het stelen van personenauto's. Men mag aannemen dat het stelen van vrachtwagens vrijwel altijd het werk is van professionele dieven. De schade als gevolg van diefstallen door criminele groepen bedraagt tussen de 205 en 240 miljoen. De verzekeringsmaatschappijen hebben de neiging het aantal door de georganiseerde misdaad gestolen auto's te majoreren.

De gemiddelde autochtone criminele groep die zich bezig houdt met autodiefstallen opereert lokaal en regionaal. Veelvuldig zijn «kampers» actief in de autodiefstallen. Daarnaast zijn er sinds 1992 enkele internationale criminele groepen actief die veel grootschaliger functioneren. Het gaat dan vooral om Oost-Europese criminele groepen. Autodiefstallen door criminele groepen bestaan uit verschillende deelactiviteiten:

– diefstal van de auto's,

– verplaatsing van de auto's door koeriers,

– omkatten van auto's (een andere identiteit geven aan de auto),

– legalisering van de auto's en aflevering aan de klant.

Devoorzitter: Zijn er nu duidelijk georganiseerde groepen aan te wijzen die zich richten op die 5000 à 7000 auto's die niet meer terugkomen?

De heerBruinsma: Ja. Ik heb gebruik gemaakt van de diverse politiedossiers die mij ter beschikking zijn gesteld door de regiokorpsen en door de CRI. Daaruit blijkt dat je speciale groepen hebt die zich richten op de diefstal van auto's. Misschien kan ik daar iets over zeggen. De groepjes waar wij het over hebben, bestaan meestal uit ongeveer 4 tot 5 personen. Het zijn allemaal mannen; vrouwen vind je in deze branche nauwelijks meer terug. Meestal zijn het mensen die al een groot strafblad hebben, vaak ook voor andere criminele activiteiten zoals inbraken, heling en ook wel geweld. Zij zijn daarvoor eerder veroordeeld. Zij kennen elkaar vaak al heel lang. Er is een soort onderlinge werkverdeling zonder dat er sprake is van een type leiderschap. De «leider» is meer een regelaar die daarachter zit, die vaak de beschikking heeft over een autosloperij, over een garage of over een loods waarin de auto die eenmaal gestolen is, kan worden gezet. Hij regelt alles en zorgt er ook voor dat er valse kentekenpapieren komen. Je hebt een monteur in dat groepje zitten, de technicus om het zo maar te noemen. Hij moet de auto omkatten, hij moet nieuwe nummers slaan in het chassis van de auto, hij moet ook vaak delen lassen en weer repareren. Dat is vaak de monteur, meestal ook een oude bekende van de regelaar. Verder hebben we meestal iemand die de auto's steelt en wij hebben iemand die de auto's vervolgens weer in de legale branche terugbrengt. Er is dus een kleine werkverdeling, maar dat is niet een vaste, eeuwigdurende werkverdeling.1

Om dit soort activiteiten te kunnen verrichten is een zekere organisatie en leiding noodzakelijk. Het vergt bovendien samenwerking tussen criminele groepen en legale garagebedrijven. Volgens schatting zijn twee- tot driehonderd bedrijven bij autodiefstallen betrokken. Steeds vaker worden lease-auto's door criminelen gebruikt om tot een optimale afscherming te komen.

Devoorzitter: Tot slot, kunnen wij spreken van een innesteling van de georganiseerde criminaliteit in de autobranche?

De heerBruinsma: Ik denk dat van innesteling absoluut geen sprake is, omdat het ook helemaal niet nodig is. Het is zelfs heel onverstandig van dit soort groepen om zich in te nestelen en een vaste plaats te verkrijgen, met eigen bedrijven en eigen dingen. Een samenwerkingsverband aangaan, is veel handiger. Ik heb in het rapport dat ik heb geschreven, ook geschat dat er toch wel een paar honderd garages en autosloperijen betrokken zijn bij deze handel in gestolen auto's.1

Opsporing van gestolen auto's heeft voor de politie een lage prioriteit. De politie stelt zich passief op en doet slechts het meest noodzakelijke administratieve werk. De meldingssystemen van gestolen auto's zijn in handen van verschillende private en publieke organisaties.

Steeds vaker zijn zogenaamde carhunters actief die voor geld gestolen auto's terugbezorgen. In veel gevallen zijn voormalige politie-ambtenaren betrokken bij deze bedrijven. Verzekeringsmaatschappijen werken bepaalde vormen van corruptie bij opsporingsambtenaren in de hand door buiten de officiële kanalen om opsporingsambtenaren te betalen voor hun tips.

Devoorzitter: Kunt u ongeveer de schade aangeven die deze vorm van criminaliteit aanricht in Nederland?

De heerBruinsma: Ik heb een schatting proberen te maken van het aantal weggebleven auto's. Ik heb een schadebedrag berekend, ook gebaseerd op eerder onderzoek dat ik heb verricht. Het is ongeveer zo'n f.17 000 per auto. Dan komen wij op ongeveer 85 tot 120 mln. aan personenauto's dat per jaar gestolen wordt. Bij vrachtwagens komen wij ongeveer op een vergelijkbaar bedrag. Dan komt de totale schade als gevolg van autodiefstal in Nederland op zo'n 220 mln. per jaar.2

2.7.3 Transportbranche

De transportbranche schetst zelf een zwart beeld van de economische positie van de 9700 aangesloten bedrijven. De huidige malaise moet echter gezien worden tegen de achtergrond van jarenlange positief stijgende resultaten. De problemen doen zich vooral voor bij de grote groep van zeer kleine tot middelgrote ondernemingen. Deze groep is te groot. De onderlinge concurrentie aan de onderkant van de branche is steeds harder geworden.

Transportondernemers werken nauwelijks samen. Er bestaat een felle concurrentieslag. Dat veroorzaakt een sterke geslotenheid. Het onderwerp criminaliteit is nauwelijks bespreekbaar. Misdaadbestrijding staat bij transportondernemers en chauffeurs niet hoog op de agenda.

In de transportbranche doen zich verschillende vormen van georganiseerde criminaliteit voor. Transportondernemingen kunnen gebruikt worden voor het witwassen van zwart geld. Malafide organisaties kopen noodlijdende transportondernemingen op om zwart geld wit te wassen. Het is onduidelijk in welk mate dit voorkomt. Het huidige aantal noodlijdende transportbedrijven geeft hiertoe wel de gelegenheid.

Slechts weinigen in de Nederlandse transportbranche richten zich op systematische misbruik van Europese regels, subsidies en belastingen. Wel bestaat er een aanzienlijke smokkel van illegale goederen in vrachtwagens. Vooral drugs spelen daarbij een grote rol. Het zijn vooral koelwagens die worden gebruikt voor smokkeldoeleinden. De organisatie van de smokkel varieert van incidentele smokkelaars tot omvangrijke organisaties. Soms smokkelen chauffeurs willens en wetens, soms zijn ze niet op de hoogte. In een aantal gevallen is sprake van dekmantelfirma's voor de smokkel van illegale goederen. Het geweldgebruik is gering. Er is voor de chauffeurs een mogelijkheid om smokkelen te weigeren.

2.7.4. Haven Rotterdam en Schiphol

De georganiseerde criminaliteit in de Rotterdamse haven bestaat voornamelijk uit de smokkel van drugs. De meeste drugs worden gesmokkeld in containers. Hoeveel drugs er zijn verstopt in de ongeveer drie miljoen containers die jaarlijks de haven passeren, is niet te zeggen. In 1994 is 188 000 kilo aan drugs door de douane in beslag genomen. Er zijn in de Rotterdamse haven geen criminele groepen aangetroffen die hun activiteiten primair op de haven richten, laat staan dat er groepen zijn die controle hebben over bepaalde havenactiviteiten.

Luchthaven Schiphol heeft vooral te maken met smokkel van drugs, mensen en bedreigde dier- en plantensoorten. De drugsmokkel bestaat voornamelijk uit cocaïnesmokkel. In 1994 is in totaal 600 kilo cocaïne bij koeriers in beslag genomen.

De smokkel van cocaïne op Schiphol gebeurt in een aantal gevallen ook met hulp van personeel van de luchthaven. Kwetsbare sectoren op de luchthaven, waar mensen als hulp voor criminele groepen zijn gestationeerd, zijn de vrachtafhandeling, de vrachtloodsen en de opsporingsdiensten.1 Hoewel geen aanwijzingen bestaan dat de georganiseerde criminaliteit op de luchthaven een vaste plaats heeft verworven, is geconstateerd dat het aantal corruptiegevallen bij opsporingsorganisaties en andere organisaties op de luchthaven in verband met mensen- en drugsmokkel meer dan incidenteel te noemen is.

2.7.5 Horeca

Door verschillende factoren is de horeca interessant voor de georganiseerde criminaliteit: aanwezigheid van alcohol en eventueel drugs, gokken, goedkope goederen en de noodzaak van kapitaal. De horeca vormt het «natuurlijke» werkterrein van criminelen. De publieke toegankelijkheid verhoogt de kwetsbaarheid van de horeca voor infiltratie door de georganiseerde criminaliteit.2

De belangen van de horecabranche worden behartigd door de Koninklijke Horeca Nederland. De organisatiegraad van de horeca is slechts 30%. De horeca heeft over het algemeen een sterk gesloten karakter. Dat veroorzaakt problemen bij de aanpak van criminaliteit. Er is sprake van een «conspiracy of silence»: criminaliteit en geweldgebruik worden slechts zelden gemeld.

In de horeca komen verschillende vormen van criminaliteit voor. In sommige gevallen is sprake van betrokkenheid van de georganiseerde criminaliteit.

a. Protectie door afpersingsorganisaties: horeca-ondernemers worden gedwongen portiers te huren van criminele organisaties. Zo heeft veertig tot zestig procent van de horeca-ondernemers in het centrum van Utrecht te maken met deze ongewenste beschermers.b. Afpersing van horeca-gelegenheden van buitenlanders door politieke organisaties uit het land van herkomst.c. Gedwongen overnames. Er zijn aanwijzingen dat de georganiseerde misdaad op grote schaal bezig is met het opkopen van horeca-gelegenheden. In totaal zouden inmiddels ongeveer vierhonderd horeca-ondernemingen in Nederland zijn opgekocht. Vooral in de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag worden veel zaken opgekocht.d. Witwassen: het opkopen van horeca-gelegenheden wordt vooral gedaan om via deze gelegenheden misdaadgeld wit te wassen. De horeca-omzet is nauwelijks te controleren.

De horecabranche is zeer aantrekkelijk voor malafide ondernemers, vooral omdat zij vele mogelijkheden biedt om zwart geld wit te wassen.

In 1986 werd de exploitatie van de geld uitkerende kansspelautomaten bij wet geregeld. In 86% van de cafés staan gokkasten. Voor de kleine ondernemers vormen de gokkasten een cruciale bron van inkomsten. Het gaat om een omzet van 1,5 miljard gulden. In totaal zijn 850 speelautomatenexploitanten actief. De controle op de gokautomaten is gering, zowel preventief als repressief. Het imago van de gokautomatenbranche is niet goed. De Vereniging Automatenhandel Nederland is de branche-organisatie waarbij iets meer dan de helft van de exploitanten is aangesloten.

Verschillende vormen van (georganiseerde) criminaliteit doen zich voor in de gokautomatenbranche:

– illegale plaatsing en illegale gokkasten,

– gedwongen verpachting en leningverstrekking door automatenhandelaren,

– gedwongen afname van gokkasten,

– witwassen van misdaadgeld.

Het blijft onduidelijk in hoeverre de georganiseerde misdaad een hand heeft in deze activiteiten. Verschillende deelonderzoeken tonen een vervlechting tussen de georganiseerde misdaad en de gokautomatenbranche.

2.7.6 Afvalverwerkingsbranche

De milieubranche is in korte tijd uitgegroeid tot een complexe en onoverzichtelijke bedrijfstak. Vele verschillende typen organisaties maken deel uit van de milieubranche. In de afvalverwerkingsbranche zijn ongeveer 1000 bedrijven werkzaam. Vele kleine brancheverenigingen zijn op dit terrein actief. Er zijn zeer verschillende afvalstromen die voor zeer verschillende prijzen worden behandeld. Er bestaat een spanning tussen de hoeveelheid aangeboden soorten afval en de verwerkingscapaciteit. De afvalmarkt is sterk in beweging. De internationale concurrentie zal toenemen. De totale hoeveelheid afval neemt af. Vooral kleinere familiebedrijven zullen in de problemen komen.

Devoorzitter: We gaan over naar de afvalverwerkingsbranche. Kunt u ons kort uitleggen waarom we, als we het over het milieucriminaliteit hebben, dat speciaal in de afvalverwerkingsbranche moeten zoeken?

De heerBruinsma: We moeten ervan uitgaan dat in Nederland de bevolking, de overheid en allerlei bedrijven en instellingen het milieu vervuilen. Daarbij gaat het ook om bedrijven die in hun produktieproces allerlei uitlaatgassen de lucht in stoten en afval gewoon via het water of de riolering afvoeren. Dat soort criminaliteit gebeurt natuurlijk op een bepaalde schaal, en daar moet ook nadrukkelijk naar gekeken worden. Waar ik mij in mijn onderzoek op heb geconcentreerd, is wat er gebeurt vanaf het inzamelen van het afval en het verwerken daarvan, tot het transport en het doelmatig uitschakelen van de giftigheid van het afval. Het cynische is dat in de afgelopen 20 jaar die branche heel sterk is gegroeid. Eerst was afval een waardeloos goed, dat je zomaar ergens dumpte, totdat afval heel veel geld waard werd. De markt heeft zich snel ontwikkeld tot allerlei onoverzichtelijke bedrijfjes en bedrijven. De overheid heeft in de afgelopen jaren een beleid gevoerd om die markt zoveel mogelijk open, vrij en zelfstandig te laten, dat wil zeggen te privatiseren. De controle is pas recentelijk wat meer op gang gekomen. Er is dus een soort gebied ontstaan waar bedrijven makkelijk, mede door het grote geld dat daarin omgaat, in de verleiding kunnen komen om afval niet ordentelijk te verwerken, maar ergens te lozen op oppervlaktewater, of te verwerken tot compost of anderszins.1

De officiële cijfers geven weinig zicht op de werkelijke milieucriminaliteit. Waarschijnlijk bestaat er een aanzienlijk «dark number», aangezien politie en justitie slechts recent begonnen zijn met de opsporing van milieucriminaliteit.

Er is een gelegenheidsstructuur voor (georganiseerde) criminaliteit in deze branche. De afvalverwerkingsbranche wordt geconfronteerd met complexe wet- en regelgeving. De handhaving van deze regels is gebrekkig. Steeds meer wordt zelfregulering in deze branche toegepast. Daarmee wordt de overheid buiten de deur gehouden. Het toenemende gebruik van convenanten biedt weinig waarborgen. Afvalmakelaars, dit zijn tussenpersonen die bemiddelen bij de (internationale) handel in afval, vervullen een afschermende rol zodat de herkomst, route en bestemming van afval geheim kunnen blijven. Te vaak is de overheid in een afhankelijke positie ten opzichte van de afvalverwerkers. Kartelvorming en monopolie in deze sector dragen daaraan bij. Ten slotte zijn de hoge winstmarges en de geringe pakkans belangrijke motieven voor illegale activiteiten.

In Nederland staat het opsporingsonderzoek naar milieuzaken door politie en justitie nog in de kinderschoenen. De politie beschikt nog over weinig informatie. De onderzoeksgroep Fijnaut beschrijft enkele gevallen van (omvangrijke) organisatiecriminaliteit in deze branche.

Het is onwaarschijnlijk dat criminele groepen zich in de afvalverwerkingsbranche hebben genesteld. De georganiseerde criminaliteit is niet in deze branche actief.

Devoorzitter: Is er nu sprake van zware, georganiseerde milieucriminaliteit?

De heerBruinsma: Ik zou dat absoluut niet willen definiëren in de vorm van zware, georganiseerde criminaliteit. Ik zou dat een vorm van organisatiecriminaliteit willen noemen die naar mijn oordeel wel ernstig van aard is.1

2.7.7 Bouwnijverheid

De Nederlandse bouwnijverheid heeft een aantal aspecten dat de gevoeligheid en aantrekkelijkheid voor de georganiseerde misdaad mede bepaalt. Er gaat zeer veel geld om in deze branche. Tevens is sprake van omvangrijke concurrentie. Het is eenvoudig om tot de branche toe te treden. Daarnaast zijn er veel bedrijven die (te) weinig personeel in dienst hebben. Het werk moet bijna altijd onder grote tijdsdruk plaatsvinden. Veelal moet daarbij gebruik worden gemaakt van onderaannemers.

In Nederland is de bouwnijverheid slachtoffer van diefstallen van bouwmateriaal en vernielingen. Geweld, ontvoeringen, liquidaties, intimidatie en afpersing komen in Nederland in deze branche niet voor. In andere landen vormen deze criminele activiteiten mede een indicator voor de mate waarin de georganiseerde criminaliteit geïnfiltreerd is in de bouwnijverheid. Daarnaast kunnen zich verschillende vormen van organisatiecriminaliteit voordoen. Er zijn vele vormen van fraude mogelijk. Door gebrek aan registratie bestaat nauwelijks zicht op de omvang van al deze mogelijke vormen van organisatiecriminaliteit.

In het verleden speelde koppelbazerij in deze branche een belangrijke rol. Koppelbazen stellen werknemers ter beschikking voor wie veelal geen sociale premies en belastingen werden afgedragen. Na invoering van de Wet ketenaansprakelijkheid, begin jaren tachtig, is de koppelbazerij verminderd. Tegenwoordig komt de koppelbazerij weer op, maar nu onder de term arbeidsbemiddeling. Door personeel als zelfstandigen in dienst te nemen ontloopt de arbeidsbemiddelaar de verplichting om premies en belastingen af te dragen. De moderne koppelbazen hebben contacten met het criminele milieu in hun woonplaats.

Hoewel de Nederlandse bouwnijverheid kwetsbaar en gevoelig is voor penetratie en innesteling van criminele groepen moet uit de analyse van het beperkte materiaal de conclusie worden getrokken dat de georganiseerde misdaad niet actief is in de bouwnijverheid. Ook de vakbonden in deze branche zijn op geen enkele wijze verbonden met de georganiseerde criminaliteit.

2.7.8 Overige branches

Er zijn nauwelijks gegevens bekend over de rol van de georganiseerde misdaad in de verzekeringsbranche. Alle branche-organisaties stellen dat zij niet te maken heeft met georganiseerde misdaad. Er is alleen sprake van een toename van het aantal fraudes door klanten van de verzekeringsmaatschappijen. Bemiddelingsbureaus en assurantievertegenwoordigers zouden kwetsbaar kunnen zijn voor criminele groepen.

De Wet bedreigde uitheemse diersoorten beschermt in Nederland de bedreigde diersoorten.

Het gaat om de volgende soorten criminele handelingen:

– smokkelen van dieren en planten,

– valselijk opmaken of vervalsen van de vereiste documenten,

– omkopen van overheidsvertegenwoordigers.

De wildlifehandel in Nederland wordt uitgevoerd door eigenaren van dieren- en plantenwinkels die soms hun legale handel vermengen met illegale activiteiten. In Nederland bestaan geen aparte statistieken voor smokkel en illegale handel in «wildlife». Op grond van de beperkte gegevens kan niet worden aangenomen dat de illegale handel in uitheemse diersoorten en planten in Nederland een grote omvang heeft. Er zijn geen aanwijzingen voor groepscriminaliteit of van georganiseerde misdaad.

Uit onderzoek is niets gebleken van illegale handel in nucleair materiaal in Nederland. Wel is er bij de ECD een centraal coördinatiepunt ingesteld voor de illegale handel in nucleair materiaal.

2.7.9 Beoordeling

Het onderzoek heeft aangetoond dat geen van de onderzochte branches stelselmatig geïnfiltreerd wordt door criminele organisaties. Deze constatering is van groot belang voor de beoordeling van de ernst van de georganiseerde criminaliteit in Nederland. Criminele organisaties zijn er (nog) niet in geslaagd legale branches in brede zin te infecteren. Geen van de branches wordt gedomineerd door de georganiseerde criminaliteit. In de meeste branches zijn ook geen pogingen tot infiltratie door criminele organisaties aangetroffen.

De enige sectoren met aantoonbare relaties met de georganiseerde criminaliteit zijn de horeca- en de transportbranche. In de horeca doen zich zeer ernstige ontwikkelingen voor, zoals het opkopen van horeca-ondernemingen door criminele organisaties teneinde crimineel geld te kunnen witwassen. Daarnaast bestaan vele aanwijzingen dat de transportsector op allerlei manieren betrokken is bij de georganiseerde criminaliteit voor wat betreft de smokkel van illegale goederen. Het aantal corruptiegevallen op Schiphol, waarbij sprake was van betrokkenheid van de georganiseerde criminaliteit, is verontrustend.

De kwetsbaarheid van enkele branches voor de georganiseerde criminaliteit is verontrustend. Zij hebben kenmerken waardoor hun aantrekkelijkheid voor de georganiseerde criminaliteit toeneemt. Vooral de horecabranche kent vele ingangen voor de georganiseerde criminaliteit. De gelegenheidsstructuur in de afvalverwerkingsbranche roept tevens bezorgdheid op. Hetzelfde geldt ook voor de autobranche en de bouwnijverheid. Daarbij dient tevens het risico genoemd te worden dat de soms omvangrijke organisatiecriminaliteit in de branches verwordt tot georganiseerde criminaliteit.

De commissie meent dat een intensief preventief beleid moet worden gevoerd om de aantrekkelijkheid van deze branches voor de georganiseerde criminaliteit te verminderen. Dat betekent vooral dat binnen de branches het eventuele bestaan van georganiseerde criminaliteit moet worden onderkend. Het is onwenselijk dat vormen van georganiseerde criminaliteit binnen branches niet aan de orde worden gesteld. Het moet de georganiseerde criminaliteit moeilijker worden gemaakt om te kunnen infiltreren in deze branches. Op het moment dat de georganiseerde criminaliteit daadwerkelijk infiltreert in deze branches, bestaat het risico van ontwrichting van delen van de Nederlandse samenleving.

2.8 Vrije beroepsbeoefenaren

2.8.1 Aanleiding onderzoek

Vrije beroepsbeoefenaren, zoals advocaten, notarissen, accountants en belastingadviseurs, kunnen een belangrijke faciliterende rol vervullen voor de georganiseerde misdaad. Zij zijn in staat de benodigde deskundigheid te verschaffen om financiële transacties te verrichten of zij kunnen dergelijke transacties autoriseren. Daarnaast bieden de vrije beroepsbeoefenaren goede mogelijkheden tot afscherming. Hun betrokkenheid bij transacties kan de schijn van vertrouwen wekken; de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht bieden een belangrijke bescherming aan de cliënten. Vrije beroepsbeoefenaren zijn om deze redenen aantrekkelijk voor de georganiseerde criminaliteit.

De onderzoeksgroep Fijnaut heeft gevallen van verwijtbare betrokkenheid van de vrije beroepsgroepen in kaart gebracht. Van verwijtbare betrokkenheid van vrije beroepsbeoefenaren bij strafbare handelingen van criminele organisaties kan in tweeërlei zin sprake zijn. Ten eerste kan een beroepsbeoefenaar in strafrechtelijke zin betrokken zijn bij de strafbare gedragingen. Deze betrokkenheid kan bestaan uit het medeplegen van of medeplichtig zijn aan de strafbare feiten van de criminele groep, uit het begunstigen van de plegers van deze feiten, bijvoorbeeld door het plegen van heling, of door het belemmeren of bemoeilijken van de opsporing van de misdrijven en de uit misdrijf verkregen opbrengsten (vgl. art. 189 WvSr.). Hier is sprake van verwijtbare betrokkenheid in enge zin. Ten tweede is er verwijtbare betrokkenheid in ruime zin. Hiervan is sprake als de beroepsbeoefenaar in de uitoefening van zijn beroep niet de nodige zorgvuldigheid in acht neemt ter voorkoming van misbruik van zijn beroepsuitoefening voor criminele doeleinden. Er is dan weliswaar geen sprake van het welbewust en opzettelijk meewerken aan strafbare handelingen, maar wel kan worden verweten dat de betrokkene had moeten of kunnen weten dat van zijn diensten misbruik is gemaakt voor criminele doeleinden.

De heerVan de Bunt: (...) Juist daarom probeer ik uit te leggen hoe belangrijk het is om onderscheid te maken tussen betrokkenheid en verwijtbare betrokkenheid. Betrokken ben je als juridische dienstverlener altijd, maar als je niet weet dat je wordt misbruikt, bijvoorbeeld bij de oprichting van rechtspersonen, valt het je niet euvel te duiden en kan er niet over verwijtbare betrokkenheid worden gesproken. Er is sprake van verwijtbare betrokkenheid wanneer je willens en wetens – het is de strafrechtelijke variant – meewerkt aan de volvoering van misdadige activiteiten. Als je als notaris weet dat de BV die bij jou wordt opgericht, zal worden gebruikt voor criminele doeleinden en daarvoor ook wordt opgericht, ben je in mijn definitie verwijtbaar betrokken. Zo'n geval ben ik tegengekomen: een notaris die wist wat hij deed. Er is nog een tweede variant van verwijtbare betrokkenheid. Wat mij betreft blijft dit niet beperkt tot strafrechtelijke betrokkenheid. Er is ook een andere, wat moeilijker af te palen zone waarin je vrije beroepsbeoefenaars kunt verwijten dat ze nalatig of onzorgvuldig zijn geweest. Waar ze het vermoeden hadden móeten hebben dat er iets niet klopte, hebben ze toch hun diensten verleend. Ze hebben niet doorgevraagd en ze hebben niet geweigerd om hun diensten te verlenen. Het in strijd handelen met het zorgvuldigheidsbegrip is een element van mijn definitie. Als voorbeeld noem ik een advocaat die wordt gevraagd om een bepaalde procedure te voeren met betrekking tot een bepaalde som geld. Hij kan weten dat er met dat geld iets loos is maar laat na om te verifiëren of wat zijn cliënt hem zegt wel klopt. Die advocaat is volgens mijn definitie verwijtbaar betrokken bij die handeling.1

2.8.2 Advocatuur

De 8000 Nederlandse advocaten vormen samen de Nederlandse Orde van Advocaten. Advocaten dienen zich steeds te bewegen tussen de onafhankelijk uitoefening van hun beroep en partijdigheid ten opzichte van hun cliënten. De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht zijn noodzakelijke onderdelen van het functioneren van een advocaat. De advocatuur is vanwege haar relevante kennis en het verschoningsrecht aantrekkelijk voor criminele organisaties. De commercialisering van de advocatuur veroorzaakt dat de traditionele professionele normering aan kracht inboet.

Over de omvang van de verwijtbare betrokkenheid van de advocatuur bij de georganiseerde criminaliteit is moeilijk iets te zeggen. In de media zijn verschillende berichten verschenen over de omvang van die betrokkenheid. Daarbij kwam steeds aan de orde dat een lijst zou bestaan van corrupte advocaten.2 In het verhoor van Wilzing, voormalig hoofd CRI en korpschef IJsselland, kwam dat lijstje aan de orde:

De heerDe Graaf: Bestaat dat lijstje? Bestond dat lijstje? Heeft u het zelf gezien?

De heerWilzing: Ik heb nu een unieke kans om het uit te leggen. Ik denk ook dat dat goed is. Wij hebben gezwegen over de hele periode die achter ons ligt, omdat wij vonden dat wij moesten zwijgen. Ik heb hierop in de krant geen toelichting kunnen geven.

De heerDe Graaf: Gaat uw gang hier!

De heerWilzing: Ik ga dat nu doen. In de zomermaanden van 1993, nadat de CBO-analyse was verschenen, hebben wij een soort scan van het bedrijf gemaakt. Wij hebben daarbij gezegd: wat zijn de ontwikkelingen waarmee wij op dit moment bezig zijn, wat zijn bijzondere zaken? Met name binnen financieel-economische criminaliteit, een expertisecentrum dat een zwaardere rol begon te spelen, werden mij deze verhalen over advocaten en notarissen in voorbeelden aangereikt. Wij hadden een kleine innovatieve voorhoede, een groep van een man of zes zeven die scande en keek wat er aan de hand was, wat de ontwikkelingen waren en hoe daarmee verder moest worden gegaan. Toen heb ik gezegd: ja, jullie kunnen wel vertellen hoe het precies is gegaan, maar geef mij aan de hand van casussen de situatie weer van wat je daadwerkelijk aantreft. Dat is een lijstje van nog net geen tweeëneenhalf kantje, waarop elke keer bij zeer kleine alineaatjes staat: advocatenkantoor, zus en zo; notarissenkantoor dit en dat; het pand wordt drie keer gepasseerd op één dag en gaat van 7 naar 21 mln. bij die en die; ziet er dubieus uit. Wij hebben ook gesproken van dubieuze zaken. Ik gaf zojuist al aan dat bij het verschijnen van de CBO-analyse in de totale informatie ook informatie naar boven kwam die met name ging over de rol van advocaten en notarissen. (...) Er werd op geen enkele wijze bij de CRI systematisch bijgehouden dat wij een lijst of een register hadden. (...).3

Een analyse van de tuchtrechtspraak door het Hof van discipline in de jaren 1990 – 1995 laat enkele gevallen van verwijtbare betrokkenheid van advocaten bij handelingen van criminele organisaties zien. De toegang tot de tuchtrechter is beperkt tot de rechtstreeks belanghebbenden en de deken.

De onderzoeksgroep Fijnaut heeft op basis van verschillende bronnen – een bestand van verdachte financiële transacties, landelijke CRI-inventarisaties, meldingen LCID en de ter beschikking gestelde politie- en CID-rapportages – in totaal 29 advocaten aangetroffen die verwijtbaar betrokken zijn bij criminele organisaties. Er zijn gevallen aangetroffen waarbij advocaten in hun «partijdigheid» te ver gingen, en gevallen waarin advocaten geheel in het belang van een criminele organisatie handelden.

De heerDe Graaf: Mijnheer Van de Bunt, bent u nu ook advocaten tegengekomen in uw onderzoek die echt, zoals zij dat noemen, als consiglieri werken, als de juridische adviseur van een criminele organisatie, en die daar deel van uitmaken?

De heerVan de Bunt: Ik ben enkele advocaten tegengekomen die inderdaad meer dan eens verwijtbaar betrokken waren bij bepaalde handelingen van criminele organisaties, van wie je moet vermoeden dat zij dus kennelijk in dienst van zo'n organisatie werkzaam zijn. Ik heb daar een aantal voorbeelden van aangetroffen.1

Een hasjtransport wordt in het buitenland onderschept. Enkele Nederlandse verdachten worden aangehouden. Met behulp van een Nederlandse advocaat, die hiervoor naar het buitenland afreist, overhandigt de toegevoegde advocaat het briefje met de volgende tekst: «Hou je rustig, er is genoeg verkeerd gegaan, probeer het goed te maken want we weten je te vinden, (naam afzender).

Daarnaast zijn gevallen aangetroffen van civiele advocaten die proberen criminele vermogens voor de fiscus en justitie te verstoppen. Een voorbeeld:

Een drugsdealer zit in voorlopige hechtenis onder alle beperkingen. Hij is er bevreesd voor dat justitie beslag zal leggen op zijn banktegoeden in Zwitserland. De advocaat verzint een mogelijkheid om de tegoeden van de rekening af te halen en voert het plan vervolgens persoonlijk uit.

Ten slotte zijn er voorbeelden van advocaten die bijdragen aan de afscherming van criminele activiteiten. In deze gevallen worden advocaten gebruikt om financiële transacties af te schermen.

Een bekende, in het buitenland gevestigde, non-profit organisatie wordt opgelicht voor 10 miljoen gulden door enkele personen, van wie één bekend staat vanwege zijn banden met de mafia in New York. Ook wordt een Amerikaanse burger voor ruim 1 miljoen gulden opgelicht. Bij het doorsluizen van een deel van de gelden speelt een Nederlander, samen met zijn (civiele) advocaat een belangrijke rol. De advocaat wordt op een aantal manieren gebruikt: hij houdt de slachtoffers lange tijd in de waan dat alles goed zit door brieven te ondertekenen waarin wordt verklaard dat spoedig terugbetaling zal volgen, en hij ontvangt gelden op zijn kantoorrekening en gaat als ware bankieren voor de Nederlandse verdachte. Deze verdachte neemt geld op van de kantoorrekening en laat via de rekening hoge bedragen doorboeken naar buitenlandse rekeningen. Op deze manier wordt de «papertrail» tussen het geld en de verdachte doorbroken.

Inmiddels heeft de Orde van Advocaten richtlijnen opgesteld om te voorkomen dat advocaten betrokken raken bij criminele organisaties. De richtlijnen verplichten de advocaten tot nader onderzoek en verbieden bijvoorbeeld het aanvaarden van contante betalingen van meer dan 25.000 gulden.

Devoorzitter: (...) waarom zijn er (...) richtlijnen ter voorkoming van betrokkenheid van de advocaat bij criminele handelingen gekomen?

De heerDe Waard: Ik heb aan het begin van het gesprek al gezegd dat dit is gebeurd vanuit de optiek dat voor iedere organisatie in de samenleving, de overheid, de politie, het bedrijfsleven en ook voor de vrije beroepen, geldt dat de waakzaamheid ten opzichte van de betrokkenheid bij criminaliteit vergroot moet worden nu er zulke grote sommen geld in de bovenwereld worden geïnvesteerd. Dat is de eerste reden. In de tweede plaats zijn advocaten van oudsher gewend steeds moeilijke beslissingen te nemen, bijvoorbeeld of zij een zaak wel of niet aannemen. Een advocaat wordt er altijd bij geroepen wanneer het moeilijk is, wanneer de cliënten in moeilijkheden verkeren en er snel iets moet gebeuren. Allerlei dingen vragen op korte termijn tegelijk de aandacht van de advocaat. In die situatie moeten advocaten regelmatig beslissen of zij een zaak, een cliënt wel of niet nemen. Nieuw voor ons is het verschijnsel van de investeringen in de bovenwereld. Althans dat was in 1993 nieuw voor ons, maar dat is nu allang niet meer het geval. Op dat gebied was er nog geen vorm van gedragsrecht. Wij vonden het binnen de orde wenselijk dat de advocatuur ook op die gevaren gewezen zou worden. Daarom vonden wij het nodig dat er richtlijnen zouden komen.(..)

De heerDe Waard: Die richtlijnen waar we net over spraken, gaan daar ook over. Die richtlijnen geven de advocaat aanwijzingen. De advocaat moet altijd de vraag stellen: «Waarom word ik hierbij ingeschakeld? Word ik hierbij wel ingeschakeld als advocaat, als iemand die opkomt voor de rechten en belangen van mensen die bedreigd worden, dus rechtsbijstand verleent? Of wordt mij iets anders gevraagd, wat net zo goed een boekhouder of een bank zou kunnen doen?» Die advocaat moet zich daar kritisch op bezinnen. Als hij tot de slotsom komt dat het niet echt advocatenwerk is en als hij het niet vertrouwt, moet hij het niet doen.

Devoorzitter: Moet hij dat nu kritischer doen dan vroeger?

De heerDe Waard: Zeker. De hoofdregel blijft dat je mag afgaan op datgene wat je cliënt zegt. Als je echter redelijke aanwijzingen hebt dat die transacties kunnen dienen ter afscherming van criminaliteit, dan mag je de opdracht niet aanvaarden of moet je deze neerleggen. Dat betekent dus dat je onderzoeksplicht verzwaard is.

Devoorzitter: Hoeveel moet je er als advocaat voor doen om dat na te gaan?

De heerDe Waard: Je moet in de eerste plaats de identiteit van de cliënt goed vaststellen, ook als het een rechtspersoon is of als er sprake is van een tussenpersoon. Je moet geen genoegen nemen met de tussenpersoon, maar ook de identiteit willen weten van de achterliggende opdrachtgever. Je moet dus goed doorvragen totdat het je helemaal duidelijk is waar de zaak over gaat, waarom je wordt ingeschakeld en waar het geld vandaan komt. Bij een kantoorgenoot van mij komt bijvoorbeeld een mijnheer die een groot bouwwerk in Malawi wil gaan starten. Hij zegt dat ze daar tot nu toe nooit Nederlandse bedrijven voor namen, maar dat hij daar nu een kans krijgt. Hij vraagt mijn kantoorgenoot om daar de contracten voor te maken. Hij zegt 150 mln. bij elkaar te brengen om dat te financieren. Mijn kantoorgenoot vraagt waar dat geld vandaan komt. Die mijnheer zegt dat hij nog een beetje op zoek is. Hij is in gesprek met banken, hij weet het nog niet helemaal, maar hij krijgt het geld vast wel en hij weet over een paar dagen meer. Een paar dagen later komt hij terug. Hij zegt de 150 mln. bij elkaar te hebben. Mijn kantoorgenoot vraagt of dat geld van de bank komt. De mijnheer zegt dat het van een aantal privé-investeerders komt. Mijn kantoorgenoot vraagt wie dat zijn. Die mijnheer zegt dat hij helaas niet de vrijheid heeft om dat te zeggen. Waarop mijn kantoorgenoot zegt: «Dan kan ik niets voor u doen. Goedemiddag.» Je vraagt dus door. Je neemt geen genoegen met ontwijkende antwoorden. Krijg je geen bevredigende antwoorden, dan doe je het niet.1

Na de onrust die ontstaan was binnen de Nederlandse Orde van Advocaten over het bestaan van de lijst van Wilzing heeft de voorzitter van het College van procureurs-generaal, Docters van Leeuwen, met de Orde de volgende afspraak gemaakt. Een op het gebied van het gedragsrecht ervaren advocaat krijgt inzage in de vertrouwelijke informatie uit het zogenaamde Finpol-bestand van de CRI, waar meldingen van ongebruikelijke transacties verwerkt worden. Deze advocaat zal het OM adviseren of die informatie concrete gegevens bevat die tuchtrechtelijke stappen tegen advocaten kunnen rechtvaardigen. Deze advocaat krijgt echter geen inzage in informatie uit lopende tactische onderszoeken en in CID-informatie omdat deze zich gezien hun «zachte» karakter niet zouden lenen voor tuchtrechtelijk ingrijpen.2

2.8.3 Het notariaat

De notaris is als openbaar ambtenaar de functionaris wiens tussenkomst dwingend is voorgeschreven bij allerlei rechtshandelingen. De notaris heeft nauwelijks de mogelijkheid een cliënt te weigeren: de notaris heeft een plicht tot dienstverlening (ministerieplicht). Voor de notaris zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid cruciale onderdelen van zijn taakuitoefening. Geheimhouding en verschoningsrecht zijn daarbij instrumenten.

De positie van de notaris is om verschillende redenen kwetsbaar voor infiltratie en gebruik door criminele organisaties. De tussenkomst van notarissen is wettelijk voorgeschreven bij verschillende rechtshandelingen. De notaris vormt daarnaast een goede dekmantel voor criminele activiteiten. Daar staat tegenover dat notarissen slechts een geringe weerbaarheid hebben ten opzichte van de criminele groepen. Een notaris heeft nauwelijks mogelijkheden een cliënt nader te onderzoeken.

Het tuchtrecht en enkele aanvullende bronnen laten voorbeelden zien van notarissen die betrokken zijn bij de georganiseerde criminaliteit.1 Het gaat dan steeds om gevallen waarbij sprake is van verwijtbare betrokkenheid. In totaal zijn 13 gevallen van verwijtbare betrokkenheid van notarissen gevonden.

In één geval had een notaris connecties met personen uit belangrijke criminele organisaties. De betrokken notaris is uit zijn ambt ontzet. Andere gevallen hadden betrekking op ambtelijke dienstverlening die niet verricht had moeten worden De notaris is de criminele organisatie behulpzaam. De notaris weet dat er iets niet deugt, maar neemt er geen actie tegen. Twee voorbeelden:

Een drugshandelaar koopt met medewerking van een notaris een groot aantal huizen op. Hierna worden de huizen door een makelaar voor de driedubbele waarde getaxeerd waarna de huizen via dezelfde notaris weer worden verkocht aan personen met een criminele achtergrond. In veel gevallen werden op deze basis hoge hypotheken verstrekt waarbij kopers de leningen niet aflosten en met de noorderzon vertrokken.

Een notaris passeert op een dag driemaal een transportakte met betrekking tot hetzelfde pand waarbij de waarde toeneemt van 7 naar 14 naar 21 miljoen gulden. De notaris verricht de ambtelijke dienstverlening zonder meer.

Daarnaast zijn enkele voorbeelden gevonden waarbij de notaris werd gebruikt als afscherming. De notaris dient als façade om de werkelijke bedoelingen van de criminele organisatie af te schermen.

Door een drugsorganisatie wordt getracht via een Nederlandse bank een bedrag van 16 miljoen dollar over te boeken naar een bank in Zuid-Amerika. Een Zwitserse bank zou garant staan. Een notaris waarmerkt de handtekeningen op het leencontract voor authentiek zonder gegevens van betrokkenen te verifiëren waarmee een schijn van betrouwbaarheid aan het contract wordt gegeven die niet gerechtvaardigd is.

De Koninklijke Notariële Broederschap heeft richtlijnen uitgevaardigd om te voorkomen dat notarissen betrokken raken bij georganiseerde criminaliteit.

De heerRabbae: Begrijp ik goed dat de Koninklijke Broederschap van Notarissen in het kader van een zelfregulering ermee ingestemd heeft om een soort eigen meldplicht in acht te nemen in de richting van de CRI, de Centrale recherche- en informatiedienst?

De heerVan de Bunt: Ja, maar dat is wel via heel veel filters. Er is een vertrouwensarts... Nee, vertrouwensnotaris ingesteld die als een soort filter werkt. Een notaris die iets niet vertrouwt of ergens mee zit, zijn diensten heeft geweigerd aan een cliënt en vindt dat voorkomen moet worden dat de cliënt nu naar een ander loopt, omdat het een ernstig geval is, kan zijn ervaringen kwijt bij een vertrouwensarts...

Devoorzitter: Vertrouwensnotaris.

De heerVan de Bunt: Ja, vertrouwensnotaris. En in dat overleg met de vertrouwensnotaris kan dan worden besloten om de zaak te melden aan de CRI.2

2.8.4 Accountancy

Accountants stellen de betrouwbaarheid van financiële informatie vast. Daardoor zijn zij aantrekkelijk voor criminele organisaties die crimineel verdiend geld zo kunnen legitimeren. Accountants treden ook steeds vaker op als adviseurs op administratief en financieel terrein. Accountants hebben een functionele geheimhoudingsplicht, maar kunnen zich niet beroepen op een verschoningsrecht.

Inmiddels zijn accountants onderworpen aan een wettelijk geregelde tuchtrechtspraak. In zeven gevallen bleken accountants betrokken te zijn bij het afdekken van zwarte geldcircuits, het geven van adviezen in witwasconstructies of valsheid in geschrifte. De betrokkenheid komt vooral voor bij kleinere kantoren. Betrokkenheid vindt vooral plaats in het voortraject, waarin advies gegeven wordt over constructies en slechts zelden in het natraject van financiële controle.

De beroepsgroepen trachten door richtlijnen de accountants af te houden van criminele handelingen. Na lange discussie is een meldingsplicht ingevoerd.

2.8.5 Beoordeling

In Nederland doet zich geen stelselmatige infiltratie door de georganiseerde criminaliteit in de onderzochte vrije beroepsgroepen voor. De gevallen waarin sprake was van verwijtbare betrokkenheid van vrije beroepsbeoefenaren bij criminele organisaties lijken incidenten te zijn. Dat is van groot belang voor het oordeel over de ernst van de georganiseerde criminaliteit. Het functioneren van de rechtsstaat zou ernstig belemmerd zijn indien sprake was van stelselmatige infiltratie van de georganiseerde criminaliteit in de vrije beroepsgroepen.

Niettemin neemt de commissie de gevallen van verwijtbare betrokkenheid bij vooral de advocatuur en het notariaat ernstig. Het aantal incidenten en de aard van de verwijtbare handelingen van de kant van deze advocaten en notarissen zijn verontrustend. Door deze criminele activiteiten kan het aanzien van de gehele beroepsgroep in gevaar komen. Daardoor bestaat het risico dat een politieke discussie ontstaat over de noodzaak van afschaffing van het verschoningsrecht of de geheimhoudingsplicht voor deze vrije beroepsbeoefenaren.

De commissie ziet op dit moment geen aanleiding een dergelijke politieke discussie te beginnen. Wel zal het noodzakelijk zijn de beroepsgroepen ervan te doordringen dat alleen richtlijnen onvoldoende zijn om ook in de toekomst criminele organisaties buiten de deur te houden. Advocaten en notarissen zijn aantrekkelijk voor criminele organisaties. Die aantrekkelijkheid moet verminderen. Daarnaast zal bezien moeten worden op welke wijze de officier van justitie de bevoegdheid kan verkrijgen binnen de kaders van de Advocatenwet om een klacht in te dienen bij de tuchtrechtelijke colleges indien vermoedens bestaan van verwijtbare betrokkenheid van vrije beroepsbeoefenaren.

2.9 Fraude, misbruik legale constructies en witwassen

2.9.1 Aanleiding onderzoek

Onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit beperkt zich veelal tot de traditionele vormen van georganiseerde criminaliteit: drugshandel, wapenhandel, vrouwenhandel en andere vormen van handel in illegale goederen en diensten. Maar ook bij financieel-economische criminaliteit (fraude, witwassen, misbruik van legale constructies) kan sprake zijn van georganiseerde criminaliteit. Bevindingen over de aard en omvang van deze financieel-economische georganiseerde criminaliteit bieden inzicht in de aard, omvang en ernst van de georganiseerde criminaliteit in Nederland.

De heerRabbae: Kunt u middels concrete voorbeelden aangeven langs welke vormen dit misbruik van vertrouwen zich manifesteert in deze sector?

De heerVan de Bunt: Ik heb drie grote vormen, drie verschillende vormen van dat misbruik van vertrouwen, van het wekken van de valse schijn, bestudeerd. Eén betreft frauduleuze feiten. Ik heb in totaal achttien grote fraudezaken bestudeerd, die neerkomen op het misbruik maken van het vertrouwen, waardoor schade is ontstaan bij anderen. Een tweede vorm van valse schijn wekken is het misbruik maken van rechtspersonen. Dat is overigens ook vaak het gereedschap, de schroevedraaier als het ware, van de fraudeur, de rechtspersoon. Maar daar hebben wij ook over geschreven hoe het komt dat vooral rechtspersonen zich zo goed lenen voor dat misbruik. Een derde vorm – en dan komen wij weer terug op witwassen – het wekken van een valse schijn omtrent de herkomst van het geld.1

2.9.2 Fraude

Fraude wordt opgevat als het misbruik van vertrouwen dat ertoe strekt zichzelf of anderen wederrechtelijk te bevoordelen. In de georganiseerde vormen van fraude kan de volgende onderverdeling worden gemaakt:

– misbruik door valse activiteiten die de schijn wekken dat de actor solvabel is of die de ware herkomst, bestemming of aard van de handelswaar verdoezelen,

– misbruik door het ontlopen van persoonlijke aansprakelijkheid voor gewraakte handelswijzen,

– voorwenden van een legale herkomst van wederrechtelijk verkregen voordeel (witwassen).

De onderzoeksgroep Fijnaut heeft 18 grote fraudezaken nader onderzocht. Er zijn verschillende parasitaire vormen van fraude te onderscheiden: fraudevormen waarin de actoren op de wettige markt primair als slachtoffers moeten worden aangemerkt. Voorbeelden van deze parasitaire fraude zijn: het opkopen en leegplunderen van slecht lopende bedrijven, de zwendel met gefingeerde waardepapieren, methoden om beleggers te misleiden en BTW-fraude.

Daarnaast onderscheidt de onderzoeksgroep Fijnaut symbiotische fraude: fraude waarin ook sprake is van verwijtbare betrokkenheid van een deel van de wettige nijverheid. Sommige vormen van EG-fraude (het gefingeerd in- en uitvoeren van EG-goederen), BTW-fraude en merkvervalsing voldoen aan de definitie van deze vorm van fraude. Sommige wettige deelnemers aan de markt deinzen niet terug voor verwijtbare betrokkenheid bij de fraudeketen, vooral in de rol van afnemers van de besmette goederen en diensten. Deze symbiotische fraudezaken doen zich vooral voor in de olie-, vlees-, zuivel-, tabak- en textielsector.

De heerRabbae: In het kader van de fraude kom je wel eens de termen tegen van parasitaire fraude en symbiotische fraude. Dat komt eigenlijk ook terug in uw eigen concept-studie. Kunt u dat uitleggen?

De heerVan de Bunt: Ja. Parasitaire fraudes zijn fraudes die een groot financieel nadeel berokkenen. De winst voor de criminele organisatie is het verlies, de schade voor het slachtoffer. Dat drukt het woord «parasitair» uit. Je zuigt een bedrijf of je zuigt een bepaalde bedrijfstak leeg en je gaat er met de winst vandoor. Het is dus ook vaak een vluchtige fraudevorm, want als eenmaal de klap is gevallen, maak je je snel uit de voeten.

Bij symbiotische fraude – en dat is eigenlijk wat gevaarlijker – zie je dat er een zekere verwevenheid optreedt, dat bepaalde onderdelen van een branche meeprofiteren van de fraude. Heel simpel, wanneer je een BTW-fraude pleegt, kun je onder de prijs bepaalde produkten doorverkopen. En bepaalde andere bedrijven, de wettige bedrijven, vinden dat aantrekkelijk en kopen dat ook. Zij kunnen dus mede voordeel behalen uit de gepleegde fraude. Dat is dus een fraude die zich wat makkelijker innestelt en een wat duurzamer leven leidt dan de fraude waar ik net op doelde.2

De fraudedelicten worden door verschillende personen en groepen gepleegd.1 Het gaat steeds om mannen van middelbare leeftijd met een autochtone achtergrond. Buitenlandse criminele groepen zijn zelden georganiseerd actief op de fraudemarkt. Daarnaast is het opvallend dat het aandeel van woonwagenbewoners in de fraudezaken onevenredig groot is. Veel daders hadden eerder fraude gepleegd.

Er is sprake van criminele netwerken die ad hoc worden samengesteld bij verschillende fraudevormen. Binnen de netwerken bestaan interne sanctiesystemen met een nadruk op positieve sancties: vooral het bieden van meer geld. Desondanks zijn er ook bedreigingen met geweld. Uit de onderzochte fraudezaken valt af te leiden dat menige vorm van criminele samenwerking ten einde kwam door interne verdeeldheid. Daarbij speelde tevens een rol dat medewerkers van criminele organisaties fraudeconstructies voor zichzelf gingen opzetten. De verschillende dadergroepen hebben onderling regelmatig contact. Er is geen duurzame relatie tussen de drughandel en grootschalige fraude aangetoond.

De omvang van de georganiseerde fraude blijft onduidelijk. Schattingen van de schade van frauduleuze praktijken zijn nagenoeg onmogelijk. De vormen van georganiseerde fraude die zijn gevonden, grijpen diep in het economische verkeer in. Fraudes met een symbiotisch karakter veroorzaken niet alleen materiële schade, maar verstoren tevens de concurrentieverhoudingen.

De heerRabbae: Wij hebben het over de aard, de omvang en de ernst van criminaliteit. Als wij dit projecteren op deze groepen, rijst de vraag of er iets te zeggen valt over de omvang van de vermogens die door middel van deze activiteiten zijn verkregen.

De heerVan de Bunt: Laten wij eens beginnen met de schade die deze groepen veroorzaken. Die schade viel niet in alle gevallen te becijferen. Wanneer je marktontwrichtend werkt en op die manier schade veroorzaakt aan bona fide bedrijven is dat moeilijk te becijferen. In de gevallen waarin de schade wèl te becijferen viel, een twaalftal zaken, kwam de schade neer op 330 mln.

De heerRabbae: Schade aan wie?

De heerVan de Bunt: Dat hangt af van de fraude waarover wij spreken. Als wij het hebben over BTW-fraude die erop neerkomt dat je de overheid laat uitbetalen, dan betaalt de overheid ten onrechte.2

2.9.3 Afscherming

De aangetroffen constructies waarmee criminele organisaties zich afschermen voor gedupeerden en opsporingsorganisaties variëren van zeer ingewikkeld tot zeer eenvoudig. De meeste criminele organisaties concentreren zich wat afscherming betreft op beperking en manipulatie van informatiestromen (het slechts in beperkte kring bekend maken van de activiteiten, verbod op onderling contact, etc.). In een enkel geval zijn onoirbare externe contacten bij de uitvoering van de fraudeconstructie gevonden, zoals de medewerking van bankmedewerkers bij criminele handelingen. In enkele zaken is aantoonbaar sprake van contacten tussen criminele groepen en vertegenwoordigers van Nederlandse opsporingsinstanties. Het gaat hierbij steeds om opsporingsambtenaren die informatie omtrent het verloop van het strafrechtelijk onderzoek hebben laten weglekken naar de criminele organisatie.

Toch is slechts een gering aantal fraudeurs in staat beschutting te vinden in respectabele sociaal-culturele netwerken. In de bestudeerde fraudezaken is slechts een gering aantal verdachten hiertoe geneigd en in staat het wederrechtelijk verkregen vermogen te investeren in produktiemiddelen, aandelen of andere minder tastbare waarden. Ook hier lijkt van een systematisch vermenging van de legale bovenwereld met de criminele organisaties nauwelijks sprake te zijn.

2.9.4 Misbruik van rechtsfiguren

Criminele organisaties maken gebruik van verschillende rechtsfiguren om hun criminele activiteiten te verbergen. Ondanks het verscherpt toezicht op het gebruik van rechtspersonen bestaat in de praktijk de nodige ruimte voor het ontwikkelen van schijnconstructies. De meest vergaande vorm van afscherming is gelegen in de constructie van het scheiden van juridische en economische eigendom. Criminele groepen wijken steeds meer uit naar buitenlandse rechtspersonen.

Ten aanzien van de besloten vennootschap is een aantal criminaliteitsgevoelige factoren te onderscheiden. Daarbij blijft de vaststelling van de identiteit van de oprichters van een besloten vennootschap een probleem. Justitie komt nauwelijks tot een grondige kwalitatieve toets van de aanvraag. De overdracht van aandelen geschiedt sinds 1993 bij notariële akte, maar een antecedentenonderzoek blijft daarbij achterwege. Vanwege de geringe mogelijkheden tot controle wint de stichting van een besloten vennootschap in het criminele circuit aan populariteit.

Er bestaat een levendige handel in rechtspersonen. Daarbij spelen tussenpersonen een cruciale rol. Over de omvang van deze markt blijft veel onduidelijkheid bestaan.

2.9.5 Witwassen

De heerRabbae: Is het witwassen een ernstig probleem of is het een symptoom van de georganiseerde criminaliteit? Is het een probleem op zich of is het een afgeleide van?

De heerVan de Bunt: Tot voor kort werden het misdaadgeld en het witwassen gezien als een staartje van het eigenlijke probleem. In de visie van velen ging het primair om de drugfeiten en niet zozeer om de druggelden. Ik denk dat nu bij steeds meer mensen het besef doordringt dat niet de drugs voor de samenleving het grootste probleem zijn, ook al vormen zij natuurlijk wel een belangrijk volksgezondheidsprobleem, maar dat vooral de illegale opbrengst een wezenlijk probleem is. Ik zou dit dan ook zeker niet willen zien als een afgeleide, een symptoom van het eigenlijke probleem. Gisteren werd hier al gezegd dat wij eigenlijk niet weten hoe groot dat zwarte gat is. Als wij niet weten hoeveel misdaadgeld er in de samenleving in omloop is, kunnen wij ook niet gerust achterover leunen en zeggen: het valt wel mee met de georganiseerde misdaad. Het is een belangrijk probleem dat veel aandacht vergt.1

Het is moeilijk een goed beeld te krijgen van de omvang van het witwassen van misdaadgeld en van de omvang van investeringen in de legale economie. Het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties heeft, in de periode van februari 1994 tot februari 1995, 2.638 verdachte transacties aangemeld bij de CRI. Het totaalbedrag dat met deze meldingen is gemoeid is drie miljard gulden. Deze cijfers geven een indicatie van de omvang van een deel van de witwaspraktijken in Nederland. Aangezien politie en justitie pas recent bezig zijn met strafrechtelijke onderzoeken naar witwaspraktijken ontbreekt informatie over de omvang van het probleem.

Het fysiek verplaatsen van geld in weekendtassen of per post komt geregeld voor. Eén van de mogelijkheden om geld over te maken zonder een papieren spoor achter te laten wordt geboden door «ondergrondse banken». Ondergronds bankieren is een systeem waarbij een persoon geld of waardepapieren overbrengt naar een begunstigde in een ander land zonder dat de autoriteiten in beide landen daarvan ook maar enige kennis of bewijsmateriaal bezitten. In het recente verleden werden wisselkantoren gebruikt als eerste schakel in een witwastraject.

Er zijn twee basispatronen van witwassen te onderkennen. In de eerste plaats is er het lenen van zichzelf. In de tweede plaats wordt misdaadgeld witgewassen via de effectenhandel en door te handelen in onroerend goed. Misdaadgeld wordt ook gebruikt voor het verstrekken van «legale» leningen. Het merendeel van de witwastechnieken valt onder het creëren van een «legale» winst, omzet of inkomen. Van een directe relatie tussen criminele organisaties en de effectenhandel is niet duidelijk gebleken.

2.9.6 Beoordeling

Financieel-economische criminaliteit maakt een belangrijk onderdeel uit van het scala van activiteiten van criminele organisaties in Nederland. Er bestaat echter weinig directe verbinding tussen deze criminaliteit en de klassieke drugcriminaliteit. Bij fraude en witwassen bestaat meer verweving van de «bovenwereld» met de «onderwereld» dan bij de meer traditionele vormen van georganiseerde criminaliteit (drughandel). Georganiseerde criminaliteit in Nederland beperkt zich derhalve niet tot drughandel of handel in andere illegale goederen. De activiteiten van politie en justitie zouden zich niet alleen moeten richten op het witwassen van druggeld, maar ook op andere vormen van financieel-economische criminaliteit.

De omvang van de financieel-economische georganiseerde criminaliteit is nauwelijks aan te geven, maar er zijn duidelijke aanwijzingen dat de omvang toeneemt. Het lijkt erop dat, mede doordat politie en justitie deze vorm van georganiseerde criminaliteit pas recent in onderzoek hebben genomen, het inzicht minder groot is dan bij andere verschijningsvormen van de georganiseerde criminaliteit. De commissie acht het ongewenst dat zo weinig inzicht in de omvang van de problematiek bestaat.

De financieel-economische georganiseerde criminaliteit in Nederland is ernstig. Uit het vooral kwalitatieve beeld blijkt in ieder geval dat financieel-economische georganiseerde criminaliteit zeer schadelijk kan zijn voor het functioneren van de economie. Zij kan nationale en internationale concurrentieverhoudingen aantasten. De potentiële schade van de financieel-economische criminaliteit voor de samenleving is groot. In de onderzochte gevallen is voor honderden miljoenen guldens gefraudeerd. De commissie heeft niet de indruk dat op dit moment sprake is van een structurele vermenging van de legale economische bovenwereld met criminele organisaties. Dat neemt niet weg dat de commissie meent dat verhoogde aandacht voor deze vorm van georganiseerde criminaliteit zeer wenselijk is.

2.10 Lokale studies: Amsterdam, Arnhem, Nijmegen en Enschede

2.10.1 Aanleiding lokale onderzoeken

De onderzoeksgroep Fijnaut heeft ter verdieping en verbreding van haar inzichten aan de hand van de landelijke onderzoeken, tevens de georganiseerde criminaliteit in een aantal steden meer nauwkeurig onderzocht. Amsterdam, Enschede, Arnhem en Nijmegen zijn op een systematische wijze bezien op de omvang, aard en ernst van de georganiseerde criminaliteit. De keuze voor Amsterdam ligt voor de hand. Veel activiteiten van een groot aantal criminele organisaties vinden hun oorsprong in Amsterdam. Georganiseerde criminaliteit in de rest van Nederland heeft veelal raakvlakken met Amsterdam. De steden in het oosten van Nederland zijn onderzocht, om tevens een beeld te krijgen van de niet-randstedelijke georganiseerde criminaliteit. De keuze voor deze steden hangt samen met het feit dat de hoogleraren Bruinsma en Van de Bunt in het verleden al onderzoek hadden gedaan in deze steden en daardoor goed bekend waren met de thematiek.

Devoorzitter: Is er nog een stad waar niets aan de hand is in Nederland?

De heerFijnaut: Ik denk dat dit een Romeinse idylle is. Als ik kijk naar middelgrote en grote steden in Nederland, dan heeft elkeen zijn deel. Mijn inschatting is wel dat in termen van georganiseerde criminaliteit en zeker in termen van hoogwaardige beroepscriminaliteit, de Randstad toch wel een spijtige koploper is in dit verband en dat Amsterdam in dat opzicht het zwaartepunt vormt in de ontwikkelingen.1

2.10.2 Amsterdam

Devoorzitter: Wordt de samenleving, onze rechtsstaat, nu bedreigt door vormen van georganiseerde criminaliteit?

De heerFijnaut: In algemene zin, omdat men meestal nog ontwijkende strategieën hanteert, zou ik daar niet in grote woorden over durven te spreken. Maar inderdaad, de Amsterdamse setting laat zien dat men het probleem toch niet moet veronachtzamen en dat men alert moet zijn op wat daar gebeurt. In de voorbije jaren hebben de Amsterdamse politie, justitie en de mensen daaromheen, ook lang gedacht dat het toch eigenlijk maar incidenten waren, dat het minder systeem had en niet op grote schaal gebeurde. Maar het laatste anderhalf jaar heeft men toch ingezien dat die strategieën niet alleen afzonderlijk worden toegepast, maar ook in combinatie worden gehanteerd en dat men mensen kan corrumperen die men vervolgens gaat intimideren, om weer valse verklaringen af te leggen tegen diegenen die juist in de opsporingsonderzoeken betrokken zijn. Je krijgt een soort verknoping van de strategieën. Als dat systeem wordt, kan je met grote problemen te maken krijgen.2

De Amsterdamse politie beschikt niet over een op schrift gesteld algemeen beeld van de georganiseerde criminaliteit. De kennis van de Amsterdamse politie is gefragmenteerd. Het beeld van de politie in Amsterdam over de georganiseerde criminaliteit zegt meer over haar eigen beleid in dezen dan over deze vorm van criminaliteit.

Reeds vanaf de jaren zestig-zeventig komen in Amsterdam vormen van criminaliteit voor die traditioneel zonder twijfel worden gerekend tot de georganiseerde criminaliteit: internationale handel in verdovende middelen en organisatie van gokken. De opgang van de heroïnehandel en het (Chinese) gokwezen veroorzaakte een bijverschijnsel: corruptie van politie-ambtenaren.

De georganiseerde criminaliteit in Amsterdam bestond grotendeels uit de handel in verdovende middelen. Wapenhandel en diefstallen waren in enkele gevallen wellicht geen onbelangrijke nevenactiviteiten. Amsterdam vormde een knooppunt in een wereldwijde illegale markt. De georganiseerde misdaad in Amsterdam was bevolkt geraakt met groepen van allerhande etnische origine.

Actuele vormen van georganiseerde criminaliteit

Amsterdam vormt tegenwoordig een internationale markt voor verdovende middelen. De groothandel in drugs is geheel in handen van de georganiseerde misdaad. Politie en justitie richten zich nagenoeg zonder uitzondering op de bestrijding van deze drughandel. De reden dat Amsterdam zich heeft ontwikkeld tot een internationale markt wordt deels veroorzaakt door de geografische ligging van de stad en deels door de aanwezigheid van een gevarieerde immigrantenbevolking. Daardoor ontstaat een geschikte infrastructuur voor drughandel.

In Amsterdam zijn verschillende Nederlandse criminele groepen actief die zich bezig houden met drughandel. Deze groepen ontwikkelen in toenemende mate contra-strategieën ten opzichte van politie en justitie. Daarnaast dienen de Hells Angels apart genoemd te worden als criminele groep die onder andere actief is in de drughandel.

Naast de handel in drugs doen zich in Amsterdam tevens andere vormen van traditionele georganiseerde criminaliteit voor. In Amsterdam zijn enkele criminele groepen actief in de vrouwenhandel. De omvang van de vrouwenhandel in Amsterdam kan nauwelijks worden vastgesteld. De illegale handel in vuurwapens is een blinde vlek voor de Amsterdamse politie. In Amsterdam zijn ongeveer tien groepen professionele autodieven actief. Maar ook voor dit type criminaliteit geldt dat weinig gegevens beschikbaar zijn.

Allochtone groepen en georganiseerde criminaliteit in Amsterdam

Buitenlandse en allochtone criminele groepen spelen een belangrijke rol op de drugmarkt: Colombianen, Surinamers, Antillianen, Arubanen, Turken, Marokkanen, Pakistanen, Chinezen, Italiaanse mafia, Joegoslaven, Nigerianen, Ghanezen en Britten. De politie heeft met name veel informatie over de betrokkenheid van Turkse en Surinaamse personen in de drughandel. De precieze omvang van de betrokkenheid van de allochtone gemeenschappen in Amsterdam bij de georganiseerde criminaliteit is niet goed vast te stellen. De betrokkenheid varieert van het daadwerkelijk deelnemen aan een criminele organisatie en haar werkzaamheden, tot het eenmalig transporteren van drugs.

De precieze omvang van de betrokkenheid van Turkse mannen bij de georganiseerde criminaliteit en dan vooral drughandel is niet vast te stellen.1 Uit analyses van een bestand van de Amsterdamse politie lijkt de conclusie te kunnen worden getrokken dat ongeveer 1.880 tot 2.250 Turkse mannen ouder dan 18 jaar in de jaren 1990 – 1995 op enigerlei wijze in de belangstelling van de politie hebben gestaan vanwege betrokkenheid bij criminele organisaties die actief zijn in de drughandel.2 Een schatting van hun betrokkenheid in termen van procenten blijkt op basis van het bestaande materiaal niet onderbouwd te kunnen worden.

Opmerkelijk is dat Duitse, Franse of Belgische criminele groepen niet zijn aangetroffen. Wel heeft de politie onderzoek gedaan naar Britse criminele groepen.

Legale branches

Het Horeca Interventie Team van de Amsterdamse politie komt tot de conclusie dat tenminste één vijfde van alle horeca-ondernemingen in Amsterdam direct of indirect wordt «gecontroleerd» door de georganiseerde misdaad. Daarmee zou de georganiseerde misdaad een infrastructuur in handen hebben voor verdere criminele handelingen.

Van georganiseerde misdaad in de branche van de Turkse naai-ateliers is niet of nauwelijks sprake. Er zijn enkele aanwijzingen dat georganiseerde misdaad in de bouwnijverheid pogingen onderneemt, maar die aanwijzingen zijn niet hard gemaakt. In het particulier vervoer in Amsterdam is wel sprake van systematische fraude, maar er bestaat geen bewijs dat de georganiseerde misdaad is geïnfiltreerd.

De Amsterdamse politie voert een preventieproject uit om infiltratie door de georganiseerde criminaliteit bij de voorgenomen aanleg van de Noord-Zuid metroverbinding te voorkomen. Dit project heeft eerder preventieve betekenis dan dat er duidelijke aanwijzingen zijn van het optreden van criminele aannemers.

Op en rond 'de Wallen' is de georganiseerde misdaad zeer actief. Verschillende criminele organisaties hebben hier hun criminele verdiensten geïnvesteerd in de horeca en in onroerend goed.

Devoorzitter: (...) U heeft samen met de heer Fijnaut specifiek aandacht besteed aan de binnenstad van Amsterdam, aan de Wallen. Wat heeft u daar gevonden op het gebied van de besteding van crimineel geld en de uitwerking daarvan?

De heerBovenkerk: Wij hebben gekeken of de politie zicht had op het eigenaarschap van horecabedrijven. En dat bleek het geval te zijn in zeker één district, namelijk district twee rond de wallen, rond de Warmoesstraat. Daarvan heeft men een analyse gemaakt die erop neerkomt dat de problemen die je op straat tegenkomt en in de vitrines met allerlei uitstallingen van bijvoorbeeld seksapparaten en de aanbiedingen die daar gedaan worden, het enigszins verloederde karakter van althans sommige delen van het wallengebied, wel eens te maken zouden kunnen hebben met de vraag wie er eigenlijk achter die gevels zaten, dus wie de eigenaren waren. Men heeft eenvoudig van al die panden, voorzover men kon nagaan, in de horecasfeer gekeken tot wie die behoorden. Men kwam tot de conclusie dat er een groot aantal ondernemers waren met duidelijk criminele antecedenten. (...)

Maar er waren enkele groepen die in Amsterdam bekend zijn als harde kernen van georganiseerde misdaad, dertien of veertien groepen of groepjes, die over een substantieel deel bleken te beschikken van dat wallengebied. (...) Wij konden in ieder geval vaststellen op basis van die politieanalyse dat dertien of veertien van die groeperingen zich grote concentraties hadden verworven in dat stukje van de binnenstad. Onder hen bevinden zich bijvoorbeeld mensen die zich ooit met een zware ontvoering bezig hadden gehouden, een belangrijke pornokoning, de Hells Angels, een bekende drugshandelaar, een beruchte onroerend-goedhandelaar, een eigenaar van illegale naai-ateliers, althans vroeger, de eigenaar van een overigens heel onopvallende shoarmazaak, maar die zeer zwaar in de georganiseerde misdaad zit, mensen van wisselkantoren, bijvoorbeeld van Israëlische afkomst. Die groepen beheersen in feite een zeer belangrijk deel van de horeca in de binnenstad.

Devoorzitter: Dus dat zou je als het ware een soort innesteling in een ander gebied kunnen noemen?

De heerBovenkerk: Zeker, omdat de functie iets verder reikt dan alleen maar ondersteuning voor hun criminele activiteiten. Ik bedoel: als je drugs wilt verkopen, doe je dat bijvoorbeeld via een koffieshop. Daar heb je een koffieshop voor nodig. Maar als je gaat investeren in andere dingen, in cafés die er eigenlijk organiek geen relatie mee hebben, dan kan je dat zeggen. Nou, dat is inderdaad het geval. In deze buurt zie je dat voor het eerst gebeuren. Ik denk dat dit het meest duidelijke geval is in Nederland van racketeering.1

2.10.3 Het oosten van Nederland

Enschede

In Enschede is al jarenlang sprake van een zorgelijke economische situatie. De onveiligheidsgevoelens nemen onder de bevolking sneller toe dan landelijk het geval is. Een aantal wijken in de stad is duidelijk verpauperd en er vindt volgens sommige zegslieden een zwakke vorm van gettovorming plaats. Enschede heeft de naam een gewelddadige stad te zijn. De informatiepositie van de Enschedese politie is door de reorganisatie van de politie veranderd. Er is sprake van een grote versnippering van relevante kennis binnen het korps. Een deel van de kennis over de stad en haar criminaliteit is verloren gegaan of verouderd.

De handel in heroïne en cocaïne is in Enschede in handen van verschillende allochtone en autochtone groepen. Daarnaast heeft Enschede al van oudsher een actieve softdrughandel, waarbij vooral woonwagenbewoners een belangrijke rol spelen. De georganiseerde drughandel is niet zodanig zichtbaar op straat dat sprake is van overlast voor inwoners. Daarnaast doen zich op beperktere schaal autodiefstallen en vrouwenhandel voor.

In Enschede is een voorbeeld aangetroffen van een omvangrijke fraudezaak: activa van noodlijdende bedrijven werden overgeheveld naar besloten vennootschappen van een crimineel. De korpschef van Twente sprak tijdens zijn verhoor over een voorbeeld van financieel-economische criminaliteit:

De heerDe Graaf: U sprak over facilitators uit legale sectoren, waarvan groepen uit de georganiseerde criminaliteit gebruik maken. Vindt u dat inderdaad een bedreiging? Ziet u daarin een bepaalde ontwikkeling? Wordt er steeds misbruik of gebruik gemaakt van diensten van adviseurs uit de legale vrije beroepsgroepen?

De heerIJzerman: Ja, ik zie dat. Ik lees dat ook in rapportages van collega's. Ik ben daarmee ook zelf geconfronteerd geworden.

De heerDe Graaf: In uw hoedanigheid als korpschef van de regio Twente?

De heerIJzerman: Ja.

De heerDe Graaf: Ik zal niet vragen naar een specifieke zaak, zeker niet als die nog loopt. Maar wat kan de politie daaraan doen? Gaat het om strafbare feiten die worden gepleegd, of gaat het om een betrokkenheid waarvan je niet kunt vaststellen of die strafbaar is, doch waarvan je zegt dat het de criminele organisaties wel helpt?

De heerIJzerman: Ik heb informatie, zonder dat die voor ons op dat moment exploitabel is.

Devoorzitter: Kunt u dat uitleggen? Dat is zo'n vakterm.

De heerIJzerman: De heer De Graaf vroeg of het een strafbaar feit is. Wij vragen ons dan onmiddellijk af of je proces-verbaal kunt opmaken en een strafvervolging opstarten. Als ik zeg dat die informatie niet exploitabel is, bedoel ik dat het niet kan. Maar ik heb informatie dat er vanuit de dienstverlenende sfeer, zoals ik het in heel algemene termen maar noem, ondersteunende activiteiten plaatsvinden die als strafbare feiten te betitelen zouden zijn.

De heerDe Graaf: Kortom, er is geen sprake van een zodanige verdenking dat er echt een opsporingsonderzoek plaatsvindt. Uw indicatie is dat er strafbare feiten worden gepleegd door mensen uit de groepen die werden aangegeven.

De heerIJzerman: Feiten die als strafbaar feit te definiëren zouden zijn.

Devoorzitter: Zouden wij dat even precies mogen hebben, want het luistert nauw. U zegt dat u informatie hebt. Zijn dat feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat het strafbare feiten zijn?

De heerIJzerman: Het zijn gegevens die voldoende aanleiding zouden kunnen vormen om, in vaktermen, artikel 27 te gaan onderbouwen en aan te tonen.

Devoorzitter: Zou u dan iets preciezer kunnen zijn waar u het over heeft, zodat dat niet blijft hangen?

De heerIJzerman: Ik denk dat ik daarover op dit moment, onder deze omstandigheden, in het openbaar geen verdere mededelingen over kan en mag doen.

Devoorzitter: U moet iets preciezer zijn waar u het over heeft. U zegt dat er nog geen sprake is van verdenkingen en verdachten. Over wat voor gedragingen en wat voor situaties heeft u het?

De heerIJzerman: Als ik daar meer concrete informatie over geef, ligt het open. Ik kan dat niet voor mijn rekening nemen.

Devoorzitter: U kunt toch gewoon zeggen wat u er in algemene zin mee bedoelt? Wij vragen u toch niet naar een speciale zaak, een speciale casus?

De heerIJzerman: Dan gaat het om diensten aanbieden en mogelijkheden aanreiken, niet alleen in adviezen, maar feitelijk, aan lieden die onderdeel uitmaken van een crimineel netwerk.

Devoorzitter: Wat voor diensten en mogelijkheden?

De heerIJzerman: Bijvoorbeeld om crimineel geld ergens weer op een legale manier op te laten duiken.

Devoorzitter: Dus om mee te werken in een witwas-constructie?

De heerIJzerman: Bijvoorbeeld ja.

De heerDe Graaf: U hebt het specifiek over de beroepsgroepen die ik net even aanduidde: advocaten, notarissen, belastingadviseurs? Moet ik in die termen denken?

De heerIJzerman: In algemene zin aan alle dienstverlenende organisaties die een faciliterende rol vervullen.1

Nijmegen

Nijmegen heeft lang bekend gestaan om de aanwezigheid van koppelbazen. Enkele koppelbazen zijn nu weer actief, maar op een moderne wijze: zij hebben een respectabele status verworven als onroerend-goedexploitant en als min of meer legale bemiddelaar in arbeidskracht.

De harddrughandel wordt gedomineerd door Turkse groepen. Daarnaast nemen enkele andere groepen deel aan deze handel. Net zoals in de andere steden is een deel van de Turkse gemeenschap in de stad betrokken bij deze criminele handel. Maar ook hier bestaat onvoldoende basis om tot eenduidige kwantitatieve uitspraken te komen. Er is de nodige onrust tussen de verschillende criminele groepen in Nijmegen. De handel in softdrugs is verspreid over verschillende ondernemers en ondernemertjes. Veel politie-ambtenaren stellen dat door het ontbreken van effectieve tegenmaatregelen jonge criminelen carrière hebben kunnen maken in de softdrughandel. De georganiseerde drughandel is op straat nauwelijks merkbaar.

Andere vormen van georganiseerde misdaad doen zich nauwelijks voor. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor vrouwenhandel in Nijmegen. Er zijn wel enkele pogingen gedaan om door middel van intimidatie en geweld in discotheken te infiltreren. Intimidatie van justitie en openbaar bestuur is in de afgelopen jaren enkele malen gesignaleerd.

Arnhem

Het straatbeeld in Arnhem wordt meer en meer door de harddrugs bepaald. De georganiseerde drughandel is duidelijk op straat merkbaar. Arnhem is een belangrijk knooppunt voor de import en doorvoer van heroïne uit Turkije. De harddrugs hebben de laatste jaren een stempel gedrukt op de stad en haar zichtbaar veranderd. De heroïnehandel is in handen van enkele Turkse criminele groepen.

De plaatselijke straathandel in cocaïne wordt overgelaten aan Antilliaanse en Surinaamse groepen. Het aantal gewelddadige confrontaties tussen criminele organisaties blijft beperkt en is de laatste jaren stabiel gebleven.

Tijdens enkele verhoren kwam de vergelijking tussen de drie steden aan de orde:

Devoorzitter: Heeft u een algemeen omvattend oordeel te geven over deze drie steden, vergeleken met Amsterdam?

De heerBruinsma: Deze drie steden zijn natuurlijk moeilijk te vergelijken met de grote hoofdstad. Ik heb net al de algehele conclusie getrokken dat de drugshandel daar evenals in Amsterdam heel belangrijk is en dat over de infiltratie in legale branches, afgezien van de horeca, hetzelfde beeld wordt aangetroffen als in Amsterdam. Het is wel van belang dat de kwaliteit en kwantiteit, de aard en de omvang van de georganiseerde criminaliteit, in Amsterdam van een andere orde zijn dan in de drie steden. Dat wil niet zeggen dat er in de drie steden geen sprake van is, want dat is niet het geval. Dat heb ik net verteld. Wel is in Amsterdam veel meer sprake van variatie. Buitenlandse groepen, zoals Italianen, Chinezen en Joegoslaven, zijn nadrukkelijker in Amsterdam actief en veel minder of niet aanwezig in de drie steden. De aard van de georganiseerde criminaliteit in Amsterdam is dan ook veel gevarieerder, heeft een veel breder scala. Er zijn ook veel meer contacten met het buitenland. In het oosten is dat wat beperkter van aard en ook van omvang.1

Devoorzitter: (...) Als u heel in het kort een schets moet geven van de zwaar georganiseerde criminaliteit in de Randstad en in Enschede, hoe verhoudt zich dat?

De heerIJzerman: Ook uit de presentaties van de heren Fijnaut en Bovenkerk gisteren bleek duidelijk dat de aard, omvang en ernst hiervan in de Randstad – en met name in Amsterdam – beduidend groter is dan in het oosten van het land. Niettemin zien wij op een aantal terreinen ontwikkelingen en feiten, die daarmee vergelijkbaar zijn en in de toekomst wellicht ernstiger kunnen worden als wij daarop niet adequaat reageren.

Devoorzitter: Welke gevaren ziet u speciaal?

De heerIJzerman: Ik denk aan de mobiliteit, de transportsector, de ontwikkelingen in Oost-Europa. De heer Fijnaut sprak gisteren over de transportlijnen in de drugseconomie. Daarvan zie je uiteraard de vertakkingen in het oosten van het land op verschillende punten samenkomen. Ik verwacht, ook op grond van publikaties, dat de verdere ontwikkeling van Oost-Europa in dat opzicht een factor van betekenis kan worden.1

2.10.4 Beoordeling

De lokale studies bevestigen en verdiepen het eerder geschetste beeld van de aard, omvang en ernst van de georganiseerde criminaliteit. Dergelijke lokale studies van de georganiseerde criminaliteit maken een betere keuze van te onderzoeken zaken in de betreffende steden mogelijk. Dat neemt niet weg dat ook in deze studies slechts weinig eenduidige kwantitatieve uitspraken gedaan kunnen worden over de omvang van de georganiseerde criminaliteit. Geen van de politiekorpsen in de onderzochte steden beschikte over een omvattend beeld van de georganiseerde criminaliteit in de stad. De lokale studies voorzagen in een expliciete behoefte bij politie, justitie en bestuur.

De uitkomsten van de lokale studies tonen dat de drughandel de belangrijkste criminele activiteit van de in deze steden actieve criminele organisaties is. Andere vormen van georganiseerde criminaliteit doen zich wel voor, maar niet in de omvang die de drughandel heeft aangenomen.

Het meest zorgwekkende in deze lokale studies is de gebleken betrokkenheid van lokale etnische gemeenschappen bij de georganiseerde criminaliteit. Verontrustend is tevens dat in delen van de steden de georganiseerde misdaad zo actief is dat zij in belangrijke mate economische macht uitoefent. Vooral in Amsterdam en Arnhem lijken wijken te zijn waar de criminele organisaties vanuit hun economische machtspositie schadelijke invloed kunnen uitoefenen, ook op het functioneren van politie, bestuur en justitie.

Aan de andere kant tonen deze studies dat van infiltratie in branches of vrije beroepsgroepen door de criminele organisaties in het algemeen geen sprake is. Een uitzondering vormt de horeca, waarvan is vastgesteld dat een aanzienlijk deel in handen is of dreigt te komen van enkele criminele organisaties.

De lokale studies onderbouwen het gedifferentieerde beeld van de georganiseerde criminaliteit dat het onderzoek oplevert. In een aantal branches is sprake van verontrustende vormen van georganiseerde criminaliteit, andere sectoren lijken nauwelijks geïnfecteerd te zijn door activiteiten van criminele organisaties.

2.11 Contra-strategieën

2.11.1 Aanleiding onderzoek

Uit het onderzoek door de onderzoeksgroep Fijnaut blijkt dat contra-strategieën door criminele organisaties tegen politie en justitie een wezenlijk onderdeel vormen van de hedendaagse georganiseerde criminaliteit. Onder contra-strategieën worden verstaan: observatie door criminele organisaties van politieen justitiefunctionarissen, intimidatie en bedreiging van politie en justitie door leden van criminele organisaties, corruptie bij politie en justitie waarbij de georganiseerde criminaliteit een rol speelt en oneigenlijke beïnvloeding van de media. Contra-strategieën door criminele organisaties vormen een nieuw verschijnsel waarmee politie en justitie in het verleden nauwelijks geconfronteerd werden.

De heerFijnaut: (...) Onze algemene conclusie is dat de Nederlandse overheid im grossen und ganzen zeker niet een gecorrumpeerde of geïnfiltreerde overheid is, lokaal of nationaal. Dat sluiten wij absoluut uit, maar je ziet een aantal gevallen waarbij er aanwijzingen, signalen zijn dat mensen, somtijds op belangrijke sleutelposities in operationele sfeer, bedenkelijke relaties hebben met groepen of mensen binnen groepen.1

Criminele groepen hanteren verschillende contra-strategieën om het functioneren van politie en justitie te bemoeilijken. Contra-strategieën worden vooral gehanteerd door autochtone criminele organisaties.

2.11.2 Contra-observatie

Gevallen van contra-observatie worden aangemeld bij de CRI. In 1994 waren 96 voorvallen aangemeld, terwijl in 1995 tot augustus 52 gevallen waren aangemeld. Het gaat daarbij met name om een groep scanner-freaks die constant tracht de politie te lokaliseren. Zij is onder andere actief in Amsterdam. Deze groep «contra-observanten» zou volgens de politie in opdracht van andere criminele organisaties functionarissen bij politie en justitie volgen en afluisteren. Deze «contra-observanten» volgen dus daadwerkelijk politiële observatie- en arrestatieteams. Daarbij gaat het niet alleen om het volgen, maar ook om het afluisteren van telefoonlijnen en portofoonverbindingen. Het afluisteren van officier van justitie Valente en politiefunctionaris Woelders vormen belangrijke voorbeelden. Politie en justitie zijn een strafrechtelijk onderzoek begonnen tegen deze groep. Inmiddels zijn enkele arrestaties in dit kader verricht.2

2.11.3 Intimidatie en bedreiging

Intimidatie en bedreiging van politie en justitie hebben zich in verschillende gedaanten voorgedaan. Hierbij moet worden gedacht aan het opvallend «thuisbrengen» van politiefunctionarissen, bedreigingen en fysiek geweld, inbraken bij politie- en justitie-ambtenaren waarbij persoonlijke en zakelijke eigendommen werden gestolen en dreigbrieven. Buiten Amsterdam zijn echter weinig harde voorbeelden gevonden van dergelijke intimidatiepraktijken die gericht zijn tegen politie- of justitiefunctionarissen. Wel zijn in de drie steden in het oosten ambtenaren van politie en leden van de zittende en staande magistratuur meermalen bedreigd.

2.11.4 Corruptie

In de afgelopen drie jaar waren er in Amsterdam vijftien gevallen waarin een vorm van corruptie is aangetoond die in verband stond met de georganiseerde misdaad. Het gaat daarbij steeds om politiemensen in de laagste rangen. Zij waren vaak meerdere malen door de korpsleiding gewaarschuwd. Het gaat bij deze corruptiegevallen naar verhouding vooral om Surinaamse politie-agenten die geen weerstand kunnen bieden aan de druk van hun familie, sociale of etnische omgeving. Via een minderhedencoördinator van de Amsterdamse politie werd systematisch getracht Surinaamse politiemensen, die een intensieve relatie onderhielden met Surinaamse criminele organisaties, te laten infiltreren in de Amsterdamse politie. Ook in Arnhem en Enschede zijn gevallen bekend van ongewenste contacten tussen politiefunctionarissen en criminele organisaties. In alle steden zijn contacten tussen politiemensen en zware criminelen aangetroffen, waarbij niet steeds was vast te stellen in hoeverre sprake was van ongewenste contacten.

Door de commissie is geen bewijs aangetroffen van corruptie bij de Amsterdamse korpsleiding of in de Amsterdamse politiek. Ook van enige ongewenste contacten tussen de Amsterdamse politietop of de Amsterdamse politiek met criminele organisaties is bij nader onderzoek door de commissie niets gebleken. Aanwijzingen over mogelijke betrokkenheid van hoge Amsterdamse politie-ambtenaren of Amsterdamse politici bij de georganiseerde criminaliteit zijn door de commissie zo goed mogelijk onderzocht en hebben tot de voorgaande conclusies geleid. Op de nasleep van de corruptiebeschuldigingen rond de opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht komt de commissie terug in hoofdstuk 3.

Devoorzitter: U heeft, zo is mij gebleken, geen aanwijzingen aangetroffen voor corruptie in de hogere regionen. U heeft zich nog wel met het volgende beziggehouden. In november 1993 maakt de hoofdcommissaris van Amsterdam melding van politieke infiltratie. De BVD heeft de zaak naar aanleiding van die berichten van de heer Nordholt ook onderzocht en de dienst heeft uiteindelijk in een ambtsbericht aan de minister van Binnenlandse Zaken de conclusie neergelegd dat er van corruptie geen sprake was. Dit mede op basis van een rapport van de Amsterdamse politie, geaccordeerd door het openbaar ministerie. Van welke mogelijke politieke infiltraties was er nu sprake en zijn deze als geslaagd te beschouwen?

De heerBovenkerk: Wij hebben inderdaad inzage gehad in dat rapport. Het gaat om vijf personen in Amsterdam, alle «minor figures» in de politiek. Het waren kandidaten voor een deelraad en iemand die zichzelf kandidaat had gesteld om bij een belangrijke politieke partij aangesloten te geraken. In drie van die gevallen is het eenvoudigweg niet doorgegaan omdat de betrokkenen zich terugtrokken. Er was een advocaat bij die zich politiek probeerde te manifesteren, maar die heeft zich op tijd teruggetrokken. Overbleef een parlementariër die zich veelvuldig in schietverenigingen ophield waarin ook geregeld allerlei mensen uit het criminele milieu verkeerden, waar misdadigers trainden. Dat was eigenlijk de oogst: vier mensen die zich teruggetrokken hadden en een parlementariër. Je kunt je dus afvragen of het werkelijk waar was wat Nordholt zei, namelijk dat de integriteit van de Nederlandse politiek op het spel stond. In de kern had hij er natuurlijk wel gelijk in dat er een begin van was dat dit mogelijk zou gebeuren, maar op grond van het materiaal dat ik onder ogen heb gehad, zou ik mij persoonlijk minder stellig hebben uitgelaten.1

In Arnhem is wel een Turks gemeenteraadslid aangetroffen dat zijn huis als opslagruimte liet gebruiken door een criminele organisatie, omdat de kans dat de politie bij een gemeenteraadslid zou binnenvallen, klein werd geacht.

2.11.5 Beïnvloeding via de media

Teamleider van het kernteam Randstad Noord en Midden, de niet-Amsterdamse tak van het voormalig IRT, Dros, stelde in zijn verhoor dat er aanwijzingen waren dat «vanuit de criminele wereld journalisten gebruikt worden om criminele doelen te dienen».2 Hij sprak van een vierde contra-strategie, namelijk «het manipuleren van de media». Gonzales, officier van justitie van hetzelfde kernteam, meende dat journalisten zich voor een «karretje lieten spannen om zand in de machine te gooien». Zij heeft bij de FIOD leggers gelicht van bepaalde journalisten van De Telegraaf om te bezien of er sprake kon zijn van hand- en spandiensten voor criminele organisaties.3 Deze aktie leverde overigens niets op. Over het zand in de machine werd het volgende verklaard:

De heerDros: (...) Wij hebben heel sterke aanwijzingen dat ontdekt is door criminelen dat er door middel van publikaties in kranten zand in de machine gestrooid kan worden.

Devoorzitter: Over welke krant heeft u het dan?

De heerDros: Dat wil ik niet zeggen.

De heerDe Graaf: Ik zal het anders formuleren. Er zijn in de afgelopen maanden, het afgelopen halfjaar, misschien wel eerder, berichten in verschillende kranten verschenen over medewerkers van u.

De heerDros: Exact.

De heerDe Graaf: Heeft u het oog op dat soort berichten?

De heerDros: Mede.

Devoorzitter: U vindt dus dat berichten die in de pers verschenen zijn over huidige medewerkers van u daar een voorbeeld van zijn?

De heerDros: Laat ik het als volgt formuleren. Wij hebben signalen, gegenereerd vanuit verschillende bronnen, dat criminelen heel bewust bezig zijn met het manipuleren van nieuws om zand in de machine te gooien.

Devoorzitter: U wilt niet zeggen waar het precies om gaat en dit kan zo niet blijven hangen. Er zijn nu twee mogelijkheden. Of u kunt nu alsnog zeggen waar het om gaat of u geeft ons de map met artikelen.

De heerDros: U kunt zonder meer vertrouwelijk kennis nemen van de dingen die wij verzameld hebben.

Devoorzitter: Dan moet u ons de map met artikelen geven met de aanwijzingen die u daarbij heeft. Dan kunnen wij in onze eindrapportage beslissen hoe wij dat behandelen. Dat moet u dan doen.

De heerDros: Dat is geen enkel probleem.

Devoorzitter: Dat wilt u dus doen.

De heerDros: Ja.

Devoorzitter: Dus wij krijgen van u de complete map met stukken, met daarbij de aanwijzingen die daarvoor gelden?

De heerDros: U krijgt van mij de aanwijzingen die wij in ons lopende onderzoek hebben verzameld. Die ondersteunen dat er sprake zou kunnen zijn van een vierde contrastrategie.

Devoorzitter: «Zou kunnen zijn» zegt u nu.

De heerDros: Zo voorzichtig heb ik het ook geformuleerd.

Devoorzitter: Wij krijgen van u die map en wij krijgen van u die aanwijzingen. Die wilt u vertrouwelijk aan ons geven.

De heerDros: Dat is geen enkel probleem.

Devoorzitter: En u wilt aan ons het oordeel overlaten over de wijze waarop wij er verder mee omgaan.

De heerDros: Ja, naar ik hoop met inachtneming van onze operationele belangen in het lopende onderzoek.

Devoorzitter: Ja, die zullen wij in het oog houden. Maar het kan niet zo blijven liggen, als u het nu niet wilt zeggen. Anders moeten wij schorsen en u toch vragen om de waarheid erover te zeggen.

De heerDros: U hebt tot nu toe alleen maar de waarheid gehoord.

Devoorzitter: Maar u wilt bepaalde dingen niet zeggen.

De heerDros: Dat is juist.

Devoorzitter: Daar moeten wij toch achter zien te komen. Anders kan ons eindrapport er niet duidelijk over zijn.1

Na zijn verhoor heeft Dros de commissie op 16 oktober 1995 een notitie, de zogenaamde «map van Dros», doen toekomen waarin Gonzales en hij hun standpunt onderbouwen. Op 28 november 1995 heeft een nader gesprek hierover tussen Dros, Gonzales en de voorzitter van de commissie plaatsgevonden. Het mapje betreft artikelen van de misdaadjournalisten De Haas en Van den Heuvel in De Telegraaf. Deze artikelen hebben betrekking op het onderzoek naar de criminele organisatie van één van de erven-Bruinsma, vermeende schandalen bij de Utrechtse en de Haarlemse politie, de toepassing van de IRT-methode, de situatie bij de CID Kennemerland, de onopgeloste moord op Van der Heiden in Alkmaar en het gebrek aan vertrouwen dat tussen verschillende CID-en in Nederland zou bestaan.

Dros en Gonzales hebben aanwijzingen dat bepaalde criminelen verklaard zouden hebben eropuit te zijn zand in de machine van politie en justitie te strooien. Het is de commissie gebleken dat de door Dros en Gonzales genoemde artikelen niet alleen betrekking hebben op het onderzoek van het kernteam Randstad Noord- en Midden maar ook op velerlei problemen die in de enquête aan de orde geweest zijn, zoals het functioneren van de CID in Haarlem. Voor deze artikelen zijn ongetwijfeld vele andere bronnen gebruikt binnen politie en justitie zelf. Met andere woorden «de map van Dros» onderbouwt de stelling niet dat sprake is van mediamanipulatie. Er is niet gebleken van een directe afhankelijkheidsrelatie tussen genoemde journalisten en de criminele wereld. Wel is duidelijk dat personen binnen het criminele milieu mogelijkheden zoeken om hun perscontacten te hunnen voordele te gebruiken.

Nadat de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) intrekking van de beschuldigingen tegen de journalisten gevraagd had, heeft de voorzitter van het College van procureurs-generaal, Docters van Leeuwen, per brief van 6 oktober 1995 laten weten dat in het geval van de journalisten van De Telegraaf geen sprake is van «een vermoeden van enig strafbaar feit».1 Hiermee was de zaak, wat betreft de NVJ en De Telegraaf, afgedaan.2 In zijn verhoor op 9 november 1995 bleef Docters van Leeuwen echter bij de opvatting dat er aanwijzingen waren voor mogelijke betrokkenheid.

Devoorzitter: Betekent dat nou ook dat er geen aanwijzingen waren voor mogelijke betrokkenheid?

De heerDocters van Leeuwen: Er waren wel aanwijzingen. Staat u mij, gelet op de gevoeligheid van de herkomst van die aanwijzingen, toe daar in het openbaar niet verder over te verklaren, maar die aanwijzingen wezen toch in de richting van een contact dat betrekking had op heden, verleden en toekomst.

Devoorzitter: Dus een contact met criminelen van de journalisten buiten het kader van hun gewone werk?

De heerDocters van Leeuwen: Ja. Ik vond ze nogal intensief en ik vond ze nogal intens. Ik heb wel aan de hoofdredacteur gevraagd: volgt u dit? Hij heeft mij toen medegedeeld dat hij ervan op de hoogte was. Ik zei: als ik in die situatie was, zou ik dat nauwkeurig volgen. Dat was desgevraagd een collegiaal advies.

Devoorzitter: U bent toch geen collega van die man?

De heerDocters van Leeuwen: Nee, maar je kunt nog wel collegiaal met elkaar omgaan, ook al ben je geen collega.

Devoorzitter: Natuurlijk. Hebt u dit, wat u een aanwijzing zou willen noemen, ook allemaal gemeld?

De heerDocters van Leeuwen: Ik heb gemeld wat ik nu gezegd heb.

Devoorzitter: Daarmee was de zaak voor de Nederlandse Vereniging van Journalisten uit de wereld?

De heerDocters van Leeuwen: Ja. Althans: nee; ik heb het nu over het gesprek met de hoofdredacteur van De Telegraaf.

Devoorzitter: U hebt gelijk.

De heerDocters van Leeuwen: Ik heb, met goedvinden van de hoofdredacteur van De Telegraaf, een afschrift van die brief gezonden aan de Nederlandse Vereniging van Journalisten. Daarmee was ook wat hen betreft deze zaak uit de wereld. Zij hadden al gevraagd om een gesprek. Ik heb gezegd: dat lijkt mij een prima idee. Dat gesprek zal binnenkort plaatsvinden.3

Docters van Leeuwen heeft de hoofdredacteur van De Telegraaf gewezen op intensieve contacten die bestaan tussen de journalisten en criminelen. Bestudering van de «map van Dros» leidt de commissie niet tot de conclusie dat er sprake is van mediamanipulatie. Hoogstens is er sprake van pogingen tot wederzijdse beïnvloeding.

De journalisten Salverda en De Vries, werkzaam voor onder meer respectievelijk Veronica en RTL 4, zijn vervolgd door het OM wegens hun gebruik van bij politie en justitie gestolen en afgeluisterde informatie waarvoor mogelijk ook betaald zou zijn. De Amsterdamse rechtbank heeft deze journalisten bij vonnis van 2 januari 1996 niet veroordeeld. Volgens de Amsterdamse rechtbank kan informatie niet geheeld worden. Salverda en De Vries werden vrijgesproken en op sommige punten ontslagen van rechtsvervolging. Het OM heeft aangekondigd tegen dit vonnis in hoger beroep te gaan.

2.11.6 Beoordeling

De commissie vat de genoemde contra-strategieën ernstig op. Het functioneren van politie en justitie wordt hierdoor geschaad. Voor de individuele politieman en officier van justitie zijn de contra-strategieën zeer bedreigend. Op onaanvaardbare wijze proberen criminele organisaties greep te krijgen op het functioneren van politie en justitie. Deze contra-strategieën kunnen er namelijk voor zorgen dat politie en justitie in Nederland hun werk onvoldoende kunnen uitoefenen. Corruptie heeft tot gevolg dat een ongewenste vermenging ontstaat tussen politie, justitie, bestuur, politiek en criminele organisaties. Hoewel de commissie enkele corruptiegevallen heeft aangetroffen, is van systematische pogingen van criminele organisaties om politie, bestuur en justitie te corrumperen geen sprake.

De omvang van het gebruik van contra-strategieën door criminele organisaties neemt toe. De commissie meent dat het probleem van de contra-strategieën door criminele organisaties hoge prioriteit moet krijgen van politie en justitie. Voorkomen moet worden dat deze activiteiten van criminele organisaties effect hebben op de rechtshandhaving.

HOOFDSTUK 3 DE DELTA-METHODE: DOORLATEN VAN DRUGS ONDER REGIE VAN POLITIE EN JUSTITIE

3.1 Inleiding

De commissie heeft intensief onderzoek gedaan naar de methode van het bewust doorlaten van drugs onder verantwoordelijkheid van politie en justitie, waarbij gestuurde informanten of beter gezegd burgerinfiltranten behulpzaam zijn. Deze methode, die bekend is geraakt als de Delta-methode, heeft mede ten grondslag gelegen aan de opheffing van het interregionaal rechercheteam Noord-Holland/Utrecht (IRT), eind 1993.

Bij haar aantreden in december 1994 stond voor de commissie vast dat ook de methode die gebruikt werd door het opgeheven IRT nader onderzocht moest worden. Zij kon toen nog niet voorzien dat deze Delta-methode ook na de opheffing van het IRT door de CID in Kennemerland was voortgezet. Daarvoor kreeg zij de eerste aanwijzingen in maart 1995. De commissie beschikte over informatie dat een informant in Rotterdam actief was geweest bij het doorlaten van drugs nadat het IRT was opgeheven. Het ging hier om de zaak die later bekend werd onder de naam «Bever». Op grond van deze gegevens en nieuwe feiten rond sigarettensmokkel is een rijksrecherche-onderzoek begonnen op aanvraag van de korpschef en de hoofdofficier van justitie in Haarlem en de hoofdofficier te Rotterdam. Nadat deze zaak in de openbaarheid was gekomen, heeft het College van procureurs-generaal in april 1995 een algemeen rijksrecherche-onderzoek gelast naar het functioneren van de CID Kennemerland. Vanaf het begin is de commissie in de persoon van haar voorzitter en de vice-voorzitter op de hoogte gehouden van de voortgang van het rijksrecherche-onderzoek. De commissie heeft gekozen voor een breder onderzoek dan de rijksrecherche. Niet alleen de politieregio Kennemerland was onderwerp van onderzoek, maar de commissie heeft ook gekeken naar enkele andere regio's waar sprake was van het doorlaten van drugs onder regie van de politie, zoals Rotterdam, Gooi en Vechtstreek, Twente en Haaglanden.1

De commissie wilde niet het onderzoek van de commissie-Wierenga, die onderzoek deed naar de redenen voor de opheffing van het IRT, volledig over doen. De bestuurlijke en organisatorische verhoudingen rondom het IRT zijn derhalve geen direct onderwerp van onderzoek geweest van de commissie. De methode van het IRT en het oordeel van de commissie-Wierenga hierover daarentegen des te meer.

Het onderzoek van de commissie naar deze methode leverde veel gegevens op. De commissie heeft noodgedwongen een selectie moeten maken uit deze gegevens. Tijdens het onderzoek naar deze methode werd de commissie geconfronteerd met elkaar tegensprekende verklaringen van leden van het OM en politiefunctionarissen. Indien mogelijk heeft de commissie een oordeel gegeven over de verschillende verklaringen. In een aantal gevallen bleek het niet mogelijk tot een oordeel te komen. Sommige feiten waren niet meer te achterhalen. Desondanks wordt in dit hoofdstuk een zo goed mogelijke chronologische weergave gegeven van de gebeurtenissen.

3.2 Omschrijving methode

De methode bestaat uit het onder regie van politie en justitie gebruik maken van informanten die criminele organisaties facilitair ondersteunen. De politie gebruikt de informanten om informatie te verzamelen over het functioneren van de criminele organisatie. De informanten hebben op één of andere wijze contact met leden van criminele organisaties. Het gaat onder andere om informanten die werkzaam zijn in de transportwereld.2

De politie wordt door een informant in kennis gesteld van de verwachte aankomst van een container waarin verdovende middelen zijn verborgen. De informant draagt kennis van de gegevens van de container, het schip en de vermoedelijke datum van aankomst. De politie zorgt er met hulp van FIOD-medewerker(s), voor dat de container niet door de douane wordt gecontroleerd. De FIOD/politie heeft afspraken met de douane dat indien de FIOD/politie daarom vraagt bepaalde containers zonder verder vragen door de douane worden geloodst. Onder regie van de politie en door tussenkomst van de FIOD wordt de container dan door een burgerchauffeur, die met de politie samenwerkt, uit het havengebied gereden en getransporteerd naar een neutraal terrein, bijvoorbeeld een parkeerplaats. Vervolgens zorgt politiepersoneel of de burgerchauffeur voor transport naar een loods. Een medewerker van de FIOD zorgt inmiddels voor de inklaring van de containers en de daarvoor benodigde documenten. In een aantal gevallen vervoeren politiemensen zelf de container vanaf het haventerrein naar de loods.

In de loods wordt door politiefunctionarissen de lading in de container gecontroleerd. De politie weegt de hoeveelheid verdovende middelen. De lading drugs wordt opgesplitst en op afroep door de politie vervoerd naar een plaats die door leden van de criminele organisatie is opgegeven aan de burgerinfiltrant. De deklading (de lading die noodzakelijk is om de drugs te verstoppen) wordt apart gezet en eventueel later verkocht, dan wel «om niet» aan bepaalde bedrijven weggegeven. In andere gevallen heeft de politie geen bemoeienis met de dekladingen.

Het door informanten binnenhalen van containers onder regie van de politie gebeurt op verschillende manieren. Hieronder geeft de commissie enkele varianten die zij tijdens haar onderzoek heeft aangetroffen.

1 De informant krijgt van de criminele organisatie een volledig ingevulde «bill of lading» (vervoersdocument) van een bepaalde container. De criminele organisatie heeft dan zelfstandig de deklading, de container, het afzendadres, het «notify»-adres (bestemmingsadres) en het transport en opslag geregeld. De informant hoeft slechts te zorgen dat de container van het haventerrein af komt.

2 De tweede variant vraagt een meer actieve informant. De informant wordt door de criminele organisatie gevraagd om voor het binnenhalen en de opslag van de containers te zorgen, waarbij de informant invloed heeft op de gegevens die op de bill of lading dienen te worden vermeld. De informant kan dan fake-adressen van de politie hanteren als bestemmingsadres, het adres dat op de bill of lading komt te staan als bestemmingsadres van de goederen. De politie draagt dan de zorg voor de instandhouding van een dergelijk adres. Het moet de indruk wekken van een bestaand bedrijf.

3 De derde variant is een informant die een groter aandeel verzorgt in het transport. Deze informant organiseert vervoer vanaf het land van herkomst. De informant zorgt dan, onder regie van de politie, voor de bill of lading, de deklading, afzend- en bestemmingsadressen, transport en opslag in Nederland. In deze variant is de informant veel eerder op de hoogte van de te verzenden containers. De informant heeft contact met het land van herkomst.

Wat er vervolgens met de doorgevoerde partijen drugs gebeurt, varieert. In sommige gevallen worden de drugs in beslag genomen nadat de politie heeft vastgesteld aan wie de drugs zijn afgeleverd. Observatieteams houden de verschillende partijen drugs dan in de gaten. In andere gevallen wordt besloten de partijen bewust door te laten gaan om de informant te beschermen of in aanzien te laten groeien binnen de criminele organisatie. In weer andere gevallen raakt de politie de partijen drugs kwijt doordat niet alle zendingen kunnen worden geobserveerd.

Voor deze transportactiviteiten wordt de informant betaald door de criminele organisatie. De informant mag deze gelden houden en hoeft ze niet af te dragen aan de politie. Met dit geld worden door tussenkomst van de politie diverse kosten betaald, zoals de invoerrechten, de kosten van de chauffeur, loodsen, transportmiddelen en communicatiemiddelen.

Het doel van deze methode is het distributienetwerk van de criminele organisatie in kaart te brengen alsmede zicht te krijgen op de leidende personen in de criminele organisatie. Een ander doel van deze methode is om een burgerinfiltrant een belangrijker positie te geven ten opzichte van de organisatie zodat het mogelijk wordt dat hij in vertrouwen wint bij de top van de criminele organisatie. Om de infiltrant te laten «groeien», moeten dan soms partijen drugs worden doorgelaten.

3.3 Ontstaansgeschiedenis

Vanaf het begin van de jaren tachtig werkte het Duitse Bundeskriminalamt (BKA) samen met de Nederlandse politie bij gecontroleerde afleveringen.1 Deze gecontroleerde afleveringen werden over het algemeen in beslag genomen nadat zij door de ontvangende organisatie aan anderen waren doorverkocht. Daarbij speelden zowel de lokale CID-en als de NCID een belangrijke rol. Het BKA maakte voor de financiering van een deel van dat traject gebruik van crimineel geld.

De kosten van deze operaties en een belangrijk deel van de onkosten van de informant werden gefinancierd met gelden die door de criminele organisatie aan de informant ter beschikking werden gesteld. Door de criminele organisatie werden na de overdracht van de partij hasj de transportkosten aan de informant betaald. Door de informant werd dit geld overgedragen aan het BKA, die het transport, de kosten van opslag en de onkosten van de informant daarmee financierde.2

Dit hele traject werd buiten de processtukken gehouden. Daarbij is incidenteel ook een proefzending op de markt terecht gekomen. De Nederlandse politie deed op deze manier in de jaren tachtig de eerste ervaringen op met gecontroleerde afleveringen die later in het traject in beslag werden genomen.

Het begin van de specifieke Delta-methode door de Nederlandse politie ligt naar alle waarschijnlijkheid aan het eind van de jaren tachtig in Dordrecht. Een medewerker van de CRI en een FIOD-ambtenaar benaderen dan de CID van de Rijkspolitie in Dordrecht met de vraag om een informant, die goed ingevoerd was in de Hollandse netwerken, via het doorlaten van drugs meer informatie over deze criminele groepen te laten verkrijgen. In 1989 wordt deze methode in eenvoudiger vorm feitelijk voor het eerst gebruikt door de CID Dordrecht onder leiding van de CID-chef Van der Putten.

De heerVan der Putten: Laat ik het als volgt formuleren. Ik heb de afgelopen maanden natuurlijk zitten denken hoe een en ander is ontstaan. Ik durf rustig te stellen dat ik misschien de architect ben van het systeem. Maar op dat systeem kunnen weer variaties gemaakt worden. Laat ik zeggen dat ik de basis gelegd heb voor hetgeen later gevolgd is.3

In nauwe samenwerking met een medewerker van de FIOD/douanerecherche, De Jongh, worden containers ingeklaard en buiten het douaneterrein gebracht. De Jongh draagt er zorg voor dat de containers niet worden gecontroleerd. Daarvoor heeft hij afspraken gemaakt met de douane. Indien De Jongh verzoekt een bepaalde container niet te controleren dan laat de douane deze container doorgaan. De Jongh krijgt de informatie over de containers met drugs van de betrokken CID-functionarissen.

De vrachtwagen met containers worden gereden door een chauffeur, hier te noemen M., die een transportbedrijf heeft. In eerste instantie heeft CID-chef Dordrecht Van der Putten geprobeerd een politiechauffeur te krijgen van een infiltratieteam. Naar het oordeel van Van der Putten hadden deze chauffeurs onvoldoende kwaliteiten, zodat hij zich gedwongen zag een burgerchauffeur te gebruiken.

In de periode 1989–1990 huurt de CID Dordrecht een loods waar de drugs worden opgeslagen.1 De CID Dordrecht maakt gebruik van verschillende loodsen die alle betaald worden door criminelen. In totaal wordt ongeveer fl. 150 000,– huur betaald voor de loodsen.2

De CID Dordrecht richt tevens een aantal gefingeerde bedrijven op ten behoeve van het verzorgen van de bestemmingsadressen. In de periode 1991–1992 worden twee nepbedrijven opgericht die dienen als bestemmingsadres. De kosten van deze nepbedrijven worden betaald met geld van de criminele organisatie door tussenkomst van de informant.3

Eén van deze gefingeerde bedrijven was een bedrijf in kleding met een vestigingsplaats in het buitenland en in Nederland. Men heeft getracht door het zenden naar en ontvangen van post op het fake-adres het bedrijf een enigszins realistisch aanzien te geven.

Het blijft onduidelijk hoeveel containers in deze periode zijn doorgelaten met medeweten van politie en justitie. Naar de indruk van de commissie gaat het hier om enkele containers met drugs die op de beschreven wijze zijn binnengehaald. Hiervoor is door officier van justitie Berserik toestemming verleend. De drugs in deze containers zouden grotendeels in beslag zijn genomen. Een deel van de drugs in deze containers is op de markt terecht gekomen.4 Vast staat dat de methode van het doorlaten van softdrugs met behulp van een informant al is begonnen voordat het IRT daar mee bezig was.5

3.4 Delta-methode IRT Noord-Holland/Utrecht

3.4.1 Inleiding

Medio 1992 was er contact tussen CID-chef Dordrecht Van der Putten en CID-chef Haarlem Langendoen, waarbij de problematiek van het invoeren van containers met verdovende middelen aan de orde kwam.6 Langendoen zocht een chauffeur om een container uit de haven te halen. Van der Putten introduceerde chauffeur M. bij Langendoen. Langendoen verklaart dat chauffeur M. vanaf 1992 ook daadwerkelijk is ingeschreven bij de CID Haarlem. De commissie heeft dat niet kunnen vaststellen. M. was behulpzaam bij het binnenhalen van containers voor het IRT. Daarmee was de Delta-methode voor het IRT begonnen.

3.4.2 IRT Noord-Holland/Utrecht

Oprichting

Vanaf 1987 is begonnen met de vormgeving van interregionale samenwerking tussen politiekorpsen ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De oprichting van het eerste interregionale team ging gepaard met de nodige strubbelingen.7 Begin december 1988 kwam een convenant tot stand tussen de samenwerkingsorganen van de deelnemende regio's, het OM en het bestuur. Partijen spraken af om een interregionaal rechercheteam (IRT) op te richten ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Er kwam een complexe beheersstructuur tot stand met verschillende commissies waarin alle betrokkenen een stem hadden.

MevrouwSchmitz: Ik moet zeggen dat de verhoudingen zo ongeveer vanaf het eerste uur moeilijk zijn geweest. Terwijl een ieder gehoopt had op stevige samenwerking in het belang van de aanpak van de zware criminaliteit, hebben wij toch tal van praktische moeilijkheden en onderlinge strubbelingen in de samenwerking gehad.1

In de beheerscommissie werd nooit gesproken over de opsporingsmethoden die door het IRT zouden worden gebruikt. De beheerscommissie verdiepte zich niet in hoe het IRT feitelijk werkte.2

Vanaf begin 1989 werd begonnen met de opbouw van het IRT. Lith, commissaris te Utrecht, werd aangewezen als teamleider voor het IRT. Augusteijn werd chef CID van het IRT. Daarbij werd samengewerkt met de CID Kennemerland, vanaf 1991 onder leiding van Langendoen. De verhouding tussen de CID Kennemerland en de CID van het kernteam was onduidelijk.

De heerDe Graaf: Maar de heer Augusteijn was toch niet uw chef?

De heerLangendoen: Normaal gesproken niet omdat dit twee aparte organisaties zijn, maar in deze constructie wel.

De heerDe Graaf: Is dat ooit zo afgesproken?

De heerLangendoen: Dat is zo afgesproken met de heer Lith.3

Officier van justitie Franken van Bloemendaal werd belast met het dagelijkse justitiële gezag over het IRT. Hij werd op 21 mei 1992 opgevolgd door de Alkmaarse officier van justitie Van Riel. In december 1992 kreeg de Haarlemse officier van justitie, Van der Veen, het gezag over het IRT. Toen werd opening van zaken gegeven:

De heerKoekkoek: (...) U heeft zelf als CID-chef van Kennemerland de methode besproken met de IRT-officier?

De heerLangendoen: Nee, met de heer Van der Veen, op het moment dat de heer Van der Veen kwam. En omdat de heer Van der Veen uit Haarlem kwam, heb ik heel nadrukkelijk de methode met alle ins en outs, inclusief de namen van de informanten met hem besproken. Maar in het traject daarvoor hebben de heer Van Riel en de heer Van Bloemendaal niet zelf aan dat gesprek deelgenomen.4

In de periode 1989–1992 wist het IRT verschillende zaken succesvol af te ronden.

Kolibrie-affaire

Vanaf eind 1992 volgden opmerkelijke gebeurtenissen elkaar snel op. De zogenoemde Kolibrie-affaire belastte de interne verhoudingen binnen het IRT en tussen het IRT en de Amsterdamse recherche. Deze affaire hield in dat het Amsterdamse parket meende dat IRT-teamleider Lith informatie had achtergehouden voor het OM en voor het team van de douanerecherche die een onderzoek deden dat overlap bleek te hebben met het onderzoek van het IRT.

Devoorzitter: .... U heeft het over de zogenaamde Kolibrie-affaire?

De heerValente: Ja.

Devoorzitter: Dat speelt begin 1993. Wat is daar volgens u misgegaan?

De heerValente: Je ziet dat daar toch een meningsverschil ontstaat tussen twee teams over een grote partij verdovende middelen. Ik laat in het midden wie er gelijk had.

De heerDe Graaf: Een politieteam en een FIOD-team?

De heerValente: Ja. Je ziet dat er een gebrek aan communicatie ontstaat. De informatie wordt gewoon niet op een gezonde manier van het ene team naar het andere team doorgegeven. Daardoor ontstaan er problemen. Dat zie ik, ook meer in zijn algemeenheid...

De heerDe Graaf: Ook nu nog?

De heerValente: Ook nu nog is er een gebrekkige communicatie.5

De commissie-Wierenga concludeert dat teamleider Lith niets te verwijten viel. De commissie-Wierenga was van oordeel dat «de positie van de heer Lith langer dan nodig omstreden is gebleven, hetgeen zijn weerslag heeft gehad op het functioneren van het IRT in die periode en ook de verdere ontwikkeling nadeling heeft beïnvloed».1

In een persoonlijke brief verwoordde de burgemeester van Haarlem, Schmitz, haar ongenoegen met deze gebeurtenissen:

Ik vind het uitermate treurig, om niet te zeggen schandelijk dat een en ander zo is gelopen. De interne gevechten binnen het openbaar ministerie, tussen openbaar ministerie en team en ook tussen politie onderling belemmeren op deze wijze de bestrijding van de zware criminaliteit en dat in het ressort Amsterdam.2

Toestemming procureur-generaal

Het was onduidelijk wie binnen het OM, boven de IRT-officier van justitie, verantwoordelijk was voor het IRT: de hoofdofficier van justitie in Haarlem of Amsterdam of de procureur-generaal. IRT-officier van justitie Van der Veen ging naar de procureur-generaal voor toestemming voor het gebruik van een methode.

In januari 1993 gaf procureur-generaal Van Randwijck toestemming voor de invoer van 130 kilo cocaïne op voorstel van de IRT-leiding en officier van justitie Van der Veen. Het gebruik van deze methode zou noodzakelijk zijn om voldoende bewijs tegen een bepaalde doelgroep van het IRT (de erven Bruinsma) te verzamelen. Van der Veen zegt hierover:

Devoorzitter: (...) U gaat naar de procureur-generaal omdat u twijfel heeft over het doorlaten van harddrugs.

De heerVan der Veen: Ja, ik wilde aftasten of de politieke dekking goed was.

Devoorzitter: U had geen twijfel over de juridische haken en ogen daaraan?

De heerVan der Veen: Neen.

(...)

De heerVan der Veen: Door dit soort ervaringen in de praktijk komen er wat piketpalen in je geest te staan.3

De procureur-generaal verklaart over deze bijeenkomst:

De heerVan Randwijck: Er is gesproken over – laat ik het zo omschrijven – handelingen met betrekking tot 130 kilo. Ik besefte daarbij heel goed dat het risico dat het op de vrije markt zou komen meer dan gemiddeld aanwezig was.

De heerKoekkoek: Heeft u toen enig verband gelegd met de richtlijn over infiltratie?

De heerVan Randwijck: Nee. Dat heb ik niet gedaan.

De heerKoekkoek: Met enige andere richtlijn van het openbaar ministerie?

De heerVan Randwijck: Nee.4

Op deze wijze werd bewust het risico genomen dat de partij cocaïne in het milieu terecht zou komen. Van Randwijck lichtte de minister van Justitie hierover niet in. De operatie is uiteindelijk niet doorgegaan. Hieronder zal blijken dat de toestemming van de procureur-generaal nadrukkelijk niet het doorlaten van grote hoeveelheden softdrugs betrof.

Driehoek Amsterdam

Vanwege de moeizame beheers- en gezagsverhoudingen ten aanzien van het IRT werd in maart 1993 besloten de gezags- en beheersverantwoordelijkheid over te hevelen naar de Amsterdamse hoofdofficier, korpschef en burgemeester.5 Vanaf 1 juni 1993 werd de Amsterdamse driehoek daarmee verantwoordelijk voor het functioneren van het IRT.6

De Amsterdamse driehoek was in juni 1993 niet op de hoogte van de methode die door het IRT werd gebruikt. De korpschef en de hoofdofficier zeggen hierover het volgende:

Devoorzitter: (...) Wat wist u op 1 juli? Wat wist u van het onderzoek? Wat wist u van de methode? En wat wist u op 23 augustus? Want u was wel verantwoordelijk.

De heerNordholt: Zeker. Op 1 juli wist ik waar het onderzoek over zou gaan, namelijk de erven-Bruinsma. Inhoudelijk was ik er dus van op de hoogte dat dat onderzoek liep. Op 1 juli was ik niet op de hoogte van welke methode dan ook.1

De heerVrakking: Ik heb gevraagd wat er speelde. En dat was een onderzoek; en dat liep.

Devoorzitter: Aan wie heeft u dat toen gevraagd?

De heerVrakking: Aan de heer Van Capelle, die namens mij daar de teamleider, althans de kernteam-officier, de IRT-officier, was.

Devoorzitter: En aan hem heeft u gevraagd: wat speelt er?

De heerVrakking: Wat voor onderzoek is het en hoe loopt het? Nou, het was een groot onderzoek. Hij heeft mij iets uitgelegd over de bovenlaag en de onderlaag en waar zij mee bezig waren. Maar niet wat wij nu weten, nee.

Devoorzitter: Dat begrijp ik wel, maar wat heeft hij u toen precies gezegd?

De heerVrakking: Hij heeft, zeg maar, de doelgroepen genoemd. Hij heeft ook gezegd dat men bezig was met rechercheren.

Devoorzitter: En niets over de specifieke methoden?

De heerVrakking: Nee. Ik had niet eens het duistere vermoeden dat een dergelijk specifieke methode bestond. Dat was vrij uniek, zou ik zo zeggen.2

Met de overheveling naar Amsterdam nam Van Kastel, commissaris te Amsterdam, de leiding van het IRT over. Pas eind september 1993 trad hij aan als full time teamleider. Van een overdacht van lopende zaken door Lith aan Van Kastel is geen sprake geweest. De verhoudingen tussen deze politiefunctionarissen waren verstoord. Van Capelle, officier van justitie te Amsterdam, nam het gezag over het team over per 25 juni 1993. Van der Veen lichtte Van Capelle wel in over de gehanteerde methode en de positie van de informant daarin.

Devoorzitter: Mogen wij dan gaan naar 25 juni 1993? Dan heeft u een bespreking met de heer Van der Veen. Die legt u de CID-fase van het Delta-onderzoek uit. Wat legt de heer Van der Veen u precies uit over de werkmethode?

De heerVan Capelle: Wat de heer Van der Veen mij over de methode heeft uitgelegd, komt er in essentie op neer dat het betrof de constructie waarbij een informant door het kunnen aannemen van steeds belangrijker opdrachten van een criminele organisatie voor die organisatie in belang zou groeien. Daardoor zou hij uiteindelijk niet alleen zicht kunnen krijgen op wie er in de top van de organisatie zat. In het algemeen, en hier ook, werkt het zo dat naarmate de opdrachten belangrijker worden er hogere mensen in de criminele organisatie mee belast zijn. Die gaan zich er dan mee bemoeien. Het was ook de bedoeling hem zover te laten doorgroeien, dat wij door het softdrugstraject heen zouden kunnen groeien, om het zo te zeggen, om in de harddrugs terecht te komen.

Devoorzitter: Hij heeft u toen al uitgelegd dat dit de bedoeling was?

De heerVan Capelle: Ja!3

De Amsterdamse officier van justitie Wortel werd in het voorjaar 1993 verzocht om op te treden als zaaksofficier van justitie voor het IRT.

De heerWortel: (...) Voorts bleek mij dat gekozen was voor – weer iets modieus – een methodiek en die methodiek hield in dat als de informant kwam met het bericht: ik ben weer benaderd en weet dat er weer een partij moet komen, de politie daarvan in kennis werd gesteld en in overleg met de leiding van het IRT werd bezien of het voor het onderzoek van waarde zou zijn als men de bewuste hoeveelheid verdovende middelen liet komen en die onder observatie hield. Men kon die partij dan eventueel registreren en zien wat er verder mee gebeurde. Ik heb toen heel goed begrepen, dat het in verband met de veiligheid van de bron in ieder geval niet mogelijk zou zijn om rechtstreeks in de omgeving daarvan in te grijpen en dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval, het zeer wel denkbaar zou zijn, dat zulke partijen of delen daarvan niet in de tweede of derde hand in beslag genomen konden worden en dat die dus ongemoeid gelaten zouden moeten worden. (...) Devoorzitter: Kende u de specifieke rol van de CID-Kennemerland?

De heerWortel: Nee. Ik weet dat het informatieve contact gerund werd door wat toen nog de RCID-Haarlem heette. Van wat verder in de loop van de jaren 1994 en 1995 als geruchten of mededelingen met zekerheid bekend is geworden, was ik niet op de hoogte.

Devoorzitter: Had u dat moeten weten?

De heerWortel: Ja.1

De stand van zaken was dat bepaalde officieren van justitie wel op de hoogte waren van de hoofdlijnen van de methode, maar de leden van de Amsterdamse driehoek niet.

Methode

Teamleider Van Kastel ontdekte eind oktober 1993 dat binnen het IRT een methode werd gehanteerd waarvoor hij geen verantwoordelijkheid wenste te dragen. Op het moment dat Van Kastel van de methode hoorde, gaf hij CID-chef Augusteijn de opdracht de methode te doen stoppen.

In het weekend van 6 en 7 november 1993 lichtte Van Kastel het lid van de korpsleiding Amsterdam-Amstelland die belast was met recherchezaken, Van Riessen, in. Maandag 8 november informeerden Van Kastel en Van Riessen de korpschef van Amsterdam, Nordholt.

Devoorzitter: Wat begreep u op dat moment?

De heerNordholt: Ik begreep dat men in het onderzoek dat door het IRT werd verricht een informant/infiltrant runde, dat die man kon en moest groeien in het milieu, dat hij in dat verband in de gelegenheid werd gesteld, duizenden kilo's softdrugs ons land binnen te brengen, dat er inmiddels een bestelling was gedaan voor 5.000 kilo cocaïne, waarbij een aantal partijen eerst zouden komen als proefzendingen die zouden worden doorgelaten. Dat was de eerste keer dat ik dat woord hoorde. Ik kreeg ook te horen – dat is erg belangrijk, want ik heb die vraag gesteld omdat ik het in eerste instantie niet begreep – dat de man die dat deed ook de verdienste mocht houden.2

Van Kastel schreef diezelfde dag een nota over de gebruikte methode.3 Nordholt en Van Riessen gingen onmiddellijk naar hoofdofficier van justitie Vrakking, en later ook naar procureur-generaal Van Randwijck, om hen in te lichten over de gebruikte methode.

De heerVan Riessen: (...) Wat ik gemeld heb aan de heer Vrakking, is het volgende. Er is sprake van een drugslijn waar de politie onder regie van het openbaar ministerie leiding aan geeft. U moet dat zo zien dat er als het ware een deal is gesloten tussen politie en openbaar ministerie en informant dan wel informanten, met enerzijds de toestemming aan de informant vanuit de overheid om zijn dan wel haar drugslijn onder dekking van die overheid te organiseren dan wel in stand te laten (het kon zijn dat die al bestond), en anderzijds als tegenprestatie een informant die groeit in een organisatie en uiteindelijk de politie informatie levert. Als het zo wordt bekeken – zo heb ik het ook verteld aan de heer Vrakking – is er op dat moment ook over geld gesproken, omdat dit een vast gegeven is. De informant mag onder regie van de overheid, met de inbouw van een bypass en al die dingen die erbij horen, gewoon zijn drugslijn runnen. Die drugslijn kan gebruikt worden voor de Delta-operatie, maar ook voor andere operaties.4

Vrakking en Van Randwijck waren niet op de hoogte van het gebruik van deze methode. Hoewel procureur-generaal Van Randwijck in januari 1993 toestemming had gegeven voor een vergelijkbare methode, namelijk het doorlaten van harddrugs, was toen niet gesproken over deze zaak. Met hem was door de IRT-officieren van justitie Van der Veen of Van Capelle niet gesproken over het doorlaten van softdrugs. Van der Veen en Van Capelle hadden zelfstandig toestemming voor deze methode gegeven.

De heerKoekkoek: Het doorlaten van harddrugs in een behoorlijke hoeveelheid kon onder omstandigheden. Het was dan zeker mogelijk om behoorlijke hoeveelheden softdrugs door te laten. Dat is dan toch uw referentiekader?

De heerVan der Veen: Ja, maar de causaliteit die u nu in uw vraagstelling legt, vind ik wat te strak. Maar zo werkt het wel een beetje door.1

Later die dag werden ook minister van Justitie Hirsch Ballin en burgemeester van Amsterdam Van Thijn ingelicht.

De heerVan Thijn: Bij mij vervoegden zich de heren Vrakking en Nordholt. Zij zeiden: wij hebben een ernstig probleem, wij runnen een drugslijn.

Devoorzitter: Niet een cokelijn? Een drugslijn?

De heerVan Thijn: Wij runnen een drugslijn en er is een grote partij cocaïne onderweg. De heer Vrakking zei bij die gelegenheid: daar wens ik als bevoegd gezag geen verantwoordelijkheid voor te dragen. De heer Nordholt zei: dat geldt ook voor mij.2

Naar aanleiding van deze meldingen werd besloten tot een oriënterend onderzoek door de rijksrecherche, dat enkele dagen later weer werd ingetrokken. Op 17 november 1993 had een ressortsvergadering van alle hoofdofficieren van justitie in het ressort Amsterdam en de procureur-generaal plaats. De hoofdofficieren verschilden van mening over de te volgen procedure. De gemoederen liepen hoog op tijdens deze vergadering. Vrakking liep boos weg. In de vergadering werd niet gesproken over de inhoud van de methode.

Vrakking besloot de volgende ochtend dat hij niet langer de verantwoordelijkheid voor het IRT wenste te dragen. Het IRT maakte gebruik van opsporingsmethoden die hij weigerde te aanvaarden.

Op 26 november 1993 liet Van Riessen aan Langendoen weten dat gestopt diende te worden met de methode. De Amsterdamse driehoek had daartoe besloten in een vergadering van 22 november 1993.3

De heerDe Graaf: Maar er zijn na 26 november toch nog allerlei containers binnengekomen?

De heerNordholt: Dat zeg ik u: je kunt wel zeggen dat je wilt dat het niet meer gebeurt, maar de containers kwamen binnen; enerzijds had je het stopzetten van de methode, maar anderzijds kwam de argumentatie dat de zaak door moest lopen, omdat anders de informanten in gevaar zouden komen.4

Op 1 december werd op het ministerie van Binnenlandse Zaken een bespreking gehouden met de beide ministers om te bezien hoe verder te handelen. De uitkomst van deze bespreking is op verschillende manieren uitgelegd. Minister van Justitie Hirsch Ballin meende dat er een voorstel zou komen voor herstructurering van het IRT. Ook Van Randwijck was die mening toegedaan. Minister van Binnenlandse Zaken Dales stelde daar dat «het team tot de grond toe moet worden afgebroken». De Amsterdamse driehoek meende dat besloten was het IRT te ontbinden.5

Op 7 december 1993 werd via een persbericht bekend gemaakt dat het IRT werd opgeheven. Voor de consternatie die de opheffing van het IRT tot gevolg had, verwijst de commissie naar het rapport van de commissie-Wierenga. De commissie geeft hier enkele citaten uit de openbare verhoren die de problematiek rond de opheffing illustreren.

De heerKoekkoek: (...) In een periode waarin u ziek bent, neemt u kennis van de opheffing van het IRT via het persbericht en het krantebericht. Wat was uw eerste reactie daarop?

MevrouwSchmitz: Via het persbericht, via het krantebericht en het telefoontje van de heer Straver dat ik indertijd kreeg. Tijdens de weken waarin ik ziek was, heeft hij mij absoluut niet lastig gevallen, maar toen was hij dusdanig geschokt dat hij mij wel degelijk heeft opgebeld. Ik was ook geschokt. Ik heb daar geen ander woord voor. Ik was buitengewoon boos.

De heerKoekkoek: In welke termen uitte u uw boosheid?

MevrouwSchmitz: Ik weet niet eens of ik mij geuit heb, maar ik heb minstens gedacht «het is ze toch gelukt». U moet zich dat een beetje voorstellen in het licht van jaren lang werken en erin geloven dat wij met elkaar de criminaliteit moesten aanpakken. Je ziet dat het niet goed van de grond komt. Je hebt dan, na al die strubbelingen, een nieuwe koers zien ontstaan. Je gelooft daarin. Je denkt dat het nu dan wel goed gaat. En dan hoor je een half jaar later dat het is opgeheven, dat het is afgelopen met die zaak. Dan heb je echt het gevoel dat je voor niks hebt gewerkt.1

Devoorzitter: Kunt u om de zaak helder te houden even kort, in minder dan anderhalve minuut, een aantal dingen verklaren? Wat is er volgens u op de beroemde vergadering op 1 december 1993, waar in ieder geval geen notulist aanwezig was, gebeurd? Wilt u daarna ingaan op het persbericht? Daarna wordt u minister en dan geeft u daar weer een oordeel over, namelijk op 26 januari 1994.

Wilt u die drie dingen op een rij zetten?

De heerVan Thijn: Ja. Ik zal het heel kort doen.

Op de vergadering van 1 december op het departement van Binnenlandse Zaken in Den Haag – er was geen notulist – heb ik aan de minister van Justitie gevraagd of hij de mening van de hoofdofficier deelde, namelijk dat deze methode ontoelaatbaar is. Het antwoord daarop was ja. Dat was in tien seconden afgehandeld. Toen zei ik: dan weet ik genoeg. Het tweede onderwerp was: als wij de methode stopzetten – en er is besloten om de methode stop te zetten – wat betekent dit dan voor het IRT? De mening van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, die heel dominant aanwezig was, is algemeen bekend: afbreken die hap. Wij hebben toen uitdrukkelijk de vraag besproken of je die methode kon stopzetten zonder het team op te heffen. Dat is uitdrukkelijk besproken. Door de politie werd daarop meegedeeld dat dit het enige lopende onderzoek was en dat alles een uitvloeisel was van het Delta-onderzoek. Zij deelde mede dat zij de mensen, die vanaf die dag werkloos waren, in ieder geval terug moest sturen naar de kazernes. Toen legde de heer Nordholt zijn plan op tafel voor de aanpak in de toekomst en toen heeft de minister van Justitie gezegd: dat wil ik wel eens op papier zien. En daar had hij groot gelijk in. Dat is wat er is gebeurd.

Ik kan u trouwens inmiddels een brief overhandigen die ik tussen de stukken vond naar aanleiding van de vergadering op 1 december. Daaruit blijkt, dat de opheffing van het team in ieder geval voor Binnenlandse Zaken een uitvloeisel was van die vergadering. Wij hebben toen zelfs nog even gesproken over de publiciteit: als de heer Van Riessen in de komende dagen de mensen van het IRT meedeelt dat zij per 1 januari terug moeten naar hun korpsen van herkomst, dan zullen wij dat toch ook in de publiciteit moeten brengen, want er zal een deining ontstaan onder die mensen. Dat was de aanleiding om te overwegen. Het is niet die avond beslist, maar het was wel een logisch gevolg van de beslissingen die daaraan voorafgaan, om een persbericht uit te brengen.

De heerKoekkoek: Als je vraagt om nieuwe voorstellen, is het dan niet verstandig om oude schoenen pas weg te gooien als je nieuwe hebt?

De heerVan Thijn: Dat is heel verstandig, maar de mensen van het IRT moesten geïnformeerd worden over hetgeen er ging gebeuren. Zij moesten namelijk ophouden met werken. Als je nog geen nieuwe schoenen hebt – wij hadden ze wel, maar de minister wilde de zaken eerst op schrift hebben – dan kun je dat toch niet in het midden laten? Je kunt in deze mediatijd toch niet verwachten dat de pers het niet merkt als je zo'n ingrijpende beslissing neemt en iedereen zo op tilt slaat? Wij hebben dus gemeend, dan maar zelf een persbericht te moeten geven.

De heerKoekkoek: Voor de opheffing van het team?

De heerVan Thijn: Ja.

Devoorzitter: Dat gebeurt 7 december. De gezagscrisis wordt daarin niet genoemd. Dat hebben wij allemaal kunnen zien en dat staat ook in het rapport-Wierenga beschreven. Er was natuurlijk wel een gezagscrisis.

De heerVan Thijn: Ja. Ik heb mij nooit zo kunnen opwinden over de vraag of het nu om een gezagscrisis of om de opsporingsmethode ging.2

De heerDe Graaf: U zegt dat het team had kunnen blijven bestaan, als de methode was opgeheven.

De heerNordholt: Als de methode zou zijn gestopt, als er helderheid zou zijn geweest dat wij daarvoor geen verantwoordelijkheid konden nemen, als volstrekt helder zou zijn geweest dat de zaak moest worden afgebouwd en omgebogen, dan was het team niet ontbonden. Wij zijn niet op 8 november naar mijnheer Vrakking gegaan om het team te ontbinden. Wij zijn ook niet naar de procureur-generaal gegaan om dat te doen. Zelfs in de situatie van 1 december had het nog anders gekund als men het anders had gewild.1

De heerKoekkoek: Voorzitter, ik stel voor, dat wij overgaan naar begin december 1993. Wat was volgens u, mijnheer Wiarda, naar uw huidig inzicht de belangrijkste reden voor opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht?

De heerWiarda: De belangrijkste reden... Ik moet u zeggen, dat ik afgelopen zondag het rapport Wierenga nog weer eens van voor tot na heb gelezen. Het is een vraagstuk dat mij voortdurend heeft beziggehouden. Ik ben er niet uit. Ik had mij op deze vraag geprepareerd. Ik wil er het volgende over zeggen. Ik denk dat het te maken heeft met het falen van de politiële en justitiële organisatie. Het falen in termen van: praat men goed met elkaar; bestaat er voldoende vertrouwen in elkaar; weet men elkaar voldoende te vinden op momenten dat het moeilijk is en er snel moeilijke beslissingen genomen moeten worden. Als u, zoals Wierenga het ook beschreven heeft, de historie bekijkt van ons gezamenlijk team dan ziet u dat er op dat terrein voortdurend struikelpartijen zijn geweest.2

Ook ongeveer twee jaar na de opheffing blijkt dat de betrokken hoofdrolspelers een verschillende lezing blijven geven van de redenen die geleid hebben tot de opheffing van het IRT. Duidelijk is dat de gewraakte methode niet zonder meer had hoeven te leiden tot de opheffing van het team.

Informatie IRT-onderzoek

De informatie die op basis van de Delta-methode was verzameld, mocht niet meer gebruikt worden. In een ressortsvergadering eind 1993 – begin 1994 is dat volgens hoofdofficier De Beaufort van Haarlem besloten. De procesrisico's van het gebruik van deze informatie werden te groot geacht.3

De heerDros: .... Op enig moment is de knoop doorgehakt in een ressortvergadering OM en is gezegd: er wordt gestart met een nieuw onderzoek en alle informatie uit het oude Delta-onderzoek is niet beschikbaar voor het nieuwe onderzoek.

De heerDe Graaf: Dus de boeken zijn dichtgedaan en de dossiers zijn weggehaald?

De heerDros: De boeken zijn dichtgegaan. De dossiers zijn voor een deel vernietigd, voor een deel bestaan ze nog.4

De heerVos: Ik ben gefrappeerd door het feit dat mijnheer De Beaufort nauwelijks weet wat de inhoud van het IRT-archief was. U heeft er wel gezamenlijk een besluit over genomen. U heeft ook een kernteam geërfd dat weer aan het werk is getogen en mogelijk gebruik zou kunnen maken van delen van de informatie. Maar u heeft zich niet bemoeid met de inhoud; dat was voor u onbelangrijk. Hoe kunt u gezamenlijk met de PG's een besluit nemen zonder enige kennis te dragen van de inhoud?

De heerDe Beaufort: Uw vraag ligt voor de hand. Maar het uitgangspunt was dat het in zijn totaliteit onbruikbaar was geworden. Dat nieuwe team moest echt met een volstrekt schone lei beginnen. Inhoud betekent altijd papier: processen-verbaal. Als je daar een proces-verbaal uit zou halen en het alleen maar zou lezen, dan word je daarmee belast. Het eruit halen en overbrengen naar een nieuw team veroorzaakt de problemen waar ik zojuist op wees.

Devoorzitter: Waarom was het nu besmet?

De heerDe Beaufort: Door de lading die het in zijn totaliteit had gekregen. De methodiek was buitengewoon omstreden. Wierenga heeft er weliswaar een oordeel over gegeven, maar de methodiek bleef omstreden. Wij hebben allemaal gemerkt, ook in zaken die daarna in Amsterdam hebben gediend, welke complicaties die veroorzaakte. Getuigen moesten komen en dergelijke. Dus: daar maar even niet aan komen.1

Mogelijk belangrijke informatie over de daders van de moord op de drugshandelaar Van der Heiden in Alkmaar op 10 april 1993 kon hierdoor niet gebruikt worden.

De heerDe Graaf: Betekent dit dat er naar uw oordeel informatie in de IRT-archieven zit die, na het opheffen van het IRT, dus na de beslissing daarover van de ressortsvergadering, niet meer kan worden gebruikt, terwijl daarmee potentieel een moord kan worden opgelost?

De heerVan der Veen: Ja, dat is de consequentie.2

Corruptiebeschuldigingen Amsterdam

Vrijwel onmiddelijk na de opheffing van het IRT op 7 december 1993 werden corruptiebeschuldigingen geuit in de richting van de politie van Amsterdam. Er bestond een lijst van achttien corruptie-incidenten binnen de Amsterdamse politie, die was opgesteld door de CID-chef van het IRT, Augusteijn. In een artikel in het NRC Handelsblad van 22 januari 1994 werd gemeld dat corruptie binnen de Amsterdams politie de werkelijke reden was voor de opheffing van het IRT.

De heerKoekkoek: Mijnheer Wiarda, op 22 januari 1994 verschijnt er een bericht op de voorpagina van NRC Handelsblad. Volgens dat bericht zegt u, dat een bepaalde vorm van corruptie de ware reden is voor de opheffing van het IRT. Die vorm van corruptie bestaat dan in het lekken uit het Amsterdamse korps naar criminele organisaties. Bent u nog steeds die mening toegedaan, dat dat de ware reden was? Bent u nog steeds de mening toegedaan dat dat de ware reden was?

De heerWiarda: De publikatie in de NRC is voor rekening van degene die haar geschreven heeft. Het was geen interview; ik ben daar niet aan het woord op enige manier. Het is informatie die uit het circuit van autoriteiten stukje bij beetje is opgebouwd. Ik was nadat men ons gezamenlijk team had opgeheven verwoestend kwaad.

De heerKoekkoek: Verwoestend kwaad?

De heerWiarda: Verwoestend kwaad, ja. Ik moet dat bekennen.

De heerKoekkoek: Dat klinkt erg dreigend.

De heerWiarda: Ik moet erkennen dat ik zelden in mijn ambtelijke loopbaan zo geëmotioneerd ben geweest als toen. Na alles wat wij gedaan hadden, na alles wat je ook persoonlijk hebt afgezien om het voor elkaar te krijgen en waarbij je steeds weer stapjes hebt terug gedaan om geen irritaties op te wekken, enzovoorts, enzovoorts, na alles wat onze mensen erin hebben gedaan, wat Van Baarle en Lith en mevrouw Vos en mevrouw Schmitz daarin hebben gedaan om het hele geval goed van de grond te krijgen...)

De heerKoekkoek: Maar u komt wel uit bij de corruptie, hè?

De heerWiarda: Ja, ja. Maar ik wil eerst zeggen waarom ik zo ongelooflijk gefrustreerd was daarover. Ik heb mij daar toen geweldig woedend over uitgelaten in allerlei richtingen en op allerlei plaatsen. Begin januari zijn er de nieuwjaarsrecepties waar allerlei gesprekken over actuele toestanden plaatsvinden en ik heb daar dingen gezegd als: je houdt het toch niet voor mogelijk dat het nu is opgeheven; de methode kan niet de echte reden zijn – dat heb ik dus toen gezegd – er moet meer achter zitten; zitten er mensen in de klem waarbij mensen dingen van elkaar weten die men graag verborgen wil hebben op grond waarvan men het noodzakelijk vind om van dat team af te geraken? Het was niet goed van mij dat ik dat zo heb opgeroepen, dat ik dergelijke discussies heb opgeroepen. Er ging natuurlijk wel enig geruis. Bij de oprichting van het team waren lekken een heel belangrijke overweging om tot een gesloten, krachtig team te komen. Onderweg heeft dat team een aantal belangrijke corruptie-onderzoeken gedaan. Er lag toen in de besprekingen die wij onmiddellijk na de opheffing met de vier andere korpschefs voerden, een serie indicaties...

Devoorzitter: De zogenaamde map van Augusteijn?

De heerWiarda: Ja, de achttien gevallen. En als je die indicaties gaat onderzoeken, dan leidt natuurlijk geen ervan tot een zaak. Je kunt dan concluderen dat al die indicaties er niet hadden mogen zijn, maar dat bestrijd ik. Die indicaties waren indicaties. Dat je op grond van die indicaties niet tot een bewijsconstructie komt, is een andere zaak en ik erken dat je op grond daarvan niet in het openbaar al te fel te keer mag gaan over wat nu wel de ware reden zou kunnen zijn. Ik had dat toen niet zo moeten doen.

De heerKoekkoek: Dus u betreurt het dat u aanleiding hebt gegeven tot die publikatie?

De heerWiarda: Ja, u wrijft het er nog maar weer even verder in. Ja, dus!1

Procureur-generaal te Amsterdam Van Randwijck kondigde vervolgens een rijksrecherche-onderzoek aan naar de corruptiebeschuldigingen. Dit was aanleiding voor een felle confrontatie tussen de procureur-generaal en de korpschef in Amsterdam.

De heerKoekkoek: Ik wil met u verdergaan over de sturing die het openbaar ministerie aan de politie kan geven. Ik wil beginnen met een incident uit januari 1994, waarbij u geconfronteerd wordt met corruptiebeschuldigingen aan het adres van de Amsterdamse politie. U wilt een rijksrecherche-onderzoek instellen en heeft daarover contact met de heer Nordholt. U heeft zelf gezegd hoe dat gesprek verliep. De heer Nordholt zei namelijk dat als u dat zou doen, hij naar de minister zou stappen, een persconferentie zou geven en hij zei daarnaast, ik citeer: «Ik haal je integraal door». Was deze wijze van omgaan met u voor u geen aanleiding om naar de minister te stappen en te zeggen: hij eruit of ik eruit?

De heerVan Randwijck: Ja. Het probleem was alleen dat de minister niet te bereiken was. Ik hem geprobeerd hem te bereiken. Hij zat op dat moment – als ik het mij goed herinner – bij een partijcongres in de Veluwe. Ik heb hem dus niet kunnen bereiken. Daarnaast is het zo dat het onderzoek wel gewoon is doorgegaan.

Devoorzitter: U kunt het natuurlijk ook een dag later zeggen.

De heerVan Randwijck: Ja, maar het onderzoek is wel doorgegaan in de richting van die beschuldigingen.

De heerKoekkoek: Zeker, zeker. Ik gebruik het als voorbeeld hoe moeilijk het kan zijn voor het openbaar ministerie om leiding te geven aan de politie als de ondergeschikten, want ook de heer Nordholt is een ondergeschikte, zo met het gezag omgaat.

De heerVan Randwijck: Kijk. Ik ben een jaar of tien hoofdofficier in Den Haag geweest. Zeker als je op een wat, laat ik zeggen, amicale toon met elkaar omgaat...

De heerKoekkoek: Dit was niet amicaal.

De heerVan Randwijck: Nee, laat ik zeggen dat zeker als je normaal met elkaar omgaat, je weleens stevige dingen tegen elkaar pleegt te zeggen. Dat hoeft overigens geen enkele aanleiding te zijn tot beschadiging van de persoonlijke verhoudingen. In dit verband heb ik het eigenlijk nogal verbijsterend gevonden. Er gebeurde echter wel wat ik wilde: het recherche-onderzoek ging gewoon door.

De heerKoekkoek: U heeft het naast u neergelegd?

De heerVan Randwijck: Ja, ik heb het naast mij neergelegd.

De heerRabbae: Maar als u de minister toen had kunnen bereiken, zou u dan inderdaad gezegd hebben «hij eruit of ik eruit»?

De heerVan Randwijck: Dat zou ik nooit gezegd hebben, want er zijn belangrijker redenen om op te stappen.2

Devoorzitter: (...) U zegt tegen de heer Van Randwijck als hij een rijksrechercheonderzoek zou willen instellen: als je dat doet, bel ik de minister, dan is het oorlog, ik beleg een persconferentie en trek jou integraal door. Zijn die woorden juist?

De heerNordholt: Nee.

Devoorzitter: Die zijn niet juist.

De heerNordholt: Die zijn niet juist.

Devoorzitter: Wat hebt u wel gezegd? (...) De heerNordholt: Die kwalificaties zou u niet direct uit mijn mond horen. Ik ben boos geworden en ik heb tegen hem gezegd: ik vind dat niet juist. In de eerste plaats, als iemand weet dat de ontbinding van dit team niets met corruptie te maken heeft, dan ben jij het wel. Op het moment dat iemand ons van corruptie beschuldigt en zegt dat de ontbinding van het team te maken heeft met corruptie tot in de hogere regionen van het korps – ik geloof dat daarmee de rechercheleiding werd bedoeld – dan vind ik dat een aantijging die niet kan. Op het moment dat de procureur-generaal zegt: daar stel ik een onderzoek naar in, terwijl hij als een van de hoofdrolspelers weet hoe de ontbinding is gegaan, dan vind ik dat onjuist. Hij zei toen tegen mij: ik trek mij daar niets van aan, dat bericht gaat zo uit. Toen heb ik gezegd: als je dat doet, dan moet je ermee rekenen dat ik in ieder geval de minister opbel. Want ik vind dat dit bericht niet uit mag gaan op deze manier. Als je dat doet, dan zeg ik dat op die persconferentie. Dan komt alle stront boven. Zo heb ik het gezegd. Hij heeft waarschijnlijk dat woord geassocieerd met doortrekken. (...) Devoorzitter: Eigenlijk betekent dit dat u weinig respect had voor dat gezag boven u?

De heerNordholt: Als u het zo zegt «dat gezag» dan hebt u gelijk.

Devoorzitter: Is het weer goed gekomen met de procureur-generaal?

De heerNordholt: Ik heb hem daarna niet veel meer gezien.

Devoorzitter: Dat vroeg ik niet.

De heerNordholt: Maar dat is misschien het beste antwoord.1

Het rijksrecherche-onderzoek wees uit dat er geen sprake was van corruptie in de genoemde achttien gevallen. De commissie heeft evenmin kunnen vaststellen dat deze corruptiebeschuldigingen in enigerlei mate gefundeerd waren.

3.4.3 Delta-methode

Na dit overzicht van de gebeurtenissen rond de opheffing van het IRT wil de commissie zich nu concentreren op de Delta-methode. Sommige betrokkenen blijken zich slechts langzaam de volle omvang van de methode te zijn gaan realiseren.

Het IRT deed onderzoek naar de criminele organisatie van Bruinsma. Na de moord op Bruinsma richtte het IRT zich op de erven Bruinsma die bestond uit drie criminele leiders. Dit drietal was de reden dat het IRT-onderzoek de naam Delta kreeg. De criminele organisatie hield zich primair bezig met de handel in verdovende middelen, maar ook met handel in vuurwapens inclusief explosieven en vermoedelijk met liquidaties.

De leiding van het IRT verwachtte niet dat met de gebruikelijke opsporingsmethoden een causale relatie tussen het driemanschap en de deelnemers in het criminele netwerk aangetoond zou kunnen worden. Daarom werd nieuw, creatief onderzoek noodzakelijk geacht.2

De heerVan der Veen: (...) Kijk, u moet goed in de gaten houden wat mijn opdracht was. Mijn opdracht was niet om een criminele organisatie een blauw oog te slaan, maar om een criminele organisatie knock-out te slaan.

Devoorzitter: Ja, dat begrijp ik, maar...

De heerVan der Veen: In die context maak ik mijn afwegingen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor mij was deze beslissing, zoals ik tegen mijn vorige minister heb gezegd, een «ABC-tje».

Devoorzitter: Een ABC-tje?

De heerDe Graaf: «ABC-tje» staat voor iets wat gebruikelijk is, wat bij iedereen bekend is?

De heerVan der Veen: Neen. Met «ABC-tje» wil ik zeggen dat de afweging van proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid, overwegingen van redelijkheid en billijkheid die om de hoek komen kijken, in de context van mijn opdracht – de criminele organisatie knock-out slaan –...

Devoorzitter: Van wie had u die opdracht gekregen?

De heerVan der Veen: Dat onderzoek vond plaats onder gezag van de ressortsvergadering. Die had die opdracht gegeven.

Devoorzitter: Stond er op een briefje: de criminele organisatie knock-out slaan?

De heerVan der Veen: Neen.

Devoorzitter: Voor de opdracht is een algemeen kader. Dat staat ook bij Wierenga beschreven. Maar daar is toch niet uit op te maken dat u carte blanche had gekregen om methodieken aan te wenden om de organisatie knock-out te slaan?

De heerVan der Veen: In die woorden wordt dat natuurlijk niet opgeschreven, maar materieel lag het zo. Vanuit de democratische rechtsorde bekeken, ging het om een groepering die uiterst bedreigend was, die nummer één in Nederland stond op het lijstje van meest bedreigende groeperingen. In die tijd – dat was ook verwoord in de nota «De georganiseerde criminaliteit in Nederland» van de beide politieministers, de ministers Hirsch Ballin en Dales, «Dreigingsbeeld en plan van aanpak» –...

Devoorzitter: ...1992...

De heerVan der Veen: ...was dat ook het gevaar waar de nadruk op werd gelegd.

Devoorzitter: Daarom stelde ik u aan het begin de vraag of u van de ministeries de opdracht had gekregen om die organisaties knock-out te slaan. Dat kan natuurlijk ook. U had aan het begin ook meegewerkt aan die nota, u komt uit het departement, u gaat naar het IRT, dus ik vroeg aan het begin of iemand op het departement had gezegd – de minister of de ministers – «dat ga jij nu zo aanpakken»?

De heerVan der Veen: Neen, dan heb ik uw vraag net niet helemaal goed begrepen. Kijk, het klopt, ik heb aan de voorbereiding van die nota meegedaan en de nota's geschreven in de context van het dreigingsbeeld in onze democratische rechtsorde. Hoe ga je daar als officier van justitie mee om in de dagelijkse praktijk, althans zoals ik het doe? Dan zit je natuurlijk in een spanningsveld. Als de opdracht is «knock-out slaan», zoals ik hem samenvat, dan komen daar natuurlijk andere opsporingsmiddelen aan te pas dan wanneer de opdracht is «een blauw oog slaan» of «iemand het ziekenhuis in slaan». Dan praat je over andere opsporingsmiddelen. En bij deze groepering waar wij voor stonden, waren dat heel zware opsporingsmiddelen. Wat voor spanning ga je nou tegenkomen op een gegeven moment, althans ik, in mijn praktijk? Je gaat je afvragen of de middelen die ingezet moeten worden op zichzelf niet een bedreiging voor de democratische rechtsorde zouden kunnen opleveren. In dat spanningsveld doe ik dus mijn werk; dat is mijn vak. (...)

Nee, het was een ontdekkingsreis, zo heb ik het tenminste ervaren, zoals Columbus...1

In 1991 werd binnen het IRT al gesproken over het doorlaten van drugs om een beter zicht te kunnen krijgen op de criminele organisatie. De methode is toen in gesprekken tussen de CID en officier van justitie Franken van Bloemendaal aan de orde geweest. Franken van Bloemendaal heeft dat in 1991 niet door laten gaan. Het laten groeien van een informant en het doorlaten van drugs (ook naar het buitenland) zou op problemen stuiten bij de minister. Het zou gaan om een verboden methode.2

Het IRT-onderzoek naar deze criminele organisatie richtte zich op de handel in softdrugs en mogelijk XTC. Het IRT kreeg informatie van een informant (verder aan te duiden als informant 1) die contacten had met de criminele organisatie. Informant 1 had zich gemeld bij de CID te Haarlem. Omdat de CID Haarlem, i.c. Langendoen, bekend was met het feit dat het IRT onderzoek deed naar de erven Bruinsma, werd de informant door de CID Haarlem gerund ten behoeve van het IRT. Al deze informatie kwam via Langendoen en CID-rechercheur Van Vondel ter beschikking van het IRT.

Vanaf juli 1992 werden onder regie van het IRT en met behulp van informanten containers met drugs doorgelaten. De eerste containers met softdrugs zijn doorgelaten onder gezag van IRT-officier van justitie Van Riel. Zijn opvolger Van der Veen heeft de methode verder uitgebreid. Van der Veen gaf in 1993 toestemming om deze informant te laten «groeien» zodat hij meer vertrouwen zou krijgen van de top van de criminele organisatie.3

Devoorzitter: Op 11 januari 1993 neemt u de belangrijke beslissing dat, terwijl er in het traject voordat u officier bent al is doorgelaten, de informant opgewaardeerd wordt tot de zogenaamde groei-informant, dat er meer van hetzelfde gaat komen.

De heerVan der Veen: Er moest een principiële keus gemaakt worden om van betrokken informanten gebruik te blijven maken. Bij deze ene waar u op doelt, was doorslaggevend, of een belangrijk argument voor mij in de context van proportionaliteit, dat deze man het in zich had om in krediet en vertrouwen te groeien in de ogen van de criminelen.

Devoorzitter: Wat heeft u toen verder precies beslist, behalve dat die man meer vertrouwen kon gaan wekken bij de criminele doelgroepen?

De heerVan der Veen: Het beoogde effect was het verkrijgen van informatief zicht op hoe en door wie in het Delta-netwerk de feitelijke opdrachten tot criminele activiteiten tot stand kwamen. Met andere woorden: wie trokken er aan de touwtjes, hoe zat het precies in elkaar? In die context mocht met deze informant worden doorgegaan zolang dat meerwaarde had in de context van deze doelstelling. Bij die beslissing hebben wij, commissaris Lith en ik, toen een aantal randvoorwaarden gesteld. De informanten moesten uitnodigingen vanuit het Delta-netwerk tot het doen van bestellingen afwijzen. Met andere woorden: geen uitlokking, geen organiserende rol.1

Informant 1 hield zich bezig met het regelen van transporten van drugs. Hij maakte deel uit van een criminele organisatie die zich kenmerkt door het verlenen van faciliteiten aan diverse andere criminele organisaties in de zogenaamde Hollandse netwerken.2 Daarvoor kreeg hij van de criminele organisatie de bill of lading. In het criminele milieu had informant 1 bekend gemaakt dat er sprake was van een corrupte douane-ambtenaar. Informant 1 zorgde ervoor dat de containers waarin de drugs zaten verstopt in handen van de politie kwamen.

De politie zorgde er in samenwerking met de douane voor dat deze ladingen bij de invoer in Nederland ongemoeid werden gelaten. Vervolgens werd de lading door de politie geïnspecteerd en door de politie afgeleverd op de plaats van bestemming. Daar werden de verdovende middelen door de Delta-organisatie overgenomen.3

Deze methode, waarvan CID-chef Van der Putten de grondlegger is, is waarschijnlijkerwijs uitgewerkt door CID-chef Langendoen:

Devoorzitter: Bent u nu ook de bedenker van de methodiek?

De heerVan Vondel: Ik ben niet de bedenker, maar ik ben wel de meedenker van de methodiek.

Devoorzitter: Wie was de bedenker?

De heerVan Vondel: De bedenker was in mijn ogen Klaas Langendoen. Dat is de man die met het idee gekomen is. Toen was nog niet het hele model klaar. Daar werd over gediscussieerd.4

Van der Veen gaf in zijn rapport van januari 1994 aan dat deze methode vele voordelen had ten aanzien van de stuurbaarheid en controleerbaarheid van de informant.

Dankzij deze voor Nederland nieuwe werkwijze werd voorzien in een verhoogde controleerbaarheid en aanstuurbaarheid van de informant, werd voorzien in het verkrijgen van zicht op illegale verdovende middelenstromen, werd voorzien in betere aansturingsmogelijkheden in de opsporing en waarheidsvinding en werd voorzien in betere toetsingsmogelijkheden voor de IRT-officier in diens beslissingen over het al dan niet toestaan aan informant tot het plegen van strafbare begunstiging, vanwege de betere garanties dat informant niet vervalt in mededaderschap omdat zulks direct zichtbaar zou worden. Kortom een nieuwe werkwijze in de inlichtingenmethodiek met verbeterde controle-mogelijkheden en verbeterde juridische waarborgen.5

Gedurende langere tijd was daar volgens hem specifiek op gelet. De commissie heeft niet kunnen vaststellen of en hoe de betrouwbaarheid, stuurbaarheid en controleerbaarheid van de informant door het IRT werd gecontroleerd.

Van der Veen vermeldt dat bij elke container expliciet door Lith, Langendoen, Augusteijn en hemzelf beoordeeld werd of het doorlaten van deze container effectief en verantwoord was.

Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad over het onderwerp materiële wederrechtelijkheid is in de toegestane gevallen telkens vastgesteld dat de door de informant gepleegde strafbare feiten proportioneel, d.w.z. evenredig zijn, aan het hogere doel, dat dankzij het verkrijgen van deze strafbare feiten kon worden bereikt, namelijk het verkrijgen van zicht op en inzicht in het criminele netwerk van Delta, welk zicht en inzicht een conditio sine qua non is om tot ontmanteling daarvan te kunnen overgaan. Wat betreft de toetsing op het beginsel van subsidiariteit is hierover reeds opgemerkt dat zonder de informatie van informanten geen mogelijkheden aanwezig waren voor een opsporingsonderzoek naar feiten en omstandigheden als grondslag van een verdenking.1

Over de termijn waarin de methode kon worden ingezet door het IRT bestond geen duidelijkheid.

Devoorzitter: Had het jaren kunnen duren?

De heerVan Vondel: Ja, het had jaren kunnen duren. In mijn beleving had het zelfs nog wel vier jaar kunnen duren.

Devoorzitter: Vier jaar! Vier jaar er doorheen en er doorheen en er doorheen?

De heerVan Vondel: U praat alleen maar over «er doorheen en er doorheen en er doorheen». U vergeet even de organisatie die uiteindelijk de doelstelling was. U legt het middel heel zwaar uit. Ik ben het volledig met u eens dat het een zwaar middel is. Wij hebben dat echter ingezet om een hele zware mafia-organisatie onderuit te halen.2

Devoorzitter: Het punt van de hoeveelheden of de duur. Een van de runners, de heer Van Vondel, heeft hier eergisteren gezegd: het kon wel vier jaar duren. Heeft u over de duur toen iets afgesproken?

De heerVan der Veen: De heer Lith en ik waren verantwoordelijk voor het proces. Een van de randvoorwaarden die is afgesproken, is dat er telkens en per geval besloten werd. Dus het was heel korte-termijnwerk. Het was geen carte blanche, het was geen traject, per geval en telkens per geval beoordeling.3

3.4.4 Onduidelijkheden rol informant 1

Over de precieze activiteiten van informant 1 blijven onduidelijkheden bestaan. Volgens Lith, Van der Veen en Langendoen importeerde informant 1 niet zelfstandig drugs. Hij zou slechts een rol gespeeld hebben bij het transport van de binnengekomen containers. De commissie heeft geconstateerd dat informant 1 enkele malen naar Zuid-Amerika is geweest. Het blijft onduidelijk wat informant 1 daar deed.

De korpsleiding van de Amsterdamse politie stelde dat de informant de levensader van het Delta-onderzoek was. Naar het oordeel van de Amsterdamse politie was informant 1 verantwoordelijk voor:

1. de acquisitie van deals in Zuid-Amerika,

2 het vervoer van de partijen verdovende middelen naar Nederland,

3 de invoer in Nederland door de douane,

4 het stashen/opslag van de partijen,

5 de distributie van de partijen verdovende middelen in Nederland.4

Volgens hoofdofficier Vrakking en commissaris Van Riessen had invoer slechts plaats nadat betrokkene naar Zuid-Amerika was geweest en «het licht op groen had gezet».5

Van Kastel verwoordde zijn twijfels in een notitie aan Van Riessen:

In theorie is het mogelijk dat de informant niet slechts behulpzaam is bij het verkrijgen van partijen voor anderen doch dat hijzelf – onder regie van politie en justitie partijen aanschaft en doorverkoopt en zich als belangrijke zelfstandige binnen het criminele milieu kan manifesteren. Op die manier is hij in staat zijn criminele praktijken te ontplooien en zich daardoor te verrijken, volledig gedekt door de autoriteiten. (...) Zou het echt zo (kunnen) zijn dat wij politie en justitie – in dit geval een stimulerende invloed hebben op de criminaliteit, die wij vervolgens weer te vuur en te zwaard bestrijden? Ik zeg niet dat het zo is, maar wie overtuigt mij ervan dat het niet zo is?1

CID-chef Kennemerland, Langendoen, verklaart dat de informant nooit zelfstandig bestellingen heeft gedaan in Zuid-Amerika. Langendoen stelt dat de informant slechts in Zuid-Amerika was om zijn rol in het traject van de verdovende middelen te kunnen regelen. De acquisitie zou steeds zijn uitgegaan van de criminele organisatie.2

Het is voor de commissie onduidelijk gebleven of en in hoeverre informant 1 zelf een rol speelde bij de bestelling van drugs in Zuid-Amerika. Vanwege de feitelijk geringe controleerbaarheid en stuurbaarheid van deze informant valt achteraf niet meer vast te stellen welke activiteiten hij heeft verricht.

Devoorzitter: Zegt u nu dat in het IRT-traject in feite de informant de regie had?

De heerSnijders: Dat zeg ik niet. Als ik er goed naar kijk, neig ik ernaar te zeggen dat er een omslagpunt is geweest en dat de informanten – ik spreek in het meervoud, want voorzover ik heb kunnen vaststellen, gaat het om meerdere informanten – ons aanstuurden. Laat ik volstaan met de kanttekening dat wij niet altijd de regie hadden.

Devoorzitter: Ik kom er nog op terug hoe u dat precies vaststelt. U moet toch iets preciezer zijn. Wat bedoelt u als u zegt: wij zijn de sturing kwijtgeraakt?

De heerSnijders: Op het moment dat de informant zegt dat hij het op een bepaalde manier wil hebben – ik laat even in het midden hoe, want dan zitten wij erg kort op de trajecten en de handelingen die hij pleegt – is het al foute boel. Hij mag geen invloed hebben op de gebeurtenissen.3

3.4.5 Doorgelaten softdrugs

In totaal zijn via deze methode in de periode juli 1992 tot en met 1 juli 1993 vijf zendingen met drugs binnengekomen onder gezag van teamleider Lith en de officieren van justitie Van Riel en Van der Veen.4 In totaal zijn daarbij 19 500 kilo softdrugs doorgelaten, waarvan 4000 kilo in beslag zijn genomen.5 Na 1 juli 1993 tot en met december 1993 zijn tien zendingen binnengekomen. Onder verantwoordelijkheid van officier van justitie Van Capelle zijn ongeveer 30 000 kilo drugs op de markt terecht gekomen.

In totaal zijn ongeveer 45 000 kilo softdrugs niet onderschept door het IRT. Een deel van deze 45 000 kilo is volgens de officieren Van der Veen en Wortel «weggetipt» aan politie in het buitenland onder andere aan Israël, Denemarken en Letland. Het is onaannemelijk dat deze partijen daar ook daadwerkelijk in beslag zijn genomen. Er is geen enkele terugmelding van in het buitenland in beslag genomen partijen te vinden.

De commissie-Wierenga maakt in haar geheime aanbiedingsbrief bij de geheime delen van de processen-verbaal expliciet melding van deze 45 000 kilo. De ministers en de kamercommissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn op de hoogte van deze aanbiedingsbrief. In het openbare rapport van de commissie wordt geen melding gemaakt van het doorlaten van softdrugs.6

3.4.6 Harddrugs en groei-informant

De politiële en justitiële leiding van het IRT, i.c. Lith en Van der Veen, hoopten dat het doorlaten van de partijen softdrugs tot gevolg had dat het vertrouwen en aanzien van informant 1 bij de leden van de criminele organisatie Delta zou groeien, zodat hij contact zou krijgen met de top van de Delta-organisatie. Met het doorlaten van de grote hoeveelheden softdrugs is slechts een enkele keer zicht geweest op leden van het driemanschap:

In januari 1993 is gesproken over de wenselijkheid om, in het geval dat de informant door de top van de organisatie zou worden benaderd om medewerking te verlenen aan een door de criminele organisatie voorgenomen cocaïne-invoer, die criminele organisatie te ontmantelen, onder meer door de aanhouding van de hoofdverdachten. In september 1993 is wederom gesproken over de mogelijkheid van een dergelijke situatie, die zich overigens niet eerder dan in de loop van 1994 zou voordoen.1

Op 7 september 1993 werd door Van Capelle besloten dat proefzendingen cocaïne van in totaal 100 kilo doorgelaten konden worden om zicht te krijgen op een mogelijke megazending van 5.000 kilo cocaïne waardoor de top van de organisatie zou kunnen worden aangehouden.2

Devoorzitter: Maar nu is er op 7 september ook weer een bijeenkomst met in ieder geval de heer Augusteijn. Daar wordt gesproken over uw toestemming om vier kleinere partijen van honderd kilo door te laten gaan.

De heerVan Capelle: Dat is opgenomen in het CID-journaal, met een wat cryptische omschrijving. Er staat: afhankelijk van de omstandigheden.

Devoorzitter: Als u dat zelf eerder al gezegd heeft, in het gesprek van 25 juni, als u de zaak overneemt van Van der Veen, in algemene zin en niet precies over de details en de uitvoering, dan kon de politie, de uitvoerders, er op dat moment toch van uitgaan dat u akkoord was gegaan met de proefzending?

De heerVan Capelle: Nee, ik denk dat het anders ligt. De methode waar wij over spreken had betrekking op softdrugs. De bedoeling was om de organisatie bij wege van de invoering van een grote hoeveelheid harddrugs te ontmantelen. Nu hangt het er maar helemaal van af hoe je met een proefzending omgaat en waar die uiteindelijk terecht komt, of je dat traject kunt voortzetten.

Ik zal een voorbeeld geven. Het hangt er een beetje van af hoe het loopt, maar je zou kunnen denken dat het een vooraankoop is. Je kunt de politie er dan tussen schuiven, die dan de partij in de markt vangt, zodat die niet het milieu in gaat.

Devoorzitter: Wilt u dan zeggen dat de mededeling dat toestemming is gegeven om vier kleine partijen van honderd kilo door te laten gaan onjuist is?

De heerVan Capelle: Nee, die toestemming is zo niet gegeven. Er is toestemming gegeven om de informant in gesprek te laten blijven, ook waar het gaat om proefzendingen. Afhankelijk van de omstandigheden, dus afhankelijk van hoe een en ander in zijn werk gaat en vooral – dat staat er niet met zoveel woorden, maar het is wat daar is overwogen – om te voorkomen dat het in het milieu terecht kwam, was of je het helemaal kon afwerken.

Devoorzitter: In het CID-journaal staat: door laten gaan. Dan is het toch volstrekt duidelijk waarover het gaat? U zegt zelf dat de uitvoering aan de politie moet worden overgelaten en dat u er voor de grote lijnen bent.

De heerVan Capelle: Neen, dit is iets anders dan in het voetspoor voortgaan in de zin dat je moet terugvallen op de grote lijnen. Dit is een grote-lijnbeslissing. Het kan aldus worden samengevat: de informant mag van mij met de criminele organisatie in gesprek blijven, maar ik wil tot op de laatste centimeter precies weten hoe het met de proefzendingen verloopt om te voorkomen dat die het milieu ingaan.

Devoorzitter: Er is een tweede deel van de bijeenkomst op 7 september 1993. Blijkbaar was daar de teamleider niet bij, maar wel anderen van het team. Er is ook gesproken over 5 000 kilo cocaïne die mogelijk gepakt moeten worden. Om die te kunnen pakken moest er, gezien de situatie van de informant, een proefzending komen. Daarvan zei u dat u dat kon doen.

De heerVan Capelle: Nogmaals, het zal aan mij liggen dat ik dit niet helemaal aan u duidelijk kan maken, maar het hangt ervan af hoe je die proefzending behandelt. U moet goed begrijpen dat als het gaat om het laten doorgaan van softdrugs, er op een andere manier werd geopereerd dan gebruikelijk is bij harddrugs. Je spreekt dan over een stof met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid.

De heerDe Graaf: Maar de methode was precies dezelfde.

De heerVan Capelle: De methode wel, maar de manier waarop je vervolgens controleert waar de drugs blijven, had ik liever anders gezien.

Devoorzitter: Het was toch niet mogelijk om, met de manier waarop de informant werkte, de eerste partij gelijk af te vangen? Daar kreeg je die andere toch niet mee?

De heerVan Capelle: Wij hebben dat toen niet zo uitputtend besproken. Ik herhaal dat bij mij voorop stond dat moest worden voorkomen dat zo maar een partij harddrugs in het milieu terecht zou komen. Het hangt ook van de omvang van de proefzending af. Een proefzending van 5 000 kilo cocaïne is ongelooflijk veel, maar een proefzending van bijvoorbeeld 100 kilo kon op zichzelf voldoende zijn geweest, bij alle andere feiten waarover wij beschikten, om de organisatie te ontmantelen.

Devoorzitter: Als het bovenste niveau van die organisatie bereid was om zijn handen in die 100 kilo te zetten. Anders was u nog even ver.

De heerVan Capelle: Dat is een feitelijke afweging die je op dat moment maakt. Hoe worden afspraken gemaakt? Welke zekerheden kun je inbouwen? Je kunt dit niet van tevoren met een schaartje knippen.1

De verwachting van de direct betrokkenen was dat bij een megazending van 5.000 kilo de top van de criminele organisatie zichtbaar zou worden. Bij de zendingen softdrugs was daar geen sprake van geweest. Noch de leiding van het OM, noch de Amsterdamse korpsleiding en teamleider Van Kastel waren hiervan op de hoogte. Het is de commissie niet gebleken dat deze plannen zijn uitgevoerd.

3.4.7 Oude Bildtzijl: drugs en semtex

In augustus 1992 werd onder observatie van het IRT een container met in totaal vermoedelijk 2.500 kilo marihuana naar Oude Bildtzijl (Friesland) vervoerd. Begin november 1992 kwam in de Amsterdamse haven wederom een schip met 6.000 kilo marihuana aan volgens de bovengenoemde methode. Het transport van deze partij werd ook door het IRT geobserveerd. Het OT van het IRT stelde vast dat een deel van deze partij werd afgeleverd bij een boerderij in Oude Bildtzijl. Het IRT verrichtte vervolgens een inkijkoperatie in de schuur van de boerderij om vast te kunnen stellen of daadwerkelijk marihuana aanwezig was.

Dit binnentreden vond plaats ter verificatie in verband met een voorgenomen inbeslagneming in opdracht van de officier van justitie Van Riel. Het binnentreden werd verricht door slechts één opsporingsambtenaar, die zich via een soort luik aan de binnenkant van de schuur zich toegang tot een soort zolderverdieping kon verschaffen. Direct bij binnenkomst trof deze opsporingsambtenaar een partij softdrugs aan in open bruine dozen, terwijl hij tevens een plakbandapparaat zag liggen. Gelet op zijn opdracht slechts te constateren of er verdovende middelen lagen opgeslagen in genoemde schuur en hij deze vrijwel onmiddellijk op een klein zoldergedeelte aantrof, heeft hij de schuur via hetzelfde luik onmiddellijk verlaten, waardoor de actie slechts maximaal vier à vijf minuten heeft geduurd. Door de korte duur van de actie en het feit, dat er nagenoeg geen licht kon worden gemaakt in verband met ontdekking, zijn er geen andere feiten of omstandigheden waargenomen. Slechts het gedeelte waar de opsporingsambtenaar via het genoemde luik was binnengekomen, was bekeken. De rest van de zolderverdieping en de overige delen van de schuur, dus ook de begane grond werden niet bekeken, waardoor ook niet werd ontdekt, dat er nog meer verdovende middelen (XTC), handgranaten en explosief materiaal waren opgeslagen, zoals later bij inbeslagneming bleek.2

IRT-officier Van Riel en IRT-teamleider Lith besloten dat deze partij gepakt moest worden en zij tipten de politie in Friesland. Deze werd echter niet geïnformeerd over de precieze achtergrond van deze tip, namelijk het gebruik van de Delta-methode, aangezien het hier ging om een gesloten CID-traject. Toen de politie van Friesland de schuur doorzocht, werden naast enkele tonnen drugs en een paar duizend XTC-pillen ook 100 kilo semtex, 25 handgranaten en andere springstoffen gevonden. De politie heeft nooit kunnen achterhalen wie de semtex daar had neergezet.

De leiding van het IRT wilde niet bekend maken dat de partij Nederland binnen was gekomen als onderdeel van de Delta-methode. De rol van informant 1 zou op die manier aan het licht kunnen komen. De eigenaar van de boerderij werd eind 1993 veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. De rechtbank was toen niet op de hoogte van de connectie met het IRT. Na perspublicaties vroeg het OM te Leeuwarden Lith om een aanvullend proces-verbaal. Het hof sprak in hoger beroep de eigenaar van de boerderij vrij van betrokkenheid bij de opslag van de partij.

3.4.8 XTC-traject

Binnen het IRT werden nog andere onderzoeken verricht, onder andere naar de handel in XTC-pillen. Deze XTC-pillen werden verhandeld naar Engeland en Duitsland. Vanaf 1991 was binnen het IRT aan de orde of XTC-pillen moesten worden doorgelaten naar Engeland. IRT-officier van justitie Franken van Bloemendaal ging daarmee niet akkoord.1

Het IRT ontving in november 1992 informatie van een informant van de CID Kennemerland over mogelijke drugstransporten naar Engeland door de Delta-organisatie. Het transport zou geschieden door middel van een geheime bergplaats in een tankauto.2 Het IRT beschikte over informatie over het prepareren van de tankauto.

De wijze van prepareren was buitengewoon ingenieus. Er was een inwendig schot aangebracht, evenals een soort luik aan de bovenzijde, verborgen onder een looprek aan de bovenkant van de oplegger. Alleen iemand met gedetailleerde informatie, die slechts in heel beperkte kring voorhanden was, zou de verborgen ruimte kunnen vinden.3

In de nacht van 12 op 13 januari 1993 werd door het IRT een tankauto afgeleverd bij de Dienst technische operationele ondersteuning (DTOO) van het KLPD, waar de tankauto werd voorzien van een peilbaken.4

Devoorzitter: Heeft u daar toestemming voor gegeven?

De heerVan der Veen: Dat is juist.5

Devoorzitter: (...) Waarom plak je een peilbaken onder een auto als er eigenlijk helemaal niets aan de hand is en je niets kunt zien?

De heerWortel: Als je informatie krijgt dat X, Y en Z met iets bezig zijn dat te maken heeft met harddrugs en dat er stevig wordt geïnvesteerd om iets te doen wat valt onder de wettelijke omschrijving van opzettelijk vervoeren, verkopen, afleveren, enz. van verdovende middelen, dan moet je je de vraag stellen of je dat naast je neer wilt leggen als zijnde onvoldoende specifiek om een redelijke verdenking op te baseren of dat je wilt proberen om dat uit te zoeken.6

Overigens verkeerde de DTOO in Driebergen in de veronderstelling dat het hier om een politievoertuig van het IRT ging waarop zonder toestemming van een officier een peilbaken kon worden aangebracht. Van de door Van der Veen gegeven toestemming is in het archief van de DTOO niets terug te vinden.

Het observatieteam van het IRT heeft het laden van de tankauto verschillende malen geobserveerd. In de periode januari 1993 tot en met mei 1993 is de tankauto acht maal naar Engeland en enkele malen naar Duitsland, België, Frankrijk en Italië geweest. Het is onduidelijk of tijdens deze transporten steeds XTC-pillen werden vervoerd. Duidelijk is wel dat het IRT voldoende vermoeden had om een peilbaken te laten plaatsen. Zo is op 16 maart 1993 door Van der Veen expliciet toestemming gegeven om een transport XTC-pillen waarvan de omvang niet bekend is, door te laten gaan naar Engeland. In enkele transporten terug naar Nederland zou geld verborgen zijn in de geheime bergplaats in de tankauto. In april 1993 heeft zaaksofficier Wortel een gerechtelijk vooronderzoek geopend, mede gericht op XTC-transporten naar Engeland.

In een overleg tussen teamleider Lith en de Engelse liaison-officer in Nederland in het najaar van 1992 is de casus in zijn algemeenheid ter sprake gekomen. De liaison-officer stelde dat Lith alles diende te vertellen. Lith achtte het niet mogelijk de Engelsen op de hoogte te stellen van alle operationele gegevens.

De heerLith: Wij hadden regelmatig contact met de Engelse liaisons, alleen al geboren uit het feit dat wij die andere XTC-zaak hadden gehad. En ik heb op een goed moment eens gesproken met een Engelse liason, zoals dat ook wel met de anderen ging, over soortgelijke casustiek. Ik liep toen aan tegen het punt dat het rechtsstelsel in Engeland anders was als bij ons als het gaat om besluitvorming en hetgeen in het vermogen ligt van de officier van justitie en de rechterlijke macht. Heel concreet heb ik met hem gesproken over de vraag hoe wij dat oplossen. Uit dat gesprek is mij volstrekt helder geworden dat hij zei: kijk, als je zoiets zou hebben en je zou mij het vermoeden aanreiken dat zoiets zou gebeuren, dan moet ik ervoor zorgen dat er gecontroleerd en ingegrepen wordt, omdat dit zo past binnen ons stelsel. Dan moet ik u toch zeggen dat dit niet paste in de methodiek van bestrijding van georganiseerde criminaliteit waarin je probeert niet alleen de kilo's en de kerels te pakken maar ook om het gehele traject er uit te lichten.1

Bij een XTC-transport in mei 1993 naar Engeland is de chauffeur van de tankauto gearresteerd en is de vrachtwagen in beslag genomen. In de dubbele wand van de tankauto bevonden zich anderhalf miljoen pillen XTC. De chauffeur had de tankauto steeds op een bepaalde plaats moeten achterlaten op de avond voorafgaand aan zijn reis naar Engeland. In de tankauto werd tevens geld (miljoenen) van Engeland naar Nederland gebracht. De chauffeur is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraf.

De heerRouvoet: Mijnheer Wortel. Ik wil nog een vraagje stellen over het eventueel tippen van de Engelse politie. U zegt: naar mijn beste weten is er niet getipt. Ik meen mij goed te herinneren, dat de heer Vrakking hier heeft verklaard, dat u tegen hem gezegd heeft: er moet wel iemand de Engelsen getipt hebben. Staat u nog bij dat u dat tegen de heer Vrakking heeft gezegd?

De heerWortel: Er is een misverstand ontstaan. Ik heb gezegd: de rijksrechercheurs houden mij dingen voor die ik als schrikbarend wil omschrijven, maar het gaat daarbij uitdrukkelijk om aanwijzingen die zij tegenkomen, maar waarvoor ze nog bevestigingen moeten vinden. Ik weet tot op de dag van vandaag niets anders dan wat ik u zoëven verteld heb.

De heerRouvoet: U hebt nooit het vermoeden uitgesproken: er zal wel getipt moeten zijn?

De heerWortel: Nee.2

De commissie beschikt niet over gegevens dat vanuit Nederland de Engelse politie is getipt over de transporten. De loods waar de chauffeur is gearresteerd werd al geobserveerd door de Engelse politie omdat zij politie vermoedde dat gestolen goederen waren opgeslagen en werden verkocht. De chauffeur zou op de hoogte zijn geweest van het feit dat hij in de tankauto XTC-pillen vervoerde.

Over het XTC-traject werden verschillende kamervragen gesteld. Op 26 oktober 1994 stelden de kamerleden Kalsbeek, Dittrich, Korthals en Soutendijk de vraag of met medeweten van het IRT grote hoeveelheden marihuana, XTC en amfetamine naar Groot-Brittannië zijn vervoerd zonder dat de Engelse politie of justitie daarvan op de hoogte waren gebracht. Ten behoeve van de beantwoording van deze vragen stuurden de officieren van justitie Van der Veen en Wortel ambtsberichten aan de minister van Justitie. De ambtsberichten bleven beperkt tot oppervlakkige en tactische antwoorden teneinde te voorkomen dat alsnog de veiligheid van personen in gevaar zou komen.3

Devoorzitter: Met zo'n peilbaken erbij kom je toch eerder in de richting van een verdenking?

De heerVan der Veen: Ja, natuurlijk, dat is logisch.

Devoorzitter: Die was in de beantwoording van die twee XTC-vragen als het ware mijlenver weg?

De heerVan der Veen: Er was geen verdenking, tot op het laatste moment niet.

Devoorzitter: Maar in ieder geval was er toch meer dan een vaag vermoeden.

De heerVan der Veen: Ja, meer dan een vaag vermoeden.1

Op 28 november 1994 vond een bespreking plaats tussen minister van Justitie Sorgdrager, procureur-generaal Van Randwijck, officier van justitie Van der Veen en het hoofd directie politie van het ministerie van Justitie, Wooldrik.2 In deze bespreking gaf Van der Veen aan dat bij verschillende transporten XTC-pillen en marihuana doorgelaten waren. Van der Veen stelde dat de informatie niet kon worden doorgegeven aan de Engelsen, aangezien sprake was van 00-informatie. De veiligheid van de informant zou daardoor in gevaar komen. Op dat moment was de informant echter al afgebouwd. Van der Veen vermeldde niet dat de tankauto was voorzien van een peilbaken. Van der Veen meldde ook niet dat er al een gerechtelijk vooronderzoek was geopend.3

De minister van Justitie antwoordde op 12 december 1994 aan de Kamer dat het onjuist is te stellen dat grote hoeveelheden XTC, marihuana en amfetamine onder verantwoordelijkheid van het IRT naar Engeland zijn vervoerd zonder dat de politie of justitie van dat land daarvan op de hoogte is gebracht. De minister benadrukte dat nadere gegevens de veiligheid van informanten in gevaar konden brengen.4

Op 16 december 1994 stelden de kamerleden Kalsbeek, Scheltema, Korthals en Soutendijk andermaal de vraag of sprake is geweest van medeweten van het IRT over de invoer van drugs naar Engeland. De kamerleden waren van oordeel dat onvoldoende informatie was verstrekt en stelden nieuwe vragen.5 De minister van Justitie antwoordde nu als volgt:

Het begrip medeweten kent verschillende gradaties, zoals zeker weten, redelijk vermoeden en vaag vermoeden. Van zekere weten of van feiten en omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld konden rechtvaardigen was bij de door de vragenstellers bedoelde drugstransporten naar Groot-Brittannië geen sprake. Wel beschikt het IRT over informatie die een vaag vermoeden opleverde. Deze informatie was echter van dien aard dat het onvoldoende was voor een verdenking ex artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Aangezien het in de onderhavige gevallen dus ging om strafvorderlijk niet hanteerbare gegevens, zijn de Britse autoriteiten niet over deze mogelijk drugstransporten door het IRT of het OM op de hoogte gesteld.6

De heerRouvoet: Ik wil vaststellen, uit het antwoord van de minister, dat zij zegt dat in de tweede serie antwoorden wordt gesproken van medeweten en dat dit een toch wel heel juridisch begrip is. Zij had daar een ander woord voor moeten kiezen, zegt zij.

MevrouwSorgdrager: Het woord medeweten stond in de vragen. Je gaat het dan heel juridisch behandelen.

De heerRouvoet: U gaat er in het antwoord op in. Er was niet meer dan sprake van een vaag vermoeden. Nu zegt u dat het toch wel wat meer was dan dat.

MevrouwSorgdrager: Het was wel wat meer dan een vaag vermoeden.

De heerRouvoet: Er was meer dan een vaag vermoeden bij de politie over wat er aan de hand was?

MevrouwSorgdrager: Ja. Medeweten is misschien wat sterk gezegd. Ik had de term vaag vermoeden niet gebruikt.7

Zaaksofficier Wortel gaf in oktober 1995 te kennen, dat de minister van Justitie daarmee een onjuist antwoord aan de Kamer gaf:

Aan de Kamer is een bericht gestuurd waarin alleen staat dat wij onvoldoende aanleiding hadden gehad om de Britten te waarschuwen. Dat heeft de minister ook de Kamer meegedeeld. Op zichzelf beschouwd is dat natuurlijk onjuist. Er waren voldoende aanwijzingen, nog afgezien van de vertrouwelijke informatie. Gezien is destijds dat de trailer in een loods van onze verdachten heeft gestaan. Vervolgens is er schimmig mee gereden, inclusief een oponthoud op een parkeerplaats waar ook één van de verdachten in diens eigen auto verscheen.1

Hoofdofficier Vrakking verklaarde in zijn verhoor voor de commissie het volgende:

De heerVrakking: Ik heb van de heer Wortel een bericht gekregen waarin hij mij heeft uitgelegd hoe het zat. Die XTC is willens en wetens tot waarschijnlijk drie keer toe naar het Verenigd Koninkrijk gevoerd. (...) Devoorzitter: Weet u om welke hoeveelheden het gaat? Heeft uw zaaksofficier u dat verteld?

De heerVrakking: Dat heb ik gevraagd. Waarschijnlijk ging het drie keer om 1,5 miljoen pillekens. En de laatste keer zat er nog behoorlijk wat cocaïne bij.

Devoorzitter: Om hoeveel geld ging dat?

De heerVrakking: Tientallen miljoenen.2

Zaaksofficier van justitie Wortel nuanceerde de verklaring van zijn hoofdofficier:

Devoorzitter: Maar uw hoofdofficier heeft hier meerdere keren verklaard dat het ging om anderhalf miljoen pillen.

De heerWortel: Daar is een misverstand gerezen. Van de laatste rit weten wij wat er in zat. Overigens heb ik daar zelf een fout gemaakt. In het bericht aan de hoofdofficier heb ik geschreven dat het ging om anderhalf miljoen pillen en een kilo coke. Dat was een fout in mijn herinnering. Het ging niet om coke, maar om 154 kilo MDA. Over eerdere ritten van de auto kunnen wij niet zeggen of er iets mee vervoerd is en, zo ja, wat. Wij weten dat eenvoudigweg niet.3

Naar aanleiding van zijn openbare verhoor door de commissie schreef Wooldrik een nota aan de minister van Justitie, waarin hij stelde dat de Kamer op twee punten mogelijk onjuist is ingelicht: het peilbaken op de tankauto en de mogelijkheid de Engelse autoriteiten in te lichten.4 Van der Veen vertelde het ministerie van Justitie niet dat op basis van inlichtingen van een informant een peilbaken was aangebracht. Tevens meldde hij niet dat er een gerechtelijk vooronderzoek was geopend en daarmee sprake was van een verdenking van een strafbaar feit.

Devoorzitter: Mijnheer Wooldrik ik wil u nog kort vragen over het punt van de mogelijke XTC-transporten naar Engeland...

De heerWooldrik: Daar begon u mee, voorzitter.

Devoorzitter: ...aangezien hier enige getuigen verklaard hebben dat er verscheidene transporten hebben plaatsgevonden en de heer Vrakking noemt meer dan 1 miljoen pillen. Vervolgens is ons gebleken dat er sprake is geweest van een geplaatst peilbaken in die bewuste auto waarmee die transporten gedaan zijn. Die informatie hadden wij nog niet toen wij u de vorige keer daarover bevroegen. Blijft u bij het punt dat u, c.q. de minister, in feite genoeg wist om te antwoorden zoals er geantwoord is? Dat er dus in feite van medeweten geen sprake kon zijn?

De heerWooldrik: Ik blijf bij de uiteenzetting die ik u de vorige keer heb gegeven, voorzitter.

Devoorzitter: Maar toen heeft u ons niet verteld dat er een peilbaken was aangebracht.

De heerWooldrik: Maar dat was ook niet de informatie waarover de minister beschikte.

Devoorzitter: Maar beschikte u daarover?

De heerWooldrik: U moet goed onderscheiden wat er vorig jaar november aan de hand van kamervragen aan informatie is binnengekomen bij mij en wat ik mijn minister heb geadviseerd te antwoorden. Daar zat dat element van het peilbaken niet bij.

Devoorzitter: Dat wist zij toen niet?

De heerWooldrik: Dat wist zij niet. Op basis van de gegevens die wij toen hadden, is de Kamer geïnformeerd. Inmiddels blijkt dat er, zo begrijp ik uit informatie die later is binnengekomen, wel degelijk een peilbaken op was aangebracht. Dat hadden wij toen ook graag willen weten.

Devoorzitter: Hoe weet u dat nu?

De heerWooldrik: Omdat ons dat verteld is door de behandelend officier van justitie.

Devoorzitter: Dat was de heer...?

De heerWooldrik: De heer Van der Veen.

Devoorzitter: En wanneer heeft hij u dat verteld?

De heerWooldrik: Ik meen in de zomer.

Devoorzitter: Maar dat had u dan toch op 11 september aan de commissie kunnen vertellen?

De heerWooldrik: Ik?

Devoorzitter: Ja. Omdat wij u vroegen...

De heerWooldrik: Het kan ook zijn dat het na 11 september geweest is. Dat is ook mogelijk. In ieder geval...

Devoorzitter: Wanneer heeft u nu gehoord van dat peilbaken?

De heerWooldrik: Ja, onlangs heb ik daarvan gehoord.

Devoorzitter: Maar wanneer dan?

De heerWooldrik: Het kan ook in de maand september geweest zijn. Maar ik heb mij niet geprepareerd op dat dossier. Dat wilde ik aan het begin al zeggen. Dus ik zal nog wel voor u nagaan wanneer ik iets wist. Hoe belangrijk is dat nu eigenlijk?

Devoorzitter: Maar heeft u, nadat wij u op dit punt bevraagd hadden, toch actie ondernomen?

De heerWooldrik: Nou, actie ondernomen. Er is uiteraard nog weer enige ontwikkeling geweest. De minister wilde er ook meer over weten. Ik heb in ieder geval na 11 september een gesprek gehad met de heer Van der Veen over onder andere dit geheel...

Devoorzitter: Na 11 september?

De heerWooldrik: Ja, na 11 september, ook naar aanleiding van het onderzoek van de rijksrecherche dat zich ook hierop richt. Toen heeft de heer Van der Veen mij verteld, dat hij het element van het peilbaken niet in november van het vorige jaar aan de minister en aan mij en aan de heer Van Randwijck die er toen ook bij was, heeft verteld.

Devoorzitter: En waarom niet?

De heerWooldrik: Dat weet ik niet.

Devoorzitter: Omdat hij meende dat het om een gesloten CID-traject ging waar...

De heerWooldrik: Ik heb begrepen dat hij dat bij u heeft verklaard.

Devoorzitter: Is de minister, doordat dit feit niet aan de minister gemeld is, daardoor volledig geïnformeerd geweest?

De heerWooldrik: De minister, zo heb ik begrepen, had dat vorig jaar graag willen weten en ik zelf eerlijk gezegd ook wel.

Devoorzitter: Had u de minister dan anders geadviseerd over het antwoord?

De heerWooldrik: Dat kan ik achteraf niet meer beoordelen. Ik denk dat de strekking van de antwoorden overigens hetzelfde zou zijn geweest, namelijk dat er onvoldoende reden was om de Engelse autoriteiten te informeren. Want dat was de vraag.

Devoorzitter: Heeft u inmiddels al opgehelderd of er wel of niet een politietip is gegeven?

De heerWooldrik: Wij hebben nog eens gekeken of er van Engelse zijde over die zaak nog rechtshulpverzoeken bij Nederland zijn binnengekomen. Dat is inderdaad het geval. Naar aanleiding van het Engelse optreden hebben wij een rechtshulpverzoek gekregen waarin zij verzochten om bij de Nederlandse verdachte huiszoeking te doen en nog een aantal andere huiszoekingen in verschillende plaatsen in Nederland. Uit de uiteenzetting van de feiten die de Engelsen ons hebben gegeven, blijkt eigenlijk het volgende. De Engelsen hadden gewoon een eigen informatietraject. Die zaten als het ware op de kant van de Engelse afnemers. Die groepering hadden zij in beeld. Zij hadden observatie op een loods en daar is die vrachtauto toen ingereden. De Engelsen hebben een half uur gewacht, zo blijkt uit hun feitelijke weergave. Ze zijn toen naar binnen gegaan en zij hebben vervolgens de mensen aangehouden. Inmiddels waren de goederen waar het om ging, al uitgepakt. De politie hoefde dus de geheime bergplaats niet meer te zoeken want die was al bekend: de spullen lagen als het ware op de grond. Dat is de informatie die wij van de Engelsen hebben gekregen.1

Naar aanleiding van de nota van Wooldrik stuurde de minister van Justitie op 10 oktober 1995 een vertrouwelijke brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer. Zij bracht daarin naar voren dat deze nieuwe informatie mogelijk een ander licht werpt op de in de kamervragen aan de orde gestelde kwestie.1

Devoorzitter: Wij hebben in het verhoor met de heer Van der Burg hedenochtend aan de orde gehad een vertrouwelijke brief die u gestuurd heeft ter beantwoording van vragen over de XTC-lijn. Daar zijn wij in de verhoren verschillende keren op ingegaan. Denkt u nu dat u de Kamer onvolledig heeft geïnformeerd?

MevrouwSorgdrager: Ik denk dat naar wat ik toen wist, dat ik de Kamer toen op grond van mijn wetenschap goed heb geïnformeerd. Naar wat ik nu weet, weet ik dat het niet helemaal klopt.

Devoorzitter: Dat het niet klopt, dat het niet helemaal klopt?

MevrouwSorgdrager: Nee.

Devoorzitter: Wat klopt er niet?

MevrouwSorgdrager: Er wordt het woord «medeweten» gebruikt. Er wordt gesproken van een verdachte in de zin van artikel 27 Sv. Ik denk dat die beide elementen niet beantwoord hadden moeten worden zoals gebeurd is.

Devoorzitter: Wat is er volgens u wel gebeurd?

MevrouwSorgdrager: Ik denk dat je wel had kunnen spreken van een verdachte in de zin van artikel 27 Sv en dat het medeweten zo ontzettend juridisch is geformuleerd, achteraf bezien, dat ik dat wat meer in gewone-mensentaal had neergezet.2

3.5 Commissie-Wierenga en politieke besluitvorming

3.5.1 Instelling en rapport commissie-Wierenga

Op 26 januari 1994 lichtten de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken de Kamer in over de opheffing van het IRT.3 In deze brief werd gesproken over «het uit de hand lopen van een op zichzelf geoorloofde methode». In de brief en in het daarop volgende debat werd een nader onderzoek toegezegd.

De heerKoekkoek: In de brief van 26 januari 1994 van de beide ministers wordt het een en ander uit de doeken gedaan over de opheffing van het team. Daarin wordt gesproken over de methode, de bestuurlijke problemen. De Kamer werd toch geïnformeerd. Dat was het eerste punt. Daarna, het tweede punt, de beschuldigingen van corruptie. Zowel over de organisatorische problemen als over de methode leek het toch wel aangewezen om na te gaan hoe het precies gegaan was.

De heerDijkstal: Ja, dat vond ik ook. Dat hadden de bewindslieden ook gewoon aan de Kamer kunnen meedelen. Het punt is dat de regering naar mijn overtuiging al een heleboel wist. Dat kon ook niet anders. Ze hebben er in maart 1993 uitgebreid over gesproken, in juli 1993 staan de kranten er vol van. Ze hebben allerlei vergaderingen met iedereen gehouden. De regering had dus een hoop informatie beschikbaar. Die had zij uitgebreid aan de Kamer over moeten leggen. Om een of andere reden – laat ik daar nu maar neutraal in blijven – heeft zij dat niet willen doen.

Devoorzitter: Om welke reden?

De heerDijkstal: Ik moet aannemen dat dat toch van meer politieke aard was dan van inhoudelijke aard. Zo heb ik het althans ervaren.

Devoorzitter: Politieke aard?

De heerDijkstal: Omdat men vreesde dat het debat van januari zo'n snelle afloop kon hebben, in termen van moties van afkeuring of iets dergelijks, dat men tijd heeft willen winnen door te zeggen «laten wij maar een commissie instellen, dan kunnen wij wat tijd winnen». Dat is een bekende methode in Den Haag. Even los van de corruptiezaak, want dat is wat mij betreft eigenlijk een apart traject.

De heerRabbae: Dus u was bang dat het kabinet, met een onderzoeksopdracht in handen, eigenlijk een vertragingstactiek wilde toepassen?

De heerDijkstal: Ja. (...) De heerKoekkoek: U had het gevoel dat de ministers informatie achterhielden op dat moment?

De heerDijkstal: Ja.4

Bij besluit van 31 januari 1994 werd de bijzondere onderzoekscommissie IRT onder voorzitterschap van H. Wierenga, burgemeester van Enschede en voormalig lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, ingesteld. De commissie had de volgende opdracht:

1. een onafhankelijk onderzoek instellen naar de ontwikkelingen inzake het ontstaan, het functioneren en het ontbinden van het IRT,

2 het vaststellen en beoordelen van de gronden waarop tot ontbinding werd besloten en de wijze waarop dit besluit is uitgevoerd,

3 het formuleren van conclusies en aanbevelingen.1

Op 24 maart 1994 bood de commissie-Wierenga haar rapport aan de beide ministers aan.

Devoorzitter: Was de tijd die u voor het maken van een rapport had, voldoende?

De heerWierenga: Nadat wij een paar dagen hadden gesproken over de taak en de invulling van de commissie, gingen wij op 30 januari van start. De Kamer had aan de bewindslieden gevraagd, een commissie in te stellen die in vier weken klaar zou zijn met haar werk. De ministers hebben de Kamer er toen van overtuigd dat het alleen al op grond van logistieke overwegingen – stukken verzamelen, verhoren afnemen, met elkaar praten, conclusies trekken en een rapport laten drukken – nooit binnen vier weken zou lukken en zij hebben de Kamer er toen van overtuigd dat de commissie in ieder geval zes weken nodig zou hebben. Daar hebben wij ons ook praktisch aan gehouden. Ik vind de tijd die wij ervoor hadden, nog steeds erg kort.2

De commissie-Wierenga gaf in haar openbare rapport de volgende beschrijving van de methode:

a. In het kader van een onderzoek naar een criminele organisatie is gebruik gemaakt van de diensten van een informant. De betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van deze informant is aan een zorgvuldige toetsing door de bevoegde officieren van justitie onderworpen.

b De handelingen die door de informant in het kader van het onderzoek zijn verricht, hebben steeds de instemming van de bevoegde officieren van justitie verkregen. Hij heeft zich beperkt tot een zekere rol in de keten met betrekking tot de handel in softdrugs.

c In het kader van de werkmethodiek zijn geen harddrugs in ons land gebracht, evenmin zijn daarvoor concrete voorbereidende maatregelen getroffen.

d De werkmethodiek was het resultaat van een goed doordachte en zorgvuldig voorbereide operatie in het kader van een onderzoek naar een ernstige vorm van georganiseerde criminaliteit.

e De activiteiten die in het kader van de werkmethodiek en het onderzoek werden ontplooid en de beslissingen die zijn genomen, zijn op een zorgvuldige en voorzover dit kan worden beoordeeld, volledige wijze vastgelegd.

f Gezien de doelstelling van het onderhavige onderzoek heeft de officier van justitie verantwoord tot het besluit kunnen komen om de methodiek waarvan de commissie heeft kennis genomen, toe te passen

Anders dan in het persbericht wordt vermeld, is de werkmethodiek slechts in één onderzoek en niet langer dan een jaar toegepast. (...) De commissie heeft geen aanwijzingen gevonden die de conclusie rechtvaardigen dat er sprake is geweest van het uit de hand lopen van een opsporingsmethode.3

De commissie-Wierenga kwam op basis van haar onderzoek in de openbare rapportage tot het volgende oordeel over de methode:

Ten aanzien van de door het IRT toegepaste werkmethodiek heeft de commissie vastgesteld dat deze op een weloverwogen en zorgvuldige wijze en niet onrechtmatig is toegepast. De commissie is voorts van oordeel dat de toepassing viel binnen het kader van de door het openbaar ministerie vastgestelde richtlijnen. Over de toepassing van een methodiek als de onderhavige zowel in het algemeen als in concrete gevallen blijven verschillen van inzicht mogelijk. Het oordeel komt uiteraard toe aan het openbaar ministerie. De minister van Justitie moet voor dat oordeel politieke verantwoordelijkheid kunnen dragen. De commissie is echter van oordeel, dat gelet op de doelstelling van het onderhavige onderzoek, toepassing van de methodiek verantwoord was.1

De heerDe Graaf: Dus ook met de wetenschap van nu zegt u dat u toen gehoord hebt wat u nodig had voor het vellen van een oordeel?

De heerWierenga: Ik vind dat wij een verantwoord oordeel hebben geveld. Ik accepteer dat er nog eens goed naar gekeken wordt, ik vind dat zelfs grote winst, maar ik vind niet dat wij ons zelf zouden moeten beschuldigen in die zin dat wij een volstrekt verkeerde conclusie zouden hebben getrokken. Dat is mijns inziens niet het geval.2

De ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en de minister-president gaven in een brief van 25 maart 1994 een oordeel over het rapport van de commissie-Wierenga. Zij deden daarin ook een uitspraak over de gehanteerde methode.

Met enige verbazing hebben wij in het rapport gelezen hoe door vele betrokkenen met de zogenoemde werkmethodiek van het IRT is omgegaan. Die verbazing heeft vooral betrekking op het feit dat de precieze aard en inhoud van deze reeds gevolgde en door de commissie als juist bevonden methodiek pas in zo'n laat stadium, wellicht pas bij de hoorzittingen van de commissie zelf, voor het bevoegd gezag helder zou zijn geworden. Ook bij nalezing van het rapport moet worden geconcludeerd, dat voor de toedracht van dit gegeven geen verklaring wordt gegeven. Dit betekent, dat conclusies omtrent de reden en toedracht van de opheffing van het IRT vooral ook moeten worden bezien in het licht van het niet beschikbaar zijn van die voor het oordeel van de commissie nu relevante informatie, zoals die op dat moment werd aangeleverd en zoals die door betrokkenen toen werd gepercipieerd. (...) Met inachtneming van hetgeen hiervoor in deze brief is overwogen, achten wij het op zich niet onbegrijpelijk dat op grond van de toen ter beschikking gestelde informatie het openbaar ministerie heeft besloten het onderzoek te doen staken en dat het openbaar ministerie vervolgens heeft gemeend ons ten spoedigste te moeten informeren. Terecht merkt de commissie op, dat de inzet van deze werkmethodiek verschillend kan worden beoordeeld en ook in deze kwestie verschillend is beoordeeld. Omtrent het concept van dit opsporingsmiddel heeft tot voor kort binnen het openbaar ministerie geen richtinggevende besluitvorming plaatsgevonden. Inmiddels heeft deze besluitvorming overigens wèl plaatsgevonden, namelijk in de vergadering van procureurs-generaal, d.d. 9 maart, op basis van de bevindingen van de werkgroep-De Wit.

Op grond van het vorenstaande achten wij het begrijpelijk dat de hoofdofficier van justitie en de procureur-generaal in november 1993 tot de conclusie zijn gekomen dat het noodzakelijk was om het opsporingsonderzoek in de toen gepercipieerde schaal te beëindigen.3

Volgens de commissie-Wierenga waren er geen aanwijzingen te vinden, die «de conclusies rechtvaardigen dat er sprake is geweest van het uit de hand lopen van een opsporingsmethode».4 Blijkbaar plaatsten de beide ministers bij deze bevindingen vraagtekens.

Naar ons oordeel dient, meer nog dan in het rapport is gedaan, een onderscheid te worden gemaakt tussen een beoordeling van de door het IRT gevolgde methodiek als zodanig en de beoordeling van de noodzaak tot het beëindigen van de toen spelende specifieke actie.5

Dit moeilijk te doorgronden oordeel kwam tot stand in een situatie waarbij, zoals tijdens de verhoren gebleken is, beide ministers duidelijk van mening verschilden over de vraag of de methode verantwoord was. In de publieke discussie na het uitkomen van het rapport van de commissie-Wierenga bleef onduidelijk of en hoeveel verdovende middelen op de markt verdwenen waren. Twee opeenvolgende ambtsberichten van Van Capelle droegen niet bij aan meer duidelijkheid. Naar aanleiding van elkaar tegensprekende perspublicaties bevestigde de commissie-Wierenga in een brief op 5 april 1994 haar oordeel over de methode.

Van nieuwe feiten die tot een ander oordeel zouden moeten leiden is dan ook geen sprake. (...) De wijze waarop de methodiek werd toegepast, voldeed aan de eisen van controleerbaarheid, betrouwbaarheid en stuurbaarheid.1

3.5.2 Geheime bijlagen

De commissie-Wierenga voegde een aantal geheime bijlagen bij haar rapport. De geheime bijlagen bestaan uit een aanbiedingsbrief, gedeelten van processen-verbaal van de hoorzittingen van 27 personen, twee processen-verbaal van bevindingen van verhoren van Van der Veen en Woelders, opgemaakt door de, aan de commissie toegevoegde, commissaris van politie Jansen.2 Vanwege het gevaar belangen van derden te schaden adviseerde de commissie-Wierenga de ministers de geheime bijlagen geheim te houden. De minister-president, de vice-premier, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie namen deze aanbeveling over. De commissie-Wierenga had getuigen toegezegd dat bepaalde verklaringen in een geheim proces-verbaal zouden worden vastgelegd. Ook deze geheimhoudingsverplichting nam de regering over.

In haar brief van 5 april 1994 benadrukte de commissie-Wierenga nogmaals de noodzaak tot geheimhouding:

Alles afwegende blijft de commissie evenwel bij haar standpunt dat, gelet op de belangen van de rechtshandhaving en de noodzaak dat de overheid haar aan een informant gegeven woord gestand doet, het niet op de weg van de commissie ligt te adviseren om de eerder door haar als zeer geheim gerubriceerde stukken alsnog openbaar te maken.3

Devoorzitter: Voordat het rapport van de commissie-Wierenga uitkomt op 14 maart, krijgt u nog een ambtsbericht van de procureur-generaal. De hoofdofficier heeft het dan over 20 ton. Nogmaals de vraag: waarom konden die gegevens die ik zojuist noemde, onder andere van die 45 ton, niet aan de Kamer gemeld worden?

De heerHirsch Ballin: Niet in mijn belang, voor alle duidelijkheid, ook niet op mijn persoonlijk verlangen, voorzover iemand dat zou mogen denken, maar omdat er zeer dringend werd gevraagd om niets naar buiten te brengen dat zou kunnen leiden tot het identificeren van de informant in kwestie.

Devoorzitter: Wie vroeg u dat?

De heerHirsch Ballin: Het werd zeer dringend gevraagd vanuit het openbaar ministerie.

Devoorzitter: Door de heer Van der Veen?

De heerHirsch Ballin: Door de procureur-generaal.

Devoorzitter: Door welke procureur-generaal?

De heerHirsch Ballin: De heer Van Randwijck, de procureur-generaal in Amsterdam.4

De commissie heeft kennis genomen van de geheime bijlagen. De beschrijving van de IRT-methode in de aanbiedingsbrief verschilt op belangrijke onderdelen van de weergave in het openbare deel van de rapportage van de commissie-Wierenga. De geheime delen kwamen slechts ter kennis van de betrokken ministers en de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De overige leden van de Kamer waren niet op de hoogte van de toen bekende gegevens over de methode op het moment dat met de regering een debat moest worden gevoerd over de opheffing van het IRT, te weten op 7 april 1994. Om tot een verantwoorde vergelijking te kunnen komen tussen de informatie in het openbare deel en het geheime deel, citeert de commissie hieronder de weergave van de methode in de geheime aanbiedingsbrief bij de rapportage van de commissie-Wierenga:

a. De criminele organisatie is de Delta-organisatie (...). De organisatie kent een celstructuur en een daarbij behorende taakverdeling. De onderdelen houden zich onder meer bezig met de handel in verschillende soorten verdovende middelen.

b Het IRT-onderzoek naar de Delta-organisatie was gericht op het onderdeel dat zich bezig hield met de handel in softdrugs (weed). Dit hing samen met de omstandigheid dat zich in de loop van 1992 een informant had gemeld bij de RCID Haarlem. Deze onderhield contacten met de Delta-organisatie. Omdat het de RCID Haarlem bekend was dat het IRT bezig was met de Delta-organisatie werd de informant overgedragen aan de CID van het IRT. De betrokken persoon is uitsluitend als informant gebruikt.

c De informant hield zich bezig met het regelen van de transporten van de door de Delta-organisatie bestelde partijen weed. In dat kader is hij verschillende malen naar [een Zuid-Amerikaans land] gereisd.

d Nadat besloten was om gebruik te maken van de diensten van de informant, was de werkwijze aldus dat de informant de transportpapieren van de ladingen waarin de drugs verborgen waren, aan de politie overhandigde. De politie zorgde er in samenwerking met de douane voor dat deze ladingen bij de invoer in Nederland ongemoeid werden gelaten. Vervolgens werd de lading door de politie geïnspecteerd en door de politie afgeleverd op de plaats van bestemming. Daar werden de verdovende middelen door de Delta-organisatie overgenomen. De geanonimiseerde beschrijving van deze werkwijze vindt u op pagina's 160–161 van het rapport.

e Op de hierboven omschreven wijze zijn 9 partijen binnengekomen, één daarvan bleek slechts rijst te bevatten. In totaal is met toestemming van het openbaar ministerie ongeveer 45 000 kilogram softdrugs niet door de politie onderschept.

f In het kader van de hierboven omschreven werkmethodiek is geen cocaïne binnengebracht. Wel is uit de verhoren van de betrokken officieren van justitie naar voren gekomen dat zij in het kader van de werkmethodiek daarmee rekening hielden. Er zou niet worden toegelaten dat harddrugs in het verkeer zouden worden gebracht.1

Daarbij maakt de commissie-Wierenga onder andere nog de volgende opmerkingen:

c. de afspraken en de beslissingen met betrekking tot de inhoud van het traject en de rol van de informant daarbij waren voorwerp van overleg tussen de betrokken officier van justitie, de teamleider van het IRT en de betrokken chefs CID. Omdat dit overleg frequent plaatshad en er sprake was van een nauwe samenwerking tussen betrokkenen, oordeelde men het niet nodig om deze op schrift te stellen. Dit onderdeel kan de commissie billijken. (...)

e De commissie heeft op 25 februari 1994 kennis genomen van stukken die betrekking hebben op de nzet van de informant en de toepassing van de werkmethodiek. Naar de commissie heeft kunnen vaststellen, werden de activiteiten met betrekking tot de informant en de inlichtingenmethode op zorgvuldige wijze in registraties vastgelegd. In onderling verband en samenhang bezien geven deze een controleerbaar beeld over het besluitvormingsproces van de inlichtingenmethode.2

Het geheime deel verschilt op de volgende onderdelen van het openbare deel. In het geheime deel wordt aangegeven dat softdrugs op de markt zijn gekomen; in het openbare deel wordt dat niet vermeld. Wel wordt vermeld dat er geen harddrugs worden doorgelaten. Tevens wordt in het geheime deel aangegeven hoeveel softdrugs op de markt zijn terecht gekomen. De rol van de informant is meer uitgebreid beschreven in het geheime deel, waarbij aan de orde kwam dat de informant een rol speelde tijdens het transport van drugs en daarvoor ook naar het land van herkomst reisde. In het geheime deel komt de rol van de politie en de douane bij de methode expliciet aan de orde, terwijl daarover in het openbare deel niets over wordt gezegd.

Devoorzitter: Ik wil nog even terugkomen op het feit dat er een groot verschil blijft tussen uw geheime aanbiedingsbrief en uw publieke aanbiedingsbrief. In de geheime aanbiedingsbrief wordt een heleboel zaken uit de doeken gedaan die publiek absoluut niet duidelijk werden. Ik noem hoe de methode in elkaar zat. In de geheime brief wordt gesproken van 45 ton. Ook noem ik het feit dat u billijkt dat afspraken en beslissingen met betrekking tot het traject en de rol van de informant niet vastgelegd worden, afgezien van de vraag wat precies de rol van de informant was. Had niet een heleboel ellende achteraf bespaard kunnen worden als u in uw publieke aanbiedingsbrief, ook de brief van 5 april, niet veel explicieter was geweest over wat er nu werkelijk aan de hand was?

De heerWierenga: Ook dat is een vraag die je achteraf moet beantwoorden. Ik wil wel even zeggen wat er toen verder is gebeurd. Wij hebben het rapport overgedragen aan de ministers. Toen is er kennelijk een discussie geweest tussen de ministers binnen het kabinet – ik weet dat verder niet – om een deel van het geheime rapport alsnog te publiceren. Nadat wij 's ochtends het rapport aan de ministers hadden gegeven, is er eerst door ons en later door de ministers of andersom – dat weet ik niet meer precies – een persconferentie gegeven. Toen heeft de heer Lubbers mij gevraagd: vind jij het goed dat wij nog eens kijken naar het geheime deel om na te gaan wat daarvan op dit moment publiek kan worden gemaakt? Ik heb toen gezegd: daar heb ik geen bezwaar tegen, mits er mensen worden gevonden die dat met kennis van zaken kunnen doen. De heer Lubbers kwam toen met de suggestie om de heer Van der Veen te vragen die selectie te maken. Ik heb toen gezegd dat ik daar geen bezwaar tegen had, maar dat ik het wel op prijs zou stellen als een lid van onze commissie, in dit geval de heer Bleichrodt, die de beste jurist in onze club was, er mede naar zou kijken, omdat ik niet alleen een ander wilde laten beslissen over welk deel van het geheime rapport alsnog gepubliceerd zou worden. Ik heb dat met de heer Bleichrodt overlegd en hij wilde dat graag doen. Daarna is er een stilzwijgen gevallen van de zijde van het kabinet. Mij is later meegedeeld dat daarna in een zitting van het kabinet of de groep die er over ging – dat waren toen de premier, de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en...

Devoorzitter: En de heer Kok, waarschijnlijk. De premier, de vice-premier, toen nog de heer Kok.

De heerWierenga: Ja. Toen is voor de tweede maal besloten om het vertrouwelijke deel van het rapport niet te splitsen en het alleen maar te geven aan de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dat is bij een aantal fractievoorzitters bekend geworden.

Devoorzitter: Maar u had toch zelf het voorstel gedaan om het alleen aan de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten te geven?

De heerWierenga: Het is in discussie geweest; wij hadden er geen bezwaar tegen als nog wat verder bekeken zou worden of er nog iets meer uit het rapport kon worden gelicht.1

De commissie heeft tevens de beschikking gekregen over de geheime delen van de processen-verbaal van de hoorzittingen van de commissie-Wierenga. Hieronder volgt een aantal voor het onderzoek van de commissie relevante citaten uit deze geheime processen-verbaal:

Straver(korpschef regiopolitie Kennemerland): U zult morgen met een man (Langendoen) worden geconfronteerd, die de afgelopen twee maanden heeft moeten ervaren hoe iedere vertrouwelijke informatie op straat is komen te liggen. Hij heeft moeten ervaren dat het belang van het onderzoek tegen de »Bruinsma-organisatie« en het belang van de veiligheid van de informant en de betrokken rechercheurs niet de belangrijkste rol spelen. Hij zal u veel kunnen vertellen over het hele verloop van het proces, de rol van het openbaar ministerie en de rol van de Amsterdamse politie daarin, maar hij zal niet met u spreken over de inhoud van de operatie en ook niet over corruptie binnen het Amsterdamse korps.

Van Kastel(teamleider IRT Noord-Holland/Utrecht vanaf 1 juli 1993): Op mijn vraag of datgene wat men deed, er nog eens toe zou leiden dat het doel nog een keer zou worden bereikt, heeft de chef CID van het IRT gezegd dat geenszins kon worden aangenomen dat met dat cocaïnetransport de Delta zou worden geraakt. Hij zei dat er dan wel met iets anders zou worden doorgegaan. (...)

Als je dit hele scala ziet, dan praat je niet meer over het onder voorwaarden inzetten van een informant in de schakel van een keten, maar van het heel actief runnen van een burgerinfiltrant, die zich niet onder de regie van de politie laat plaatsen. Deze infiltrant is in staat geweest om datgene wat hij misschien voor die tijd volkomen illegaal en ongecontroleerd heeft kunnen doen nu onder de vlag van justitie en politie te doen. (...)

Er is tonnen aan handel voorbij gegaan en er is praktisch niets van gepakt. Ook zijn er anderhalf miljoen XTC-pillen naar het buitenland vervoerd, terwijl de autoriteiten van elders niet zijn geinformeerd over de mogelijke komst van zo'n partij. (...)

In die keten is dus door politie en justitie niet ingegrepen en is de informant daarvan dus gewoon rijk geworden. Ik heb het dan over miljoenen, ongeveer 15–20 miljoen.(...)

Van Randwijck(procureur-generaal te Amsterdam): (...) De partij waar we over spreken zou de finale klap worden. Door het gebrek aan informatie kreeg ik niet zonder meer de zekerheid dat wij hier niet te maken hadden met een man die onder bescherming van de politie een fantastische privéhandel opgezet had en dat waarschijnlijk ook gedaan heeft.(...)

Hij heeft er waarschijnlijk schatten aan verdiend.(...)

De heerWortel(officier van justitie te Amsterdam, zaaks-officier van justitie IRT Noord-Holland/Utrecht): Op uw vraag of het nieuwe aan de methode was dat de politie als het ware zelf een rolletje speelde in het transporttraject, antwoord ik dat ik vorig jaar een container met hasj gecontroleerd heb laten doorgaan. Het transport werd verricht onder het toeziend oog en de nauwlettende bewaking van de douane. De partij hasj was met mijn medeweten door de douane ingeklaard en onder observatie door een transporteur vervoerd, die verder van niets wist. Dit heb ik vaker gedaan. De tonnen hasj en weed die ik heb laten doorgaan om op die manier een beeld en inzicht te krijgen in wie het afnemen, zou ik niet meer durven tellen.

Van Capelle(officier van justitie te Amsterdam voor het IRT Noord-Holland/Utrecht vanaf 1 juli 1993): De nadrukkelijke afspraak was, dat als er harddrugs binnen Nederland zouden worden gebracht, dat dat dan het moment zou zijn om bij gelegenheid van die invoer de kernfiguren uit de organisatie op te pakken. Daarbij was de planning gemaakt, dat wij niet eerder dan media 1994 die stap zouden kunnen zetten. (...) Concreet was er dus nog niks (...) Er was op een gegeven moment wel een getal opgekomen, omdat één van de Deltafiguren liet weten wel interesse te hebben in een hele grote partij. Dat was inderdaad de 5.000 kilo (...) Zover zijn wij dus nooit gekomen. En toen was daar in één keer het ethisch reveil van de heer Van Kastel.(...)

Op uw vraag of ik iets weet van het element van die methode, dat de politie zou zorgdragen voor het transport van de haven naar de loods, antwoord ik ontkennend. Het is ook nooit met mij besproken en ik zou het ook niet goed vinden.(...)

Franken van Bloemendaal(officier van justitie te Amsterdam voor het IRT Noord-Holland/Utrecht tot 1 juni 1992): Er was in die tijd, dat ik met het IRT werkte, contact tussen de heer Lith en de Haarlemse CID, die contact had met een informant die veel wist. Er is in die tijd in het wekelijks contact tussen de heer Lith en mij in ieder geval aan de orde geweest, dat er een informant zou zijn die ons wilde helpen, voor ons wilde werken, maar die dan eerst één of twee transporten voor zijn eigen rekening zou mogen nemen. Als wij zouden weten, dat er een hasjzending Nederland zou binnen komen, dan zouden wij het in het oog houden of het pakken, maar het willens en wetens het milieu in laten gaan was er niet bij. Het andere, namelijk de mogelijkheid dat die mijnheer enige transporten voor eigen rekening zou nemen, zou in wezen inhouden, dat het openbaar ministerie een licentie zou verstrekken aan criminelen om hier hun gang te gaan. Dat is toen ook niet gebeurd.

Augusteijn(chef criminele inlichtingendienst van het IRT Noord-Holland/Utrecht): «Bij dat gesprek op 26 november informeerde ik Van Riessen naar de inhoud van het traject. Toen werd mij ook duidelijk dat Van Riessen dacht dat de partij drugs al op de stoep stond. Langendoen heeft hem toen de rol van de informant uitgelegd. Van Riessen wilde er toen mee stoppen. Op dat ogenblik waren Langendoen en ik ook niet erg enthousiast, maar om een heel andere reden. Wij wilden ook niet zo graag verder meer, omdat al zoveel mensen hiervan afwisten, de afscherming van Kennemerland al dermate zoek was, dat wij ons ernstig zorgen maakten over de veiligheid van de informant. Wij hadden dus een heel andere reden om te stoppen dan Van Kastel en Van Riessen. Mij viel nog op hoe Van Riessen een paar keer zei: »Als ik wil dat het stopt, dat stopt het.« Dat hij dat zomaar zei verwonderde mij. Justitie had daar toch ook een duidelijke, zelfs finale rol in? Toen wij uit elkaar gingen zou Langendoen onderzoeken of de mogelijkheid er wel was, de informant er langs de weg van de geleidelijkheid uit te halen. Daarvoor moest hij contact opnemen met zijn informant. Wij hebben helder gesteld dat er mensenlevens in gevaar waren.

Van Baarle(commissaris van politie regiopolitie Utrecht, verantwoordelijk voor het IRT Noord-Holland/Utrecht): «Het was ook duidelijk dat het in de methode om softdrugs ging, waarbij open was gelaten of er misschien ooit een moment kwam dat we daar verder in zouden gaan. Maar het besluit lag er. Ik heb daar met de procureur-generaal een paar keer over gesproken. Wij hebben een moeilijker zaak, in een veel crimineler milieu, met de procureur-generaal besproken waarbij het om harddrugs ging. Het ging om het zwaarste milieu dat wij ons kunnen voorstellen, waarin het ging om hele concrete risico's voor informanten. In dat geval ging het om een zodanige grote afstand dat aansturing op korte termijn niet mogelijk was. Voor dat geval kregen wij groen licht.

Lith(teamleider IRT Noord-Holland/Utrecht tot 1 juli 1993): Misschien mag ik afsluiten met de opmerking dat het mij echt verbaast, dat in de brief van de ministers de huidige werkmethodiek wordt gerelateerd aan een op zichzelf gelijk geval, dat door de procureur-generaal is goedgekeurd. Dat ging echter veel verder dan wat hier gebeurde. Daar ging het namelijk om coke, waarbij de heer Van Baarle en ikzelf hebben gezegd dat we daar toch heel terughoudend in moesten zijn, maar waarin wij groen licht hebben gekregen. In dat onderzoek ging het om iets dat op dat moment voor die actie in eerste aanleg gevaarlijker, ingrijpender en grensverleggender was dan in deze werkmethode. Ik vind dat men dat echt niet af kan doen met de opmerking dat het nog niet heeft plaatsgevonden en het dus niet zo erg was, want zo beschouw ik de opmerking in de brief een beetje. Het loopt allemaal nog wel door. De zaak op zich kun je niet zomaar afbouwen; de processen lopen door. Wij hadden voor dat geval (...) op 12 januari 1993 toestemming gekregen van de procureur-generaal. De week daarop heeft de heer Van der Veen, als verantwoordelijke officier van justitie, het besluit genomen om deze werkmethode toe te passen.

Langendoen(chef regionale criminele inlichtingendienst Kennemerland): De organisatie X had de beschikking over dusdanig corrumperende contacten in het korps Amsterdam, dat ieder onderzoek zou falen. Betrokken informanten waren voort niet erg bereid informatie over organisatie X te verstrekken, omdat zij voor hun leven vreesden. (....)

In totaal hebben zeven officieren van justitie, enkele hoofdofficieren en in sommige gevallen de procureur-generaal de gezette stappen in het CID-onderzoek goedgekeurd en gesteund.

Van der Veen(officier van justitie te Haarlem voor het IRT Noord-Holland/Utrecht van 1 december 1992 tot 1 juli 1993) : Ik had met de procureur-generaal een concreet, vergelijkbaar, geval besproken. Ik heb met de procureur-generaal dus niet de methode besproken. Die casus stoelde op de methode. De uitvoering van de omstreden methode was kwalitatief aanzienlijk beter dan in die casus. De mogelijkheden die wij in de omstreden methode hebben toegepast, gaven opsporingstactisch grote garanties om de informant te controleren en om de verdovende middelen tot op de gram te controleren. De methode gaf de officier veel grotere mogelijkheden om verantwoord te beslissen, dan tot dan toe gebruikelijk was. Dat was nieuw in Nederland.

Met deze citaten heeft de commissie de belangrijkste onderdelen met betrekking tot de Delta-methode uit het geheime deel weergegeven. Verder geeft het geheime deel een nog beter inzicht in de verstoorde verhoudingen tussen Amsterdam en de andere verantwoordelijken. Het is evident dat bij sommigen de mogelijke aanwijzingen over corruptie een hindernis vormden om de politie in Amsterdam volledig te vertrouwen en in te lichten. Dat zou ook een overweging geweest zijn voor de voorwaarde van informant 1 dat aan Amsterdam absoluut geen informatie kon worden doorgegeven. In de door de commissie geraadpleegde documenten van het IRT is niets van die expliciete voorwaarde van de informant terug te vinden. Twee punten die duidelijk naar voren komen in de hierboven geciteerde delen, maar niet in de aanbiedingsbrief zijn vermeld, zijn: de doorlating in het XTC-traject en het feit dat de criminele informant miljoenen heeft verdiend en dus blijkbaar zijn criminele winst kon behouden.

In het proces-verbaal van het verhoor van Van der Veen, opgemaakt door commissaris Jansen, wordt een verduidelijking gegeven van de praktische werkwijze van de politie om de distributie van drugs te organiseren. De politie is volgens Van der Veen «een onmisbare schakel in de distributieketen». De methode was volgens Van der Veen zodanig opgezet dat deze buiten de controle van de rechter zou blijven. In dit proces-verbaal komen de verdiensten van de informant niet aan de orde.1

De Kamer als geheel was in maart 1994 niet op de hoogte van deze wezenlijke elementen van de IRT-methode die inmiddels wel bekend waren bij de commissie-Wierenga, de minister van Binnenlandse Zaken Van Thijn, de minister van Justitie Hirsch Ballin, vice-premier Kok en minister-president Lubbers, en de leden van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten Brinkman, Wöltgens, Van Mierlo en Bolkestein.

Devoorzitter: Maar uw conclusies, die op een paar punten duidelijk afwijken van wat er in het publieke deel is gesteld, hadden toch voor een groot deel wel openbaar gemaakt kunnen en misschien wel moeten worden?

De heerWierenga: Wij hebben dat afgewogen. U moet de zaak toch in de tijd plaatsen. De afbouw van de informant was misschien nog niet volledig geregeld; dat weet ik niet precies meer en ik had daar uiteraard ook geen bemoeienis mee. Maar er stonden ook allerlei andere zaken op het spel waardoor wij gezegd hebben: je behoort daar als commissie uiterst terughoudend bij te zijn. Ik heb liever het verwijt dat wij te weinig gepubliceerd hebben dan dat wij te veel zouden hebben gepubliceerd en daardoor ongelukken zouden hebben veroorzaakt. Dat wilden wij niet en wij hebben ook precies in het rapport aangegeven, welke criteria wij gehanteerd hebben: verstoring van de rechtsgang of het in gevaar brengen van de veiligheid van personen.

Devoorzitter: Omdat het toch belangrijk is voor wat er verder met uw rapport gebeurd is en ook voor de politieke discussie, zou ik u nog willen vragen of het niet een boel ellende had voorkomen als u in het publieke deel veel duidelijker was geweest over wat er werkelijk aan de hand was.

De heerWierenga: Als wij de wetenschap hadden gehad dat wij daarmee problemen – u gebruikt het woord «ellende» – hadden kunnen voorkomen zonder negatieve effecten, dan zeg ik daar natuurlijk «ja» op. Maar wij hebben een bepaalde keuze gemaakt en anderen zouden uiteraard een andere keuze hebben kunnen maken. Als er verschillende mensen over oordelen, volgen er ook verschillende besluiten. Wij hebben mensen gehoord die bereid waren om dingen te vertellen die op geen enkele voorwaarde in het openbare deel terecht zouden mogen komen. Dat hebben wij afgewogen, maar er zou dan weer een hele ronde nodig zijn geweest om die mensen te raadplegen, omdat de uitspraken te herleiden zouden zijn geweest naar de heer Van Capelle, de heer Augusteijn of wie dan ook.2

3.5.3 Debatten Tweede Kamer

Ambtsberichten

Ter voorbereiding op het debat met de Kamer over het rapport van de commissie-Wierenga ontving minister van Justitie Hirsch Ballin van verschillende kanten informatie. Officier van justitie Van der Veen is een keer bij de minister op bezoek geweest om nadere toelichting te geven. Hoofdofficier van justitie Vrakking stuurde op 20 maart een ambtsbericht aan de minister. Officier van justitie Van Capelle stuurde twee verschillende ambtsberichten. In eerste aanleg suggereerde hij dat alle drugs zouden zijn gepakt, maar naar aanleiding van perspublicaties kwam hij hier weer op terug. In het eerste ambtsbericht stelde Van Capelle dat zodra de veiligheid van de informant dat toeliet, de partijen softdrugs aan andere politiefunctionarissen werden weggetipt. In het tweede ambtsbericht moest Van Capelle erkennen dat «zodra» gelezen moest worden als «indien» en dat grote hoeveelheden softdrugs in het milieu waren verdwenen.

Inmiddels was Hirsch Ballin gaan twijfelen of de methode nu wel terecht gestopt was, zoals hij eerder had geconcludeerd na de eerste meldingen vanuit Amsterdam. Tijdens de verhoren bleek dat de minister van Justitie al in december 1993 werd ingelicht dat in Rotterdam en Den Haag ook verdovende middelen werden doorgelaten.

Devoorzitter: (...) Hoe komt het dat er ook daarna niemand geweest is, voorzover wij kunnen nagaan, op het departement of uzelf die gezegd heeft «wat ik nu gehoord heb, daar flapperen mijn oren van af en, jongens, is dat overal gestopt?»? Afgezien van alle commissies, alle officiële clubs, alle PG's. Het idee is: het wordt allemaal doorgeschoven. Heeft u nu gezegd bij alle sores die u toen had «jongens, wat is dit nou, is dit nou afgelopen, gebeurt het elders nog?»?

De heerHirsch Ballin: Ik heb, toen dit bericht zo kwam, geconcludeerd met de hoofdofficier van justitie in Amsterdam en de procureur-generaal, dat dit niet kan en dat het moet worden gestopt. Dat gaf dus ook geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het openbaar ministerie, de procureurs-generaal bij buitenissigheden, toen door hen beschreven als het runnen van een drugslijn en het voorbereiden van de invoer van zeer omvangrijke partijen cocaïne, niet hun rol vervulden, daar negatief op reageerden.

Vervolgens kwamen er in december 1993 enige aanwijzingen dat daar wellicht door anderen anders over werd geoordeeld. Maar op dat moment...

Devoorzitter: Wie waren die anderen?

De heerHirsch Ballin: Dat was tweeërlei: officieren van justitie die ook betrokken waren bij de presentatie, in een besloten overleg, aan de Tweede Kamer van de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit hadden vernomen van het stoppen van het werk van het IRT en op dat moment ook al het ontbinden van het IRT.

Devoorzitter: Dat was een persbericht; dat had in de krant gestaan.

De heerHirsch Ballin: Precies.

Devoorzitter: Welke officier was dat?

De heerHirsch Ballin: Er waren toen enkele officieren van justitie. Ik noem de heer De Groot, die ook gehoord is door uw commissie, en...

Devoorzitter: Er zijn er twee.

De heerHirsch Ballin: En de heer Van Eck.

Devoorzitter: Welke mijnheer De Groot?

De heerHirsch Ballin: Rolf de Groot, om de voornaam er maar bij te geven.

Devoorzitter: De man uit Rotterdam?

De heerHirsch Ballin: Ja. Er zijn twee officieren van justitie met dezelfde naam. Mijn identificatie was niet geheel duidelijk.

Devoorzitter: Die zei: nou, dat gaat wel ver als je er helemaal mee stopt. Maar heeft u nu zelf gevraagd: jongens, is dit nou gestopt, gebeurt dit nog, hoe zit dat?

De heerHirsch Ballin: Er was op dat moment een onduidelijkheid en zelfs een onbespreekbaarheid wat het precies was.

Devoorzitter: Onbespreekbaar wat het was?

De heerHirsch Ballin: Ik zal u dat toelichten: wat er precies was gestopt. Het was dus ook onmogelijk, na te gaan of dat waarvan die officieren van justitie dachten dat het vergelijkbaar was met wat zij deden, er inderdaad mee vergelijkbaar was.

Devoorzitter: Heeft de heer De Groot uit Rotterdam u toen gezegd dat hij er zelf ook, zij het op een andere manier, toe overgegaan was of ging?

De heerHirsch Ballin: Het was een terloops gesprek van de strekking: als dit niet kan, zijn er ook dingen bij ons die niet zouden kunnen. Dat was de strekking van...

Devoorzitter: Dat heeft hij u toen gezegd?

De heerHirsch Ballin: ...dat gesprek. Dat was voor mij, naast de informatie die ik in dezelfde maand kreeg, dat er een verschil van inzicht was binnen het ressort Amsterdam...

Devoorzitter: tussen...

De heerHirsch Ballin: ...over de vraag of er terecht gebroken was met de toepassing van de methode, kennis, op grond waarvan ik toen en nu voor juist houd de conclusie: als er deze onzekerheid is over wat een methode inhoudt en of die toelaatbaar is, dan moet daar een krachtige, centrale toetsende voorziening voor...

Devoorzitter: Maar mijnheer Hirsch Ballin, dat is interessant. Toen mijnheer De Groot uit Rotterdam u vertelde «dan kan ik niet meer verder gaan» dan vraagt u hem toch terzijde, vertrouwelijk blijkbaar in de Tweede Kamer: wat doe je dan, wat is dat dan?

De heerHirsch Ballin: Hij zei niet: ik kan hier niet mee verder gaan. Hij...

Devoorzitter: Maar de puzzel past nu. Want zoals u weet, neemt de heer De Groot eind 1993 een informant, althans informatie over uit Haarlem, die dan nog door Haarlem gerund wordt met een vergelijkbare methode. Dan vraagt u toch na alle commotie: maar wat is dat dan?

De heerHirsch Ballin: Mijnheer de voorzitter, ik heb in november en december een melding gekregen van het openbaar ministerie in Amsterdam waarbij mij uitdrukkelijk op het hart is gebonden: bespreek alsjeblieft geen enkel detail uit deze melding, want dat leidt tot een blootstelling van de informant aan ontmaskering en aan represailles. Ik kreeg een vage en niet gespecificeerde aanwijzing, waarvan ik op dat moment niet kon nagaan waarop die precies betrekking had.

Devoorzitter: U kunt dat toch vragen? U bent toch als minister van Justitie de figuur die aan officieren van justitie kan vragen: wat is hier aan de hand?

De heerHirsch Ballin: Er was op dat moment geen enkele gelegenheid toe. De vervolgvraag is dan uiteraard: maar is het dan op een ander moment anders? Ik neem aan dat ik dit ook heb besproken met degenen die mij daarin terzijde stonden op het departement.

Devoorzitter: Met wie?

De heerHirsch Ballin: Uiteraard de secretaris-generaal en de directeur-generaal politie en criminaliteitsbestrijding, maar ik heb daar geen specifieke informatie over. Ik had de gewoonte om alle relevante punten die mij ook wel eens in gesprekken en marge ter ore kwamen, te bespreken. Wij hebben toen zeer snel, ook wetend van het verschil van inzicht of het geoorloofd of niet geoorloofd te achten was wat er in Amsterdam gebeurde, de conclusie getrokken: wij moeten een voorziening treffen om dat te toetsen. Dat is aan de orde geweest in de vergadering van procureurs-generaal. Daar waren dus alle procureurs-generaal van op de hoogte.

Devoorzitter: U geeft ons nu nieuwe informatie. Volgens het synthetisch verslag heeft u in de vergadering van 9 december gezegd: kennelijk hebben mensen uit dat team onorthodoxe wegen bewandeld; wel staat vast dat een en ander gebeurt met inachtneming van de eisen van de rechtsstaat. Dat zei u toen. Op 26 januari 1994 schrijft u: de directe aanleiding is het uit de hand lopen van een op zichzelf geoorloofde opsporingsmethode. Wat u ons nu vertelt, is dat de heer De Groot uit Rotterdam dus blijkbaar uw opinie over of het nu wel of niet kon, deed veranderen, zonder dat u hem vroeg wat er dan precies aan de hand was.

De heerHirsch Ballin: Hij deed mijn opinie niet veranderen, maar hij zaaide wel twijfel.1

Brief Sorgdrager

Tijdens het openbare verhoor verklaarde Hirsch Ballin dat hij voor het debat in de Kamer op 7 april 1994 met verschillende procureurs-generaal over de zaak had gesproken. Dat waren Van Randwijck en Gonsalves. Op 30 maart 1994 ontving hij een fax van de toenmalige procureur-generaal te Den Haag, Sorgdrager.

Devoorzitter: In het vorige verhoor werden wij bekend met het bestaan van een brief die u op 30 maart heeft geschreven aan de heer Hirsch Ballin. Wij hebben van hem een afschrift van die brief gekregen. In die brief gaat u nader op de IRT-affaire in. De heer Hirsch Ballin zei in feite dat het van uw kant een brief was om toch niet afkeurend over de methode te oordelen. Ziet u dat ook zo? Ik kan hem wel voorlezen als u dat goed vindt.

MevrouwSorgdrager: Ik heb dat in die brief geschreven. Dat is ook zo. Wij moeten dan even een goed onderscheid maken tussen het concept van de methode, hoe die is opgezet in haar zuivere vorm, en de uiteindelijke uitvoering. Wij wisten toen nog niet zozeer hoe die uitvoering uit de hand was gelopen. Wij weten daar nu natuurlijk nog veel meer van. Het idee van de methode, zoals die is bedacht, is een idee dat op zichzelf niet onaanvaardbaar is, althans niet hoeft te zijn.2

De commissie constateert dat voorzitter Wierenga de toenmalig procureur-generaal Sorgdrager voor 30 maart 1994 informeerde over de resultaten van de commissie-Wierenga.1 Zij informeerde minister Hirsch Ballin over wat Wierenga haar had verteld.2

MevrouwSorgdrager: Wat ik heb gehoord uit mijn bron, heb ik voor mijn toenmalige minister opgeschreven. Ik vond dat hij dat moest weten.3

Sorgdrager wist niet van het bestaan van de geheime aanbiedingsbrief, die minister van Justitie Hirsch Ballin wel had gezien.

Commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten

De commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten werd op 25 januari 1994 over de opheffing van het IRT ingelicht door de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. De vier fractievoorzitters werden op hoofdlijnen ingelicht over de reden van de opheffing. Zij besloten zich niet verder inhoudelijk met deze zaak bezig te houden en het rapport van de te vormen commissie en het daarop volgende debat in de Kamer af te wachten.

De heerRabbae: Wat hebt u in dat gesprek precies vernomen van beide ministers over de Delta-methode?

De heerBrinkman: Ook hier is het niet aan mij om geheime informatie naar buiten te brengen, maar ik zal het globaal melden. De ministers, in het bijzonder de minister van Justitie, meldden dat er toestanden waren in een deel van het land, in het bijzonder in de streek van Amsterdam, Haarlem en Utrecht. Die toestanden kwamen erop neer dat er invoer van harddrugs dreigde. Daarbij werd een omvang genoemd en welke bedragen daarbij in het geding waren.

Devoorzitter: Welke omvang werd toen genoemd?

De heerBrinkman: Wij hebben het precies gehoord in de commissie, laat ik het zo zeggen.

Devoorzitter: U kunt dat wel met ons uitwisselen, gezien het feit dat velen voor u deze gegevens hier hebben gemeld.

De heerBrinkman: Dat is op zichzelf nog geen sluitend argument voor mij om die geheimhouding te doorbreken. De minister van Justitie heeft gezegd: er dreigt invoer van enkele duizenden kilo's cocaïne, met een waarde van enkele tientallen miljoenen guldens. Gelet op het feit dat het om cocaïne dreigde te gaan, en gelet op het feit dat het weliswaar oogde als een vervolg op eerdere gecontroleerde of ogenschijnlijk gecontroleerde invoer van softdrugs, had de minister van Justitie de indruk dat het niet zo werkte. De ogenschijnlijk gecontroleerde invoer van softdrugs bleek niet zo gecontroleerd te zijn. Hij vond dus dat die methodiek nader onder de loep moest worden genomen.

Bovendien waren er dusdanige competentiegeschillen gerezen in het desbetreffende ressort dat de minister van Justitie vond dat het niet langer zo voort kon gaan. Hij vond dat er een onderzoek moest worden ingesteld en hij had daartoe een aantal maatregelen genomen.

De commissie heeft toen indringend naar details gevraagd over de methodiek en over datgene wat fout leek te lopen, en die ook gekregen. Zij heeft indringend gevraagd of de minister er zeker van kon zijn dat die harddrugs niet op de markt zouden zijn gekomen. Dat is toen bevestigd.

Devoorzitter: Welke andere details hebt u gehoord over de methode tot dan toe?

De heerBrinkman: Er werd een informant gebruikt om zo dicht mogelijk bij een met naam en toenaam genoemde misdaadorganisatie te komen.

Devoorzitter: Is toen ook gemeld hoeveel die informant daarmee verdiend zou hebben?

De heerBrinkman: Niet in die bespreking.

Devoorzitter: Is daarbij gemeld hoeveel kilo's er al ongeveer doorgelaten zouden zijn?

De heerBrinkman: Nee. Door de commissie is toen gevraagd naar de voorgeschiedenis, met praktische getallen. Er is gesproken over vele duizenden kilo's met een straatwaarde van vele miljoenen guldens. Vervolgens werd meegedeeld dat een commissie die zaak verder zou uitzoeken. Dat is later de commissie-Wierenga geworden. In het rapport dat uw commissie formeel niet ter beschikking staat, is daarover meer in detail mededeling gedaan, zowel in de verhoren als in de begeleidende stukken van de commissie-Wierenga.1

Op 25 maart 1994 kreeg de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten vertrouwelijk vijf exemplaren van de geheime bijlage bij de rapportage van de commissie-Wierenga.2

De heerVan der Burg: (...) Ik was ongelukkig met de procedure. Ik vond het onjuist dat dit rapport in handen werd gesteld van de BVD-commissie. Het had de vaste commissie voor Justitie moeten zijn. Naar mijn waarneming hebben de toenmalige voorzitter en ondervoorzitter daar niet op aangedrongen.

Devoorzitter: Eerder heeft de commissie voor Politie gevraagd om vertrouwelijke toezending.

De heerVan der Burg: Vanwege het strafvorderlijke element...

Devoorzitter: ...had de commissie voor Justitie in de rede gelegen. Maar dat is niet gebeurd. U dacht dus dat er meer aan de hand was. Zeg ik het zo goed?

De heerVan der Burg: In ieder geval meer dan een gezagscrisis alleen. (...)

De heerVan der Burg: Naar mijn mening had een weg gevonden moeten worden om de vaste commissie voor Justitie vertrouwelijk in te lichten, zodat daar over de methode, voorzover mogelijk vertrouwelijk en later in het openbaar, kon worden gedebatteerd. Dan zou er volgens mij nooit een commissie-Van Traa zijn geweest. In het begin is de fout gemaakt te snel in de gang van de BVD te zoeken naar een oplossing.3

De commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft niet meer gesproken met de betrokken ministers over de inhoud van de geheime bijlage. Er is ook geen formele vergadering van de commissie over belegd.

Devoorzitter: Ik kom nog even terug op 25 maart. Er kwamen toen vijf pakketten, maar daar werd helemaal niet over vergaderd.

De heerBrinkman: Er is in die tijd gesproken, maar u moet zich herinneren dat het een wat hectische tijd was, met verkiezingen.

Devoorzitter: Het was toch belangrijk genoeg om een uur uit te trekken om daarover te vergaderen? Maar dat is niet gebeurd.

De heerBrinkman: Jawel.

Devoorzitter: Wanneer dan?

De heerBrinkman: Er is een bespreking geweest, heel kort nadat het rapport er was.

Devoorzitter: Dat is nergens terug te vinden.(...)

De heerBrinkman: Wij hebben een bespreking gehad, waarbij ik niet uitsluit dat een van de leden op het laatste moment verhinderd was, maar dan moet ik in mijn geheugen graven. Het kan zijn dat collega Wöltgens op het laatste moment verhinderd was. Dat sluit ik niet uit. Ik zei al dat het een hectische tijd was.

Devoorzitter: Wij proberen het te reconstrueren. Op 14 april is er wel een bijeenkomst geweest, maar die ging over de zaak Wilman.

De heerBrinkman: Ja, maar er zijn tussendoor...

Devoorzitter: Tussendoor is niets terug te vinden dat wijst op enig samenzijn van de vier leden van de commissie voor dit doel in enige ruimte.

De heerBrinkman: Ik zeg al: niet in de officiële zin van een commissievergadering met een griffier, maar over dit onderwerp is wel degelijk een- en andermaal gesproken.4

Tijdens de verhoren kwam aan de orde in hoeverre de leden van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten daadwerkelijk kennis hebben genomen van het gehele geheime deel. Het is moeilijk na te gaan of de fractievoorzitters voldoende op de hoogte zijn geraakt van alle belangrijke punten in het geheime deel.

Devoorzitter: U kreeg die geheime bijlage op 25 maart. Wie heeft die toen gelezen?

De heerBrinkman: De leden van de commissie.

Devoorzitter: Weet u dat zeker?

De heerBrinkman: Ja, ik herinner mij dat zij dat hebben bevestigd, zowel in de bespreking die wij hebben gehad, als in de onderlinge contacten die wij regelmatig hadden.1

Devoorzitter: Heeft de heer Bolkestein u ooit iets gezegd over dat geheime deel?

De heerDijkstal: Nooit.

Devoorzitter: Heeft hij dat geheime deel gelezen?

De heerDijkstal: Dat weet ik niet.

Devoorzitter: Er is geen vergadering meer geweest, zo hebben wij kunnen vaststellen, van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten nadat het geheime deel was gedeponeerd door Binnenlandse Zaken.

De heerDijkstal: Dat weet ik niet. Ik denk van wel, maar hij heeft mij er niets over meegedeeld. Ik heb hem er ook niets over gevraagd.2

Devoorzitter: Ik wil u nog een vraag stellen over de heer Wöltgens als lid van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Had hij volgens u het geheime deel gelezen?

De heerStoffelen: Ik had daar twijfels over.

Devoorzitter: Heeft hij u enige informatie gegeven? Gaf u hem de informatie?

De heerStoffelen: Nee, niets.

Devoorzitter: Volgens u wist hij minder dan u?

De heerStoffelen: Die indruk had ik, al dan niet gerechtvaardigd.3

De heerVan Thijn: Ik ben er niet zeker van dat zij alle vier het rapport hebben gelezen.4

De commissie heeft na de verhoren de toenmalige vice-premier Kok en premier Lubbers en de erbij betrokken fractievoorzitters, Bolkestein, Van Mierlo en Wöltgens schriftelijk gevraagd nadere informatie te verstrekken. Met Kok en Lubbers heeft de commissie een gesprek gevoerd.

Alle fractievoorzitters verklaren de stukken gelezen te hebben (Van Mierlo en Wöltgens) dan wel er kennis van genomen te hebben (Bolkestein). Van Mierlo en Bolkestein herinneren zich niet dat er over het geheimhouden van de bedoelde bijlage overleg is gevoerd met het kabinet. Bolkestein kan zich overleg herinneren «en marge» van andere bijeenkomsten over de inhoud van het geheime deel. Van Mierlo en Wöltgens herinneren zich dat niet.

Het besluit om verder geen actie te ondernemen en het geheime deel geheim te laten is niet expliciet genomen. Bolkestein voegt daaraan toe dat «geheimhouding immers wordt verondersteld. Bovendien kon de commissie niet eenzijdig een classificatie wijzigen of opheffen. Een verder gevolg zou worden gegeven in een plenair debat en niet in de commissie.» Volgens Van Mierlo en Wöltgens heeft de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten geen oordeel gegeven over de detamethode. Bolkestein meent dat de commissie Inlichtingen- en veiligheidsdiensten de opvatting van de minister van Justitie deelde dat «een op handen zijnde levering van 2.000 kilo, zonder de noodzakelijke waarborgen, niet aanvaardbaar was.»5

Lubbers maakte in zijn gesprek met de commissie de volgende punten duidelijk. Bij hem was het springende punt in het geheime deel de beschijving van de menselijke spanningen die een rol speelden bij de opheffing van het IRT. Hem is minder opgevallen dat het ging om het doorlaten van 45 ton softdrugs. Met Wierenga besprak hij op 24 maart 1994 de mogelijkheid om een gedeelte van het geheime deel alsnog openbaar te maken.

Daar werd na advies van de toenmalige secretarissen-generaal op Algemene Zaken, Justitie en Binnenlandse Zaken, respectievelijk Hoekstra, Van Dinter en Van Aartsen, door de vier betrokken ministers van af gezien.

De beslissing om het geheime deel slechts aan de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten ter beschikking te stellen is genomen op twee gronden. De vier fractievoorzitters van de grootste partijen waren derhalve op de hoogte en de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten houdt geheime zaken geheim. Er is niet overwogen de vaste commissie voor Justitie in te lichten.

Het geheime deel zelf is niet aan de ministerraad voorgelegd. Wel is in de ministerraad de concept-brief met de eerste reactie op het rapport-Wierenga aan de orde geweest.

Ten aanzien van het debat op 7 april onderstreepte Lubbers de politieke situatie waarin het plaats vond. Men zat in een redelijk vergiftigde situatie.1

Kok deelde de commissie mee dat het politieke klimaat een grote rol speelde bij de afwikkeling van het rapport van de commissie-Wierenga. Alles gebeurde fragmentarisch, zes weken voor de Tweede Kamerverkiezingen. Ook bij Kok is het geen punt van discussie geweest dat de geheime bijlage geheim moest worden gehouden.

Drie afwegingen speelden daarbij een rol. Het geheime deel bevatte operationele gegevens. De toezegging van de commissie-Wierenga om geheimhouding te bewaren, waar het woord voor gegeven was, moest bekennen dat de verkregen inlichtingen als geheim zouden worden gehanteerd. Door de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten in te schakelen was de geheimhouding verzekerd en konden toch de fractievoorzitters geïnformeerd worden. Een formele afweging of dit wel een zaak voor de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten was, is niet aan de orde geweest.

Ook Kok is destijds niet werkelijk opgevallen dat 45 ton softdrugs niet in beslaggenomen waren. Meer viel hem op dat er geen sprake was van cocaïne. Kok staat niet bij dat Van Thijn geen gehoor vond om de methode met Lubbers en hem te bespreken. Wel heeft Van Thijn – bijvoorbeeld in de derde week van maart – veel naar voren gebracht waarvan Kok en Lubbers, wat betreft de methode, kennelijk nog onvoldoende wisten.2

Uit de gesprekken met beiden concludeert de commissie dat de aanbiedingsbrief van de commissie Wierenga niet uitdrukkelijk is besproken door de vier betrokken ministers.

Kamerdebatten en functioneringsgesprekken

De kamerdebatten van 7 april en 25 mei 1994 stonden vooral in het teken van de opheffing van het IRT en van de organisatorische oorzaken die daarvoor door de commissie-Wierenga waren aangewezen.3 Mede omdat de inhoud van de methode grotendeels vertrouwelijk bleef, was het voor de Kamer niet mogelijk tot een goed oordeel te komen over de gebruikte methode.

De heerKoekkoek: In het kamerdebat van 7 april doet u daar toch belangrijke uitspraken over. U aanvaardt dat de vaste commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten het geheime deel van de commissie-Wierenga ontvangt. Dan doet u de uitspraak: als de fractievoorzitters vinden dat de Kamer de verkeerde kant op koerst, zullen zij daartegen zeker iets doen. Nu lag gisteren de vraag op tafel – vandaag stel ik ook u deze vraag – of de Kamer niet eigenlijk de verkeerde kant op koerste, doordat zij te weinig wist over de methode.

De heerDijkstal: Dat weet ik niet. Op dat moment was dat deel van het rapport geheim. Dus de discussie over de vraag wat nu precies de methode was, hoeveel kilo's waarvan waren, en al dat soort dingen meer, kon in de Kamer in het openbaar niet gevoerd worden. Het was de Kamer ook bekend dat de informatie daarover aan de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten werd gegeven. Daar hield het dan een beetje op. De enige vraag die dan nog interessant is, is wat de vier fractievoorzitters met de informatie doen. Zij kunnen er niet veel mee doen, want zij kunnen er geen melding van maken naar buiten toe. Niet naar buiten toe betekent ook: niet in de fractievergadering. Dat is ook niet gebeurd, althans in het geval van mijn fractievoorzitter. De enige mogelijkheid die je dan nog kunt bedenken, is dat een fractievoorzitter, kennis genomen hebbend van het geheime deel, in de fractievergadering tegen mij zou hebben gezegd: luister eens, jullie hebben nu in de fractie een lijn die die of die kant op gaat. Ik kan je geen mededeling doen, maar dit kan niet.1

Devoorzitter: Bent u op het verkeerde been gezet?

De heerVan der Burg: Ik ben in ieder geval niet adequaat genoeg geïnformeerd om een oordeel te kunnen vormen.2

Devoorzitter: Beschikte u toen, als kamerlid, over het maximum aan informatie om een goed oordeel te kunnen vellen?

De heerWolffensperger: Over de opsporingsmethode evident niet, voor het politieke oordeel -dat overigens nog een zeer genuanceerd oordeel was, maar u weet hoe het gelopen is – wèl. De Kamer heeft zich natuurlijk gebaseerd op het rapport van de commissie-Wierenga en het standpunt van het kabinet daarover. Dat is het aanknopingspunt geweest voor de drie plenaire debatten die zijn gevoerd. De opsporingsmethode daarbij is vrij marginaal geweest.3

De heerVan Thijn: Ik vind het onbegrijpelijk dat de Kamer niet heeft gedebatteerd over de kern van de zaak. Men heeft een onderscheid gemaakt – en daarom zit u nu hier – tussen het functioneren van allerlei personen in deze zaak en de beoordeling van de opsporingsmethode. Men heeft gezegd: dat doen wij in een later stadium. Daar is een aparte motie over aangenomen. Ik heb nooit begrepen hoe je nu functioneringsgesprekken kunt voeren en tegen personen kunt zeggen «jij hebt dit fout gedaan en jij hebt dat fout gedaan», als er geen oordeel is over de opsporingsmethode. Ik had verwacht en gehoopt dat de fractievoorzitters, die in die commissie zaten en die toch de regie voeren in een parlementair debat – dat was tenminste tot voor kort gebruikelijk...4

Devoorzitter: Het gaat erom dat de relevante informatie op dat moment aan de Kamer onthouden was.

De heerKorthals: Als er op dat moment gezegd was dat er van die opsporingsmethode gebruik gemaakt werd, had de Kamer inderdaad onmiddellijk kunnen zeggen dat het niet kon of juist wel. In dit geval staat het voor mij vast dat het niet had gekund.

De heerKoekkoek: De Kamer heeft er toen, op 7 april 1994, genoegen mee genomen dat de informatie niet werd gegeven.

De heerKorthals: Ja. Je moet wel onderscheid maken. Voor de politieke gevolgen maakt het voor ons geen verschil. Het was misschien inderdaad wel beter geweest dat wij die informatie wel gekregen hadden.5

Klaarblijkelijk kende het PvdA-kamerlid Stoffelen meer bijzonderheden van de methode. Andere kamerleden gaven geen blijk van deze kennis of zeiden over andere informatie te beschikken. Dit was het geval bij de woordvoerder van D66, Kohnstamm.

De Graaf: Het is opmerkelijk dat u in dat debat op 7 april 1994 heel specifieke cijfers noemt. U spreekt over duizenden kilo's weed en over de hoeveelheid geld die gemoeid was met de omzet. U noemt 40 ton weed die zou zijn doorgelaten. Daarvan zou slechts 4 ton zijn gepakt. U spreekt over een bepaalde straatwaarde. Uit dat debat blijkt dat andere woordvoerders die informatie niet hadden en zich afvroegen of uw informatie wel klopte. Zij hadden wellicht andere informatie. Hoe kwam u aan die informatie?

De heerStoffelen: Via precies dezelfde methode. Ik belde net zolang...

De heerDe Graaf: Ik begrijp dat u mensen hebt gesproken. Waar kwam die informatie vandaan?

De heerStoffelen: Ik kreeg die informatie van iemand die bij de politie werkzaam was.

De heerDe Graaf: Dat mag ik aannemen.

Devoorzitter: Dat zijn er 40 000 in Nederland. Mogen wij u even helpen? Kwam die informatie uit Amsterdam?

De heerStoffelen: Zeker.

De heerDe Graaf: De informatie kwam uit Amsterdam. Het betrof een van de mensen die betrokken was bij de opheffing van het IRT?

De heerStoffelen: Het betrof iemand die ter zake zeer deskundig is. Ja.

De heerDe Graaf: Het is op zichzelf zeer opmerkelijk dat gegevens die grosso modo overeenkomen met hetgeen u noemde tijdens dat debat in het geheime deel van het rapport-Wierenga stonden dat de woordvoerders absoluut niet mochten zien, terwijl u kennelijk vrij gemakkelijk aan die informatie kwam uit het Amsterdamse korps.

De heerStoffelen: Wat mij tot de dag van vandaag buitengewoon irriteert, is dat de Kamer zelfs geen flauw benul heeft van wat er in het geheime deel staat. Iedere vergelijking is mogelijk. Het zal best. U kent dat geheime deel. Ik niet.

Devoorzitter: Was het een Amsterdamse commissaris?

De heerStoffelen: Ja.

Devoorzitter: Het was dus de commissaris die direct verantwoordelijk was, de heer Van Riessen?

De heerStoffelen: Ja.1

Devoorzitter: U heeft blijkbaar ook niet de aandrang gevoeld in het debat om aan één van de ministers te vragen: is dat juist van die 40 000 kilo?

De heerDijkstal: Nee, die aandrang heb ik niet gehad.

Devoorzitter: Nee, want u heeft dat niet gedaan.

De heerDijkstal: Dat is juist.

Devoorzitter: Waarom heeft op dat punt eigenlijk niemand doorgevraagd?

De heerDijkstal: Volgens mij omdat de regering ons had meegedeeld dat er om bepaalde redenen informatie in een geheim rapport stond. Dat geheime rapport was door de regering aan de Kamer overgelegd, zij het in die specifieke vorm.2

Na informele consultatie tijdens het debat van 7 april 1994 met de andere leden van de commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten verwoordde de voorzitter Brinkman het oordeel dat de geheime stukken geen reden vormden tot twijfel aan de inhoud van de brief van de commissie-Wierenga van 5 april 1994.3 In de verhoren verwoordde Brinkman het oordeel aldus: «datgene wat in de geheime bijlage stond, dekt datgene wat het kabinet in de openbare stukken had gezegd.»4

Het debat op 7 april ging in de eerste plaats over de verantwoordelijkheid van beide ministers voor de beheersmatige en bestuurlijke moeilijkheden die aan het licht waren gekomen door het rapport van de commissie-Wierenga. Een motie van afkeuring terzake, ingediend door de oppositie, werd verworpen. Een motie Dijkstal c.s. die oorspronkelijk bedoeld was om specifiek parlementair onderzoek in te stellen naar de IRT-methode, werd omgebogen in de richting van een algemeen parlementair onderzoek naar de opsporingsmethoden, opdat de regeringsfracties daar ook voor zouden stemmen. Die aldus geformuleerde motie Dijkstal c.s. vormde de aanleiding voor de instelling van de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden. Uitkomst van het debat was dat de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie functioneringsgesprekken zouden houden met de meest betrokken politie- en justitiefunctionarissen.

Onvrede over de uitkomst van die functioneringsgesprekken en de verhouding tussen de ministers waren een belangrijke reden voor de meerderheid van de Kamer om in het debat van 25 mei 1994 een motie aan te nemen, die leidde tot het vertrek van de toen demissionaire ministers Hirsch Ballin en Van Thijn.

Het rapport van de commissie-Wierenga en de uitkomst van het kamerdebat op 7 april 1994 hebben tot de volgende ontwikkelingen geleid.

De betrokkenen in Amsterdam, zoals Vrakking, Nordholt en Van Riessen werden gestaafd in hun opvatting dat hun werkelijke motieven volstrekt verkeerd begrepen waren. In de verhoren ging de Amsterdamse commissaris Welten zelfs zo ver om te spreken van een affaire Wierenga. De samenwerking met andere politiekorpsen en binnen het OM in het ressort Amsterdam werd niet hersteld. Procureur-generaal Van Randwijck zag geen reden meer, zo bleek uit de verhoren, de IRT-affaire nader te evalueren binnen het Amsterdamse ressort of expliciet aan de orde te stellen in de Vergadering van procureurs-generaal.

De andere hoofdrolspelers in Haarlem en Utrecht voelden zich gesterkt in de opvatting dat de methode rechtmatig was. Noch de commissie-Wierenga, noch het kabinet, noch de Tweede Kamer had zich expliciet uitgesproken tegen deze methode. Integendeel, de toepassing van de methode was door de commissie-Wierenga verantwoord en niet onrechtmatig geacht, mede gezien het doel een belangrijke criminele organisatie in Nederland uit te schakelen. Men kon de energie richten op het nieuwe IRT: het kernteam Randstad Noord en Midden.

3.6 Kennemerland

Bij het IRT en het verdere vervolg van de Delta-methode speelde de CID van de politieregio Kennemerland een belangrijke rol. Onder verantwoordelijkheid van de CID Kennemerland blijkt de methode ook na de ophefffing van het IRT te zijn toegepast. In het onderzoek van de commissie zijn nieuwe feiten naar voren gekomen die een ander licht werpen op de door het IRT toegepaste Delta-methode.

3.6.1 Afbouw trajecten informanten

Na de opheffing van het IRT werd besloten enkele informanten formeel af te bouwen, dat wil zeggen niet meer van hun diensten gebruik te maken. De politie in Haarlem was van mening dat de informanten daadwerkelijk het risico liepen geliquideerd te worden. Langendoen stelde dat dit het geval was. Langendoen en Van Vondel brachten vervolgens een bezoek aan de informant in een ver buitenland. Ten behoeve van de afbouw van informant 1 werd Van Vondel, die inmiddels een particulier recherchebureau was begonnen, weer in dienst van de politie Kennemerland genomen.

Devoorzitter: Op 1 februari 1994 gaat u weg, maar u blijft daarna betrokken bij het runnen van informanten.

De heerVan Vondel: Ja.

Devoorzitter: Hoe kan dat? U bent niet meer in politiedienst, maar blijft toch informanten runnen.

De heerVan Vondel: Op een gegeven moment ben ik bij de politie weggegaan. Op uitdrukkelijk verzoek van mijnheer Straver van het regiokorps Kennemerland ben ik toen teruggekomen. Door publikaties in de pers waren heel veel mensen zodanig in problemen gekomen, dat zij ondersteuning nodig hadden. Mijnheer Straver heeft mij toen gevraagd om terug te komen.1

Ten behoeve van de informanten 1 en 2 werden specifieke maatregelen getroffen.

Informant 1: 6.000 kilo

Informant 1 moest naar het oordeel van de politie van Kennemerland worden afgebouwd. Er was echter nog een partij van 6.000 kilo softdrugs onderweg. Indien deze partij van 6.000 kilo in beslag zou worden genomen, zou de identiteit van de informant bekend worden, aldus Langendoen. De verwachting was dat de informant vervolgens geliquideerd zou worden.

De heerDe Beaufort: (...) Wat was er nou aan de hand? Er was een oude IRT-informant die – ik praat uit mijn hoofd en daarom is het mogelijk dat ik me hierbij vergis – was benaderd vanuit de criminele wereld en er moet iets gezegd zijn in de volgende trant: luister eens, wij hadden nog een afspraak dat jij 6.000 kilo voor ons zou doorleveren en ons daarbij zou assisteren; als je dat niet doet, zwaait er wat voor je. «Zwaait er wat voor je» is voorzichtig uitgedrukt. Dat er iets zwaaide voor die informant was manifest duidelijk. Iedereen in Haarlem kon begrijpen dat dat een realiteit was, tenzij er hier van een verschrikkelijk complot sprake was, waardoor wij allemaal op het verkeerde been werden gezet. Dat er dreigingen waren aan het adres van die informant, was op het eerste gezicht evident.1

De politie in Kennemerland, het OM in Haarlem en de procureur-generaal in het ressort Amsterdam gingen in de zomer van 1994 akkoord met het doorlaten van 6.000 kilo softdrugs. Onder regie van politie en justitie is daardoor 6.000 kilo softdrugs op de markt terecht gekomen.

Devoorzitter: Voelde u zich toen ook voor het blok gesteld?

De heerStraver: Het was verrassend dat het zo lang duurde. Kijk, die pijplijn kon op ieder moment worden afgestopt. De heer Lith heeft dat ook heel goed aangegeven. Als de criminele organisatie weer een partij in het buitenland wilde bestellen en daarbij de medewerking van de informant nodig had, dan werd dat besproken. Maar als door het OM het sein eenmaal op groen was gezet voor de levering van een partij, dan moest die wel uit de pijplijn komen. Dat was al voorzien in november 1993.

Devoorzitter: Maar het is toch eigenlijk niet meer terug te vinden waar het OM precies toestemming voor gegeven heeft? Dat geldt ook voor die laatste partij, die afbouwpartij. De heer De Beaufort zei hier: ik voelde mij voor het blok gesteld, het was een zaak van leven en dood, de korpsleiding vroeg het mij.

De heerStraver: Ja, dat klopt.

Devoorzitter: Voelde u zich dan niet voor het blok gesteld?

De heerStraver: Ja, ik voelde mij ook voor het blok gesteld. Kijk, mijnheer Van Traa, u moet dat zo zien. Als er normaal nog een partij was gekomen die in de pijplijn zat, had die misschien best kunnen worden geveegd. Dan had de informant misschien best aan een verhaal kunnen worden geholpen waarmee hij zich bij de criminele organisatie kon verantwoorden. Maar wij zaten in een heel andere situatie, namelijk dat de positie van de informant door alle gelek rondom de methode uitermate precair was geworden.2

Procureur-generaal Van Randwijck was dezelfde mening toegedaan.

De heerKoekkoek: (...) Vond u het in dit geval nodig om het aan de minister van Justitie te melden?

De heerVan Randwijck: Dat heb ik niet gedaan. Ik vond het op dat moment ook niet nodig, omdat wij in een fuik waren gelopen. Wij konden geen kant uit.

Devoorzitter: De informant had dus in feite de sturing overgenomen.

De heerVan Randwijck: Nee, die had de sturing niet overgenomen, want in een dergelijke noodtoestand kun je nauwelijks nog van sturing spreken. Een noodtoestand houdt een volstrekt gebrek aan sturing in.

De heerKoekkoek: U wilt hiermee zeggen dat de toen zittende minister er toch niets aan had kunnen veranderen, zodat het geen zin had om het hem te melden, ondanks dat er inmiddels een werkgroep-Van Traa aan de gang was? Er was geen andere keuze?

De heerVan Randwijck: Juist.3

Daarnaast werden nog meerder containers doorgelaten om de veiligheid van de informant te waarborgen. De commissie heeft gerede twijfels of daadwerkelijk sprake was van een bedreiging van de informanten. Informant 1 was feitelijk, na het bezoek van Van Langendoen en Van Vondel aan hem in het buitenland, afgebouwd. Opmerkelijk is dat informant 1 in juni 1994 onder een andere naam weer als informant bij de CID Kennemerland wordt ingeschreven. Het is de vraag in hoeverre Langendoen en Van Vondel de bedreiging van de informanten «gebruikt» hebben om de methode doorgang te kunnen laten vinden. Zij hebben de Haarlemse korpsleiding en de betrokken leden van het OM hierover niet ingelicht.

Informant 2: 2 miljoen

Informant 2 was gedurende enige jaren informant bij de CID Kennemerland en was onder meer betrokken bij de XTC-transporten naar Engeland. Na de opheffing van het IRT was de relatie met informant 2 beëindigd. In de zomer van 1994 voelde informant 2 zich bedreigd vanuit de Delta-organisatie. Perspublicaties die volgens de CID en de CRI zijn identiteit zouden kunnen onthullen, waren aanleiding om hem te beveiligen. De hoofdofficier van Justitie en de landsadvocaat meenden dat de bedreiging mede was veroorzaakt door onzorgvuldig optreden van de overheid. De informant eiste een grote afkoopsom en dreigde publiciteit te zoeken en de staat in kort geding te dagvaarden. Om die reden werd door het ministerie besloten om informant 2 een bedrag te geven om hem in staat te stellen op een onbekende plaats een nieuw bestaan op te bouwen. Uit een onderzoek door een CRI-accountant naar de gewenste hoogte van dit bedrag, bleek dat informant 2 criminele inkomsten had behouden en geen tipgelden had ontvangen. Ook bleek dat hij nog een grote vordering op de criminele organisatie had wegens zijn diensten bij een «omvangrijke transactie».1 In verband met de ontvangst van dit bedrag zou informant 2 hebben afgezien van tipgeld. Hij eiste nu compensatie door de staat. Hoofdofficier De Beaufort stelde in een ambtsbericht van 18 augustus 1994 dat hem inmiddels was gebleken dat het wegstrepen van tipgelden tegen behouden criminele winsten vaker voorkwam en dat in contacten met criminele informanten regelmatig dergelijke afspraken werden gemaakt. De Beaufort erkende in zijn ambtsbericht dat sprake was van mogelijkheden tot chantage van de overheid.2 Hij stelde korpsbeheerder Schmitz op de hoogte van de voorgenomen afbouw.

Het ministerie meende dat het onverstandig is om als overheid zelf veiligheidsrisico's te dragen, maar dat de overheid wel gehouden is om de informant naar redelijkheid in de positie te brengen waarin deze zelf maatregelen kan nemen.3 Op de dag van haar ambtsaanvaarding werd minister Sorgdrager de zaak voorgelegd. Zij besloot conform de adviezen van de landsadvocaat en de ambtelijke top informant 2 een bedrag toe te kennen van 2 miljoen gulden. Dit bedrag was gebaseerd op de kosten voor identiteitsverandering, reis- en verblijfkosten, levensonderhoud gedurende een aantal jaren, alsnog tipgeld en een vergoeding voor immateriële schade. De uit te keren afbouw vond plaats door middel van een door de staat en de informant ondertekende akte van dading.

De heerDe Graaf: Dan de afbouw van een informant. Er heeft vorig jaar een afbouw plaatsgevonden, zoals het in het jargon is genoemd. Wat betekent dat precies, een afbouw?

De heerWooldrik: Het IRT was ontploft en de informant kon, doordat het IRT er niet meer was, zijn activiteiten niet meer ontplooien. Door allerlei rumoer eromheen, het bekend worden in de pers en wat dies meer zij, was er de vrees dat zijn identiteit bekend kon worden. Hij moest dus uit die operatie worden teruggetrokken op een zodanige manier dat zijn identiteit geheim bleef. Dat noemen wij het afbouwen van een informant.

De heerDe Graaf: Heel concreet, wat gebeurt er van de zijde van uw ministerie?

De heerWooldrik: U hebt het over dat ene geval, hè?

De heerDe Graaf: Ik heb het over dat ene geval.

De heerWooldrik: Ik heb het niet zelf behandeld. Vorig jaar zomer is het afgewikkeld. Er is een voorstel gedaan door, ik dacht, in dit geval de regio Kennemerland om de informant op een bepaalde manier af te bouwen. Er is advies gevraagd aan de landsadvocaat. Er is ook een soort accountantsonderzoek van de CRI geweest om te zien wat de vermogenspositie van deze informant was. Op grond daarvan en van de bijdrage die hij in het verleden had geleverd, is op een gegeven moment een bepaald bedrag tot stand gekomen.

De heerDe Graaf: Als de CRI-accountant een vermogensonderzoek deed, was de informant dus ook bij die accountant bekend.

De heerWooldrik: Ja.

De heerDe Graaf: Met naam en toenaam?

De heerWooldrik: De informant was niet bij ons, maar wel bij het veld bekend.

De heerDe Graaf: Bij wie in het veld?

De heerWooldrik: In dit geval de CID-officier Haarlem, denk ik.

De heerDe Graaf: Ook bij de CRI?

De heerWooldrik: Bij de CRI denk ik ook wel.

De heerDe Graaf: U zegt dat een vermogensonderzoek heeft plaatsgevonden. Dan moet iemand bij de CRI weten wie het is.

De heerWooldrik: Of je de naam moet weten of voldoende gegevens kunt krijgen om een oordeel te vormen, is natuurlijk de kwestie. Er is een rapport over gemaakt.

Devoorzitter: Waar kreeg die mijnheer of mevrouw nu voor betaald?

De heerWooldrik: Dat is nu het geheim van de dading. Dat laat je in het midden. Er is een claim, een wens, een verlangen. Het element van schadevergoeding is ook van de andere kant naar voren gebracht. Wij hebben in het midden gelaten waar het voor is. Wij vonden dat de Staat der Nederlanden ervoor verantwoordelijk was dat de man dreigde af te branden. Er waren in de pers gesprekken gepubliceerd die konden leiden tot vaststelling van de identiteit van deze figuur. Het was een morele verplichting die de Staat der Nederlanden op zich had genomen. Wij vonden dat het leven van die man moest worden beschermd en dat wij hem bovendien de kans moesten geven, zijn schepen hier achter zich te verbranden en ergens anders opnieuw te beginnen. Daar is een bepaald bedrag uit gekomen.

Devoorzitter: Als ik bij Justitie kom en ik zeg dat ik mijn schepen achter mij wil verbranden, zegt Justitie niet: komt u binnen, wij zullen een accountant naar u toe sturen.

De heerWooldrik: Mijn antwoord duurde vrij lang, omdat ik een heleboel argumenten heb genoemd die van belang zijn geweest voor die dading.

Devoorzitter: Een morele verplichting schept toch nog geen verbintenis?

De heerWooldrik: De overheid, de Staat der Nederlanden, heeft gedurende enige tijd gebruik gemaakt van die informant. Door een geweldige ontploffing verdween het team, om welke reden dan ook; die laat ik nu maar in het midden. Hierdoor kwam zijn veiligheid in gevaar. Er waren ook andere dingen in de publiciteit gekomen. Ik vind dat de Staat der Nederlanden dan wel een zekere verantwoordelijkheid heeft.

De heerDe Graaf: Als er een bedrag wordt gereserveerd om een informant weg te helpen, moet er enige aanleiding zijn om dat geld ter beschikking te stellen. Heeft die informant niet zelf vermogen uit criminele activiteiten opgebouwd?

De heerWooldrik: Dat was het onderwerp van het vermogensonderzoek van de CRI. De accountant moest bekijken hoe het zat, voorzover je daar ooit achter komt.

De heerDe Graaf: Wilt u mijn vraag beantwoorden? Was dat zo?

De heerWooldrik: Hij had ook criminele inkomsten, ja. Degene die de informant heeft ingeschakeld en van hem gebruik heeft gemaakt, wist dat. Die heeft dat namens de Staat der Nederlanden gedaan.

Devoorzitter: Hoe weten wij dat hij het namens de Staat der Nederlanden heeft gedaan? Of gaan wij daarvan uit?

De heerWooldrik: Als politie en justitie iets doen, doen zij dat, denk ik, namens de Staat der Nederlanden.

Devoorzitter: Hebben die een onbeperkte vertegenwoordigingsbevoegdheid voor de abstractie de Staat der Nederlanden?

De heerWooldrik: Nee, nu komt u met allerlei civielrechtelijke constructies aanzetten. Ik houd het heel simpel.

Devoorzitter: Hoeveel kreeg die man nu mee?

De heerWooldrik: U wilt het bedrag weten? U weet het al.

Devoorzitter: Ik weet het niet exact.

De heerWooldrik: Ik dacht dat de heer De Graaf het wel weet. Ik zeg het liever niet.

Devoorzitter: Maar het is meer dan 1 mln.?

De heerWooldrik: Ja.1

3.6.2 Methode verder ontwikkeld

Nadat het IRT in december 1993 werd opgeheven, werd de methode van het doorlaten van drugs met hulp van een criminele burgerinfiltrant en onder regie van de politie gecontinueerd. Onder leiding van CID-chef Kennemerland Langendoen en CID-runner van Kennemerland Van Vondel werden vele containers Nederland binnengebracht zonder dat politie en justitie de drugs in beslag namen. Van Vondel was gedurende een deel van deze periode niet meer in dienst bij de politie, maar had een eigen recherchebureau. Ten behoeve van onderzoeken voor de politieregio's Rotterdam-Rijnmond en Gooi en Vechtstreek werden containers met drugs doorgelaten. Op die manier hoopten betrokkenen voldoende informatie te verzamelen over de activiteiten van de verschillende criminele organisaties.

Begin 1995 ontvingen de hoofdofficieren in Haarlem en Rotterdam berichten dat de methode nog steeds werd gebruikt, waarbij medewerkers van de RCID Kennemerland actief waren. Mede op voorstel van de Haarlemse korpschef en hoofdsofficier, en de Rotterdamse hoofdofficier stelde het College van procureurs-generaal een rijksrecherche-onderzoek in. In mei 1995 ging het rijksrecherche-onderzoek van start naar de organisatie en het functioneren van de RCID Kennemerland en, in relatie daarmee, het functioneren van de korpsleiding van het regiokorps Kennemerland alsmede de verantwoordelijke leden van het OM te Haarlem. De opdracht aan het rijksrechercheteam luidde:

Het verrichten van een zo grondig mogelijk feitenonderzoek over de activiteiten, het functioneren en de werkwijze van de RCID Kennemerland gedurende de periode 1990 – heden. Bijzondere aandacht behoort daarbij te worden geschonken aan het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. Tevens dienen de verantwoordelijkheid voor de RCID en de RCID-operaties, zowel bij politie als OM in kaart te worden gebracht. Het onderzoek moet resulteren in een rapportage met conclusies en aanbevelingen.2

Het onderzoek heeft tot doel, om mede op basis van een aantal concrete CID-operaties, het feitelijk functioneren van de CID in kaart te brengen, afgezet wat op basis van de geldende wettelijke – en andere regelingen en een adequaat functionerend toezicht op deze dienst, zou mogen worden verwacht. In het onderzoek zal de relatie en communicatie van de CID met de eigen korpsleiding en het terzake bevoegde en verantwoordelijke OM mede worden geëvalueerd.3

De commissie heeft zich doorlopend op de hoogte laten stellen van de voortgang van het rijksrecherche-onderzoek. De commissie heeft enkele malen met beide ministers gesproken over de voortgang van het onderzoek.

3.6.3 Doorlaten harddrugs

De commissie heeft enkele gevallen aangetroffen waarin harddrugs met medeweten van politie op de markt terecht zijn gekomen.

In 1991 bezochten twee medewerkers van de CID Kennemerland met een informant de haven van Rotterdam. De informant heeft daarbij vijf kilo harddrugs van het schip gehaald. Het is onduidelijk wat er met deze vijf kilo is gebeurd. Het is aannemelijk dat deze kilo's op de markt terecht zijn gekomen.

Volgens de douane is medio 1992 door twee medewerkers van de CID-Kennemerland een container in Amsterdam gecontroleerd. In die container werd 30 kilo harddrugs aangetroffen, die werd meegenomen door de rechercheurs. De betreffende container maakte deel uit van een zending van twee containers met koffie. De CID Kennemerland gaf aan voor de andere container geen belangstelling te hebben. Toen de douane deze container toch controleerde, werden twee koffers met elk 26 kilo harddrugs aangetroffen.

In juni en november 1992 is een aantal kilo cocaïne doorgelaten in Rotterdam. De CID Kennemerland runde in deze zaak een informant. Volgens Langendoen is de cocaïne in het milieu terecht gekomen, doordat een communicatiefout ontstond tussen het observatieteam en de tactische recherche in Rotterdam, waardoor ze de partij kwijt raakten. Vanuit Rotterdam is verklaard dat de cocaïne moest worden doorgelaten om de informant in de ogen van de criminele organisatie meer vertrouwen te laten krijgen. Langendoen ontkent dit ten stelligste.1

3.6.4 De sapman

De commissie heeft tijdens haar onderzoek geconstateerd dat de CID Kennemerland betrokken was bij de verwerking van de deklading van de containers waarin de drugs waren verborgen. Het ging deels om vaten met extracten van vruchtensappen, waarin de drugs verborgen zaten. De CID Kennemerland had intensief contact met een producent van limonade in België, aangeduid als de sapman. Via de sapman kon de CID Kennemerland zonder problemen dekladingen van containers met drugs afvoeren. De relatie tussen de sapman en medewerkers van de CID Kennemerland was dermate intensief dat nader onderzoek noodzakelijk bleek.

Begin contact sapman

De sapman kwam voor het eerst in contact met de CID Kennemerland na de cocaïne-vangst in IJmuiden in 1989. Toen was cocaïne verstopt in vaten vruchtenextract. De sapman kon de politie helpen bij het verwerken van deze vruchtenextracten.

In september 1991 ging het bedrijf van de sapman failliet. Hij verkocht het bedrijf aan een ander. Het nieuwe bedrijf wilde vruchtensappen gaan importeren vanuit Marokko. De veronderstelling van sapman was dat de nieuwe eigenaar daarbij tevens drugs zou importeren. De sapman meldde zich bij de tactische recherche in Haarlem, die sapman overdroeg aan de CID. Vanaf dat moment ontstond intensief contact tussen de sapman en de CID Kennemerland.

Volgens CID-chef Langendoen en CID-medewerker Van Vondel was sapman ingeschreven als informant.2 In het informantenregister van de CID Kennemerland komt de sapman echter niet voor. De sapman verschafte de CID Kennemerland informatie over softdruglijnen en de algemene produktie en verwerking van vruchtensappen.3

De sapman verwerkte in de navolgende periode alle vruchtensappen die als deklading werd gebruikt bij de containers met drugs die door de CID Kennemerland werden doorgeleverd. De CID Kennemerland scheidde de deklading van de drugs, vervoerde de drugs naar de criminele organisatie en schonk de deklading «om niet» aan de sapfabrikant. Volgens Langendoen zijn honderden tonnen vruchtensappen naar de sapfabrikant gegaan vanaf de CID Kennemerland.4

Volgens de sapman gaat het om veel minder dan honderden tonnen sap. Hij verklaart naast sap geld van de CID Kennemerland verkregen te hebben dat ook gestort is op een borgrekening onder valse naam.

Reis Van Vondel en sapman

De verhouding tussen Van Vondel en de sapman roept de nodige vragen op. Van Vondel is in 1992 met de sapman op vakantie geweest naar Marokko. Van Vondel stelt uitdrukkelijk dat het hier gaat om een privé-reis. Langendoen heeft Van Vondel afgeraden naar Marokko te gaan met de sapman. Van Vondel erkende tijdens zijn openbare verhoor dat deze reis beter niet had kunnen worden gemaakt: achteraf gezien achtte Van Vondel dat niet professioneel.1 Het blijft onduidelijk wat de sapman en Van Vondel beiden in Marokko hebben gedaan. Het is zeker dat zij een aantal vruchtensapfabrieken hebben bekeken.

Bedrijf Zuid-Amerika

In het voorjaar van 1992 ontstonden problemen tussen de sapman en de nieuwe eigenaar. In een daarop volgende rechtszaak dreigde sapman te verliezen. Hij dreigde op de zitting zijn samenwerking met de CID Haarlem uit de doeken te doen. Van Vondel heeft hem ontraden op de zitting iets te vertellen over zijn informantenrol. Van Vondel stelt echter dat hij sapman niets heeft aangeboden.2

De sapman zegt in een gesprek met de commissie, via Van Vondel, te zijn benaderd door X, een investeerder uit Haarlem. X was een pseudo-identiteit van CID-chef Langendoen, die gebruik maakte van de naam van een bestaand persoon. Deze X zou volgens de sapman hem 200.000 gulden hebben gegeven om zijn activiteiten voort te zetten en een bedrijf in Zuid-Amerika op te bouwen dat sappen zou moeten exporteren naar Nederland. De sapman verklaart dat hij van Van Vondel en Langendoen meer dan drie miljoen gulden heeft gekregen. De sapman heeft daadwerkelijk een bedrijf opgericht in Zuid-Amerika eind 1993.

Langendoen en Van Vondel ontkennen in hun openbare verhoren deze weergave van de gebeurtenissen door de sapman. De sapman zou van hen nooit geld gekregen hebben om een bedrijf in vruchtensappen op te richten. Langendoen en Van Vondel zouden nooit met de sapman hebben gesproken over de mogelijke rol van het bedrijf. Langendoen zou nooit als X geld hebben aangeboden aan sapman. Wel hebben Van Vondel en Langendoen met elkaar besproken of het bedrijf in Zuid-Amerika gebruikt kon worden als aanleverbedrijf voor vruchtenextracten aan criminele organisaties zodat zij nog meer controle zouden kunnen uitoefenen op de aanlevering van drugs. Die gedachte kwam op toen bleek dat de Colombianen in eigen land niet meer voldoende vruchtensappen konden krijgen als coverlading voor hun drugtransporten. De vier proefzendingen cocaïne van elk 25 kilo en de cocaïnelevering van 5.000 kilo zouden via dit saptraject worden geleverd. Deze cocaïne-leveringen hebben nooit plaatsgevonden.

Borgrekening onder pseudo-identiteit

Medio 1993 hebben Langendoen en Van Vondel een borgrekening geopend. Op deze rekening is ongeveer een half miljoen gulden gestort. Van Vondel heeft zijn handtekening gezet onder het formulier waarmee de valse rekening werd geopend. Van Vondel en Langendoen stellen dat het verstrekken van deze identiteit nodig was om ervan verzekerd te kunnen zijn dat de dekladingen konden worden weggewerkt.3

De heerVan Vondel: Het was absoluut noodzakelijk dat dat traject in stand bleef. Ik heb er niet echt zo specifiek over nagedacht. We hebben toen in de uitvoering van dit traject de beslissing genomen om dit zo te doen, zodat de voortgang gewaarborgd bleef.

De heerVos: En wist de officier van justitie hiervan?

De heerVan Vondel: Nee, hij wist hier niet van.1

Volgens Van Vondel was deze rekening een uitweg voor sapman om zijn zwarte verdiensten uit de verkoop van vruchtensappen op een rekening te zetten. Het is echter nauwelijks aannemelijk dat de sapman medio 1993 al een half miljoen gulden verdiend zou kunnen hebben met het verkopen van door de CID Kennemerland aangeleverde vruchtensappen. Het overzicht van de containers die onder regie van de CID Kennemerland zijn ingevoerd maakt het zeer aannemelijk dat grote hoeveelheden sap pas in de tweede helft van 1993 op gang komen.

Zuster van Langendoen

Op 8 januari 1996 ontving de commissie van de rijksrecherche een verklaring van de zuster van Langendoen aan de rijksrecherche. Uit de verhoren was gebleken dat zij een rol speelde in het saptraject. Deze verklaring geeft meer inzicht over haar rol en duidt op een verdergaande betrokkenheid van Langendoen en Van Vondel bij de sapfabriek in Zuid-Amerika. Het onderstaande is gebasserd op de verklaring van Langendoens zuster.

De commissie wil hierbij het volgende aantekenen. De zuster van Langendoen heeft op 18 december 1995 een verklaring afgelegd ten overstaan van een notaris waarin zij stelt haar verklaringen aan de rijksrecherche onder druk te hebben afgelegd. De betrokken rijksrechercheur ontkent dit bij rapport van 19 januari 1996. De twee rijksrechercheurs die haar verhoord hebben verklaren dat haar medewerking geheel vrijwillig was en dat het hier niet om een strafrechtelijk onderzoek ging.

De zuster van CID-chef Langendoen ging op verzoek van Langendoen bij het bedrijf van sapman werken. Volgens de zuster is niet expliciet gesproken over de reden waarom Langendoen voorstelde dat zij bij deze fabriek ging werken. Langendoen en Van Vondel verklaren dat zij haar op die manier alleen aan een baan wilden helpen. De sapman verklaart dat de zuster tevens een rol diende te spelen bij het opzetten van een frontstore in het buitenland, waarvan de CID Kennemerland later gebruik kon maken.

De zuster van Langendoen verklaart dat de sapman Langendoen bij hun eerste bezoek aansprak als X en dat de sapman de naam Langendoen niet kende. De sapman wist niet dat Langendoen politieman was. De zuster mocht aan de sapman van Langendoen niet vertellen dat X in werkelijkheid Langendoen was en bij de politie werkte. Het is voor de zuster onduidelijk waarom zij die informatie niet mocht geven.

De zuster ging vervolgens werken bij de fabriek van sapman in Zuid-Amerika. Zij werd «gerente» (wettelijk vertegenwoordiger) van de fabriek. Eind 1994 vroeg de sapman aan de zuster of zij contact wilde leggen met Langendoen omdat de sapman zich in financiële moeilijkheden bevond. De zuster van Langendoen is in maart 1995 op verzoek van Langendoen naar Nederland gekomen om de documenten van de fabriek te tonen. Langendoen heeft zijn zuster toen minstens 10.000 dollar gegeven om de schulden van de fabriek af te lossen en om achterstallig loon te betalen. In 1995 is een andere medewerker van de CID Kennemerland naar Zuid-Amerika gereisd om een video te maken van de fabriek. De man werd door Langendoen aangekondigd bij zijn zuster. Hij gaf als reden dat eventuele kopers een indruk wilde krijgen van de fabriek. Langendoen zou zijn zuster hebben gesuggereerd de fabriek over te nemen. In 1995 is Van Vondel naar Zuid-Amerika gegaan om te bezien of de fabriek kon worden verkocht. De zuster van Langendoen verklaart dat Langendoen haar heeft gebeld met de mededeling dat Van Vondel zou komen om de schulden van de fabriek te betalen. Zij zou van Van Vondel in totaal 40.000 dollar hebben ontvangen.

De zuster van Langendoen is ervan overtuigd dat de sapman geld kreeg van de politie in Haarlem en dat de politie op de één of andere wijze financiële belangen had in de fabriek in Zuid-Amerika. Langendoen spande zich in 1995 in om een afvloeiingsregeling voor zijn zuster te regelen. Die regeling is tot stand gekomen.

Afkopen van sapman en het achterhouden van informatie

Ook nadat Van Vondel bij de politie weg was gegaan en zijn eigen recherche-bureau begonnen was, bleef contact bestaan tussen de sapman en Van Vondel. Eind 1994 verkeerde de sapman in financiële en emotionele moeilijkheden. Van Vondel verklaart dat hij toen zelfstandig heeft besloten maatregelen te nemen om de sapman te beschermen.

De sapman kreeg in 1995 van Van Vondel een bedrag tussen de 500.000 en 1 miljoen gulden om uit de problemen te komen en zijn bedrijf te kunnen voortzetten. De sapman heeft dat geld mede gekregen van Van Vondel om met zijn familie voor zes maanden naar de Verenigde Staten te gaan. Van Vondel wilde op die manier voorkomen dat de sapman door de rijksrecherche of de commissie zou worden gehoord. Van Vondel kreeg dit geld naar eigen zeggen van informant 1. Van Vondel bestempelde dit als een lening. Volgens Van Vondel wilde informant 1 het geld geven aan de sapman om te voorkomen dat de sapman in de openbaarheid zou vertellen over de saptrajecten.1 Van Vondel stelt dat hij zich, ook al was hij geen politieman meer, emotioneel verplicht voelde de anonimiteit van de sapman te beschermen.

De heerVan Vondel: Ik ben ook niet blij met datgene wat ik uiteindelijk gedaan heb, maar ik heb die beslissing wel overwogen en met een emotionele achtergrond genomen. Ik sta daar nu voor.2

Van Vondel stelt nadrukkelijk dat hij zelf besloten heeft tot deze activiteiten. Langendoen zou niet op de hoogte zijn geweest van de betalingen. In 1994 en 1995 hebben Langendoen, Van Vondel en sapman verschillende malen contact gehad. Van Vondel en Langendoen verklaren beiden dat tijdens deze gesprekken nooit is gesproken over deze betalingen.3

Uit een opgenomen gesprek tussen sapman en Van Vondel blijkt dat Van Vondel verschillende malen heeft gezegd dat, indien de rijksrecherche of de commissie sapman wil horen, hij contact moet opnemen met Langendoen om af te spreken hoe om te gaan met de informatie dat hij als informant had gefunctioneerd. Uit dit gesprek kan echter niet geconcludeerd worden dat Langendoen daadwerkelijk op de hoogte was van de betaling aan de sapman. Het gesprek toont dat Van Vondel probeerde om samen met de sapman een verhaal te construeren voor het geval hij verhoord zou worden door de rijksrecherche of de commissie.

Het blijft onduidelijk in hoeverre Van Vondel in opdracht of met medeweten van anderen handelde. Het is onaannemelijk dat Van Vondel niemand heeft ingelicht over zijn beslissing de sapman geld te betalen dat afkomstig was van informant 1. Langendoen was in het verleden steeds op de hoogte van alle handelingen van Van Vondel.

De heerVan Vondel: Kijk, wij zijn pioniers geweest met de methode. Ook daarin hebben wij dingen gedaan, waarvan je nu zegt: is het wel verstandig geweest dat je het zo gedaan hebt? Maar toen in dat tijdsbeeld hebben wij die verantwoordelijkheid, die beslissing zo genomen. Uiteraard ligt er ook een gedeelte bij mijzelf. In het geheel bezien word ik dus gegijzeld door de omstandigheden.

De heerKoekkoek: Mijnheer Van Vondel, waarom zegt u nu achteraf: ik had het niet moeten doen?

De heerVan Vondel: Omdat het toch allemaal openbaar geworden is.

De heerKoekkoek: En dat wilde u net voorkomen?

De heerVan Vondel: Dat wilde ik voorkomen.

De heerKoekkoek: Dus het was vergeefse moeite?

De heerVan Vondel: Het is vergeefse moeite geweest.1

3.6.5 Andere dekladingen

De containers met drugs bevatten allerlei andere soorten deklading naast vruchtensappen. Er bestaat veel onduidelijkheid over wat precies is gebeurd met deze andere dekladingen. Er is geen administratie van de verwerking van deze dekladingen van de doorgelaten containers. De commissie constateert dat deze dekladingen op verschillende wijzen door de CID zijn weggewerkt. De dekladingen zijn deels aan de chauffeur gegeven om zelf te verhandelen en deels op een andere wijze weggewerkt.

Humanitaire hulp

Devoorzitter: Hebt u te maken gehad met dekladingen van andere partijen die via de methode binnenkomen?

De heerVan Vondel: Ja, daar heb ik ook mee te maken.

Devoorzitter: Wat doet u daarmee?

De heerVan Vondel: Als je iets hebt, moet je dat kwijt, want het kan een obstakel zijn in je werkzaamheden. Je moet dat dus netjes opruimen.

Devoorzitter: Waar gaat het dan naartoe?

De heerVan Vondel: Het is voor een groot gedeelte naar het buitenland vertrokken.

Devoorzitter: Kunt u daar iets preciezer over zijn? Waar gaat het naartoe? Wat moeten wij ons voorstellen?

De heerVan Vondel: U moet zich voorstellen dat iets wat nog bruikbaar is, als humanitaire hulp naar het buitenland is gegaan, naar Oostbloklanden.2

Tegeltjes

De heerTeeven: Het waren Colombiaanse tegeltjes en bij dat bedrijf troffen wij nog een tegeltje aan dat op de achterzijde vermeldde: «made in Colombia». Die tegeltjes werden daar gebracht en contant afgerekend. Wij hebben kunnen vaststellen dat de tegeltjes die hier per container zijn binnengekomen, ook de tegeltjes zijn die daar zijn afgeleverd. Dat kan je zien aan de hand van de factuur maar ook aan de hand van de ladingspapieren. Die bescheiden hebben wij uiteraard aan de rijksrecherche gegeven, ten behoeve van haar onderzoek.

Devoorzitter: Er is betaald. Wat gebeurt er met het geld? Er wordt zo vaak betaald. Als ik tegels kom aanbieden, word ik ook betaald.

De heerTeeven: Interessant was de verklaring van de directeur van dat bedrijf. Hij deelde mee dat die tegeltjes waren aangeboden door een familielid van iemand die bij hem werkte. Er werkte dus een personeelslid bij dat bedrijf en de tegeltjes werden aangeboden door een familielid van hem. Welnu, dat was een politieman uit Noord-Holland. De naam is bij mij bekend maar die zal ik nu niet in het openbaar noemen.

De heerDe Graaf: Kennemerland?

De heerTeeven: Een politieman uit Kennemerland, die daar een familielid had werken.

De heerDe Graaf: En daar is voor betaald?

De heerTeeven: Daar is contant een betrekkelijk gering bedrag voor betaald en dat is ook afgetekend op de factuur met «voldaan».3

Devoorzitter: Mijnheer Van Vondel, zijn er ooit tegeltjes geweest als deklading?

De heerVan Vondel: Dan moet ik weer terugkomen op mijn verhaal.

Devoorzitter: Wilt u zeggen «ja» of «nee»?

De heerVan Vondel: Ik zeg daarop geen «ja» en geen «nee». U vraagt naar specifieke goederen. Specifieke goederen zijn altijd gerelateerd aan zaken. Ik kan dus geen «ja» of «nee» zeggen.

Devoorzitter: Daar zitten wij nou. Vanochtend heeft de heer Teeven het specifiek gehad over tegeltjes die er als deklading uit zouden zijn gekomen. Is u daarvan iets bekend?

De heerVan Vondel: Mijnheer de voorzitter, daarop kan ik geen antwoord geven. Ik kom elke keer weer terug op hetzelfde verhaal. Goederen zijn gerelateerd aan zaken. Als ik over goederen spreek, kunnen informanten in de problemen komen. Ik kan dat niet doen. Als wij in een besloten zitting zijn, kan ik daarover spreken. Ik kan dat hier niet doen voor de camera. (...)1

De heerVan Vondel: Er is eenmaal een partij geweest waarin ik zelf een rol heb gespeeld.

De heerDe Graaf: Waarom heeft u dat gedaan? Waarom heeft u het toen niet om niet weggedaan?

De heerVan Vondel: Wij hebben toen meteen geleerd dat dit veel te veel risico's geeft. Vandaar dat wij voor die andere mogelijkheid hebben gekozen.

Devoorzitter: U zegt dus: er is een keer iets geweest waarvoor wij geld ontvangen hebben? Waar is dat geld gebleven?

De heerVan Vondel: Dat is naar de informant teruggegaan. Die heeft het aangewend voor de financiering van andere zaken.

De heerDe Graaf: Het gaat toch niet om grote bedragen?

De heerVan Vondel: Dat was een heel klein beetje.2

3.6.6 Dekmantelfirma's en valse identiteitsbewijzen

Dekmantelfirma's

De CID Kennemerland maakte gebruik van verschillende dekmantelfirma's. De CID richtte deze firma's op. De firma's werden gebruikt als organisaties waar de containers naar toe konden worden gestuurd. Zij dienden als «notify-adresses» op de «bills of lading». De CID Kennemerland heeft onder verschillende namen verscheidene van deze dekmantelfirma's opgezet.

Bij het oprichten van deze dekmantelfirma's is gebruik gemaakt van namen van bestaande personen. In enkele gevallen zouden deze personen achteraf op de hoogte gesteld zijn van het gebruik van hun naam. Langendoen stelt dat de betrokken personen indirect toestemming hebben gegeven.3 Het blijft onduidelijk wat daaronder moet worden verstaan.

De heerRouvoet: U sprak van indirecte toestemming. Als daar in indirecte zin toestemming voor is gegeven, betekent dat dan dat u voor gebruikmaking van personalia carte blanche had? Werd er eenmalig gezegd dat u van personalia gebruik kon maken en kon u dan zelf bepalen wat u daarmee deed? En zou dat verklaren dat betrokkenen niet op de hoogte waren van het gebruik maken voor het oprichten van bijvoorbeeld een bedrijfje? Mag ik u zo verstaan?

De heerLangendoen: Ik denk dat u het goed ziet. (...) De heerRouvoet: Ik heb nog een vraagje over het gebruik van die naam. U zei eerder op een vraag van mij dat u carte blanche had gekregen. Ik begrijp nu dat, als u weggaat, u die carte blanche achterlaat en dat u op dat moment niet terug moet naar de betrokkene om dit terug te geven, te regelen of hier afspraken over te maken met degene die aan uw bureau komt te zitten.

De heerLangendoen: Neen.

De heerRouvoet: Die carte blanche blijft er liggen en er kan van alles mee gedaan worden, zonder dat u daar zicht op hebt en daar verantwoordelijkheid voor draagt.

De heerLangendoen: Ja.4

Valse identiteitsbewijzen

De CID Kennemerland kon beschikken over valse identiteiten die door de Haarlemse burgemeester ter beschikking waren gesteld. Het ging om een aantal paspoorten en rijbewijzen waarop onjuiste persoonsgegevens stonden vermeld. Deze bevonden zich in de kluis van de Haarlemse politie. De paspoorten en rijbewijzen zouden gebruikt worden voor het huren van auto's ten behoeve van observatie en het huren van ruimten.

Devoorzitter: Heeft u ooit daarna gevraagd wat ermee gebeurde?

MevrouwSchmitz: Indertijd heb ik er niet naar gevraagd, maar ik heb nu gehoord dat men die drie keer heeft gebruikt. Tweemaal om naar een informant te reizen in de Verenigde Staten en eenmaal voor de veiligheid. De heer Langendoen verbleef toen met zijn gezin twee weken in het buitenland.1

Met de burgemeester van Haarlem was afgesproken dat de CID verslag zou doen wat met deze valse identiteitsbewijzen zou gebeuren. Van dergelijke verslagen is geen sprake.2

De heerDe Graaf: Heeft u, buiten dat specifieke geval, andere identiteiten gebruikt? Heeft u andere namen gebruikt zonder dat u daarbij de benodigde papieren had? Of is dat niet nodig in het runnen van informanten?

De heerVan Vondel: Ik heb wel eens een andere naam gebruikt. Ik heb mij wel eens anders voorgesteld dan degene die ik was.

Devoorzitter: Ook voor het opzetten van fakebedrijfjes?

De heerVan Vondel: Ja, dat klopt.3

De commissie heeft geconstateerd dat in verschillende regio's gebruik is gemaakt van valse identiteitsbewijzen door de lokale politie of door de CRI (ANCPI).4 Het gaat niet alleen om de regio's Kennemerland en Gooi en Vechtstreek, maar ook om Utrecht, Zuid-Holland-Zuid, Den Bosch en Amsterdam. Het ontbreekt echter aan een eenduidige wettelijke basis voor het verstrekken van valse identiteitsbewijzen door gemeenten. In verschillende gemeenten werden dan ook verschillende voorwaarden gesteld aan het gebruik van de valse identiteitsbewijzen. De CRI verstrekt in principe geen valse identiteisbewijzen aan CID-en.

3.6.7 Administratie Kennemerland

In de administratie van de CID Kennemerland zijn vele hiaten aangetroffen. Cruciale onderdelen van het werk van de CID werden niet of onvolledig vastgelegd. De commissie constateert dat door de gebrekkige administratie belangrijke vragen over het functioneren van de medewerkers van de CID Kennemerland en de informanten onbeantwoord zullen blijven. Aangezien het niet mogelijk is op basis van documenten een oordeel te geven over de gebeurtenissen is de commissie genoodzaakt alleen verklaringen van personen als basis voor het oordeel te gebruiken. De betrouwbaarheid van deze verklaringen is niet altijd eenduidig te beoordelen.

3.7 Betrokkenheid FIOD/douanerecherche

3.7.1 Doorlaten van containers

De douane en de douanerecherche waren van wezenlijk belang voor de uitvoering van deze methode. De douane diende op verzoek van de politie controle van bepaalde containers achterwege te laten, ook al waren er signalen dat zich in de containers drugs bevonden. Het Douane Informatie Centrum (DIC) selecteerde de containers waarmee mogelijk iets aan de hand was. Ongeveer 30 tot 40 % van de geselecteerde containers werd op verzoek van de politie doorgelaten.

De heerRabbae: Wat is de normale procedure?

De heerHuisman: Als een zending door moet gaan, moet er normaal aangifte bij de douane worden gedaan.

De heerRabbae: Door wie?

De heerHuisman: Meestal door een agent, een expediteur of een cargadoor. Zodra er aangifte gedaan wordt, bestaat er altijd nog het risico dat een douanier op een post de aangifte wil controleren. Bij doorlevering werd er ook voor gezorgd dat er geen controle plaatsvond.

De heerRabbae: En wie gaf de opdracht om niet te controleren?

De heerHuisman: Die opdracht kwam van de FIOD. Wij stelden dan uiteraard wel de vraag of er contact over was geweest met een officier van justitie. Dat is in alle gevallen bevestigd en vanaf begin 1994 hebben wij van de teamleider van de FIOD ook steeds een getekende verklaring gekregen met de naam van de betreffende officier.

De heerRabbae: Maar u krijgt ook de verklaring van de officier zelf te zien?

De heerHuisman: Nee, wij krijgen alleen de verklaring van de teamleider van de FIOD, waarbij de naam van de behandelende officier wordt vermeld, dus geen verklaring van de officier zelf.

Devoorzitter: En geeft u dan het seintje aan de douane dat men een container ongemoeid moet laten?

De heerHuisman: Dat is wat wisselend geweest; in een aantal gevallen ging het via onze dienst, in andere gevallen via surveillanceposten, maar dan wisten wij er wel van.

De heerRabbae: Maar waarom ging het via uw dienst? U heeft geen directe gezagsrelatie tot de FIOD.

De heerHuisman: Ik heb wel contacten binnen de douanewereld.

De heerRabbae: Informele contacten.

De heerHuisman: Nee, ook heel formele.

De heerRabbae: Maar de formele lijn loopt dus...

De heerHuisman: Er loopt geen gezagslijn direct van de FIOD naar de douane.

De heerRabbae: Dus u krijgt een signaal van de FIOD dat u een bepaalde lading ongemoeid moet laten, maar het gaat niet via de directeur van de FIOD naar uw directeur en via u naar de uitvoerende mensen?

De heerHuisman: Nee, maar zoiets heeft ook een bepaalde historie. Het begint met een rechtstreeks contact tussen de FIOD en mij of mijn mensen. Dan wordt er gevraagd of de zaak afgedekt is door de justitie en dan is het antwoord positief. Op een bepaald moment denk je: dit worden er toch wel wat veel. Daar praat je dan over met je eigen dienstleiding en dat heeft ertoe geleid dat wij in het begin van dit jaar een bespreking op het ministerie hebben gehad om te bekijken of dit nu de lijn was: als een officier van justitie het in het belang van een onderzoek vindt dat een container zijn normale weg vervolgt, werken wij daar dan aan mee? Het beleid dat in de praktijk ontwikkeld was, is toen herbevestigd en het is dus staand beleid.1

De verzoeken van CID-en tot doorlating van containers werden door de FIOD sinds 1993 in een formulier vastgelegd. De beslissing daarover werd genomen door een teamleider van de FIOD. Het formulier werd vervolgens doorgestuurd naar de regionale douane waar de feitelijke controle moest plaatsvinden. De container werd vervolgens zonder controle overgedragen aan de chauffeur, veelal een informant.

Op verzoek van de RCID kunnen wij de inhoud van een bepaalde container voordat deze wordt afgehaald, onderzoeken op verdovende middelen. Soms is het verzoek van de RCID zo opgesteld dat er door de douane niet in de container wordt gekeken.2

De CID, die een verzoek deed voor het doorlaten van een container, diende volgens de afspraken naar de FIOD terug te koppelen wat er vervolgens met de container was gebeurd en of de drugs in beslag waren genomen. De commissie constateert dat deze terugkoppeling in veel gevallen niet heeft plaatsgevonden.

3.7.2 CID-activiteiten FIOD

De FIOD, en meer specifiek de douanerecherche, heeft in de afgelopen jaren verschillende informanten gerund, waaronder chauffeur M. Volgens toenmalig teamleider Teeven werden door de FIOD tien informanten gerund, zonder dat de FIOD beschikte over de CID-status.1

FIOD-medewerker De Jongh werkte ten behoeve van verschillende CID-en om de methode van het doorlaten van containers te kunnen verwezenlijken.

De heerTeeven: Ik heb uiteraard doorgevraagd wat de taak van De Jongh zou zijn in Dordrecht en in Haarlem. Zijn taak zou zijn, ervoor te zorgen dat de containers die binnenkwamen de haven konden verlaten. Daarbij moest de douanerecherche, mijn medewerker, ervoor zorgen dat die containers niet werden gecontroleerd door de douane. Voor die taak moest ik toestemming geven. Ik moest zeggen: kijk niet naar die container. Daarnaast heeft hij, in combinatie met politiepersoneel, bepaalde informanten gerund die ofwel van oudsher van de douanerecherche ofwel van de politie waren.

(...) De heerDe Graaf: Waarom runde mijnheer De Jongh dan eigenlijk de informant? Hij was toch geen CID'er?

De heerTeeven: De Jongh had een bepaalde know-how op een bepaald vlak terwijl het CID-personeel dat niet had. Bij het runnen van bepaalde informanten was het gewenst dat die kennis beschikbaar was.2

De verantwoordelijkheid voor de handelingen van De Jongh blijkt onduidelijk:

De heerDe Graaf: U bent toch verantwoordelijk voor datgene wat uw medewerker in zo'n traject doet?

De heerTeeven: Terecht vraagt u daarover door. Uiteraard ben ik verantwoordelijk voor wat hij doet. Maar als hij in een ander politieteam opereert, dan is het niet vreemd dat de formeel verantwoordelijke chef niet van alle ins en outs op de hoogte is, zeker in die jaren niet als het om CID-trajecten ging.3

In Kennemerland heeft de samenwerking tussen de FIOD en de CID plaatsgevonden zonder dat afspraken over informatie-uitwisseling zijn vastgelegd. De FIOD en de korpsleiding Haarlem betwisten elkaars verantwoordelijkheid voor de specifieke activiteiten van De Jongh die ertoe leidden dat de containers ongemoeid werden gelaten. Volgens de korpsleiding Haarlem was de FIOD verantwoordelijk, volgens de FIOD was de CID Kennemerland verantwoordelijk. FIOD teamleider Bakker ging tot maart 1995 ervan uit dat alle bewust niet gecontroleerde containers op een later moment in beslag genomen zouden worden.

Devoorzitter: Toen u de opheffing van het IRT zag, hebt u toen nooit het idee gekregen dat daartussen containers hadden kunnen zitten die via deze methode binnen waren gekomen?

De heerBakker: Natuurlijk, ik heb ook de IRT-zaak gevolgd. Ik heb het rapport-Wierenga diverse keren gelezen. Ik heb de publikaties van meneer Middelburg gevolgd. Mijn les uit de IRT was om gewoon precies te weten te komen wat er gebeurt. Ik mag graag precies weten, wat er gebeurt in mijn omgeving. Daarom heb ik de procedure zoals die was, vastgelegd op papier. Ik wilde gewoon precies weten, wat er gebeurde. Ik moet u zeggen dat, toen ik er in maart 1995 kennis van kreeg dat ik eigenlijk gewoon belazerd was in het jaar daarvoor – excuses voor het woord – was ik daar goed ziek van. Ik heb mij ook afgevraagd, hoe dat kwam. Waar het eigenlijk op neerkomt, is het volgende. Ik sta achter de duinen, meneer Van Traa, en wat er gebeurt, gebeurt op de vloedlijn, en ik kan niet zien wat er op die vloedlijn gebeurt. Er is sprake van politieonderzoeken. Wil ik goed weten wat daar gebeurt, dan moet ik de aanvangsprocessen-verbaal kennen, ik moet de zaaksprocessen-verbaal kennen, ik moet de OT-rapportages kennen, ik moet de inbeslagnemingen kennen, en dat past gewoon niet in de wijze, waarop die informatie tot mij zou kunnen komen. Er is sprake van embargo-onderzoeken, van onderzoeken waarin ik gewoon geen inzicht heb. Ik kon dat inzicht niet hebben in die onderzoeken.

Devoorzitter: Maar de heer...

De heerBakker: Het enige wat ik kon doen, was de waarnemingen in de haven goed te registreren. Het alternatief is om, als je dat zicht niet hebt, die man terug te trekken en dus geen intermediair tussen de politie en de douane te zetten. Wat er dan gebeurt, is dat douane-ambtenaren in containers onderzoekingen gaan doen die passen in opsporingsonderzoeken. Douane en politie gaan dan containers in, en er komt een stammenstrijd in het havengebied. Op deze wijze, door de intermediair-rol te vervullen tussen de politie en de douane, wilde ik dat voorkomen. Door een goede administratie en vastlegging wilde ik zicht krijgen op wat er daadwerkelijk gebeurde. (...) De heerDe Graaf: Een tijdje geleden zei u tijdens dit verhoor dat u zich belazerd voelde. U werd er ook goed ziek van. Door wie bent u eigenlijk belazerd, althans voelde u zich belazerd?

De heerBakker: Ik voelde mij belazerd door de dienst die de informatie aangeleverd heeft dat in alle gevallen in beslag werd genomen.

De heerDe Graaf: En dat was de RCID?

De heerBakker: Ja. De RCID-Kennemerland.1

In december 1994 hebben de nieuwe CID-chef Woest en FIOD teamleider Bakker in een convenant vastgelegd hoe de samenwerking vorm zal krijgen. Afgesproken is dat alle CID-activiteiten en -registraties plaatsvinden bij de CID Kennemerland en onder de verantwoordelijkheid van de CID-chef Kennemerland.2

DIC-chef Huisman kreeg in de loop van 1994 het vermoeden dat containers met drugs in het milieu verdwenen. Vanuit de douane in Amsterdam kwamen ook signalen dat er eventueel iets mis zou kunnen zijn met de gecontroleerde afleveringen. De leiding van de douane in Amsterdam en de directeur van de FIOD, Van Blijswijk, hadden over deze vermoedens een bespreking op het ministerie van Financiën op 10 januari 1995.

De heerVan Blijswijk: Uit dat gesprek is naar voren gekomen dat de aanwezigen geen enkele aanwijzing hadden dat er iets anders gebeurde dan gecontroleerde aflevering. We hebben verder geconstateerd dat de methode, die wij al jaren kenden, correct was en dat wij medewerking zouden blijven verlenenals onder verantwoordelijkheid en op verzoek van het OM onze bijstand werd gevraagd.3

In maart 1995 komt Van Blijswijk tot een andere conclusie.

De heerVan Blijswijk: Ik moet constateren dat velen met mij binnen de FIOD en Financien ergens in maart jongstleden tot de schokkende ontdekking kwamen, terwijl wij altijd dachten dat er gecontroleerd was afgeleverd en spullen in beslag waren genomen, dit in een aantal gevallen niet juist bleek te zijn.4

3.7.3 Sigarettensmokkel

Bij de doorlating van criminele goederen ging het niet alleen om drugs. Ook met sigaretten werden vergelijkbare doorlatingstrajecten met hulp van een criminele burgerinfiltrant door politie en justitie verwezenlijkt.

Zoals al eerder aan de orde is gekomen had de medewerker van de FIOD, De Jongh, vanaf 1988 contact met chauffeur M. Volgens De Jongh is hij vanaf 31 januari 1993 ingeschreven als informant bij de FIOD.5 Volgens teamleider Bakker is deze informant overgedragen aan de RCID Kennemerland in 1992. De RCID ontkent dit. Volgens CID-chef Langendoen is chauffeur M. slechts gebruikt als chauffeur voor transporten verdovende middelen en niet als informant. Chauffeur M. zou zijn gerund door FIOD-medewerker De Jongh en RCID Kennemerland medewerker Van Vondel. De afspraak zou zijn dat de informatie via de RCID Haarlem als CID informatie naar de FIOD zou gaan. Chauffeur M. heeft een intensieve rol gespeeld tijdens de hierboven beschreven transporten.

Chauffeur M. is daarnaast betrokken geweest bij het vervoeren van niet gebanderolleerde sigaretten. Chauffeur M. nam steeds contact op met De Jongh als een sigarettentransport werd voorbereid. De Jongh gaf dan de opdracht aan M. de transporten in de gaten te blijven houden. Samen met een Duitse douane-ambtenaar wilde De Jongh in de gaten blijven houden hoe de sigarettentransporten feitelijk verliepen. In totaal zou chauffeur M. in de periode eind 1992 tot en met januari 1994 bij 85 transporten met sigaretten betrokken zijn. Deze transporten gingen volgens de bescheiden over de buitengrenzen van de Europese Unie, terwijl zij in feite binnen de Europese Unie werden afgezet. Op die manier werd per zending anderhalf miljoen aan accijnzen ontdoken. In totaal is 150 miljoen aan accijnzen ontdoken. Op 24 januari 1994 verongelukte een transportwagen van chauffeur M. in Duitsland. De lading bestond uit niet gebanderolleerde sigaretten. Chauffeur M. verklaarde toen dat de Duitse en Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van de transporten.

De heerKoekkoek: Ik wil nog een vraag stellen over de sigarettensmokkel. Is mijn indruk juist dat de informant betrokken was bij die smokkel en dat hij heeft geprobeerd, die smokkel voort te zetten onder de dekmantel van de RCID?

De heerTeeven: Achteraf kon ik constateren – ik heb het van Bakker begrepen; het is dus niet uit eigen wetenschap – dat dat inderdaad het geval was. Uw zienswijze is dus juist.1

In augustus 1993 heeft zowel binnen de FIOD als de politieregio Kennemerland overleg plaatsgehad over proeftransporten sigaretten die inzicht moesten verschaffen in de sigarettenfraude. De FIOD had hiervoor belangstelling, de tactische recherche van Haarlem niet. Volgens FIOD-medewerker De Jongh kreeg hij toestemming van het hoofd van de douanerecherche Tjalkes voor enkele proeftransporten, die vervolgens ook werden uitgevoerd.2 Het is niet gebleken dat hierover enig overleg met het OM heeft plaatsgevonden of dat daarvoor toestemming is gegeven.

Het heeft er alle schijn van dat chauffeur M. illegale sigarettentransporten heeft uitgevoerd en dat hij die nadien heeft trachten te legitimeren door te stellen dat hij voor de CID werkte. De eventuele afspraken met chauffeur M. zijn niet vastgelegd. Het is onduidelijk wat chauffeur M. mocht doen met de criminele opbrengsten. Het blijft onduidelijk onder wiens of wier verantwoordelijkheid de proeftransporten hebben plaatsgevonden. De verklaringen van Langendoen, Van Vondel en De Jongh spreken elkaar hier tegen. Aangezien M. in Duitsland verblijft en geen prijs stelde op contact met de commissie heeft geen gesprek met hem kunnen plaatsvinden. Wel is duidelijk dat hij vele jaren een belangrijke schakel is geweest binnen de illegale transporten en daarvan zonder twijfel heeft geprofiteerd.

3.8 Beveronderzoek Rotterdam

In de zomer van 1992 werd in Rotterdam het Haveninformatieproject gestart. Het doel van het project was de informatie van verschillende diensten over de georganiseerde criminaliteit in de haven bij elkaar te brengen. Uit het Haveninformatieproject bleek dat een aantal personen zich in georganiseerd verband bezig hield met strafbare feiten. De Rotterdamse recherche en CID startten mede naar aanleiding hiervan een onderzoek tegen een handelaar in verdovende middelen die al meermalen veroordeeld was. Onder de codenaam Bever werd zodoende eind 1993 een onderzoek gestart door het kernteam Rotterdam-Rijnmond.

De RCID Rotterdam had contact met de RCID Kennemerland. Uit dit contact bleek dat de RCID Kennemerland een informant runde die voor het Beveronderzoek belangrijke informatie zou kunnen bieden (hier verder informant 3 genoemd).

Omdat de organisatie van het onderzoekssubject zeer gesloten was en professioneel te werk ging, was de inschatting dat het zeer moeilijk zou zijn een goede informatiepositie te verkrijgen in dit onderzoek. De mededeling van de RCID Kennemerland kwam derhalve voor het onderzoek van het kernteam op een buitengewoon goed moment.1

Op 21 december 1993 vond overleg plaats tussen vertegenwoordigers van de CID Kennemerland, waaronder CID-chef Langendoen en CID-rechercheur Van Vondel, de CID-chef Rotterdam In 't Veld en CID-officier van justitie te Rotterdam De Groot. De RCID Kennemerland vertelde dat de informant, gezien zijn contacten, zeer gedetailleerde informatie kon leveren over de invoer in Nederland van containers met softdrugs door het onderzoekssubject in het Beveronderzoek. Volgens het verslag van deze bijeenkomst meldde Langendoen dat de CID Kennemerland nu tijd had, omdat het IRT was opgeheven en de voordelen van de methode in Amsterdam niet begrepen werden.

De CID Kennemerland zou de container vervoeren naar een door de politie gecontroleerde loods. De container zou in die loods worden gecontroleerd op softdrugs en andere verdovende middelen. Indien alleen softdrugs in de container aanwezig zouden zijn, zou een gecontroleerde aflevering doorgang kunnen vinden. Het onderzoekssubject zou één of meer auto's beschikbaar stellen om de softdrugs op de door het onderzoekssubject bepaalde plaats af te leveren. Het voertuig zou worden beladen door de RCID Kennemerland en onder begeleiding van het observatieteam door een van de CID-rechercheurs van Kennemerland worden neergezet op een lokatie te behoeve van het onderzoekssubject.2

Volgens De Groot stelde Langendoen in dit gesprek dat hij al eerder deze methode had gebruikt en daarvoor toestemming had van de officier van justitie in Haarlem.

Het OM Haarlem bevestigt het verlenen van een dergelijke toestemming niet. Zaken waarbij van de hier bedoelde methodiek gebruik is gemaakt, zijn op het Haarlemse parket niet bekend. Wel is bekend dat in het oude IRT waarin sommige van dezelfde dramatis personae participeerden als in het Kennemer CID-veld werkzaam waren, van een vergelijkbare methodiek gebruik is gemaakt. Van een direct contact tussen Rotterdams en Haarlems OM teneinde uitdrukkelijk na te gaan in hoeverre deze methodiek in Kennemerland – buiten IRT verband – was geaccordeerd, is geen sprake geweest.3

Langendoen zou tevens in dit gesprek gezegd hebben dat het OM Haarlem de informant toestemming had gegeven zijn verdiensten te behouden. De informant zou zelf de verschillende kosten moeten betalen. Volgens De Groot werd de afspraak gemaakt dat elke levering van softdrugs, behoudens bijzondere omstandigheden, in beslag zou worden genomen. De commissie heeft geconstateerd dat in het CID-verslag van deze vergadering vermeld staat dat doorlating vanwege de geloofwaardigheid van de informant tot de mogelijkheden behoorde.4

De heerDe Graaf: Maar de eis die u nu formuleert, namelijk dat alles in beslag zou moeten worden genomen bij de zendingen, was toch niet zo absoluut als u hem nu formuleert?

De heerDe Groot: Die was wèl absoluut. Ik heb er wel bij gezegd – dat is zo langzamerhand een kwestie van algemene bekendheid, in ieder geval in ons vak – dat ik mij natuurlijk realiseer dat het niet op alle momenten mogelijk is, door wat voor soort omstandigheden dan ook.

De heerDe Graaf: Maar in die vergadering van 21 december 1993 is het zo geformuleerd – als wij goed geïnformeerd zijn – dat gecontroleerde doorlevering zou kunnen om redenen van geloofwaardigheid.

De heerDe Groot: Nee, helemaal niet. Daar hebben wij het niet over gehad. Die man was al hartstikke geloofwaardig, werd ons verteld.

Devoorzitter: Ik kan mij ontzettend vergissen, maar in het verslag dat door uw eigen CID is gemaakt van de vergadering van 21 december, staat met zoveel woorden dat het natuurlijk gericht is op het tactisch maken, maar dat doorlaten in het milieu om redenen van geloofwaardigheid niet kan worden uitgesloten.

De heerDe Groot: Van geloofwaardigheid, van veiligheid, dat is maar hoe je erover praat.1

CID-officier De Groot zag deze methode als een «normale vorm van gecontroleerde aflevering».2 De Groot keurde de methode dan ook goed.3 Hoofdofficier van justitie De Haas gaf op een globale vraag van De Groot te kennen dat hij deze trajecten overliet aan De Groot. Gezien de mededelingen van Langendoen over de toestemming van het Haarlemse OM achtte De Groot dit alles toelaatbaar. De Groot stemde ermee in dat de informant zijn verdiensten mocht behouden.4

De heerDe Graaf: Uw hoofdofficier schrijft in een begeleidend schrijven bij uw ambtsbericht, in zijn brief aan de procureur-generaal, de heer Docters van Leeuwen, dat politie en openbaar ministerie Rotterdam te zeer blind lijken te hebben gevaren op informatie uit een traject dat zij niet zelf geheel onder controle hadden of geheel konden doorzien. Dat lijkt mij niet prettig om te lezen. Of bent u het daarmee eens?

De heerDe Groot: Ik denk dat het de waarheid is.

De heerDe Graaf: Vindt u zelf dat u te makkelijk te blind heeft gevaren?

De heerDe Groot: Ik denk dat wij achteraf kunnen constateren dat wij te veel zijn uitgegaan van mededelingen en dat wij niet hebben doorgevraagd c.q. niet medegedeeld hebben gekregen hoe het precies werkte.5

De Groot ging ervan uit dat de RCID Kennemerland informant 3 zou blijven runnen onder de verantwoordelijkheid van de CID-officier Kennemerland. Desondanks werd informant 3 wel ingeschreven als informant bij de RCID Rotterdam. De RCID Rotterdam moest verschillende malen vragen om het informantendossier van informant 3. Uiteindelijk kreeg de RCID Rotterdam slechts enkele summiere gegevens over de informant.

De informant mocht slechts activiteiten verrichten met betrekking tot de invoer van softdrugs indien door De Groot toestemming zou zijn gegeven. De Groot ging ervan uit dat informant 3 alleen voor Rotterdam zou worden gerund en niet voor andere regio's. De Groot had hierover geen contact met CID-officier van justitie uit Haarlem Kuitert.

Wel deelde de Rotterdamse CID-OvJ op 11 januari 1994 terloops – in een vergadering die op een geheel andere aangelegenheid betrekking had – aan het unithoofd van de Haarlemse CID-OvJ mede dat in Rotterdam gebruik werd gemaakt van de methodiek uit de zogenaamde IRT-affaire met behulp van een Haarlemse informant. Nadere gedachtenwisseling heeft niet plaats gehad.6

Vervolgens werden op de afgesproken wijze verschillende partijen drugs Nederland ingevoerd. Begin 1994 verloor het observatieteam een partij van meer dan 2.000 kilo softdrugs uit het oog die vervolgens in het milieu terecht kwam. Midden 1994 werden ruim 8.000 kilo softdrugs afgeleverd. Daarvan is 6.550 kilo in beslag genomen. In deze periode werden enkele duizenden kilo's softdrugs Nederland ingevoerd die achteraf niet voor de criminele organisatie bleken te zijn, waarnaar de Rotterdamse politie onderzoek deed. Door het observatieteam werden twee opslagplaatsen in Amsterdam vastgesteld. Deze hoeveelheden zijn niet in beslag genomen.

Inmiddels besloot de CID Rotterdam de informant af te bouwen. De CID Rotterdam werd met teveel onverwachte zaken geconfronteerd. Tevens ontstond twijfel of met deze methode relevante informatie kon worden verzameld. Het afbouwen bleek veel tijd te nemen.

De heerDe Graaf: Wanneer heeft u besloten dat het moest worden afgebouwd?

De heerDe Groot: In juli.

De heerDe Graaf: Waarom?

De heerDe Groot: Omdat wij bij de laatste zending op het laatste moment met een probleem geconfronteerd werden, waar wij niet op gerekend hadden. Dat maakte het ons onmogelijk, die hoeveelheid verdovende middelen in beslag te nemen.

De heerDe Graaf: En toen had u er genoeg van?

De heerDe Groot: Nou, niet genoeg van, want op zichzelf had ik graag nog wel wat bewijsmateriaal bij elkaar gehaald. Maar dan krijg je toch het idee dat je niet meer precies weet of de regie nog wel goed is.1

Eind 1994 raakte het observatieteam enkele honderden kilo's softdrugs kwijt doordat het vliegtuig dat de aflevering volgde, in verband met weersomstandigheden was gedwongen te landen. Tevens werden enkele duizenden kilo's doorgelaten om de veiligheid van de informant te waarborgen. Eind 1994 werd de voornoemde 6.500 kilo in beslag genomen.

Intussen was in Kennemerland bij het OM gebleken dat voor Rotterdam een informant werd gerund. Noch de vorige CID-officier Kuitert, noch de huidige CID-officier Snijders was op de hoogte. Op 6 februari 1995 overlegde CID-chef Rotterdam In 't Velt met de CID-officier Kennemerland Snijders en de nieuwe CID-chef Kennemerland Woest. Zij besloten informant 3 te laten runnen door Rotterdam. Pas na dit gesprek had een eerste contact plaats tussen CID-officier Rotterdam De Groot en CID-officier Kennemerland Snijders.

De criminele organisatie eiste een «goedmaker» van informant 3 voor alle in beslag genomen partijen. Informant 3 leek onder de druk van de criminele organisatie te bezwijken. Hij uitte serieuze bedreigingen richting de CID Kennemerland en de Haarlemse korpschef Straver. Tevens dreigde de informant zichzelf en zijn familie van het leven te beroven. De CID Rotterdam en het OM Rotterdam waren bereid onder strikte voorwaarden nog een container door te laten om de veiligheid van de informant te waarborgen. In deze periode kreeg de informant van een andere criminele organisatie de bill of lading van een container. De informant raakte in paniek en vreesde voor zijn leven als deze container in beslag zou worden genomen. Informant 3 had inmiddels bedreigingen thuis ontvangen.

Indien de partij niet zou worden binnengehaald door de overheid, vreesde hij dat de criminele groepering hem zou liquideren. In dat geval zou hij echter van tevoren Van Vondel, Langendoen en Straver meenemen.2

De CID Kennemerland, CID Rotterdam en de CID Gooi en Vechtstreek bespraken de ontstane situatie. Besloten werd de informant mede te delen dat geen containers meer zouden worden ingevoerd en dat de informant vanaf dat moment onder observatie van de politie zou staan om bij eventuele dreigingen te kunnen ingrijpen. De informant kreeg van de politie een geloofwaardig verhaal voor de criminele organisatie.

In het Bevertraject zijn in totaal 44.000 kilo softdrugs doorgelaten. Daarvan is aantoonbaar 26.000 kilo in beslag genomen en 18.000 kilo op de markt terecht gekomen door ofwel de onmogelijkheid van observatieteams om de transporten te volgen ofwel bewust doorgelaten vanwege de veiligheid van de informant. Ook deze informant mocht zijn verdiensten behouden en diende alle kosten van het huren van de loods, het loon van de chauffeur en de benodigde papieren zelf te betalen.

De commissie heeft zelf kunnen constateren dat informant 3 verklaart nog steeds te worden geconfronteerd met containers met drugs. De criminele organisaties eisen dat hij de containers Nederland binnen brengt. Nog onlangs probeerde informant 3 de overheid ertoe te brengen om deze containers door te laten. Hij heeft een aanbod voor een beschermingsprogramma afgeslagen. Dat is in een convenant tussen informant 3, de RCID chef Kennemerland en de RCID chef Rotterdam vastgelegd. Nog steeds worden bedreigingen geuit door en tegen de informant. De positie van de informant is nog steeds penibel.

De heerDe Graaf: Mijn laatste vraag op dit punt. De Bever-zaak is gestopt?

De heerDe Groot: De Bever-zaak is niet gestopt.

De heerDe Graaf: Het tactisch onderzoek is niet gestopt?

De heerDe Groot: Wij zijn nog steeds met de Bever-zaak bezig, zij het op een andere wijze.

De heerDe Graaf: Op een andere wijze? Niet meer via deze methode?

De heerDe Groot: Nee, niet meer via deze methode.

De heerDe Graaf: U heeft nog steeds goede hoop dat het een goede afloop krijgt?

De heerDe Groot: Ja, want anders zouden wij helemaal gezegd hebben dat er niks meer gedaan moest worden. Wij proberen er in ieder geval nog iets van te maken.1

3.9 Gooi en Vechtstreek

3.9.1 Doorgelaten containers Gooi en Vechtstreek

Uit het onderzoek van de commissie blijkt dat de politieregio Gooi en Vechtstreek verschillende malen betrokken is geweest bij gecontroleerde afleveringen. De drugs zouden wel steeds in beslag zijn genomen. CID-chef Van der Putten vertrok van de politie Dordrecht naar de politie Gooi en Vechtstreek. Van der Putten introduceerde FIOD-medewerker De Jongh bij de CID Gooi en Vechtstreek. Voor de activiteiten van De Jongh voor Gooi en Vechtstreek is een convenant afgesloten tussen de FIOD en de politie Gooi en Vechtstreek.

Het OM zou voor deze gecontroleerde afleveringen toestemming hebben gegeven. Het is echter onduidelijk of toenmalig CID-officier van justitie Van der Kerk ook op de hoogte is gesteld van de rol van de politie. De commissie heeft verschillende voorbeelden aangetroffen in de regio Gooi en Vechtstreek van het gebruik van deze methode.

Informant

In september 1994 werd een container met 11.000 kilo softdrugs via een gecontroleerd traject binnengebracht en in beslag genomen. Daarbij is een vergelijkbare methode gehanteerd als hiervoor is beschreven. Een criminele organisatie heeft een informant benaderd om een partij van ongeveer 10.000 kilo «binnen te trekken». De informant zou daarvoor de beschikking krijgen over de bill of lading. Een andere informant zou met hulp van de politie de drugs naar een loods vervoeren, waarna de politie de drugs verder zou verspreiden naar de adressen die de criminele organisatie zou opgeven.

De regio Gooi en Vechtstreek runde deze informant zelf. De RCID Kennemerland verleende echter ook hand- en spandiensten bij de uitvoering van de methode in Gooi en Vechtstreek. Gezien problemen met de sturing van de informant, heeft de RCID Gooi en Vechtstsreek verder afgezien van gebruik van deze informant.

Zaak 17.000 kilo In een zaak zou volgens een informant een container met 5.000 kilo marihuana binnenkomen. Gaandeweg het traject werd door de informant gemeld dat het niet om 5.000 kilo, maar om 17.500 kilo zou gaan. Op 18 oktober 1994 is uiteindelijk een hoeveelheid van 17.000 kilo in beslag genomen. Voorzover bekend is de rol van de informant beperkt gebleven tot het afgeven aan de politie van een bill of lading. De informant heeft vermoedelijk geen rol gespeeld bij het transport van de drugs uit het verzendland en evenmin bij de totstandkoming van het notify-adres.

De politie van Gooi en Vechtstreek heeft het OM Amsterdam gevraagd een deel van de 17.000 kilo door te laten. In een brief van mei 1995 stelt Bijlsma, hoofd recherche Hilversum, dat vanwege de veiligheid van de informant drugs moeten worden doorgelaten. De heerVrakking: Daarin schrijft een politieman: wij beschikken over informatie, wij moeten een bepaald traject in, doet u dat niet, dan zullen wij die informatie teruggeven aan de crimineel en dan moet u ervan uitgaan dat de container in het milieu terechtkomt. Dat staat er. (...)

Devoorzitter: Dit impliceert, schrijft de heer Bijlsma, dat er sterk rekening mee gehouden moet worden dat circa zeventien ton softdrugs op de Nederlandse markt zal komen.

De heerVrakking: Ja.

Devoorzitter: Er komen natuurlijk meer softdrugs op de markt waar wij geen zicht op hebben.

De heerVrakking: Wat daar staat is: ga met die informant in zee, want anders komt het op de markt.

Devoorzitter: En dat vindt u onaanvaardbaar?

De heerVrakking: Ja, als je die vrachtbrief hebt, zeg je tegen de informant «goedendag» en je belt door waar de container staat. Dan ga je dat ding toch niet teruggeven?

De heerRabbae: Vindt u dit een soort chantage?

De heerVrakking: Ja.1

In deze zaak kon de informant de financiering niet realiseren, waarna met toestemming van het OM door de politie Gooi en Vechtstreek een bedrag van 28.000 gulden ter beschikking werd gesteld voor opslag en transport. CID-officier van justitie Van der Kerk heeft hiervoor toestemming gegeven.

3.9.2 Zaken en banden

5.000 kilo zaak

De politieregio's Gooi en Vechtstreek en Flevoland deden een onderzoek naar de criminele organisatie V. In dit onderzoek werd gebruik gemaakt van een informant, die informatie leverde over verschillende drugtransporten. Daarbij werden verschillende partijen drugs in beslag genomen.

Op 19 april 1995 spraken CID Gooi en Vechtstreek en het OM Amsterdam over een nieuw onderzoek. In deze bijeenkomst, waar CID-chef Van der Putten en CID-officier Valente aanwezig waren, is volgens Van der Putten het volgende afgesproken:

De heerVan der Putten: Dat wij een loods zouden huren, dat wij zouden zorgen dat de container binnengehaald zou worden, dat wij de container over zouden nemen op een bepaalde plaats, dat wij met die container naar een loods zouden rijden, dat wij de handel over zouden pakken en dat de handel in een bestelbus uitgereden zou worden. Daarbij moesten wij de desbetreffende informanten sturen om een ander gerealiseerd te krijgen.2

Op 24 april 1995 had in Naarden overleg plaats tussen CID-officier van justitie Valente, CID-chef Van der Putten en de CID-medewerkers Lijnschoten en Dorst. Er werd een presentatie gegeven van de voortgang van het onderzoek. Tevens werd overleg gevoerd over nieuwe trajecten, waaronder een traject van 5.000 kilo softdrugs uit Pakistan. Valente gaf toestemming aan de CID om de container te laten binnenhalen en overpakken in een door de CID gehuurde loods en vervolgens «tactisch uit te rijden». Op een geschikt moment zouden de drugs in beslag genomen worden. Op die manier kon de informant afdoende afgeschermd worden.

Het inklaren bij de douane, het vrijstellen bij de rederij, het transport vanuit de haven en het huren van een loods zouden worden gefinancierd door de informant met criminele gelden. Van der Putten stelde Valente daarvan op de hoogte.1 Valente ging akkoord met het feit dat de criminele organisatie deze loods zou betalen. Valente stelt echter niet op de hoogte te zijn geweest van de verdiensten van de informant.2

Op 26 april, tijdens een bijeenkomst te Bussum in een restaurant, werd nogmaals gesproken over de 5.000 kilo softdrugs. Valente deelde tijdens de bespreking nogmaals mee dat inbeslagneming van de drugs uitgangspunt moest blijven. Valente zou tegen Van der Putten hebben gezegd dat hij de zaak had besproken met hoofdofficier Vrakking.

In zijn tweede verhoor stelt Valente echter dat hij op een dag voor de bijeenkomst in Bussum besefte dat hij in een Delta-achtig traject was terecht gekomen en dat hij het traject wilde stoppen. Hij kreeg van de hoofdofficier de opdracht de situatie in Gooi en Vechtstreek te onderzoeken. Valente liet naar eigen zeggen Van der Putten nog even in de waan om te bezien of hij nog meer informatie kon krijgen voor zijn eigen onderzoek naar de situatie in Gooi en Vechtstreek.3

Banden

Uit het openbare verhoor van Van der Putten is duidelijk geworden dat hij alle telefonische contacten op een cassetteband opnam zonder dat zijn gesprekspartners hiervan op de hoogte waren.

De heerDe Graaf: Mijnheer Van der Putten, is het niet uiterst raar dat u een gesprek met degene die gezag over u uitoefent, van het openbaar ministerie, opneemt zonder dat de ander dat weet? Dat is toch niet de normale verhouding?

De heerVan der Putten: Ik heb dat al jaren gedaan. Ze hebben nu tegen mij gezegd dat dat een soort plichtsverzuim is. Ik zie het eerder als plichtsbesef. Ik heb alles heel nauwkeurig vastgelegd. Normaliter is er verder niets mee aan de hand, want dan worden alle banden gedemagnetiseerd. Maar nu is er wel iets aan de hand.

Devoorzitter: Maar is het niet zo dat u met de officier iets anders omgaat dan met een mogelijke verdachte, op wie u een politie-infiltrant afstuurt en die afgeluisterd mag worden met medeweten van een van de deelnemers aan dat gesprek?

De heerVan der Putten: Mijnheer Van Traa, ik denk dat wij moeten voorkomen om te stellen dat het allemaal geënt is geweest op de officieren van justitie, want er staan ook collega's op; er staan meerdere mensen op.

Devoorzitter: Maar is het niet normaal in het werkverkeer dat je dat zegt? Een man die dat niet deed, was president Nixon: die liet ook alles opnemen wat er maar gezegd werd. Daar liep het uiteindelijk niet goed mee af.

De heerVan der Putten: Ik heb daar niet geheimzinnig over gedaan, zeker niet op de afdeling. Maar als men dit nu heel vreemd vindt, ja, dan wil ik wel...

Devoorzitter: Ik belde u laatst op. Heeft u dat ook opgenomen?

De heerVan der Putten: Dat heb ik niet opgenomen.

Devoorzitter: Het zou kunnen zijn.

De heerDe Graaf: Maar de officier van justitie wel. Uw collega's weten het wel, maar de officier van justitie niet.

De heerVan der Putten: Nee.

De heerDe Graaf: En dat al jaren, dus niet alleen die ene officier van justitie, de heer Valente, maar ook zijn collega's?

De heerVan der Putten: Nu, jaren... Als ik een actie draai, dan neem ik meestal de gesprekken op.4

De commissie heeft de beschikking gekregen over enkele van deze banden. Van der Putten achtte het noodzakelijk deze gesprekken op te nemen om later te kunnen verdedigen welke beslissingen genomen zijn. Van der Putten stelt in zijn verhoor van 27 oktober 1995 dat hij de gesprekken heeft opgenomen uit zorgvuldigheid.

Devoorzitter: Waarom heeft u niet gewoon aan gemeld aan de officieren, luister eens, dit doe ik?

De heerVan der Putten: Ja, ik heb er niet bij stilgestaan om dat te melden. Dat is gewoon in een automatisch traject gegaan. (...).1

Valente verklaarde in zijn verhoor dat hij het opnemen van deze gesprekken niet aanvaardbaar vindt.2

In een opgenomen gesprek van Van der Putten en Valente op 27 april zei Valente geen zaaksofficier ter beschikking te hebben voor het traject van de 5.000 kilo. Volgens Valente paste het traject in geen van de tactische onderzoeken. Van der Putten stelde daartegenover dat het CID-traject paste in een tactisch onderzoek van zaaksofficier Teeven. Valente was het daar niet mee eens. Hij wilde dat het traject gestopt werd. Een duidelijke afspraak dat het traject gestopt zou moeten worden is echter niet terug te vinden op de banden. Inmiddels waren de loodsen al gehuurd door de CID.

Van der Putten had tevens telefonisch contact met voormalig CID-officier Van der Kerk om te bezien of Valente niet onjuist handelde. Van der Kerk adviseerde Van der Putten contact op te nemen met Brilman, de nieuwe CID-officier in Amsterdam. Van der Putten stelt in zijn verhoor dat communicatiestoornissen binnen het Amsterdamse parket ertoe hebben geleid dat uiteindelijk de toestemming voor de methode werd ingetrokken.

In een telefoongesprek van 1 mei 1995 over een ander onderzoek (Midden-Nederland traject) tussen Van der Putten en Valente gaf Valente aan dat hij geen vergaande trajecten met informanten wilde:

Ik wil niet dat informanten misdrijven plegen. Ik heb geen vertrouwen in dat traject en ik heb op het ogenblik een hele harde lijn en dat is mijn informanten plegen geen misdrijven.3

Eerder had Valente in ditzelfde onderzoek wel toestemming gegeven. Valente had ermee ingestemd dat de informant periodiek als chauffeur een transport softdrugs zou rijden voor een criminele organisatie. Nadat hij meer informatie had verkregen over de activiteiten van de informant besloot hij de zaak niet door te laten gaan.4

De heerValente: Wat u krijgt, is een blik in mijn afwegingen. U krijgt via gesprekken en de stukken gewoon inzicht in het feit dat ik ook wankel. Uiteindelijk kom ik toch op mijn pootjes terecht. Dat kunt u niet ontkennen. Ik doe het niet en u kunt niet hard maken dat ik het wel doe.5

Feitelijke uitvoering methode

CID Gooi en Vechtstreek heeft in mei 1995 daadwerkelijk de volgende activiteiten verricht. De criminele organisatie zorgde voor de inklaring van de container en tevens voor transport naar een neutrale plaats, zoals een parkeerplaats. Daarvandaan werd de container door een gewoon transportbedrijf, dat door de politie was ingehuurd, overgebracht naar de politieloods. Vanuit de politieloods is een gedeelte van de partij door een politiechauffeur overgedragen aan de criminele groepering. Het resterende deel is in beslag genomen zonder dat overdracht aan de criminele organisatie had plaatsgevonden en zonder dat aanhoudingen zijn verricht. De huur van de loods en de kosten voor het inhuren van het transportbedrijf zijn betaald met crimineel geld, dat via de informanten van de criminele groepering aan de politie werd gegeven.

Op 16 mei 1995 komt Valente aan de weet dat Van der Putten een bedrag van 50.000 gulden van een informant heeft aangenomen voor de huur van een loods voor zes maanden. Van der Putten zou nooit melding hebben gemaakt van het feit dat de RCID een zo groot bedrag had ontvangen. Van der Putten stelt dat hij dit wel gemeld heeft.6

Valente en Teeven stellen dat zij niet op de hoogte waren van het feit dat de informanten de criminele winsten mochten behouden. Van der Putten stelt expliciet dat hij Valente heeft ingelicht over de verdiensten van de informanten. In de zaak van de 5.000 kilo zou de informant fl. 250,– per kilogram krijgen.

In verschillende onderzoeken in Gooi en Vechtstreek is volgens Valente en Teeven gebruik gemaakt van informanten die tevens in het Delta-onderzoek en het Bever-onderzoek actief zijn geweest. De CID-officier was in beide gevallen niet op de hoogte. De chef CID Gooi en Vechtstreek Van der Putten was hiervan wel op de hoogte, volgens Teeven en Valente. Van der Putten ontkent dit. Van der Putten erkent dat hij een chauffeur heeft gebruikt die tevens een rol speelde in het IRT-onderzoek en dat hij het OM daarvan niet op de hoogte heeft gesteld.1 De informanten zouden niet geregistreerd zijn in Gooi en Vechtstreek. Van der Putten ontkent dit en stelt dat de informanten in ieder geval steeds bij de CID Gooi en Vechtstreek of bij CID Kennemerland waren ingeschreven.

In Gooi en Vechtstreek heeft de CID bemoeienis gehad met criminele gelden. Zo verklaarde Van der Putten in zijn verhoor dat in de periode 1991–1992 door een CID-rechercheur gelden naar leden van een criminele organisatie werden overgemaakt. De criminele organisatie vroeg een informant dat te doen. Omdat de CID Dordrecht de identiteit van de informant wilde beschermen werd door de CID het geld overgemaakt. De CID ontving het geld van de informant, die het had verkregen van de criminele organisatie. Het ging steeds om enkele duizenden dollars.2

3.9.3 Onderzoek van de CID door het openbaar ministerie

Op 1 mei 1995 bleek uit onderzoek van zaaksofficier Teeven en CID-officier Valente dat de container van de 5.000 kilo onder de aandacht van de NCID was gebracht. De beide officieren stelden tevens vast dat de container «qua modus operandi, afzender en coverlading» geheel overeenkwam met een container uit een Delta-traject. Teeven en Valente stellen dat Van der Putten hen daarover nooit heeft ingelicht.

De officieren van justitie Teeven en Valente kregen argwaan na een bespreking met CID-chef Van der Putten over het gecontroleerd afleveren van een container softdrugs. Het afzendadres bleek eerder te zijn gebruikt. Beide officieren kregen het idee dat de CID-chef hen onvoldoende had ingelicht over de rol van informanten/infiltranten. Valente en Teeven begonnen een eigen onderzoek (zie voor algemene resultaten hierboven). Het bleek niet mogelijk van alle containers de herkomst en de aflevering te traceren. De archivering van de doorgelaten containers was zeer gebrekkig.

Mede naar aanleiding van deze gebeurtenissen kregen de officieren van justitie Teeven en Valente de opdracht van hoofdofficier Vrakking om ten behoeve van het rijksrecherche-onderzoek een analyse te maken van transporten verdovende middelen over de periode april 1992 tot en met mei 1995. Vrakking meende dat de 'smeerpijp« van de Delta-methode nu in Gooi en Vechtstreek was neergelegd.3

Uit het onderzoek van de officieren Teeven en Valente komen vele gegevens die nu worden beoordeeld door de rijksrecherche.4 In het voorgaande zijn de resultaten van het onderzoek verwerkt.

Op 4 juli resulteerde het onderzoek van Teeven en Valente in een rapport waarin zij stelden dat het vertrouwen tussen RCID-chef Van der Putten en het Amsterdamse OM ontbrak vanwege:

1. bewuste onvolledige en onjuiste voorlichting van het OM door Van der Putten in de periode van februari 1994 tot heden,

2 het onder verantwoordelijkheid van het hoofd RCID laten verrichten van infiltratie-activiteiten door informanten zonder vooroverleg met het OM (...),

3 het aangaan van financiële afspraken met een informant zonder voorafgaande toestemming van het OM,

4 het overnemen van informanten van andere RCID-en zonder voorafgaande toestemming van het OM terwijl het hoofd RCID bekend was met het feit dat hier sprake was van risico-informanten in relatie tot de Delta en Bever projecten.1

Teeven en Valente achtten het niet meer mogelijk de CID Gooi en Vechtstreek te laten leiden door Van der Putten.

Devoorzitter: U heeft een conflict gekregen met de chef van de Criminele inlichtingendienst in de regio Gooi en Vechtstreek.

De heerValente: Ik heb geen conflict met de chef van de inlichtingendienst. Het is zo dat ik het oneens ben met de wijze waarop deze inlichtingendienst heeft gefunctioneerd jegens het openbaar ministerie. Er is niets persoonlijks. Het is niet zo dat ik iets tegen de persoon heb. Er is alleen gebrekkige informatie gegeven aan het openbaar ministerie. Er is soms een beeld gegeven dat niet volledig was. Mijn grootste probleem was op een gegeven moment niet zozeer de informatie in de tijd dat ik CID-officier was, maar de informatie in de tijd dat mijn voorganger, Van der Kerk, CID-officier was. Bij nader onderzoek is mij gebleken dat in twee trajecten gebruik is gemaakt van infiltranten, terwijl de heer Van der Kerk zegt dat hij over de daadwerkelijke persoon van de infiltrant niet is ingelicht.

Devoorzitter: Niet is ingelicht of te laat is ingelicht?

De heerValente: Nee, over de personen is hij niet ingelicht.2

Na deze vertrouwensbreuk werd Van der Putten door de korpsleiding overgeplaatst naar de vreemdelingenpolitie, waar hij als chef zou optreden. Na overleg tussen Van der Putten en de korpsleiding is deze overplaatsing van de baan en blijft hij op non-actief in afwachting van een een onafhankelijk onderzoek naar de gebeurtenissen.

3.9.4 Stopzetten onderzoeken

In de politieregio Gooi en Vechtstreek zijn in de zomer van 1995 twee onderzoeken stopgezet. De CID Gooi en Vechtstreek kon naar het oordeel van het OM Amsterdam onvoldoende duidelijk maken welke methoden in deze onderzoeken waren gebruikt. Aangezien het OM Amsterdam geen risico wilde nemen, besloot het de onderzoeken stop te zetten.

De heerDe Graaf: Goed. Een onderzoek dat in samenwerking met of mede onder verantwoordelijkheid van het kernteam Amsterdam liep, is recentelijk stopgezet in verband met het runnen van informanten door een andere regio. De Kamer heeft daarover een brief gehad van de minister van Justitie, mede naar aanleiding van vragen uit de Kamer. Dat betrof dus een onderzoek waar u mee te maken had. Kunt u ons daarover iets meer vertellen?

De heerWoelders: Ja, dat kan. November vorig jaar is binnen de groep van de heer Behling de principebeslissing genomen dat wij een onderzoek zouden krijgen dat is voorbereid in een andere regio. Dat zou operationeel naar het kernteam toe moeten.

Devoorzitter: In welke regio was dat voorbereid.

De heerWoelders: Gooi en Vechtstreek. Het heeft er feitelijk toe geleid dat wij er inhoudelijk naar hebben gekeken en, ook gezien de opbouw van het kernteam, hebben gezegd: met ingang van januari kan de informatie naar onze CID toe komen; daar kunnen wij controleren of die informatie klopt en bekijken of wij informatieposities verder kunnen uitbreiden; met ingang van 1 juli 1995 wordt het onderzoek operationeel, dan gaan wij er tactisch mee aan de gang. Dat had ook te maken met de opbouw van het kernteam, het operationeel worden en het opleiden van mensen. Wij hebben die informatie gekregen middels een inhoudelijk proces-verbaal. Daarin stond wat de doelgroep inhield, wat ze deden en waar zij van verdacht werden. Op zich was dat een keurig verbaal. Het was alleen net in de periode dat op het gebied van methodieken, met name in de zaak-Z., wat meer dingen helder zijn geworden. Toen is binnen Amsterdam met de heer Valente afgesproken, dat er bij elke start van een onderzoek in een grote zaak, los van de inhoud van CID-informatie, een methodieken-proces-verbaal komt waarin staat welke methoden zijn toegepast.

Devoorzitter: Dus dat was de les uit de zaak-Z.

De heerWoelders: Ja. Wij hebben toen aan de desbetreffende CID om dat methodieken-proces-verbaal gevraagd. Het heeft een maand of drie, vier geduurd voordat wij dat kregen. Daar is een aantal telefoontjes overheen gegaan. Uiteindelijk heb ik met de desbetreffende collega-recherchechef daar gebeld en uiteindelijk hebben wij dat proces-verbaal gekregen.

De heerDe Graaf: De collega-recherchechef of de CID-chef?

De heerWoelders: Er is in eerste instantie contact geweest tussen mijn CID-chef en hun CID-chef. Toen wij het na een paar maanden niet kregen, heb ik zijn baas gebeld en gezegd: dat is de afspraak, ik wil dat verbaal alsnog, want anders kan ik niet starten met het onderzoek. Dat verbaal heb ik gehad, maar het was zeer summier: een regeltje of vijf, zes. Ik heb dat neergelegd bij de toenmalige CID-officier, de heer Valente. Ik heb toen gezegd: ik wil van jullie het fiat hebben of ik op grond van dit verbaal met het onderzoek kan starten of niet. Daar is toen binnen het OM een onderzoek naar gestart. Dat heeft enige maanden geduurd. Dat heeft er in ieder geval toe geleid dat wij in juli niet tactisch aan de gang mochten met dat onderzoek. Uiteindelijk is, denk ik, in augustus door de hoofdofficier – ik dacht zelfs in overleg met de minister – beslist dat het onderzoek niet inhoudelijk gestart kon worden. Dat had te maken met met name de wijze waarop daar toentertijd informanten zijn gerund en met de vraag of dat gemeld was.

Devoorzitter: Waar gemeld?

De heerWoelders: Bij de desbetreffende officier van justitie.

Devoorzitter: Maar er is blijkbaar verschil van mening tussen Gooi en Vechtstreek en Amsterdam over de precieze reden van het niet doorzetten van die zaken.

De heerWoelders: Dan doelt u op het verschil van mening tussen het OM Amsterdam en de regio.

Devoorzitter: Ja, want daar hebben wij over gelezen.

De heerWoelders: Ik ben niet inhoudelijk in die discussie betrokken. Ik ben er wel van op de hoogte geweest. Ik weet dat Gooi en Vechtstreek zegt: die achtergrond is gewoon goed, er is niks mee aan de hand. Aan de kant van het OM zegt men: er is wel het een en ander mee aan de hand; wij zien straks op de zitting dusdanige risico's, dat wij die op voorhand niet willen lopen, dus wij leggen het onderzoek stil.

De heerDe Graaf: Heeft u zich daarover ook geen oordeel gevormd, omdat u er onvoldoende kennis van heeft? Wij zullen dat dan met andere mensen moeten opnemen, want u bent er zelf niet over gegaan. Maar als u er een oordeel over heeft, dan horen wij dat graag.

De heerWoelders: Ik heb daar wel een oordeel over. Als er bij het OM uiteindelijk twijfel is over de achtergrond van de informatie en daar kennelijk niet volledig helder is hoe dingen zijn gegaan, dan kun je het onderzoek tactisch niet starten. Dan zou je immers de ellende over je heen trekken als je straks op de zitting komt. Het moet volkomen transparant zijn hoe je een onderzoek start: het moet rechtmatig zijn en het moet getoetst zijn. Op het moment dat degene die hier toetst, in dit geval justitie, vindt dat het niet kan, moet je er niet aan beginnen. Of er rare dingen gebeurd zijn, weet ik dus niet. Maar het is kennelijk niet helder. En dan moet je er dus niet aan beginnen.1

Het eerste onderzoek werd stopgezet omdat het OM Amsterdam van mening was dat de informant in dit onderzoek een te groot risico vormde voor het onderzoek.

Het tweede stopgezette onderzoek richtte zich op ex-medewerkers van Bruinsma. In oktober 1994 werd getracht een deel van het onderzoek te laten uitvoeren door het kernteam Amsterdam. Op 20 januari 1995 werd op het verzoek van het kernteam het dossier overgedragen. Op 9 mei 1995 stuurde Van der Putten een kort proces-verbaal waarin hij meldde dat geen bijzondere opsporingsmethoden waren gebruikt.2 De CID-officier van justitie achtte de aangeleverde informatie over de gebruikte methoden onvoldoende en vroeg om nadere informatie. In een proces-verbaal van 12 juni 1995 gaf CID-chef Van der Putten nadere informatie. In dit proces-verbaal vermeldde Van der Putten dat in het onderzoek geen infiltratie-acties en geen trajecten hadden plaatsgehad met informanten die tot inbeslagneming en aanhoudingen hadden geleid.1 Het proces-verbaal was voor het OM Amsterdam onvoldoende. Het OM Amsterdam besloot vervolgens het onderzoek stop te zetten. De processen-verbaal gaven volgens het OM Amsterdam een minieme aanduiding van de gebruikte methoden. In het onderzoek werd gebruik gemaakt van informanten en van pogingen tot gecontroleerde afleveringen.

Devoorzitter: Ook hebben wij vernomen, zowel door antwoorden van de minister op kamervragen als uit de pers, dat twee onderzoeken gestaakt zijn. Daar heeft de heer Woelders ook over gesproken.

De heerValente: Ja.

Devoorzitter: Mede blijkbaar door het volgens het parket Amsterdam niet voldoende zijn van de informatie die uit de CID Gooi en Vechtstreek kwam.

De heerValente: Dat is juist, hoewel ik niet... Ik kan er niet veel over zeggen, in de zin, zoals u ook kunt lezen in het ambtsbericht van de hoofdofficier, dat voor de objectiviteit, nadat de heer Teeven en ik een deel van het onderzoek hebben verricht, twee andere officieren ermee zijn belast om na te gaan of de twee onderzoeken die in aanloop waren, wel voldeden aan de eis. Naar de inhoud van een onderzoek heb ik niet gekeken. Naar het andere onderzoek heb ik wel gekeken. Ik heb de hoofdofficier medegedeeld dat, indien ik als CID-officier opgeroepen zou worden om als getuige te verschijnen – een deel van het onderzoek is gedeeltelijk onder mijn verantwoordelijk voorbereid – ik tegen de rechter zou moeten zeggen dat ik niet de zekerheid kon geven dat er geen sprake was van infiltratie in die zaak.

Devoorzitter: Maar dat had wellicht toch gewoon gevraagd kunnen worden aan de CID Gooi en Vechtstreek? Het probleem was ook dat er blijkbaar twee processen-verbaal van methodieken waren. Het ene waarover de heer Woelders het heeft gehad en dat vanuit de Gooi en Vechtstreek op 9 mei is binnengekomen. Het andere is van juni, dat weer iets uitgebreider is. Heeft u daar kennis van?

De heerValente: Ja. Dat proces-verbaal heb ik ook gezien.

Devoorzitter: Maar dat vond u niet voldoende?

De heerValente: Ik vond het niet voldoende, in de zin dat ik de onderliggende stukken graag wilde hebben. Die heb ik allemaal niet gehad. Toen is mijn opvolger Brilman verder doorgegaan en die heeft ook alle onderliggende stukken gekregen. Kennelijk heeft hij zelf in dat onderzoek de conclusie getrokken dat het niet voldeed aan de normen, om het zo maar te stellen.

Devoorzitter: Het is toch een dramatische beslissing om iets te stoppen, waarin klaarblijkelijk veel werk is geïnvesteerd?

De heerValente: Het is beter nu dan later. Als ik kijk naar onderzoeken elders in het land die in een veel later stadium van onderzoek zijn stopgezet, denk ik dat het verstandiger is om in de aanlooptijd... Het is juist dat het op zichzelf dramatisch is, maar u moet ook bedenken dat het opbouwen van een onderzoek verschillende beleidsmomenten kent. Een van die beleidsmomenten is de beslissing of je overgaat naar de volgende fase. Voordat je die beslissing neemt – dat is inderdaad iets wat na het arrest van het hof in de zaak Zwolsman mede door mij is ingevoerd -moet je ook kijken naar de gebruikte methodieken. Die methodieken zijn gewogen en kennelijk heeft de hoofdofficier na advies van verschillende officieren van justitie – bij mijn weten zijn er vier bij betrokken geweest, inclusief mijn persoon – en nadat hij ook met de korpschef had gesproken, besloten een eind aan het onderzoek te maken. Ik heb begrepen uit het ambtsbericht dat een onderzoek nog doorgaat, maar dat kunt u beter aan de mensen vragen die na mijn tijd in het Amsterdamse bezig zijn.2

Devoorzitter: Dat begrijp ik wel, maar wij moeten gewoon constateren dat door een verschil van mening dergelijke onderzoeken stopgezet worden.

De heerVan der Putten: Ik zou dat niet doen.

Devoorzitter: Het is een feit dat u niet tot overeenstemming komt met het kernteam Amsterdam en de CID van dat kernteam.

De heerVan der Putten: Er is nooit meer iets gevraagd over een methodieken-proces-verbaal. Ik heb er twee ingeleverd.

Devoorzitter: De heer Woelders heeft hier in zijn verhoor verklaard dat hij het verschillende keren aan u gevraagd heeft en dat het maar steeds niet kwam. Hij zegt: in mei komt er iets van vier regels en dat was ons onvoldoende. Daarna, op 12 juni, schrijft u inderdaad een langer verhaal.

De heerVan der Putten: En daarna heb ik niets meer gehoord.

Devoorzitter: Maar toen was het u toch al tig keer gevraagd?

De heerVan der Putten: Toen heb ik het ook aangeleverd.

De heerKoekkoek: Had u het desgewenst nog veel uitvoeriger kunnen maken en kunnen aankleden?

De heerVan der Putten: Het tweede proces-verbaal heb ik er al uit moeten persen, want ik heb niet meer: ik heb echt niet meer.

De heerKoekkoek: Is dat niet vreemd: u hebt een aantal mappen, heel veel informatie, en er komt een proces-verbaal van één A-viertje uit?

De heerVan der Putten: Nee, zo werkt het niet, mijnheer Koekkoek. Er is een ander proces-verbaal aan voorafgegaan. Zij hebben dus al een proces-verbaal gehad. Dan geef ik nog een keer de mappen die ten grondslag hebben gelegen aan dat proces-verbaal, en dan geef ik nog een keer twee methodieken-processen-verbaal.

De heerKoekkoek: Maar had dat methodieken-proces-verbaal nog meer aangekleed kunnen worden of kon u er niet meer uit persen?

De heerVan der Putten: Nee, ik zou niet weten wat.1

3.10 Verdiensten en criminele gelden

3.10.1 Verdiensten

Tijdens het onderzoek stuitte de commissie op het feit dat informanten de gelden die zij verdienden met het binnenhalen van de containers mochten behouden. De criminele organisaties betaalden de informanten voor het binnenhalen van de containers. Eén informant heeft de commissie meegedeeld dat hij per container gemiddeld 1 miljoen gulden verdiende. Dit geld behoefden de informanten niet af te dragen aan de politie. Verschillende informanten hebben vele miljoenen guldens verdiend aan deze activiteiten. De informanten moesten wel zorgdragen voor het huren van een loods, de benodigde papieren en het betalen van de chauffeur. De informant gaf het geld voor deze betalingen aan de politie, die vervolgens de betalingen verrichtte.

Devoorzitter: Als wij spreken over 45 ton, die er volgens de laatste telling doorheen is gegaan, waar praten wij dan over?

De heerSnijders: Dat is koffiedik kijken. Het is mij bekend dat informanten zo'n 8 mln. bruto hebben verdiend.

Devoorzitter: Betekenen die grote bedragen dat zij de zaak in feite gerund hebben?

De heerSnijders: Dat waren in ieder geval de revenuen en zij hadden er erg veel belang bij dat het zo ging als zij wensten. Dat hebben wij bij die informant ook vast kunnen stellen.2

Devoorzitter: Had u in uw hoofd hoeveel geld de criminelen daarmee eventueel konden verdienen? Had u daaraan een grens gesteld?

De heerVan Vondel: Dat was voor mij van geen enkel belang.

Devoorzitter: Van geen belang?

De heerVan Vondel: Nee, dat was voor mij van geen belang.

Devoorzitter: Dat criminelen er mede doordat de politie meewerkt, indirect c.q. direct, veel geld kunnen verdienen, was ook niet van belang?

De heerVan Vondel: Nee. In mijn visie moesten wij zorgvuldig omgaan met het gekozen middel en kon er voor de doelstelling – het onderuit halen van die mafia-organisatie – veel wijken.3

De verdiensten van de informanten voor het binnenhalen van de containers werden niet afgedragen aan politie en justitie.

Devoorzitter: Mijn opmerking was dat wat er uiteindelijk mee verdiend is door informanten, veel meer is geweest dan de tip-, toon- en voorkoopregeling ooit had kunnen goedmaken.

De heerVan Vondel: Ja, dat is correct.(...)

Devoorzitter: Sommige informanten hebben er toch miljoenen mee verdiend?

De heerVan Vondel: Ja, dat is ook correct.

Devoorzitter: Dat zijn toch bedragen die wij niet in de tip-, toon- en voorkoopregeling tegenkomen of bij de f.500 aanmoedigingspremie voor iemand die u als informant iets vertelt over een gestolen huisbrandkachel?

De heerVan Vondel: Ja, dat is mij bekend. Dat ligt ook heel anders.

De heerDe Graaf: Bent u ervan overtuigd dat, als het openbaar ministerie wel met uw stelling akkoord was gegaan, de betrokken informanten u precies hadden verteld hoe groot hun winst was en die dan ook volledig hadden afgedragen?

De heerVan Vondel: Laat ik zeggen dat ik daar vertrouwen in had.1

3.10.2 Gebruik criminele gelden

De commissie heeft geconstateerd dat de politie enkele malen gebruik heeft gemaakt van criminele gelden om delen van de methode te financieren. Zo werd de huur van de loods veelal betaald door de informant met criminele gelden. In enkele gevallen is gebleken dat ook kosten voor de oprichting van coverbedrijven met deze gelden zijn betaald. Het inklaren van de goederen en de betalingen van de chauffeur kwamen tevens voor rekening van de informant die deze kosten betaalde met crimineel geld. Op deze manier werd met crimineel geld de methode gefinancierd.

Devoorzitter: De financiering van dat hele traject kost natuurlijk geld.

De heerLangendoen: Dat is duidelijk.

Devoorzitter: Wat voor geld gebruikt u daarvoor als politie?

De heerLangendoen: Daarvoor wordt crimineel geld aangewend, dus geld afkomstig van een criminele organisatie.

Devoorzitter: Waar gebruikt u dat geld van die criminele organisatie voor?

De heerLangendoen: Voor het realiseren van de dingen die u zojuist noemde, namelijk vervoer en loods.

Devoorzitter: En eventueel ook automobielen?

De heerLangendoen: Eventueel, ja.

De heerDe Graaf: Hebt u materiaal aangeschaft met dat geld?

De heerLangendoen: Er is met dat geld materiaal aangeschaft.

Devoorzitter: Is het niet vreemd dat de politie crimineel geld gebruikt om materiaal en communicatiemiddelen aan te schaffen?

De heerLangendoen: Dat is nieuw, denk ik.

Devoorzitter: Is het nou zo dat daar ook die burgerchauffeur in de haven van betaald wordt?

De heerLangendoen: Ook dat is juist.2

De commissie constateert tevens dat de CID Kennemerland met criminele gelden auto's en telefoons aanschafte.

De heerKoekkoek: Ontving u dat geld?

De heerVan Vondel: Ik ontving dat geld.

Devoorzitter: Hoeveel geld?

De heerVan Vondel: Veel geld.

Devoorzitter: Is het door uw vingers gegaan?

De heerVan Vondel: Geld is mij feitelijk door de handen gegaan.

Devoorzitter: Hoeveel geld?

De heerVan Vondel: Tonnen.

Devoorzitter: Waar legde u dat dan neer? Onder uw hoofdkussen? Waar ging dat geld naartoe? Of is ook dat geheim?

De heerVan Vondel: Ik heb uitgelegd dat wij voor de uitvoering van dat middel gereedschappen nodig hadden. Die gereedschappen zijn betaald. Ik kreeg het geld in de hand en betaalde het gereedschap. That's it. U moet het niet zien alsof ik een of andere pot heb aangelegd. Als er geld nodig was, werd dat gemeld. Dan kwam het geld op tafel en betaalde ik de kosten.

Devoorzitter: Dus het geld was er op afroep?

De heerVan Vondel: Ja.

De heerKoekkoek: Van de informant?

De heerVan Vondel: Van informanten.

Devoorzitter: Daarmee werd u toch nog extra afhankelijk van die informanten? U had toch beter naar mijnheer Straver kunnen lopen en kunnen zeggen: ik heb een auto nodig, of een telefoon?

De heerVan Vondel: De afspraak is gemaakt om het doel te bereiken en het zo te doen. Dan heb ik er verder geen probleem mee.

De heerDe Graaf: Waren alle dingen die zijn aangeschaft, voor die specifieke methode dringend noodzakelijk?

De heerVan Vondel: Die waren enkel en alleen voor die specifieke actie.1

Slechts enkele medewerkers van de CID waren op de hoogte van het feit dat informanten de criminele gelden mochten behouden. Ook de meeste officieren van justitie waren daarvan niet op de hoogte. Slechts een enkeling binnen de CID wist dat met criminele gelden opsporingsactiviteiten en -middelen werden gefinancierd. Enkele honderduizenden guldens zijn hiermee gemoeid in Kennemerland. CID-chef Langendoen heeft een soort kasboek aangelegd van deze betalingen. Het kasboek was alleen bekend bij Langendoen, Van Vondel en De Jongh. Noch de korpsleiding, noch de officieren van justitie waren hiervan op de hoogte.

Devoorzitter: (...) Hoeveel geld is er nu geïnvesteerd of gesubsidieerd in de periode dat u hiermee bezig bent geweest?

De heerLangendoen: Enkele honderdduizenden guldens.

Devoorzitter: En hebt u dat bijgehouden?

De heerLangendoen: Ja, dat heb ik bijgehouden.

Devoorzitter: Hebt u daar een kasboek van?

De heerLangendoen: Daar is een soort kasboek van.

Devoorzitter: Waar is dat?

De heerLangendoen: Dat is op een veilige plek.

Devoorzitter: Is binnen uw korps bekend waar dat kasboek van u is?

De heerLangendoen: Neen.2

Langendoen heeft geen verklaring voor het niet inlichten van de korpsleiding of het OM over dit kasboek.3

Het kasboek, dat slechts bestaat uit enkele vellen papier, geeft een summier en onvolledig overzicht van de betalingen aan informanten vanaf de zomer 1992. Het kasboek is pas nadat de betalingen zijn verricht opgemaakt. Het kasboek geeft de uitgaven en inkomsten via de politie van twee informanten aan. Daarbij staan bijvoorbeeld auto's opgevoerd en zijn de betalingen aan de chauffeur vermeld. In het kasboek worden 31 containers vermeld waarmee de CID Kennemerland onder leiding van Langendoen bemoeienis heeft gehad. Van containers voor de zomer van 1992 weet Langendoen niets.4

De chauffeur kreeg per container fl. 25.000,–. In een aantal gevallen kreeg de chauffeur volgens het kasboek fl. 2.500,– indien sprake was van legale lading. In het geval van een container als lijntester, waarin geen drugs zaten, kreeg de chauffeur niettemin fl. 25.000,–. De chauffeur M. verklaart echter dat hij steeds fl. 25.000,– kreeg voor de transporten die hij moest rijden. Chauffeur M. verklaart eveneens aan de rijksrecherche dat hij minimaal 65 keer een container heeft gereden. Deze 65 containers zijn niet allemaal vermeld in het kasboek.

Het geld dat aan de douane werd betaald is nergens verantwoord. Van een financiële administratie van de dekladingen was geen sprake. Indien de informant zelf aankopen deed ten behoeve van het binnenhalen van de containers werd dat niet geadministreerd.

CID-medewerker Van Vondel heeft getracht, zoals hiervoor is beschreven, met crimineel geld een informant te bewegen geen informatie te verstrekken.

3.11 Totaal aantal containers en kilo's

Het is duidelijk dat grote hoeveelheden verdovende middelen met medeweten en onder regie van politie en justitie op de markt verdwenen zijn. Een dag voor het begin van de openbare verhoren van de commissie, op 5 september 1995, sprak de minister van Justitie in de Kamer van 100 tot 400 ton softdrugs die waren doorgeleverd. Hoeveel daarvan op de markt was gekomen was nog onderwerp van onderzoek.

Devoorzitter: Op 5 september van dit jaar noemt u in antwoord op kamervragen het cijfer van 100 tot 400 ton. Op welke basis deed u dat, het noemen van die cijfers in het publiek, en waarom op dat moment?

MevrouwSorgdrager: Het was zo dat ik eind mei een rapportage kreeg van het rijksrechercheonderzoek. Daaruit kwam een groot aantal containers dat het land binnengekomen zou zijn. Dat wist men met een grote mate van zekerheid, dat het zoveel containers waren. Toen is een schatting gemaakt van wat er in de containers zou hebben gezeten, ook op basis van de gegevens die men toen had. Men wist niet hoeveel daarvan in beslag was genomen en op de markt was gekomen, maar wel dat het ging om 100 tot 400 ton.

Devoorzitter: Die eventueel 100 tot 400 ton waar?

MevrouwSorgdrager: 100 tot 400 ton softdrugs die Nederland binnengekomen zouden zijn, onder regie van de politie.

Devoorzitter: Zouden die zijn doorgelaten of zouden die gepakt zijn?

MevrouwSorgdrager: Dat was dus niet helemaal duidelijk. Onder regie van de politie binnengekomen, waarvan een deel in beslag genomen en een deel doorgelaten. Dat was niet helemaal duidelijk.(...) De heerKoekkoek: Vond u die aanduiding «100 tot 400 ton» niet een beetje een slag in de lucht? Want dat maakt nogal wat verschil, 100 of 400 ton.

MevrouwSorgdrager: Dat is ook zo. Dat is gewoon wat er geschat was in dat onderzoek. Omdat ook dezelfde getallen in de pers waren genoemd en dit inderdaad overeenkwam met die schatting, heb ik die getallen ook gebruikt.1

Het is moeilijk een volledig beeld te geven van het aantal containers en de hoeveelheid drugs die Nederland binnen zijn gekomen in de afgelopen jaren. De administraties van de verschillende organisaties zijn dermate verschillend van kwaliteit dat harde gegevens onvoldoende beschikbaar zijn. De commissie heeft zich gebaseerd op de gegevens van het DIC, de rijksrecherche en de lijsten van de officieren van justitie Teeven en Valente.

De heerTeeven: De douane heeft bij 293 ton niet gecontroleerd op verzoek van de RCID's. Voorzover ik dat kan zien en aan de hand van informatie feitelijk kan vaststellen, is er 40 ton in het vrije verkeer terechtgekomen. Daarnaast is er een heel groot percentage – dan praat je over 150, 160 ton – feitelijk waarschijnlijk in beslag genomen, als je kijkt naar de informatie. Daar moet je dan voorzichtig mee zijn. Als er wordt gerapporteerd «het is in beslag genomen», zou je in feite moeten zeggen: is er een proces-verbaal van vernietiging? Je kan natuurlijk wel terugrapporteren als CID dat het in beslag is genomen, maar in feite moeten die verdovende middelen dan onder ambtelijk toezicht worden vernietigd. Er zou dus ergens bij een CID een administratie moeten zijn waaruit blijkt dat het onder ambtelijk toezicht is vernietigd.

De heerVos: Heeft u die verbalen gevonden?

De heerTeeven: Neen, maar daar heb ik ook niet naar gezocht. Ik denk dat dat een taak is van de rijksrecherche. Verder heb ik omtrent 84 ton absoluut geen duidelijkheid. Dat kan in beslag genomen zijn, maar dat kan ook het milieu ingegaan zijn. Daar bedoel ik mee: als je het totaal schetst van die 293 ton, dan houd ik een restcategorie over van 84 ton waar helemaal niks over gerapporteerd is, nergens........ Ik praat dan over de periode van april 1992 tot en met mei 19951

De rijksrecherche komt op basis van haar onderzoek bij de CID Kennemerland tot de conclusie dat in totaal 285 ton softdrugs is doorgelaten. Daarvan is in ieder geval 175 ton in beslag genomen en 98 ton is in ieder geval op de markt terecht gekomen. Van 12 ton is onduidelijk wat ermee is gebeurd.

De commissie komt op basis van de beschikbare gegevens tot de conclusie dat ongeveer 100.000 kilo softdrugs op de markt terecht is gekomen onder regie van de politie.

3.12 Kennis en verantwoordelijkheid

In het onderzoek heeft de commissie getracht te achterhalen wat verantwoordelijke politiefunctionarissen, bestuurders en officier van justitie wisten. Wat wisten de betrokkenen en hoe hebben zij hun verantwoordelijkheden uitgeoefend? De commissie gaat daarbij ervan uit dat, voor het kunnen uitoefenen van het gezag over de politie, het OM op de hoogte dient te zijn van de gebruikte methoden en het functioneren van de CID en haar medewerkers. Ook de korpsleiding dient naar het oordeel van de commissie weet te hebben van de activiteiten van de CID om tot een verantwoorde sturing van de CID te kunnen komen. Korpsleiding en OM hebben naar het oordeel van de commssie de verantwoordelijkheid zich op de hoogte te stellen van de activiteiten van de CID. Dat neemt niet weg dat de commissie tevens van oordeel is dat het de verantwoordelijkheid van betrokken CID-functionarissen is om de korpsleiding en het OM op de hoogte te stellen van hun activiteiten.2

3.12.1 Politiële en justitiële leiding IRT

Slechts Langendoen en Van Vondel blijken volledig op de hoogte te zijn geweest van alle aspecten van de Delta-methode. Lith, Van der Veen, Van Capelle, Wortel en Augusteijn waren niet van alle belangrijke elementen op de hoogte. Van der Veen, Lith, Langendoen en Augusteijn hebben de beslissing genomen om er een gesloten CID-traject van te maken waarover verder niemand diende te worden ingelicht. Opvallend is dat de officieren van justitie, die betrokken waren bij de beslissingen om door te laten, zo weinig bij Langendoen hebben doorgevraagd om te weten te komen hoe de methode nu in de praktijk werkte. Wortel en Van Capelle namen belangrijke beslissingen over doorlatingen, maar wisten minder dan Van der Veen en Lith. Van Kastel is als nieuwe teamleider niet op de hoogte gebracht van de belangrijke beslissingen rond de Delta-methode. Zijn reacties daarop zijn in het voorgaande uitgebreid beschreven.

Franken van Bloemendaal, de eerste IRT-officier, voelde niets voor het «verstrekken van een licentie aan criminelen». De tweede IRT-officier, Van Riel is nauwelijks bij de methode betrokken geweest, alhoewel onder zijn gezag meerdere zendingen zijn doorgelaten.

De CID-officier in Haarlem, Kuitert, heeft zich op het standpunt gesteld dat zij geen directe verantwoordelijkheid droeg en derhalve niet op de hoogte behoefde te zijn van alle details van de Delta-methode. Zij kwam pas in beeld nadat het IRT is opgeheven en de informanten moeten worden afgebouwd. Maar van de afkoopsom van twee miljoen gulden aan informant 2 is zij niet op de hoogte geweest.

Van der Veen stelt in zijn brief van 22 januari 1994 dat hij hoofdofficier van justitie De Wit, in zijn kwaliteit van voorzitter van de Werkgroep infiltratie, om een standpunt heeft gevraagd over deze methode. De Werkgroep infiltratie achtte het niet wenselijk een oordeel uit te spreken. Van der Veen vatte dit op als een beslissing dat geen beleidsmatige of politieke bezwaren zouden bestaan over deze methode.

In het aldus namens de minister gewekte vertrouwen werd ik enkele dagen nadien bevestigd in een gesprek met de procureur-generaal over een vergelijkbare inlichtingenmethode, waartegen de procureur-generaal geen beleidsmatige bezwaren had (...).1

Devoorzitter: Maar was er daardoor door de minister gewekt vertrouwen. Ik maak dat er niet uit op.

De heerVan der Veen: In die zin dat ik niet voor gek verklaard werd.2

Van der Veen en Lith hebben zich niet op de hoogte gesteld van de specifieke details van de financiële vergoeding voor de informanten door de criminele organisaties.

De heerKoekkoek: (...) Ik wil even met u terug naar de financiën. U hebt daarover gebrainstormd. Er was in feite geen oplossing voor. Is mijn constatering juist dat het eigenlijk wel goed uitkwam bij de heer Langendoen niet verder te vragen hoe het nu met de financiën zat en wat was afgesproken met de informanten?

De heerLith: Nee. Ik heb lopende de rit dat ooit nog eens gevraagd aan Klaas. Ik heb toen gezegd: goh, krijgen wij daar nou eens zicht op? Hij heeft hier volgens mij ook gezegd dat hij dat niet weet. Dat is het moeilijkste onderdeel.

De heerKoekkoek: U hebt nooit gevraagd: wat is er afgesproken met de informant over de financiën? Dat hebt u nooit gevraagd?

De heerLith: Het enige wat duidelijk was, was dat alle kosten en alle zaken verder voor hem waren en dat er ook winst over zou blijven. Daarover is niet gesproken in aantallen of hoogte van bedragen.

De heerKoekkoek: De afspraak was dus: kosten voor de informant?

De heerLith: Ja.

De heerKoekkoek: Ja. En de winsten ook.3

De heerDe Graaf: Heeft u, nu u dat achteraf wel weet en het tijdens deze openbare verhoren heeft gehoord, niet het gevoel dat u volstrekt onvolledig bent geïnformeerd door de mensen die voor u werkten?

Devoorzitter: En dat u niet hebt doorgevraagd?

De heerLith: Ik zal eerst de vraag van de heer De Graaf beantwoorden. Ik sta er volstrekt achter als het gaat om de operatie, de besturing, de beheersbaarheid en alles wat er aan besluitvorming heeft plaatsgevonden. Had dat soort dingen niet wat anders geregeld moeten worden? Had het besproken moeten worden met de teamleiding en met de officier? Had ik dat moeten weten? Had het ergens anders geregeld moeten worden? Had het anders geregistreerd moeten worden? Op al die vragen antwoord ik nu: had dat beter geregeld met elkaar.4

3.12.2 Korpsleiding Amsterdam

Na het overnemen van de directe verantwoordelijkheid voor het IRT door Amsterdam heeft noch de korpsleiding, noch de aangewezen teamleider Van Kastel zich weten te informeren over de inhoud van de methode. Officier Van Capelle heeft hun daarover niets specifieks verteld. Hij heeft in de praktijk de zaken slechts met CID-chef Augusteijn afgehandeld. Pas begin november 1993 kwam Van Kastel erachter wat er aan de hand was, en informeerde hij de korpsleiding. Daarop namen Van Riessen en Nordholt de eerder beschreven stappen in de richting van Vrakking en Van Randwijck.

De vraag blijft hoe en wanneer de Amsterdamse korpsleiding gepoogd heeft werkelijk een einde te maken aan de uitvoering van de methode.

De heerVos: (...) Ik begrijp niet waarom u niet direct tegen Van Kastel hebt gezegd: schort de uitvoering van de methode voorlopig op, want ik ga de justitiële lijn in; in de tussentijd voorlopig dus niks meer.

De heerNordholt: Als je op 8 november 1993 om 9 uur de informatie krijgt die ik heb gekregen en die Joop van Riessen twee of drie keer aan mij heeft moeten uitleggen en als je dan om 10 uur het reguliere overleg hebt met je hoofdofficier, zou het heel bizar zijn geweest als ik daarover niet met de heer Vrakking zou hebben gesproken. Het zou niet alleen bizar zijn geweest; het zou in de gegeven omstandigheden in Amsterdam uiterst merkwaardig en zelfs gevaarlijk zijn geweest.

De heerVos: Ik heb groot begrip voor het feit dat u daarover met de heer Vrakking bent gaan praten, maar ik begrijp moeilijk waarom u niet tegen de uitvoerende figuur gezegd hebt: jongens, stop voorlopig even.

De heerNordholt: Eigenlijk heeft Van Kastel al op 1 november gezegd: «ik wil dit niet». Hij heeft dat tegen de officier, Van Capelle, gezegd. Op een gegeven moment heeft hij gezegd: nu ga ik ook naar mijn bazen toe. Dat heeft hij gedaan. (...) Devoorzitter: Is de conclusie terecht dat wellicht iedereen als het ware op een muur liep, mede door de weigering van de CID Kennemerland om te vertellen wat er gebeurd is, waarbij het dus niet mogelijk is gebleken dat het gezag werd uitgeoefend? Het gezag werd immers niet uitgeoefend.

De heerNordholt: Als ik daarop terugkijk, denk ik dat u het zo goed formuleert.1

Van Riessen formuleerde het als volgt:

De heerVan Riessen: (...) U legt de vinger op een heel zere plek, in die zin dat het gezag toen gewoon had moeten opstaan en een standpunt had moeten innemen.2

De commissie constateert dat de korpsleiding van Amsterdam in feite niet in staat was haar beslissing tot het doen stoppen van de methode ook daadwerkelijk te laten uitvoeren.

3.12.3 Openbaar Ministerie Amsterdam

Binnen het parket Amsterdam waren sommigen wel, anderen niet op de hoogte van de methode van het IRT. IRT-officier van justitie Van Capelle was grotendeels op de hoogte. Hij meende zelf de beslissingen over de in te zetten methode te kunnen nemen.

Devoorzitter: Ik ga terug naar de richtlijnen voor infiltratie. U had het voor derden moeten vastleggen. De hoofdofficier had er zeker aan te pas moeten komen. Er zit namelijk een formulier bij de richtlijnen dat ingevuld moet worden, zeker als het over zoiets gaat. De procureur-generaal heeft in een vergelijkbaar geval in januari aan de heer Van der Veen toestemming gegeven. Dat heeft Wierenga ook beschreven. Zowel over de trajecten die u hebt doorgelaten bij de softdrugs, en dat zijn er drie, als over deze beslissing is door u nooit met de hoofdofficier gesproken. Waarom niet? Het was toch een zaak van enorme omvang. Men ging op 5 000 kilo af. Als je de stukken leest, zijn de ruzies duidelijk na 8 november. Er is verschil van inzicht over de methodiek. Maar waarom is er voor die tijd over die methodiek nooit met de hoofdofficier gesproken?

De heerVan Capelle: Ik begin met mijn perceptie over de beslissing van de procureur-generaal. Nadat ik aan de toetsing van een groot aantal criteria had voldaan, heb ik bij de overdracht van de zaken aan Van der Veen gevraagd of hij voor deze methode dekking had van de procureur-generaal. Van der Veen antwoordde: ja, ik ben in het begin van het jaar met de toenmalige teamleider bij de PG geweest; ik heb het verhaal uitgelegd en ik heb daar het consent gekregen voor de te hanteren methode. Ik heb Van der Veen gevraagd of die afspraken nog golden. Het was hetzelfde team en hetzelfde onderzoek. Alleen de figuranten wisselden. Betekende het nu dat je, iedere keer wanneer zich een zending voordeed of als een opsporingsbeweging werd gemaakt, terug moest naar de PG om daarover verantwoording af te leggen en te vragen om toestemming? Toen heeft Van der Veen mij gezegd: neen, dat hoeft niet; zolang dat meer van hetzelfde is in hetzelfde traject hoeft dat niet.

Devoorzitter: U kreeg per 1 juli toch een andere gezagsrelatie? Per 1 juli wordt toch Vrakking de verantwoordelijke hoofdofficier omdat er een andere constructie voor het IRT wordt gekozen?

De heerVan Capelle: Maar geen andere PG, degene die de eindverantwoordelijkheid droeg, zoals mij was gezegd.1

Maar ook Van Capelle was niet op de hoogte van de precieze financiële afspraken die waren gemaakt met de informanten. Evenmin wist hij dat met crimineel geld politie-activiteiten werden gefinancierd.

Devoorzitter: Ik kom terug bij de politieactiviteiten in het traject waarvan u precies kennis droeg. Wist u dat de politie zelf loodsen huurde?

De heerVan Capelle: Ik wist dat de politie moest beschikken over voor haar toegankelijke loodsen. Ik heb, naar ik me herinner, toen niet gevraagd of die loodsen door de politie gehuurd of gefinancierd werden.

Devoorzitter: Hebt u zich niet afgevraagd waar de politie dat van moest betalen?

De heerVan Capelle: Ik heb er niet naar gevraagd. Dus heb ik ook niet over huurprijzen gesproken. Als je terugkijkt kun je hoogstens zeggen dat de financiering daarvan uit reguliere middelen moest komen. Ik noem bijvoorbeeld het BOP-geld.

Devoorzitter: Is dat gebeurd?

De heerVan Capelle: Ik heb daar toen niet naar gevraagd. Ik weet het dus niet.2

Hoofdofficier Vrakking wist van niets omtrent deze methode. Pas op 8 november 1993 werd hem duidelijk wat er toen aan de hand was. Van Capelle had hem nooit ingelicht over de methode ondanks zeer frequente contacten met de hoofdofficier die hij elke dag sprak. Naar het oordeel van Vrakking had hij dit moeten doen. Vrakking stelt expliciet dat hij in dat geval de methode zou hebben verboden.

3.12.4 Bestuur Amsterdam

De korpsbeheerder in Amsterdam, Van Thijn, was vrij intensief betrokken geweest bij de overgang van de beheersverantwoordelijkheid van het IRT naar Amsterdam. Hij heeft zich tot 8 november 1993 niet direct bezig gehouden met het inhoudelijke werk van het IRT.

De heerKoekkoek: Ik kom toch nog even terug op uw periode als korpsbeheerder. Bent u in de periode 1 juni 1993 tot 8 november 1993 op enigerlei wijze door de korpsleiding in Amsterdam op de hoogte gesteld over hoe het nu ging met het IRT?

De heerVan Thijn: Nee, merkwaardigerwijs, want de hoofdrolspelers, met name de heer Van Riessen, sprak ik regelmatig over de perikelen bij de Vreemdelingendienst. Daar heb ik achteraan gejaagd, opdat de problemen daar, de lange rijen, enz., nu eindelijk een keer werden opgelost; ik wilde dat daar werd ingegrepen. Dat heb ik hem ook kwalijk genomen. Zoals u weet, is in de gesprekken die wij nadien hebben gevoerd, van die kant geen gewag gemaakt van de overgangsperikelen. Ik hoorde het pas op 8 november. Ik neem daar de verantwoordelijkheid voor. Ik zeg en ik geef ook toe – dat heb ik ook in het befaamde ambtsbericht gedaan – dat ik mij misschien had moeten realiseren dat de race op 1 juli niet gelopen was, integendeel.

De heerKoekkoek: Was dat beheer op afstand toch niet ook afstandelijkheid?

De heerVan Thijn: Ja. Misschien te afstandelijk.

De heerKoekkoek: Je vraagt niet hoe het nu met dat team gaat waarover zoveel te doen is geweest of hoe het nu loopt? Die vraag is niet bij u opgekomen?

De heerVan Thijn: Nee. Ik moet het eerlijk zeggen: mijn betrokkenheid bij de politie in Amsterdam was zeer bekend. Ik had een aantal zeer gekwalificeerde ambtenaren rondlopen die ook bij de recherche, overal, een oogje in het zeil hielden en een second opinion gaven, een piepsysteem. Dat functioneerde zo goed, dat ik dacht «geen bericht, goed bericht». Dat is een verkeerde beoordeling geweest.

De heerKoekkoek: Het piepsysteem werkte niet.

De heerVan Thijn: In dit geval niet.1

De heerVan Thijn: Het is van tweeën een. Of het justitiële bevoegd gezag is op de hoogte gesteld. Dat was in ieder geval niet de hoofdofficier van justitie in Amsterdam. Hij wist van niks. En dat is mijn gesprekspartner. Hij was formeel verantwoordelijk. Als het bevoegd gezag op de hoogte is gesteld, had men nooit mogen instemmen met de overdracht van het team aan Amsterdam. Amsterdam mocht immers per definitie niets weten. Of het bevoegd gezag was niet op de hoogte gesteld en dat vind ik dan een onaanvaardbare zaak. Het gaat bij dit alles niet alleen om de werkmethoden en de mate waarin de politie grensverleggend werkt, de rekkelijken en de preciezen. Het gaat erom, of dit gebeurt onder toezicht van het bevoegd gezag.2

3.12.5 Korpsleiding Kennemerland

De korpschef van Kennemerland Straver, zijn plaatsvervanger Van der Berg en recherchechef Menckhorst waren niet op de hoogte van de methoden die door het IRT werden gehanteerd. Straver wist welke criminele organisatie door het IRT werd onderzocht, maar hij wist niet van de gebruikte methoden.

Devoorzitter: Heeft u zich, voordat de hele affaire losbarst, tijdens de gewone werkzaamheden van het IRT waaraan uw CID een belangrijke bijdrage leverde, toen ook met de zaaksaspecten beziggehouden?

De heerStraver: Zeker niet. De afspraak over het onderzoek van het IRT luidde dat het een afgeschermd onderzoek zou zijn. De operationele leiding lag in die tijd bij de heer Van Baarle als gemandateerde namens alle korpschefs. De tweede man was feitelijk de heer Lith.3

Langendoen informeerde Straver pas op 15 november 1993 over onderdelen van de methode. In dit gesprek hoorde Straver dat het ging om gecontroleerde doorlevering met betrokkenheid van politie en justitie. Nadat het IRT was opgeheven, ging al zijn aandacht naar de opzet van het nieuwe kernteam, los van Amsterdam, en naar de beveiliging van Langendoen en Van Vondel en de afbouw van informanten. Ook hij stelde niet de vraag aan Langendoen of vergelijkbare methoden nog werden toegepast.

Noch Straver, noch een ander lid van de Haarlemse korpsleiding was op de hoogte van het feit dat met behulp van de CID Kennemerland in het Beveronderzoek een vergelijkbare methode werd gehanteerd. Hij wist niet dat Van Vondel ook in Rotterdam actief was. Langendoen heeft hem dat niet verteld. Pas halverwege 1995 was Straver op de hoogte van het saptraject. Tevens was Straver niet op de hoogte van de verdiensten van de informanten en de financiering van politie-activiteiten met crimineel geld. Achteraf meent Straver dat Langendoen hem daarvan op de hoogte had moeten stellen.

Devoorzitter: (...) Hoe is het mogelijk dat u het hem niet vraagt en hij het u niet vertelt?

De heerStraver: Dat heeft te maken met de oude CID-cultuur waar afscherming van methoden en bronnen ertoe leidt dat hogeren in de hiërarchie, en dit geldt ook voor het OM en de politie, niet werden geïnformeerd. Als u me vraagt wat ik daarvan vind, zeg ik: dat moet niet meer.4

De heerStraver: Mijn korps is zeer beschadigd. Mensen in mijn korps zijn beschadigd. Ik heb in een vorig gesprek al eens tegen u gezegd dat geen enkel korps, tenzij het ethisch helemaal ontspoord is, het verdient om zo gecriminaliseerd te worden als het mijne. (...)

Devoorzitter: En wie heeft er belang bij om uw korps te criminaliseren? Welke officier van justitie of politieman die goed bij z'n hoofd is kan daar belang bij hebben?

De heerStraver: Ik denk in z'n algemeenheid dat hoe zwarter de werkmethode en de mensen die daarbij betrokken zijn wordt afgeschilderd, hoe belangrijker het is voor mensen die menen dat de methoden destijds de oorzaak van het opheffen van IRT zijn geweest.1

Langendoen heeft Straver steeds achteraf op de hoogte gebracht van activiteiten van de CID. De korpschef van Kennemerland werd keer op keer met nieuwe informatie geconfronteerd.

3.12.6 Bestuur Haarlem

De burgemeester van Haarlem, Schmitz, heeft veel bemoeienis gehad met het beheer van het IRT vòòr de overgang naar Amsterdam. Het betrof dan zaken als extra financiering, moeilijkheden in de samenwerking met Amsterdam, etc. Zij wist wel dat de Delta-groep het object van onderzoek was, maar wist niets van gebruikte methoden. Zij werd slechts gedeeltelijk op de hoogte gebracht van alle ontwikkelingen. Pas in maart 1994 werd zij op de hoogte gesteld van het afbouwen van de informanten. Schmitz werd niet geïnformeerd over de doorlating van de 6.000 kilo die noodzakelijk was om een informant te beschermen. Zij was ook niet op de hoogte van het feit dat de methode na de opheffing van het IRT mede onder leiding van de CID Kennemerland werd voortgezet. Schmitz acht zich medeverantwoordelijk voor alles wat gebeurd is na de opheffing van het IRT. Zij is van oordeel dat de korpschef van Haarlem haar meer had kunnen vertellen.2

3.12.7 Openbaar ministerie Haarlem

Binnen het Haarlemse OM liep de kennis over de methode, die door het IRT werd gehanteerd, uiteen. IRT-officier van justitie Van der Veen was nagenoeg volledig op de hoogte.

Devoorzitter: Mag ik hier nu uit concluderen dat u over de groeimethode waarover wij nu al enige dagen spreken, nooit met hem heeft gesproken?

De heerVan der Veen: Met de procureur-generaal?

Devoorzitter: Ja.

De heerVan der Veen: Neen.

Devoorzitter: Daar heeft u nooit over gesproken?

De heerVan der Veen: Neen.

Devoorzitter: Heeft u daar ooit met enig hoofdofficier over gesproken?

De heerVan der Veen: Neen, neen. Krachtens de taakomschrijving had ik een mandaat om beslissingen te nemen, zolang er nog geen zaaksofficier was aangewezen.3

CID-officier van justitie Kuitert verklaarde aan de commissie met haar hoofdofficier te hebben afgesproken «dat de IRT-officier verantwoordelijk was voor de samenwerking met CID kennemerland in een CID-traject.»4 Zij was slechts zeer ten dele op de hoogte van de activiteiten van de Haarlemse CID in de Delta-methode.

Het was geen periode waarin je alles vastlegde. Ik hoorde van de heer Van der veen dat hij in nauw overleg werkte met de heer Lith en de heer Augustijn. Ik begreep dat dit trio alle zaken doorsprak en het IRT-onderzoek volstrekt onder controle had. Ik heb er in die periode niet aan gedacht om te vragen of dat zwart op wit stond. De heer Lith heeft verklaard dat ten behoeve van het IRT de heer Langendien een informant rinde en de heer Van Vondel meerder en dat het ging om allerlei operationele activiteiten met loodsen en busjes. Ik heb dit globaal geweten. Voorzover ik daar zicht op had, betrof het een CID-traject.1

Hoofdofficier De Beaufort was niet op de hoogte van het gebruik van de methode door het IRT. Hij heeft hierover geen nadere vragen gesteld aan de beide officieren.

Van de verdere voortgang van de methode na de opheffing van het IRT waren CID-officier Kuitert en hoofdofficier De Beaufort niet op de hoogte. Dat daarbij Haarlemse CID-functionarissen waren betrokken, wist het Haarlemse OM niet. Hoofdofficier De Beaufort stelt dat hij geen verantwoordelijkheid had voor activiteiten van Haarlemse CID-ers buiten zijn arrondissement. Deze verantwoordelijkheid lag volgens hem bij de officier van justitie in het aanvragende arrondissement.2

Devoorzitter: Dit betekent dat het gezag over de CID Kennemerland voor u blijkbaar ophoudt als het niet een zaak is die in Haarlem zelf gaat spelen. Dat kan toch niet?

De heerDe Beaufort: Zodra een lokaal parket, Rotterdam, Amsterdam of waar dan ook, toestemming of opdracht geeft, zoals de Politiewet schrijft, is naar mijn idee de kous af. Dan kan de Rotterdamse officier zeggen: ik doe dit of ik doe dit niet.

Devoorzitter: Maar dit betekent dat u alleen verantwoordelijk bent voor zaken die in Haarlem spelen. Er zijn dan misschien wel vijf of zes verschillende officieren verantwoordelijk voor het werk van uw CID.

De heerDe Beaufort: Die mensen zijn op dat moment niet meer mijn CID.

Devoorzitter: Wat zijn zij dan wel?

De heerDe Beaufort: Wat ik u zeg. Het bevoegd gezag voor die mensen – dat is, dacht ik, wat de Politiewet schrijft – is op dat moment het gezag aldaar. Anders zou het parket Haarlem verantwoordelijkheid moeten gaan dragen voor zaken die in Amsterdam, Rotterdam, Enschede of waar dan ook spelen. Als dat de constructie zou zijn, dan komen wij naar mijn idee in conflict met de op dit punt nogal duidelijke adviezen van de commissie-Wierenga. Die heeft gezegd: denk eraan, één kapitein op het schip. U zegt dan: op een gegeven moment is er dan geen enkele kapitein meer. Maar naar mijn idee is het volstrekt duidelijk: het is de kapitein in het parket dat het aangaat.3

Van het verdienen van criminele gelden door de informant, het financieren van politie-activiteiten met crimineel geld en het saptraject was De Beaufort niet op de hoogte. De nieuwe Haarlemse CID-officier Snijders heeft pas kennis genomen van de methode toen hij vernam van het Bever-onderzoek.

3.12.8 Openbaar ministerie Rotterdam

Het Rotterdamse OM meent dat de verantwoordelijkheid grotendeels bij Haarlem lag voor het optreden van de CID Kennemerland in de Beverzaak:

De heerDe Graaf: En het is toch uw verantwoordelijkheid?

De heerDe Groot: Maar, zo hebben wij gezegd, omdat niet wij die man runnen, maar Haarlem, en wij alleen de informatie krijgen over wat er gebeurt en niet zelfstandig met hem kunnen praten, doen wij ook niet de andere activiteiten. Immers, alles werd gedaan door Haarlem. Het enige wat wij deden, was: kijken, als wij bericht kregen dat er een partij aankomt. Dan zorgden wij ervoor dat ons observatieteam in staat was om die partijen verder te volgen en het tactische bewijs bij elkaar te krijgen.

De heerDe Graaf: Ik begrijp wat u heeft gedaan, mijnheer De Groot, maar de vraag was naar de verantwoordelijkheid. Nu zegt de heer De Beaufort: kijk eens, als politiemensen elders in het land, buiten mijn arrondissement, werkzaam zijn ten behoeve van zaken buiten hun arrondissement, dan is het openbaar ministerie in Haarlem niet verantwoordelijk, ook niet voor wat daar gebeurt.

De heerDe Groot: Dat is een opvatting die de hoofdofficier in Rotterdam en ik in ieder geval niet delen, en trouwens anderen met mij ook niet.4

Gerding, plaatsvervangend hoofdofficier te Rotterdam, was secretaris van de commissie-Wierenga. Ondanks de in die hoedanigheid opgedane kennis heeft hij in het eigen parket niet systematisch nagevraagd of ook daar gebruik werd gemaakt van de methode. Hij was dan ook niet op de hoogte van de methode in de Beverzaak en werd ook niet op de hoogte gesteld. Hoofdofficier De Wit heeft niet verder doorgevraagd op het moment dat hem in september 1994 werd gemeld dat gewerkt zou worden in Rotterdam met een informant uit Haarlem.

Devoorzitter: Toen u in september 1994 hoorde van Kennemerland, ging toen niet bij u de bel rinkelen van: kan het niet ongeveer vergelijkbaar zijn met de IRT-methode?

De heerDe Wit: Nee, er is geen bel gaan rinkelen.

Devoorzitter: Wanneer is die bel wel gaan rinkelen?

De heerDe Wit: Die IRT-bel is bij mij niet gaan rinkelen.

Devoorzitter: Die moet toch wel bij u zijn gaan rinkelen. In de doorlichting wordt deze zaak zeer verhuld gemaakt. Daaruit is op 9 maart niet op te maken dat het ook gaat om doorleveren?

De heerDe Wit: Waarom zou bij mij de IRT-bel gaan rinkelen? Het onderzoek naar de IRT-methode heeft als resultaat dat deze methode niet onrechtmatig werd geacht. Zo is dat ook aan het OM bericht. Wij spreken bijna dagelijks, zeker in de grootstedelijke praktijk, over gecontroleerde afleveringen en doorleveringen. Ik hoor dat een bepaald traject zeer tijdelijk van aard is geweest en dat de afbouwbeslissing is genomen. Dan gaan geen bellen rinkelen, want dat behoort gewoon tot de alledaagse opsporingspraktijk.1

3.12.9 Ressort Amsterdam

Procureur-generaal van het ressort Amsterdam Van Randwijck was van mening dat de hoofdofficier van het arrondissement waar de IRT-officier van justitie vandaan kwam, verantwoordelijk was voor het justitiële gezag over het IRT. Van een directe gezagsrelatie tussen hem en de IRT-officier was volgens hem geen sprake.2 Dit staat evenwel op gespannen voet met de bemoeienis van Van Randwijck met het plan voor invoer van 130 kilo cocaïne in januari 1993. Toen kwamen de politiële leiding en officier van justitie Van der Veen naar Van Randwijck om toestemming te vragen voor deze invoer.3 Van Randwijck verklaart expliciet dat hij van de Delta-methode niets heeft afgeweten tot het moment dat de Amsterdamse politieleiding in november 1993 hem ervan op de hoogte kwam stellen. Van der Veen heeft nooit toestemming gevraagd aan Van Randwijck voor het opzetten van de Delta-methode als zodanig.4

Devoorzitter: Voor de grote Delta-zaak is dus nooit toestemming gegeven?

De heerVan Randwijck: Juist.

De heerKoekkoek: Vindt u dat u dat had moeten weten?

De heerVan Randwijck: Ja.5

Van Randwijck acht de groeimethode echter nog steeds verantwoord:

De heerVan Randwijck: (...) Ik heb er behoefte aan, een verklaring ervoor te geven waarom ik de groeimethode in beginsel nog steeds verantwoord vind. Politie en justitie zijn – dat zal u ongetwijfeld bekend zijn – dagelijks of in ieder geval geregeld bezig met het vegen van partijen, hetzij in containers, hetzij in koffers of rugzakken. Wij komen nooit verder in de lijn; de bedoeling van de groeimethode en de Delta-methode was en is, verder zicht te krijgen op de lijn: doorlevering voor het vergaren van informatie. Dat is de reden waarom ik toen vond en ook nu vind dat het verantwoord is, binnen zekere grenzen etc. etc.6

Van het behouden van criminele winsten door de informant heeft Van Randwijck niet geweten.

In zijn verhoor maakte Van Randwijck tevens duidelijk geen weet te hebben van cruciale verschillen van inzicht over het gebruik van methoden binnen zijn ressort.

De heerKoekkoek: (...)Ik zou verder willen gaan met de wijze waarop het openbaar ministerie leiding geeft aan de politie. Als het openbaar ministerie zelf verdeeld is, soms binnen een parket, maar soms ook binnen een ressort, hoe kan het dan leiding geven aan de politie?

De heerVan Randwijck: Wat bedoelt u met «verdeeld»?

De heerKoekkoek: Heel concreet: in het parket Amsterdam wordt anders gedacht over het omgaan met informanten dan in het parket Haarlem. In Amsterdam zegt men: wij sturen geen informanten. Misschien zou men moeten zeggen: wij sturen ze niet meer. Dat is al iets anders. In Haarlem heeft men daar andere opvattingen over, zodat je kunt spreken van een verdeeld huis. Hoe kan het openbaar ministerie leiding geven aan de politie als de zaken er zo voorstaan?

De heerVan Randwijck: Die verdeeldheid – ik vermoedde wel waarop u doelde – is mij sinds twee weken bekend. Ik wist wel dat Amsterdam, zoals de hoofdofficier in de ressortsvergadering gezegd heeft, de strikte weg bewandelt. Daar kon ik mij na de IRT-geschiedenis iets bij voorstellen, maar dat het zo ver ging in die mate van detaillering, was mij volstrekt onbekend.

De heerKoekkoek: Dat is u pas gebleken naar aanleiding van de openbare verhoren?

De heerVan Randwijck: Ja, omdat mij dat nooit gemeld is. Vrakking heeft nooit tegen mij gezegd: wij gaan zelfs zo ver dat wij er een informant op uitsturen.

Devoorzitter: Maar het kan toch niet zo zijn dat u via de enquêtecommissie verneemt wat er in uw ressort gebeurt?

De heerVan Randwijck: Deze detaillering was mij onbekend. U kunt mij wel vragen waarom ik het niet weet, maar dan zou ik op mijn beurt de vraag willen opwerpen, waarom het mij niet gemeld wordt. Althans, als het genoemde voorbeeld maatgevend is.

De heerKoekkoek: En waarom wordt het u niet gemeld?

De heerVan Randwijck: Tja, de informatievoorziening is een van de problemen bij het streven naar eenduidige beleidsvoering. Informatie wordt soms om heel veel redenen niet verschaft.1

3.12.10 Vergadering van procureurs-generaal

In de Vergadering van procureurs-generaal is de methode van het IRT slechts gemeld en niet ter discussie gesteld.

Devoorzitter: Maar ik wil terug naar de vergadering van procureurs-generaal op 21 december 1993. Ik heb het ook aan de heer Gonsalves gevraagd. Toen is niet gewoon gezegd: «Nu gaan wij een uur praten over de vraag...»

De heerVan Randwijck: Precies, dat is ook niet gebeurd.

Devoorzitter: Dat is nu zo verbazingwekkend. Toen was er nog geen sprake van de commissie-Wierenga, de instelling daarvan is een politieke beslissing geweest.

De heerVan Randwijck: Wat u zegt, is juist. Er is in ieder geval niet in het ressort, maar ook niet in de PG-vergadering over deze methode gediscussieerd.

Devoorzitter: Dat vinden wij toch moeilijk te vatten.

De heerVan Randwijck: Dat begrijp ik, maar ik wil er toch de nadruk op leggen – dat is nog niet boven tafel gekomen – dat ik op de PG-vergadering van 21 of 22 december tegen mijn ambtgenoten en de voorzitter, de heer Van Dinter, heb gezegd: «Dit is er aan de hand, er zijn verschillende opvattingen over infiltratie; wat kunnen wij doen, wat zijn uiteindelijk de...

Devoorzitter: Maar het gekke is dat de procureurs-generaal er niet zelf over praten, maar de zaak als het ware doorschuiven naar de commissie-De Wit.

De heerVan Randwijck: Juist, dat is gebeurd. Dat beoogde ik ook te zeggen; wij hebben er toen niet inhoudelijk over gesproken, wij hebben besloten, de commissie-De Wit dit probleem te laten uitwerken.

Devoorzitter: Is het nu zo dat ook daarvoor in de vergaderingen van de procureurs-generaal nooit over casussen werd gesproken?

De heerVan Randwijck: Nooit. Er is nooit gesproken over bepaalde gevallen.

Devoorzitter: Er is nooit gevraagd: Wat vind je nu van de aantallen, de duur, de lengte, de diepte van...

De heerVan Randwijck: Daar is nooit over gesproken. (...)

Devoorzitter: Maar heeft nooit iemand de behoefte gehad, ook niet in andere ressorten – het gaat nu steeds alleen over uw ressort; dat is misschien niet eens rechtvaardig – waar het doorlaten of eventueel andere methoden, zoals inkijkoperaties of weet ik wat, ook aan de orde kwam, om te zeggen: «Wij zijn uiteindelijk het gezag, wij geven de richtlijnen.»?

De heerVan Randwijck: U vraagt of de behoefte is gevoeld. Dat kan ik natuurlijk niet beoordelen. Ik kan wel vaststellen dat het nooit aan de orde is geweest.

Devoorzitter: Is er dan ook nooit, of vanuit het departement of vanuit uw eigen stafbureaus of door een hoofdofficier gezegd van...

De heerVan Randwijck: Ik wil mij niet excuseren, verklaren of wat dan ook. Ik wil wel gezegd hebben dat de neiging of de behoefte – ik kan alleen maar over mijzelf spreken – om dat aan de orde te stellen niet meer aanwezig was omdat de commissie-Wierenga eind maart het groene licht had gegeven op a. de methode en b. de wijze waarop het IRT die had uitgevoerd.1

Door de Vergadering van procureurs-generaal werd besloten de commissie-De Wit een advies te laten uitbrengen over de problematiek van infiltratie. De methode die door het IRT werd gehanteerd, is in deze vergadering nooit expliciet aan de orde geweest.

MevrouwSorgdrager: Ja. Het lijkt alsof het helemaal niet aan de orde is geweest. Ik herinner mij nog goed dat op de vergadering in december 1993...

Devoorzitter: 21 december 1993?

MevrouwSorgdrager: Ja. Ik herinner mij nog goed dat toen gesproken is over wat er in Amsterdam aan de hand was. Dat had twee aspecten.

Devoorzitter: Luistert u eens! Neemt u mij niet kwalijk, maar hoe kan het nu dat de heer Van Randwijck zegt dat er niet over gesproken is.

MevrouwSorgdrager: Dat begrijp ik ook niet. Ik heb daar met stijgende verbazing naar zitten luisteren. Het staat zelfs op papier.

Devoorzitter: Nou, op papier. In de papieren die wij hebben gezien, de notulen...

MevrouwSorgdrager: ...staat in dat hij mededelingen heeft gedaan over wat er aan de hand was.

Devoorzitter: Daar kun je ook een procedurele mededinging uit destilleren.

MevrouwSorgdrager: Zo was het niet. Er is echt over gesproken en hij heeft gezegd wat er aan de hand was. Hij heeft vooral de nadruk gelegd op de verstoorde verhoudingen in Amsterdam. Ook kwam de methode aan de orde.

Devoorzitter: Wat heeft hij toen verteld van de methode?

MevrouwSorgdrager: Niet zoveel, omdat hij op dat moment niet precies heeft uitgelegd wat er aan de hand was. Wij hebben wel meteen gezegd dat wij over de methode, die kennelijk geleid heeft tot de opheffing van het IRT, wel wat meer wilden weten. Toen hebben wij aan de commissie-De Wit, waarvan ik net meldde dat die in 1993 was ingesteld, gevraagd om vrij snel te komen met een advies daarover. Wij wilde toen weleens weten wat er echt aan de hand was.2

3.12.11 Minister van Justitie

Minister van Justitie Hirsch Ballin had voor de melding van het Amsterdamse OM in november 1993 geen kennis van het doorlaten van drugs en andere methoden in het Delta-onderzoek. Zoals verder zal blijken, is hij nooit ingelicht over het doorlaten van drugs. Wat betreft de Delta-methode ging de minister gaandeweg twijfelen of dit nu wel terecht onaanvaardbaar was geacht door de gezagsdragers in Amsterdam.

Devoorzitter: U geeft ons nu nieuwe informatie. Volgens het synthetisch verslag heeft u in de vergadering van 9 december gezegd: kennelijk hebben mensen uit dat team onorthodoxe wegen bewandeld; wel staat vast dat een en ander gebeurt met inachtneming van de eisen van de rechtsstaat. Dat zei u toen. Op 26 januari 1994 schrijft u: de directe aanleiding is het uit de hand lopen van een op zichzelf geoorloofde opsporingsmethode. Wat u ons nu vertelt, is dat de heer De Groot uit Rotterdam dus blijkbaar uw opinie over of het nu wel of niet kon, deed veranderen, zonder dat u hem vroeg wat er dan precies aan de hand was.

De heerHirsch Ballin: Hij deed mijn opinie niet veranderen, maar hij zaaide wel twijfel.

Devoorzitter: Nou ja, dat is ook veranderen van opinie, het zaaien van twijfel.

De heerHirsch Ballin: Hij zaaide twijfel over de gegrondheid van de afkeuring in november 1993 van de methode door de hoofdofficier van justitie in Amsterdam. Ik heb al daaraan voorafgaand voortdurend gevraagd in het departement om opheldering over de gang van zaken in Amsterdam. Daar heb ik herhaaldelijk over gesproken. Ik heb ook nog vlak voor de jaarwisseling in een fax aan de secretaris-generaal en de directeur-generaal politie en criminaliteitsbestrijding gevraagd naar het ambtsbericht van de procureur-generaal in Amsterdam.1

Hirsch Ballin was op de hoogte van de geheime aanbiedingsbrief bij de geheime bijlagen van de commissie-Wierenga. Verschillende leden van het OM hebben de minister in de aanloop tot het debat op de hoogte gesteld van de feitelijke gebeurtenissen rond de methode. Hij kende als geen ander in het kabinet de specifieke elementen van de methode, vooral door de inlichtingen van Van der Veen en een brief van Vrakking van 20 maart 1993. In het debat van 7 april 1994 heeft de minister daarover echter geen mededelingen willen doen aangezien hij zich gebonden achtte aan zijn geheimhoudingsplicht. Velen binnen het OM hadden hem bezworen niet alle elementen van de methode openbaar te maken.

Minister van Justitie Sordrager kreeg op de dag van haar aantreden te maken met een informant die meer dan 5 miljoen gulden eiste van de overheid omdat mede door onzorgvuldig overheidsoptreden na de opheffing van het IRT zijn leven in gevaar zou zijn gekomen. De ambtelijke top van het ministerie en de landsadvocaat adviseerden haar om een akte van dading af te sluiten en de informant 2 miljoen gulden te geven om een nieuw bestaan op te bouwen. De minister besloot hiertoe op dezelfde dag.

In de loop van de gebeurtenissen wordt het Sorgdrager duidelijk dat kamervragen van eind 1994 en begin 1995 over het XTC-traject onjuist zijn beantwoord op grond van onvolledige inlichtingen van het openbaar ministerie. In een vertrouwelijke brief aan de voorzitter van de vaste commissie voor Justitie meldt zij dit en geeft zij aan dat nader onderzoek door de rijksrecherche uitkomst moet brengen.

Sorgdrager raakt in april 1995 door berichten in de pers op de hoogte van het feit dat de Delta-methode in het Rotterdamse Beveronderzoek werd toegepast. Eerder was zij niet op de hoogte, zoals de minister in een gesprek aan de commissie heeft gemeld. In de zogenoemde doorlichtingsoperatie van het ministerie van Justitie is het Beveronderzoek niet in alle facetten gemeld. Sorgdrager heeft ingestemd met de beslssing van het College van procureurs-generaal om een rijksrecherche-onderzoek naar de CID Kennemerland te laten uitvoeren. In antwoord op kamervragen in september 1995 meldt zij vervolgens dat 100 tot 400 ton softdrugs Nederland waren binnengekomen onder regie van de politie.

Zoals ook verder in dit rapport zal blijken beschikten de ambtenaren op het ministerie van Justitie niet over voldoende gegevens om de minister naar behoren te kunnen inlichten. De regelmatige informatievoorziening over de toepassing van opsporingsmethoden aan het ministerie is pas op gang gekomen door de rapportages uit de zogenaamde doorlichting en het functioneren van de Centrale toetsingscommissie.

3.12.12 Minister van Binnenlandse Zaken

De minister van Binnenlandse Zaken Van Thijn bevond zich in een moeilijke positie omdat hij als minister ook moest oordelen over zijn voormalige rol als korpsbeheerder van de Amsterdamse politie. In die functie had hij mede besloten het IRT op te heffen. Tijdens het debat van 7 april stond mede een ambtsbericht van de korpsbeheerder van Amsterdam, opgesteld in opdracht van Van Thijn zelf, ter discussie. Als minister van Binnenlandse Zaken was hij gebonden aan zijn geheimhoudingsplicht rond de geheime bijlagen van de rapporten van de commissie-Wierenga.

De heerDe Graaf: U zegt hier dat de opsporingsmethode buitengewoon belangrijk was bij de beantwoording van de vraag of dat team terecht of niet terecht was opgeheven. U zei het al: kind en badwater. Een element daarin vormde toch de mogelijke bestelling van cocaïne.

De heerVan Thijn: Ja.

De heerDe Graaf: En dat is nooit in de ministerraad meegedeeld?

De heerVan Thijn: Niet in deze concrete vorm.

De heerDe Graaf: Is dat niet raar?

Devoorzitter: Daar kon u het toch uitschreeuwen? Dat was toch geheim? Daar kon u toch zeggen: ja, jongens, waar praten wij over?

De heerVan Thijn: De minister van Justitie had hier het voortouw. Misschien had ik mijn huid ermee kunnen redden.

De heerDe Graaf: Ik ken de verhoudingen niet in de ministerraad, maar ik kan mij voorstellen, dat u daar niet afhankelijk was van hetgeen uw collega van Justitie wel of niet wilde dat u zei.

De heerVan Thijn: Ik heb dat toen toch in grote lijnen willen respecteren. Wij vonden de hoofdlijnen die wij schilderden, zo al ernstig genoeg. Ik had in dat stadium ook nooit kunnen vermoeden dat de minister van Justitie en ik op verschillende sporen terecht zouden komen. In de beginfase werkten wij echt broederlijk samen aan deze zaak, ook omdat de minister van Justitie op 1 december in ieder geval zijn goedkeuring had gegeven aan het stopzetten van de opsporingsmethode. Ik heb mij, wat hem betreft, ook in de ministerraad echt aan de spelregels gehouden.

De heerKoekkoek: U had de ellende willen uitschreeuwen. Wat had u bijvoorbeeld willen uitschreeuwen wat u binnensmonds heeft gehouden?

De heerVan Thijn: Dat doet zich vooral voor na het uitkomen van het rapport-Wierenga. Wij hebben toen een adempauze gehad en gezegd dat wij zouden wachten op de bevindingen van de onafhankelijke commissie. Toen waren die bevindingen er. Voor een deel waren zij openbaar, met daaraan een oordeel verbonden, en voor een deel waren zij vervat in een geheime bijlage en een aanbiedingsbrief (...) Tot grote consternatie van alle aanwezigen zei ik ook dat wij een vraagteken zetten achter de toelaatbaarheid van de opsporingsmethode en dat ik niets had gelezen wat de bedoelde conclusie onderbouwde. Daarmee gaf ik aan dat ik alles had gelezen, ook het geheime deel van het rapport. Meer kon en mocht ik daar niet over zeggen. Ook in mijn boek ben ik niet buiten mijn boekje gegaan. Ik had natuurlijk niets liever gedaan dan van de daken schreeuwen wat er in die aanbiedingsbrief stond waar u nu over beschikt en die ik uiteraard een poosje geleden op het departement heb achtergelaten. Daar had ik bij wijze van spreken mijn huid mee kunnen redden. Maar ik heb het niet gedaan, omdat ik dat een schending zou hebben gevonden van mijn ambtsgeheim.1

Van Thijn wilde dat het debat ging over de gebruikte methode. Hij heeft noch de leden van de commissie Inlichtingen- en veiligheidsdiensten, noch het kabinet kunnen overtuigen dat dat noodzakelijk was. Men zat hem voor zijn gevoel «glazig» aan te kijken. Vanwege zijn geheimhoudingsplicht wilde hij zelf echter geen nadere informatie geven over cruciale elementen van de methode.

Minister van Binnenlandse Zaken Dijkstal is slechts direct betrokken via de regiegroep die optreedt ter begeleiding van het rijksrecherche-onderzoek naar de CID Kennemerland en waarin namens hem directeur-generaal Borghouts zitting heeft.

3.13 Beoordeling

De commissie is, met inachtneming van alle beschikbare informatie, tot de volgende beoordelingen gekomen over de Delta-methode.

3.13.1 Delta-methode

1 De Delta-methode is als opsporingsmethode onverantwoord. De commissie heeft niet kunnen vaststellen dat de methode toegepast is met inachtneming van de richtlijn infiltratie. De combinatie van de volgende elementen:

a het doorlaten van grote partijen drugs;

b de te onafhankelijke positie van de criminele burgerinfiltrant;

c het behoud van de criminele winsten;

d de faciliterende rol van de politie, en;

e het gebruik van criminele gelden door de politie, leidt tot dit oordeel. De commissie wijst de methode af.

De methode blijkt nauwelijks te sturen en te controleren. Informanten hebben een te grote invloed gekregen op het functioneren van politie en justitie. De politie heeft gebruik gemaakt van crimineel geld om vervoermiddelen en communicatie-apparatuur aan te schaffen en loodsen te huren. Het overheidsapparaat is gegijzeld door de gang van zaken. De commissie is tot het oordeel gekomen dat de informanten zoveel ruimte kregen dat politie en justitie te afhankelijk van hen werden. De controle door het OM op de feitelijke gang van zaken was onvoldoende en soms compleet afwezig. Het doel van criminaliteitsbestrijding wordt voorbijgeschoten indien grote partijen softdrugs worden doorgelaten om te trachten organisaties in beeld te brengen.

2 De burgerinfiltrant heeft er belang bij dat de methode doorgaat. Hij mag immers zijn criminele winsten behouden en zal, des te langer het traject duurt, blijven bewijzen dat hij in staat is verdovende middelen «binnen te brengen». Het idee om de «groeiinformant» vertrouwen te laten winnen binnen de kring van hoofdverdachten is natuurlijk creatief, maar onwenselijk indien dit gepaard moet gaan met het plegen van allerlei zware strafbare feiten. De commissie heeft uit de geraadpleegde stukken overigens niet de overtuiging gekregen dat de informant al het vertrouwen had gewonnen van deze zogenaamde top van de criminele organisatie.

Daarbij komt dat in het geval van de Delta-methode veel informatie gegenereerd is over het middenkader van de doelgroepen en maar zeer weinig over de directe hoofdverdachten.

Het was zeer moeilijk aan de werkzaamheden van informanten een einde te maken. De methode ging door, ook na de opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht. Dit is gebleken in de regio's Rotterdam en Gooi en Vechtstreek.

3 De commissie is van oordeel dat de betrokken politiefunctionarissen en de FIOD-medewerker, wiens rollen in het voorgaande uitgebreid beschreven zijn, absoluut onvoldoende het OM, de FIOD en de korpsleidingen absoluut onvoldoende hebben ingelicht over de werkelijke gang van zaken. Maar zwaarder weegt nog dat de verantwoordelijke procureurs-generaal, hoofdofficieren van justitie en officieren van justitie, en de leiding van de verschillende politiekorpsen niet hun verantwoordelijkheid hebben uitgeoefend door te zorgen voldoende op de hoogte te geraken van de methoden die de verschillende CID-en hanteerden. De geslotenheid van het opsporingsonderzoek (embargo) is ten onrechte als excuus gebruikt voor het niet doorvragen naar de precieze gang van zaken bij de uitvoering van de methode.

3.13.2 XTC-traject

De commissie wil tevens een oordeel geven over de XTC-transporten naar Engeland. Bij deze XTC-transporten zijn, zo moet de commissie aannemen, miljoenen XTC-pillen bewust doorgelaten en op de markt terecht gekomen.

De commissie constateert dat bij één van deze transporten een peilbaken op de vrachtwagen is geplaatst door de Dienst technische operationele ondersteuning. Het IRT had kennelijk voldoende vermoeden van strafbare feiten om een peilbaken te laten plaatsen. Aangezien het in de ogen van de dienst in Driebergen ging om een politievoertuig is hier geen expliciete goedkeuring van een officier van justitie gevraagd of gegeven.

De commissie constateert dat de officieren Van der Veen en Wortel de departementsleiding onvoldoende hebben ingelicht. Het gegeven van het peilbaken is niet aan het ministerie van Justitie gemeld door Van der Veen, noch het feit dat een gerechtelijk vooronderzoek was geopend. Hij heeft slechts gesproken over CID-operaties. De Kamer is terzake onvolledig en onjuist door de minister geïnformeerd. Er was sprake van een meer dan vaag vermoeden. De vertrouwelijkheid van de operatie is ten onrechte gebruikt om geen extra informatie te geven. De minister heeft hierover inmiddels op 10 oktober een brief aan de Kamer geschreven.

De commissie constateert dat de Nederlandse autoriteiten de Engelse autoriteiten hadden moeten inlichten. Er was naar het oordeel van de commissie voldoende informatie om zelf in te grijpen of de Engelse overheid op de hoogte te stellen van de verdenking van transporten XTC naar Engeland. De commissie komt tot de conclusie dat niet is getipt.

3.13.3 Informatie IRT-onderzoek

In het ressort Amsterdam is, zo heeft de commissie vastgesteld, het besluit gevallen de informatie van het oude IRT niet meer in andere en nieuwe zaken te gebruiken. De commissie acht het noodzakelijk dat nader bezien wordt welke informatie uit het IRT-onderzoek nog gebruikt kan worden in lopende of op te starten strafrechtelijke onderzoeken. Mocht het hiermee mogelijk zijn ernstige strafbare feiten, zoals de moord op de Alkmaarse J. van der Heijden, alsnog op te lossen, dan dient dat besluit heroverwogen te worden.

3.13.4 Afbouw informanten

De zogenaamde afbouw van informanten, beter gezegd het beëindigen van de relatie tussen informanten en politie, heeft tot ongewenste situaties geleid. Onder druk van de dreiging van een informant is alsnog 6 000 kilo drugs doorgelaten. Ook in andere trajecten bleek het meer dan eens noodzakelijk om dit soort doorlatingen toe te staan. Dat is onverantwoord, zeker nu de verantwoordelijken in feite niet wisten welke risico's moesten worden afgewogen.

De commissie acht het onverantwoord dat de overheid in een situatie is gemanoeuvreerd dat zij een informant moet afkopen met een bedrag van 2 miljoen gulden. Dat wijt zij aan onzorgvuldig optreden van politie-ambtenaren en aan de onverantwoord grote machtspositie die de informant in de loop der jaren had weten op te bouwen door zijn kennis.

3.13.5 Saptraject

Politie en justitie hebben zich onvoldoende rekenschap gegeven wat met de dekladingen van de transporten drugs moest gebeuren tijdens de toepassing van de Delta-methode. Het is niet meer te achterhalen of de sapman daadwerkelijk als informant van de CID Kennemerland ingeschreven is geweest. Vast staat wel dat dat er sprake is geweest van een veel te intensieve relatie tussen sapman en de CID-rechercheurs Langendoen en Van Vondel. Dat leidde tot allerlei ongewenste vermengingen van zakelijke en privé-relaties.

Het door Langendoen en Van Vondel ter beschikking stellen van een borgrekening onder een valse naam aan de sapman, ook om zijn zwart verdiende geld op weg te zetten, acht de commissie onaanvaardbaar. Op die manier wordt zonder dat daar een directe noodzaak toe bestaat de overheid betrokken bij strafbare handelingen. De controle op het gebruik van deze borgrekening is volstrekt onvoldoende geweest.

De verklaringen over de hoeveelheid geld dat de sapman heeft ontvangen van of via Langendoen en Van Vondel spreken elkaar tegen. Sapman verklaart dat hij vele miljoenen heeft ontvangen van Langendoen en Van Vondel om in het buitenland een sapbedrijf op te zetten om in nieuwe drugstrajecten gebruikt te worden. Langendoen en Van Vondel ontkennen ten stelligste in de verhoren dat zij daarvoor geld ter beschikking hebben gesteld.

Sapman heeft in ieder geval van een CID-rechercheur tussen de 500 000 en één miljoen gulden ontvangen om te voorkomen dat hij de Rijksrecherche of de commissie zou vertellen wat zijn werkelijke rol is in de methode. Dit geld is volgens Van Vondel afkomstig van de criminele informant.

Het is onduidelijk of de betrokkenheid van de heren Langendoen en Van Vondel verder gaat dan in het zogeheten saptraject beschreven staat. De commissie blijft twijfelen of de heer Langendoen niet van meer op de hoogte is geweest dan hij in de verhoren heeft verklaard. De verklaringen van sapman aan de commissie, zij het niet onder ede gedaan, wijzen op het tegendeel. Het waarom van de betalingen door de informant aan sapman via de heer Van Vondel blijft onopgehelderd voor de commissie. Kan inderdaad een miljoen gulden betaald worden aan sapman zonder dat er sprake is van vergaande betrokkenheid bij mogelijke toekomstige drugtransporten? Hebben deze betalingen slechts tot doel gehad de sapman niet te laten verklaren voor de Rijksrecherche en de commissie?

De commissie acht het aannemelijk, mede gezien de verklaringen van sapman en de zuster van Langendoen, dat Langendoen en Van Vondel een te intensieve financiële betrokkenheid hadden bij het bedrijf in Zuid-Amerika met de bedoeling om het bedrijf te kunnen gebruiken bij latere drugtransporten. De commissie acht het waarschijnlijk dat Langendoen en Van Vondel een te nauwe betrokkenheid hadden met informant 1, waardoor zij niet meer in staat waren onafhankelijk te functioneren van de wensen van informant 1. De commissie komt op dit onderdeel tot het eindoordeel dat de informant de betrokken politiefunctionarissen stuurde in plaats van andersom.

3.13.6 Dekmantelfirma's en valse identiteitsbewijzen

Op grote schaal is gebruik gemaakt van dekmantelfirma's en valse identiteitsbewijzen. De commissie acht het gebruik van deze middelen in principe toelaatbaar. Bij haar onderzoek heeft de commissie moeten concluderen dat van enige controle op het gebruiken van de dekmantelfirma's en de valse identiteitsbewijzen geen sprake was. Betrokken politiefunctionarissen konden naar eigen goedvinden gebruik maken van deze middelen. Op het gebruik van de bedrijven en de firma's is geen enkele controle noch door het OM noch door de betrokken korpsleiding noch door de betrokken korpsbeheerder uitgeoefend. De commissie acht dit gebrek aan controle en sturing ongewenst.

3.13.7 Beveronderzoek Rotterdam

De belangrijke elementen van de Delta-methode komen ook in het Bever-onderzoek weer terug. Het verschil is dat in het Bever-onderzoek relatief meer partijen drugs in beslag zijn genomen. Van belangrijke punten waren noch de CID Rotterdam, noch de direct betrokken officier De Groot op de hoogte. Van Vondel runde zelfs een informant nadat hij de politie verlaten had. Dat laatste is natuurlijk onaanvaardbaar.

De commissie is van oordeel dat de beide CID-officieren uit Rotterdam en Haarlem elkaar onvoldoende hebben geïnformeerd over de beslissingen die waren genomen. Op die manier ontstond er ruimte voor allerlei misverstanden over wie nu waarvoor goedkeuring had gegeven.

De commissie acht de onduidelijkheid die bij deze methode heeft bestaan over de verantwoordelijkheid voor de activiteiten van de informant zeer onwenselijk. Het kan niet zo zijn dat twee hoofdofficieren van justitie elkaar de verantwoordelijkheid toeschuiven. De commissie is van oordeel dat meer eenduidig de verantwoordelijkheden voor het runnen van de informant hadden moeten worden vastgelegd. Dat neemt overigens niet weg dat het OM en de korpsleiding in Haarlem in ieder geval ook verantwoordelijk zijn geweest voor wat er in dit traject gebeurd is.

3.13.8 Gooi en Vechtstreek

Ook voor het gebruik van de methode in Gooi en Vechtstreek wijst de commissie naar het oordeel over de methode als zodanig. Daarbij dient te worden aangetekend dat in Gooi en Vechtstreek veel meer partijen in beslag zijn genomen.

In de regio Gooi en Vechtstreek zijn verschillende informanten overgenomen van de CID Kennemerland. De vroegere werkverhouding tussen de chefs CID zal daaraan niet vreemd zijn geweest. Ook in Gooi en Vechtstreek is gebruik gemaakt van crimineel geld om facilitaire diensten, zoals het huren van loodsen, te bekostigen. Dat is voor de commissie niet aanvaardbaar.

In Gooi en Vechtstreek doet zich een conflict voor tussen de CID-chef en het Amsterdamse OM. De verhoudingen tussen enkele betrokkenen bij politie en OM lijken onherstelbaar verstoord. De persoonlijke verschillen van beoordeling van methoden liggen dermate uit elkaar dat van een toekomstige effectieve samenwerking nauwelijks meer iets terecht kan komen. De commisie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het stopzetten van de onderzoeken mede werd veroorzaakt door de slechte verhouding tussen betrokkenen. Het is het OM onvoldoende duidelijk geworden dat mede gebruik gemaakt werd van informanten afkomstig van de CID Kennemerland. Het is begrijpelijk dat het OM Amsterdam niet in wilde gaan op het verzoek van de politie Gooi en Vechtstreek voor het doorlaten van 17.000 kilo drugs op verzoek van de informant.

De commissie is van oordeel dat het OM aanvankelijk aarzelend is opgetreden over het al dan niet geven van toestemming voor het 5.000 kilo traject waarbij mogelijk drugs op de markt zouden kunnen verdwijnen en crimineel geld zou worden gebruikt. De politie heeft de aarzeling van het OM begrepen als toestemming. De bandopnamen van telefoongesprekken laten echter duidelijk horen dat het OM in de persoon van de heer Valente toestemming voor mogelijke trajecten intrekt.

3.13.9 Criminele gelden en verdiensten

De commissie constateert dat informanten de gelden die zij verdienden met hun activiteiten voor de criminele organisaties mochten behouden. Enkele informanten hebben met medeweten van politie en justitie miljoenen verdiend. Tevens zijn met crimineel geld politie-activiteiten en -middelen gefinancieerd.

De commissie acht het onaanvaardbaar dat informanten onder regie van politie en justitie ongestoord vele miljoenen kunnen verdienen. De commissie acht het onaanvaardbaar dat politie-activiteiten met crimineel geld worden gefinancieerd. Op die manier onstaat naar het oordeel van de commissie een ongewenste vermenging van criminele belangen en de belangen van de opsporing.

3.13.10 Doorgelaten drugs

Op basis van de thans beschikbare gevegens komt de commissie tot de volgende bevindingen over doorgelaten containers met drugs in de beschreven trajecten. Door middel van ongeveer 50 containers is in totaal 285 ton softdrugs en 100 kilo cocaïne doorgelaten. De CID-Kennemerland heeft daarvan in ieder geval 32 containers voor haar rekening genomen. Daarvan is terug te traceren dat waarschijnlijk rond de 100 ton op de markt terecht is gekomen. 160 ton is traceerbaar in beslag genomen.

Naast de te traceren containers bestaan enige aanwijzingen dat in parallel-trajecten meer containers zijn doorgelaten. Harde gegevens ontbreken echter. Het is daarom moeilijk een betrouwbaar totaalgetal te geven. Ook in andere onderzoeken, zoals het Copa-onderzoek, zijn overigens soft- en harddrugs doorgelaten.

3.13.11 De opheffing van het IRT Noord-Holland/Utrecht, de commissie-Wierenga en de Tweede Kamer.

1 Uit het rapport van de commissie-Wierenga en het werk van de enquêtecommissie is gebleken dat de verhoudingen tussen de Amsterdamse politie en het IRT verre van optimaal waren. Voor de overgang van de verantwoordelijkheid voor het IRT naar Amsterdam was het onduidelijk wie nu eigenlijk het gezag uitoefende vanuit het OM. De verschillende officieren van justitie van het IRT (Franken van Bloemendaal, Van Riel, Van der Veen) hadden geen duidelijke superieur voor de overgang naar Amsterdam op 1 juni 1993. Van Capelle had die baas wel in de persoon van hoofdofficier Vrakking.

De verantwoordelijke procureur-generaal, Van Randwijck, heeft onvoldoende sturing gegeven. De hoofdofficieren waren niet of niet voldoende op de hoogte van de gebruikte methoden. Ook na de overgang van het IRT naar Amsterdam is daarin weinig verandering gekomen. Ook de heer Vrakking wist niet welke trajecten er liepen. Hij is daarover niet ingelicht door de officieren Van der Veen, Wortel en Van Capelle en heeft daar voor 8 november 1993 ook niet naar gevraagd.

2 Ongetwijfeld hebben de hoofdrolspelers bij de Amsterdamse politie, Nordholt, Van Riessen, Welten en Van Kastel zich te weinig op de hoogte gesteld van het onderzoek en de opsporingsmethoden van het IRT vlak voor en na 1 juni 1993. Tegelijkertijd had het evenzeer in de rede gelegen dat Van Capelle, Lith, Langendoen en Augusteijn de nieuwe teamleider en/of de korpsleiding van Amsterdam hadden geïnformeerd over de Delta-methode. Waar het rapport van de commissie-Wierenga de verantwoordelijkheid daarvoor eenduidig bij Amsterdam legt, is op basis van de nu beschikbare gegevens de conclusie gerechtvaardigd dat geen van deze personen werkelijk geprobeerd heeft «Amsterdam» te informeren. Mogelijk verstoorde verhoudingen zijn daarvoor geen rechtvaardiging.

Deze personen zijn dan ook mede verantwoordelijk voor de uitbarsting van «Amsterdam», begin november 1993, die zou leiden tot de opheffing van het IRT op 7 december 1993.

3 De commissie wil de volgende opmerkingen maken over de opheffing van het IRT. Na de commotie die ontstaan was binnen het team en bij de CID Kennemerland waren de verhoudingen dermate verstoord dat in ieder geval het werk op andere wijze georganiseerd had dienen te worden. Dat had nog niet per sé tot opheffing van het team hoeven te leiden.

Toen men besloten had dat de methode gestopt diende te worden ontbrak het op de ressortsvergadering van 17 november 1993 aan voldoende gezag bij de procureur-generaal om tot én beëindiging van de Delta-methode én een andere werkwijze voor het team te komen.1 Dat laat onverlet dat de Amsterdamse driehoek niet in staat was met initiatieven te komen ter verbetering van de situatie. Naar andere oplossingen is niet meer gezocht. De politie in Amsterdam bleek niet in staat effectief een einde te maken aan de toepassing van de methode.

4 De commissie-Wierenga heeft onder een bijkans onmogelijke tijdsdruk moeten werken, mede onder invloed van de naderende Kamerverkiezingen van mei 1994 en de wens van de Kamer snel conclusies te kunnen trekken. Zij beschikte niet over de gegevens waarover de enquêtecommissie nu kan beschikken. Zij kende belangrijke elementen van de Delta-methode niet.

De commissie-Wierenga kwam tot de volgende eindconclusies: zij heeft de verantwoordelijkheid voor het uiteenvallen van het IRT eenduidig bij Amsterdam gelegd. De gebruikte Delta-methode heeft zij als verantwoord en niet onrechtmatig beoordeeld.

De commissie wil zich niet begeven in het opnieuw beoordelen van alle conclusies van de commissie-Wierenga, voorzover zij geen betrekking hebben op de gebruikte opsporingsmethode.

Het is de commissie wel duidelijk geworden dat in de baaierd van ongenoegen die leidde tot de opheffing van het IRT de schuld niet eenduidig bij één partij te leggen is. Het is nu bijna irrelevant geworden om een oordeel te geven over de vraag of de opheffing van het IRT met vrucht vermeden had kunnen worden. Niet alle relevante informatie was voorhanden, het gezag op het niveau van het ressort ontbrak, de hoofdofficieren communiceerden niet meer met elkaar. De beschuldigingen van corruptie droegen bij tot een onmogelijke werkverhouding.

Wat betreft de methode deelt de commissie het oordeel van de commissie-Wierenga niet. Gezien alle informatie die nu voorhanden is, was de Delta-methode met al haar consequenties onverantwoord en niet aanvaardbaar.

5 Tijdens de verhoren van de commissie is gebleken dat de direct betrokken ministers een uiteenlopende visie op de zaak hadden. Hirsch Ballin twijfelde al vanaf de eerste weken van december '93 of de methode in november wel met recht en reden door Amsterdam gestopt was. Van Thijn was in feite een diametraal andere mening toegedaan. Voor hem was het duidelijk dat het IRT was opgeheven vanwege de uit de hand gelopen opsporingsmethode. Door deze uiteenlopende visies was het voor het kabinet moeizaam om tot een eenduidig oordeel te komen over de methode.

6 Het kabinet heeft besloten dat slechts vier ministers kennis zouden nemen van het geheime deel van de commissie-Wierenga, te weten premier Lubbers, vice-premier Kok en de ministers Hirsch Ballin en Van Thijn. Hiermee heeft het kabinet de zienswijze van de commissie- Wierenga gevolgd dat openbaarmaking van deze stukken achterwege diende te blijven, vanwege schade aan de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde of in verband met de veiligheid van personen. Achteraf gezien is te betreuren dat besloten is door het kabinet geen extra informatie naar buiten te brengen. Het kabinet had, naar het oordeel van de commissie, de toen bekende wezenlijke punten uit de geheime aanbiedingsbrief wel openbaar moeten maken.

7 De commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft geen redenen gezien het kabinet nadere opheldering te vragen na ontvangst van het geheime deel. Naar het oordeel van de enquêtecommissie had zij de regering moeten vragen alsnog de Kamer in te lichten over de essentiële elementen die nu verborgen zijn gebleven. Zij had tevens moeten overwegen of het op haar weg lag deze geheime informatie zonder meer te ontvangen, nadat zij op 25 januari besloten had zich niet verder inhoudelijk met de zaak bezig te houden.

Het gebruik van de commissie Inlichtingen- en veiligheidsdiensten door de regering in kwesties als de IRT-affaire is oneigenlijk. De verantwoordelijke kamercommissies dienen, waar noodzakelijk vertrouwelijk, dergelijke informatie te ontvangen.

8 Hoewel formeel vol te houden is dat door het inlichten van de commissie-IVD de Kamer was ingelicht, was een goed oordeel van de Kamer als geheel over de consequenties van de gevolgde methode niet mogelijk. Daarmee bleef het de Kamer ook ten dele duister wat de werkelijke inhoud zou zijn van de zogenaamde functioneringsgesprekken van de betrokken ministers met de heren Van Randwijck, Vrakking, Nordholt en Van Riessen.

9 Het kamerlid Stoffelen (PvdA) beschikte wel over meer concrete informatie over de methode in het debat van 7 april 1994.1 Hij vroeg echter niet door bij de betrokken ministers of zijn kennis over de doorgelaten hoeveelheden verdovende middelen klopte. Hij was te bevreesd voor het mogelijk aftreden van ministers of het gehele kabinet om de zaak in de Kamer op te helderen. Politieke overwegingen wonnen het bij één van de coalitiepartners van het bevragen van de ministers over de wezenlijke punten van de methode.

Verschillende kamerleden (Korthals (VVD), Dijkstal (VVD) en Wolffensperger (D66)), die op 7 april 1994 tot de oppositie behoorden, hebben in de verhoren van de commissie meegedeeld dat zij genoeg informatie hadden om zich een politiek oordeel te vormen over het gevoerde beleid.2 Ook het kamerlid Van der Heijden (CDA) stelde geen vragen over de mehtode.

Afsluiting

De uitkomst van het kamerdebat van 7 april 1994 had voor veel gezagsdragers een duidelijke uitkomst. De methode was niet onrechtmatig geoordeeld en men kon weer aan het werk.

De verschillen van inzicht tussen «Amsterdam» en de anderen bleven echter bestaan. De lucht was niet gezuiverd. De functioneringsgesprekken leidden niet tot helderheid. De procureurs-generaal bespraken de gevolgen van de methode niet meer. Weinig gezagsdragers hebben zich in 1994 echter de vraag gesteld of de methode nu gestopt was of nog doorgang vond. De methode ging door op een zodanige manier dat de informant feitelijk betrokken politiefunctionarissen stuurde en vergaand beïnvloedde.

De betrokken politiefunctionarissen waren niet in staat de methode verantwoord uit te voeren. Het justitiële gezag over de politie heeft gefaald. Geen van de betrokkenen bleek zich tijdens de verhoren voor het geheel verantwoordelijk te voelen.

HOOFDSTUK 4 OBSERVATIE

4.1 Inleiding

De commissie heeft systematisch onderzoek gedaan naar het gebruik van opsporingsmethoden. De basis van dit onderzoek ligt in de vragen die de Werkgroep vooronderzoek opsporingsmethoden hierover gesteld heeft. In de volgende hoofdstukken wordt weergegeven hoe opsporingsmethoden in Nederland worden ingezet. De commissie hanteert daarbij het onderscheid tussen observatie, informanten runnen, infiltratie en overige opsporingsmethoden. De commissie besteedt per methode aandacht aan de regelgeving en de jurisprudentie, het feitelijk gebruik, de sturing en controle van het gebruik door het OM en de verslaglegging. Afsluitend wordt bij een aantal methoden aandacht besteed aan de corruptiegevoeligheid hiervan.1 De inzet van methoden waarbij veelvuldig contact wordt onderhouden met criminele derden levert corruptierisico's op. Dit is het geval bij het runnen van informanten, infiltratie, gecontroleerde aflevering en het doorlaten van drugs. In de hoofdstukken over informanten en infiltranten wordt hierop nader ingegaan.

De commissie heeft veel onderzoeken naar criminele organisaties aangetroffen waarbij sprake was van de inzet van een combinatie van methoden. Een omvangrijk onderzoek naar een criminele organisatie betekent al snel de inzet van verschillende methoden tegelijkertijd. Naast een tactisch onderzoek met specifieke methoden ten aanzien van verdachten loopt dan ook een zogenaamd pro-actief onderzoek dat zich concentreert op andere personen. Zo gaat een methode als politie-infiltratie vrijwel altijd gepaard met observatie. Ook bestaat gecontroleerde aflevering niet zonder observatie. Inkijkoperaties gaan vaak samen met gecontroleerde afleveringen. Het plaatsen van peilzenders zonder volgen heeft geen zin. De commissie realiseert zich derhalve terdege dat een aparte bespreking van methoden, zoals hier voor gekozen is, vaak geweld doet aan de praktijk. Gezien het feit dat het hier gaat om duidelijk te onderscheiden opsporingsmethoden, is gekozen voor een aparte bespreking en beoordeling.

Om een beeld te krijgen van de inzet van opsporingsmethoden heeft de commissie in alle politieregio's en arrondissementen gesprekken gevoerd en documenten opgevraagd. Het onderzoek door de commissie en haar staf leverde veel nieuwe gegevens over het gebruik op.2 Hiernaast is ook gebruik gemaakt van de inventarisatie van gehanteerde opsporingsmethoden (de doorlichting) die op last van de minister van Justitie begin 1995 door de parketten is opgesteld (zie hoofdstuk 9). Op straffe van het stopzetten van de zaak dienden politie en justitie een overzicht te leveren van de gebruikte methoden. Deze doorlichting heeft veel (ongestructureerde) gegevens opgeleverd. Het ministerie van Justitie heeft geen samenvattend overzicht van deze gegevens gemaakt. De commissie heeft gemeend in haar rapportages de gegevens die voortkomen uit deze doorlichting te moeten verwerken. Daarnaast geven de beslissingen van de Centrale toetsingscommissie (CTC) een beeld van opsporingsmethoden in Nederland. Ook deze gegevens zijn verwerkt in de rapportages. De commissie heeft casusonderzoek gedaan naar enkele bijzondere zaken en methoden naast het onderzoek naar de Delta-methode. Het gaat om een casus of voorbeelden van opsporing en vervolging waarin de vraagpunten van de commissie expliciet naar voren komen. De commissie besteedt specifieke aandacht aan een aantal omvangrijke casussen, te weten de zaken Charles Z., Henk R., TCR/TCA, Laundry, Ramola en AH Oosterbeek, alsmede het Copa-onderzoek. Tenslotte is de informatie die uit de openbare verhoren kwam verwerkt in deze rapportage. In deze verhoren zijn de verschillende opsporingsmethoden uitgebreid aan de orde geweest. De commissie moest daarbij steeds laveren tussen de wens om lopende onderzoeken niet te openbaren of personen niet in gevaar te brengen en de noodzaak om in de openbaarheid de gebruikte opsporingsmethoden te kunnen duiden. De commissie heeft getracht steeds een evenwicht te vinden tussen deze potentieel conflicterende belangen. Het volgende citaat toont het dilemma waarmee zowel de commissie als de getuigen worstelden:

Devoorzitter: Maar op dit moment? Weet u of er bij u wordt doorgeleverd of niet?

De heerWilzing: Ik sta onder ede en u vraagt mij heel concreet over een zaak.

Devoorzitter: Neen, niet over een zaak.

De heerWilzing: Maar ik denk aan een zaak; laat ik het zo zeggen. Daar ben ik buitengewoon terughoudend in. Maar ik sta onder ede.

Devoorzitter: U staat onder ede, zeker.

De heerWilzing: Dat betekent dat zaken kunnen lopen. Die zijn tot op het hoogste bevoegde niveau afgeregeld en afgespijkerd, zeer zorgvuldig. Daar is dan ook een driehoek van op de hoogte: die kent het, weet het en weet wat ze wil.

Devoorzitter: Het lijkt u niet verstandig om daarover verder indicaties te geven op dit moment?

De heerWilzing: Neen.

Devoorzitter: Goed, dat begrijp ik.1

Deze onderzoeksmethoden hebben de commissie een goed beeld gegeven van de diversiteit van opsporingsmethoden. Echter, de commissie heeft niet de illusie dat zij door haar onderzoek een volledig beeld heeft. Elk onderzoek levert andere feiten op. In dit onderzoek worden de varianten beschreven waarin opsporingsmethoden worden ingezet, alsmede worden gegevens genoemd over de omvang.

4.2 Vormen van observatie

Onder observatie verstaat de commissie het gadeslaan van bepaalde personen, objecten en situaties ten einde informatie te verzamelen, al dan niet op de openbare weg of al dan niet in voor het publiek toegankelijke ruimten. In haar onderzoek heeft de commissie aandacht besteed aan verschillende vormen van observatie:

a. aftappen van telecommunicatie;

b. scannen van mobiele telefoons en van semafoons;

c. direct afluisteren m.b.v. technische middelen (w.o. richtmicrofoons);

d. observeren en volgen;

e. gebruik van plaatsbepalingsapparatuur;

f. fotograferen en maken van video-opnamen;

h. inkijkoperaties.

Een indicatie van het gebruik van deze methoden geeft de volgende tabel. Dit zijn slechts de verzoeken aan de Dienst technische ondersteuning in de afgelopen twee jaren.

Assistentieaanvragen in recherchezaken van alle regio's aan de DTOO in 1995 en 1994

 1995 (tussen haakjes: geen inzet gevolgd)1994
Plaatsen videocamera191 ( 49) 206
Gebruik videolaboratorium 395 ( 25)362
af/meeluisterapparatuur 25 ( 9) 22
gebruik audiolaboratorium90 ( 9) 94
uitlenen Kolibrie 2 ( 1) 24
plaatsen peilbakens 325 ( 113) 184
inkijkoperaties 15 ( 2)10 ( 3)
klonen semafoon 200 ( 0) 188
uitleen verbindingsapparatuur53 ( 4) 43
veiligheidsonderzoek (sweepen bv) 211 ( 8)89
overige ass./advies/uitleen 73 ( 17) 91
Totaal1580 (235)1313

Uit deze tabel blijkt een toename van assistentieverzoeken aan de DTOO. Over 1994 zijn de cijfers over daadwerkelijke inzetten niet paraat, maar de gegevens hierover uit 1995 geven een indicatie. Vijftien procent van het totaal aantal verzoeken wordt niet ingewilligd. Hieraan kunnen redenen van recherche-tactische, juridische of technische aard ten grondslag liggen. Om het gebruik van het videolaboratorium, sema-kloon en het plaatsen van peilbakens blijkt het meest verzocht te worden.

Over 1992 en 1993 kunnen de gegevens over aantallen assistentieverzoeken, respectievelijk 485 en 806, gesplitst worden naar politieregio, het KLPD en overigen. Hieronder vallen de bijzondere opsporingsdiensten, de Koninklijke marechaussee en de kernteams. De meeste verzoeken komen van de politieregio's Utrecht en Amsterdam-Amstelland en het KLPD.

In bijlage 5 Methoden is een apart hoofdstuk 3 observatie opgenomen waarin uitgebreid op de elementen van deze observatiemethoden wordt ingegaan. In deze paragraaf zal de commissie zich beperken tot de belangrijkste bevindingen en haar beoordelingen.

4.3 Juridische structuur en organisatie

Observeren als zodanig is niet wettelijk geregeld. Wel is een aantal observatiemiddelen zoals het afluisteren van telecommunicatie en inzage in computerbestanden in het Wetboek van Strafvordering geregeld. Deze methoden hebben daarmee een expliciete wettelijke basis. De juridische basis voor andere vormen van observatie door de politie wordt in de jurisprudentie gevonden in de algemene taakuitoefening door de politie (art. 2 Politiewet 1993) en de uitoefening van de opsporingsbevoegdheid (art. 141 en 142 Sv).1

Observatie vindt bij grootschalige onderzoeken plaats door observatieteams (OT), eventueel ondersteund door de secties technische ondersteuning (STO) en de Dienst technische operationele ondersteuning (DTOO). In een aantal gevallen heeft een arrestatieteam (AT) specifieke observaties verricht. Het gaat daarbij dan voornamelijk om inkijkoperaties. In enkele gevallen observeren tactische rechercheurs of CID-rechercheurs zelfstandig. Het OT beschikt standaard over foto- en video-camera's, verrekijkers, camouflage-middelen en veelal een kolibrie. Dit is een middel om communicatie via mobiele telefoons te kunnen onderscheppen.

4.4 Bevindingen

4.4.1 Aftappen telecommunicatie

Het aftappen van telecommunicatie (telefoon, mobiele telefoon, semafoon, fax, dataverkeer) moet plaatsvinden in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek met machtiging van de rechter-commissaris (artt. 125g e.v. WvSv). De commissie heeft slechts één keer geconstateerd dat aftappen van telecommunicatie zonder machtiging van de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden.

Het gebruik van taps van (auto)telefoons, semafoons en faxen vindt frequent en nagenoeg automatisch plaats in grote strafzaken. Het aantal taps loopt jaarlijks in de duizenden. Het gebruik van dit opsporingsmiddel is routine geworden voor zowel politie als justitie. De waarde van het middel voor bewijsrechtelijk gebruik is afgenomen omdat leden van criminele organisaties slechts zelden via de telefoon belastende uitspraken doen. Dit neemt niet weg dat dit middel veel informatie kan opleveren. Door middel van de tap worden contacten tussen bepaalde personen, afspraken en ontmoetingsplaatsen vastgesteld. Van de tapverslagen wordt soms kennis genomen door de criminele inlichtingendienst.

Aantal geplaatste taps in Nederland, aandelen per arrondissement (bron, rapport WODC).

Arrondissementtaps 1993% van totaaltaps 1994% van totaal
Den Haag46812.9348214.68
Rotterdam53514.7835710.87
Den Bosch1123.101113.38
Arnhem61617.0245213.76
Amsterdam45012.4339211.94
Utrecht1925.311875.69
Breda1253.451133.44
Zwolle932.571163.53
Alkmaar812.34682.07
Haarlem1032.851193.62
Maastricht1323.651183.59
Almelo812.34842.56
Leeuwarden852.35651.98
Zutphen1454.012086.33
Groningen1022.82872.65
Dordrecht391.08902.74
Roermond1002.76792.41
Assen711.96772.35
Middelburg892.46792.41
Nederland3619100.23284100

Tappen is een tijdelijk geheim dwangmiddel. De tapverslagen en beschikkingen vormen onderdeel van het strafdossier. In de loop van het gerechtelijk vooronderzoek (na het beëindigen van de tap) komen de gegevens beschikbaar voor de verdachte. Andere getapte personen (niet-zijnde de verdachte) worden niet op de hoogte gebracht. Van een niet later op naam gesteld gerechtelijk vooronderzoek tegen NN raakt de getapte persoon niet (vanwege justitie) op de hoogte.

Het is inmiddels (sinds 1 januari 1996) technisch mogelijk om mobiele GSM-telefoons af te luisteren via de infrastructuur van PTT-Telecom. Afluisteren van GSM geschiedt op grond van artikel 125g Sv. In 1995 is voor het eerst met gebruik van speciale kostbare apparatuur GSM getapt in een kernteamonderzoek.

In verschillende deelonderzoeken van een opsporingsteam is veelvuldig gebruik gemaakt van aftapmogelijkheden. Zo worden in Turkije GSM aansluitingen getapt teneinde de onderlinge relaties tussen de verdachten te kunnen vaststellen en gesprekken te kunnen afluisteren. Het aftappen gebeurt door Turkse politiemensen met een machtiging van een Turkse rechter. Eerder zijn ook ATF gesprekken afgeluisterd. Dit keer zonder kennisgeving aan de Turkse autoriteiten.

Zodra het berichtenverkeer gericht wordt afgeluisterd is een machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk. Deze machtigingen worden nagenoeg automatisch verleend en verlengd, met name in opsporingsonderzoeken naar georganiseerde criminaliteit. Zelden wijst een rechter-commissaris een vordering tot aftappen af. Wel komt het voor dat er eerst informeel overleg plaats vindt tussen de officier van justitie en de rechter-commissaris. Rechters-commissarissen benadrukken echter dat zij steeds weer een nieuwe afweging maken van de proportionaliteit en subsidiariteit van het tappen van bepaalde personen.

Het aftappen van gegevensverkeer vindt plaats in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Daarmee is het een onderdeel van het tactische onderzoek. In veel gevallen krijgt de CID toegang tot de inhoud van het gegevensverkeer. Dit is dan het geval omdat de CID, die parallel aan het tactisch traject opereert, op de hoogte moet zijn van hetgeen in het tactische traject gebeurt. Gegevens uit de tap worden ook opgeslagen in CID-registers. Op het moment dat de rechter-commissaris opdracht geeft tot vernietiging van de tapverslagen is niet gegarandeerd dat daarmee ook de door de CID opgeslagen gegevens worden vernietigd. In de praktijk blijft de bij de CID opgeslagen informatie gewoon bestaan. Een wettelijke grondslag voor het opslaan van tapinformatie in CID-registers ontbreekt. In het ontwerp Herziening gerechtelijk vooronderzoek wordt een voorziening getroffen om tapinformatie in andere zaken te kunnen gebruiken.

Het printen van telefoonnummers (printers/call tracers) en het registreren van semafoonoproepen vindt veelvuldig plaats. Op die manier tracht de politie in kaart te brengen wie met wie telefonisch contact legt. Het gaat daarbij niet om de boodschap, maar om de vaststelling van contacten. Wanneer de semafoon wordt gebruikt voor gegevensverkeer valt deze onder het regime van artikel 125g Sv. Als er nog geen gerechtelijk vooronderzoek loopt, ligt de bevoegdheid tot printen bij de officier van justitie. In een dergelijk geval dient de officier van justitie binnen een maand na het verkrijgen van de gegevens een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen indien hij van deze gegevens gebruik wil maken. In de praktijk wordt deze wettelijke termijn, die volgt uit artikel 125h, lid 4 Sv wel eens overschreden.

De heerMaan: De wet zegt dat als je gebruikt wilt maken van de gegevens die uit een printerlijst naar voren zijn gekomen een gerechtelijk vooronderzoek moet worden gevorderd binnen een maand na ontvangst, na kennisneming van de desbetreffende gegevens.

Devoorzitter: Dus u zegt: ik mag er een tijd over doen voordat ik er kennis van neem en zo kan ik het oprekken?

De heerMaan: Het is geen kwestie van oprekken. Het gaat niet om de datum waarop de beschikking door mij is gegeven. Het gaat om de datum waarop ik kennis neem van de desbetreffende gegevens, die voor mij relevant zijn om te gebruiken. Naar aanleiding daarvan beslis ik om een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen.1

De commissie heeft vastgesteld dat het in een paar gevallen voorgekomen is dat informatie is opgevangen omdat de hoorn van de haak van een telefoontoestel lag. De commissie is van mening dat in dit verband geen sprake is van een aparte opsporingsmethode.

4.4.2 Scannen

Het scannen van mobiele telefoons en semafoons is niet apart wettelijk geregeld. De jurisprudentie staat het toe om deze middelen in te zetten voorzover zij niet gericht, stelselmatig of langdurig worden ingezet. Het gericht gebruiken van scanners om daarmee telefoongesprekken af te luisteren wordt opgevat als het aftappen van gegevensverkeer en moet dan ook aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen.

Het scannen van mobiele telefoons door de politie heeft verschillende doelen. Met behulp van een zogenoemde kolibrie kan worden vastgesteld of van deze communicatiemiddelen gebruik wordt gemaakt. Dit wordt door de jurisprudentie toegelaten. Het middel scannen werd op die manier gebruikt ter ondersteuning van het volgen en observeren van personen.

Het is echter tevens mogelijk met behulp van de kolibrie gesprekken, gevoerd over mobiele telefoons af te luisteren. Dit kan enerzijds gebeuren met het doel de inhoud van de gesprekken in het verdere verloop van de strafzaak te gebruiken en anderzijds om vast te stellen waar een bepaalde persoon naar toe gaat. De commissie heeft vastgesteld dat observatieteams voor laatstgenoemd doel, frequent mobiele telefoons afluisteren. Er is dan sprake van het beluisteren van de inhoud van het gesprek, die bovendien soms zakelijk wordt weergegeven in OT-verslagen. Voor dit beluisteren is vaak geen machtiging gegeven.

Devoorzitter: Twintig jaar geleden bestonden er nog geen Kolibries.

De heerJansen: Nee, maar toen had je wel een tap. Je had een indicatie. Het is maar heel kort in zwang geweest om open over de telefoon te praten, want na de eerste rechtszaken was dat mooi afgelopen. Je had dus wel indicaties. Je kon aan een stemverheffing, aan het nerveus worden van mensen die over de telefoon praatten, merken dat er met een bepaalde lading iets niet goed moest zitten. Men was alerter, nerveuzer. Men belde elkaar vaker. Een ogenschijnlijk onbelangrijke lading bleek ineens ontzettend belangrijk te zijn. Het ging een keer om 20 ton elastiekjes waar niemand in Nederland op zat te wachten, maar men had daar geweldig veel haast mee. Dan is daar iets fout. Dan ga je daarnaar kijken.1

De heerDe Graaf: Met die Kolibrie kon u eigenlijk twee dingen doen: bepalen dat iemand aan de telefoon zat en rechtstreeks afluisteren als u erachter zat en een frequentie opving.

De heerMosterd: Dan konden wij gewoon afluisteren, ja.

De heerDe Graaf: Dat deed u dan zonder machtiging van de rechter-commissaris?

De heerMosterd: Voor alle duidelijkheid: de informatie die wij via de Kolibrie hoorden, gebruikten wij alleen als er een machtiging van de rechter-commissaris was. Nog steeds gaat de schakelaar van het apparaat gewoon om als wij zien dat er iemand belt met ATF3, alhoewel je die vandaag de dag niet veel meer tegenkomt.

De heerDe Graaf: Wat bedoelt u met «de schakelaar gaat om»?

De heerMosterd: Dat het apparaat aangaat. Dan maakt het observatieteam er gebruik van om te anticiperen op de bewegingen van de verdachte.

De heerDe Graaf: Is dat een grijs gebied of een grensgebied?

De heerMosterd: Ik wil er niet schijnheilig over doen: wij beroepen ons er natuurlijk op dat het eigenlijk nergens wettelijk verboden is om een scanner te gebruiken. Er zijn ook uitspraken, richtlijnen, over dat je hem wel mag gebruiken voor operationele werkinformatie ten behoeve van je observatieteam, maar dat je de informatie die zonder machtiging is verkregen, niet mag gebruiken ten behoeve van het onderzoek.2

Het is nu bijna algemeen gebruikelijk om voor het scannen een machtiging van de rechter-commissaris te vragen, indien het in feite het afluisteren van telefoonverkeer betreft en om het OM om toestemming te vragen als het gaat om het scannen ter ondersteuning van de observatie. Het middel wordt ook ingezet als er geen verdenking bestaat. Veelal betreft het in de praktijk onderzoeken naar criminele organisaties. Het middel wordt dus enerzijds ingezet om telefoongesprekken af te luisteren en anderzijds als hulpmiddel bij andere vormen van observatie. Terwijl de artikelen 125f en 125g Sv van toepassing worden geacht voor het scannen om af te luisteren, is er geen expliciete wettelijke grondslag voor het scannen ter ondersteuning van de observatie.

4.4.3 Direct afluisteren

Onder direct afluisteren verstaat de commissie het afluisteren en/of opnemen van gesprekken met gebruikmaking van verborgen microfoons en/of recorders. Als men geen deelnemer aan het gesprek is of als men niet handelt in opdracht van een gespreksdeelnemer, is het verboden gesprekken met een technisch middel af te luisteren of op te nemen (artt. 139a en 139b Sr). Evenzo is het verboden afluisterapparatuur te plaatsen (art. 139d Sr). Alleen voor de Binnenlandse veiligheidsdienst is een uitzondering opgenomen. Aangezien voor opsporingsambtenaren geen uitzondering is gemaakt, mag een gesprek door politie en justitie alleen direct afgeluisterd worden als men zelf aan het gesprek deelneemt of als een gespreksdeelnemer hiertoe opdracht heeft gegeven. Infiltranten nemen geregeld gesprekken op.

Devoorzitter: Was het afluisteren van de safe houses – de infiltrant heeft gesprekken met de criminele groepering – of het afluisteren van auto's rechtmatig?

De heerNaeyé: De wetgeving op dat punt is zodanig, dat het in het algemeen niet strafbaar is, wanneer iemand een gesprek opneemt en afluistert, waarbij hij zelf is betrokken.

Devoorzitter: Dat is ook geen inbreuk op de privacy?

De heerNaeyé: Het is niet strafbaar. Als ik van de eerdere gesprekken van de parlementaire enquêtecommissie opnames had gemaakt, dan zoudt u onaangenaam verrast zijn geweest, als ik dat had uitgezonden of gepubliceerd. Dat is niet strafbaar. Dat wil niet zeggen dat het onder omstandigheden geen inbreuk is op de privacy. Het zijn twee verschillende zaken.1

De commissie heeft vastgesteld dat verschillende vormen van direct afluisteren zich hebben voorgedaan. Veelvuldig werden gesprekken afgeluisterd met toestemming van één van de deelnemers. Dat gebeurde vooral bij ontmoetingen met informanten, pseudo-koop en infiltratie-acties. Daarnaast hebben politie en justitie gebruik gemaakt van afluisterapparatuur in openbare ruimten en is meegeluisterd met gesprekken die gevoerd zijn in een openbare gelegenheid. Ter illustratie:

De heerVos: Heeft direct afluisteren enige malen plaatsgevonden?

De heerKoers: Dat heeft een paar keer plaatsgevonden. Wij hebben een keer geprobeerd op een terras met geluidsboxen een gesprek af te luisteren. Daarbij is de redenering toegepast, dat de wet verbiedt in een gesloten ruimte met technische hulpmiddelen een gesprek op te nemen; dit is niet een gesloten ruimte; wij kunnen eens kijken of het lukt. Dat was voordat het nieuwe wetsvoorstel direct afluisteren in de Kamer aanhangig is gemaakt. (...) Ik herinner mij nog een zaak waarin het in overleg met een gevangenisdirecteur gebeurd is, omdat de dreiging bestond dat iemand zou ontsnappen. Dat heeft echter absoluut niets opgeleverd.(...)

De heerVos: Mag in een woning ook direct afgeluisterd worden of gelden daar weer andere normen voor?

De heerKoers: Ik vind dat er in een woning niet direct afgeluisterd mag worden.

De heerVos: Is dat ooit gebeurd?

De heerKoers: In één zaak weet ik dat een collega dat gedaan heeft om – ook daar liep het onderzoek vast – uit te sluiten dat bepaalde mensen wel of niet bij een moord betrokken waren. Daar is het gebeurd.

De heerVos: Is daar verslag van gedaan?

De heerKoers: Daar is verslag van gedaan2

Devoorzitter: Wij willen het met u nog hebben over twee kleine puntjes. In de doorlichting van uw regio komt ook nog voor dat u wel eens ging afluisteren met, geloof ik, uw eigen koffer.

De heerPaulissen: Ja. Wij zagen dat criminelen niet meer via de telefoon met elkaar praatten, maar stad en land afreden om ontmoetingen met elkaar te hebben. Wij hebben zelfs een geval gehad waarin iemand naar Luxemburg reed om daar tien minuten op de hoek met iemand te praten en vervolgens terugging. Wij hebben gezegd: we kunnen achter ze aan blijven rijden tot we een ons wegen, maar wij zullen toch een beetje zicht moeten krijgen op datgene wat daar gebeurt. Wij hebben toen gezegd: in openbare ruimten vangt iedereen gesprekken op. Als je daar bent, vang je flarden van een gesprek op van een naastliggend tafeltje. Waarom zou je als politie ook niet mogen proberen, die flarden op te vangen? Misschien vang je flarden op die je in het totaal van de onderzoeksgegevens uiteindelijk weer wat wijzer maken.

De heerPaulissen: Wij hebben toen gezegd dat datgene wat een normale burger in de openbare ruimte doet, ook voor de politie toelaatbaar is. Zij kan dus flarden van gesprekken en mededelingen oppakken. Nogmaals, Daarvan kan achteraf worden gezegd: dat is heel stout, dat had je niet moeten doen. Daar heb ik ook wel vrede mee. Maar ik wil maar aangeven dat wij dit soort afwegingen gemaakt hebben. Uiteindelijk hebben wij in die afweging gezegd: wij vinden dit te verantwoorden.

Devoorzitter: Heeft het overigens gewerkt?

De heerPaulissen: Neen, op dat punt schaam ik mij nog het meest. Als je daarop terugkijkt, ziet het er allemaal wel amateuristisch uit. Het heeft dus niet gewerkt. Wij zijn er op een gegeven moment ook mee gestopt.1

De commissie heeft enkele voorbeelden aangetroffen van het plaatsen van bugs en andere afluisterapparatuur zonder dat één van de deelnemers toestemming had gegeven. Ook is enkele malen gebruik gemaakt van richtmicrofoons. Dat deed zich vooral voor bij ernstige noodsituaties.

De heerKoekkoek: (...) Werkt u met afluisterapparatuur?

De heerBroere: Ja.

De heerKoekkoek: Bij welke gelegenheden?

De heerBroere: Gijzelingen, ontvoeringen. Wij maken daarbij ook gebruik van camera's om zicht te krijgen op wat zich binnen afspeelt.2

De indruk bestaat dat inzet van deze methoden alleen wordt overwogen in zaken die OM en politie zeer ernstig vinden. Dit valt ook te concluderen uit de doorlichting. Daarin wordt 15 maal melding gemaakt van direct afluisteren, waarvan in zes gevallen met medeweten van één der gespreksdeelnemers. Het afluisteren vond plaats in gevallen van moord/doodslag, gijzeling, een schietpartij, kinderporno, een zedenzaak, fraude en handel in verdovende middelen. Een paar uitgewerkte voorbeelden:

Moordzaak

Tijdens het onderzoek naar de gewelddadige moord op een bejaarde vrouw is direct afgeluisterd. Dit gebeurde door de plaatsing van afluisterapparatuur in een woning teneinde de gesprekken van de vermoedelijke dader in de aangrenzende woning af te luisteren. Dit betrof een zwaar verslaafde jongen die bij zijn moeder woonde. Uit de bandjes die gedurende twee dagen van gesprekken tussen moeder en zoon zijn opgenomen bleek dat de jongen niet betrokken was bij de moord. Deze afluisteroperatie gebeurde onder de regie van de CID en met toestemming van de officier van justitie.

Gijzelingszaak

In het geval van een gijzelingszaak is direct afgeluisterd door het aanbrengen van afluisterapparatuur in een hotelkamer. Het ging om de gijzeling van een uit Duitsland afkomstige Turk. Het zag ernaar uit dat de onderhandelingen tussen de familie en de gijzelnemers in een nader bepaalde lokatie zouden plaatsvinden. Op voorhand heeft de politie toen een hotelkamer gehuurd waarin video- en geluidsapparatuur is geplaatst. Naderhand liep de zaak anders en is deze afluisteractie niet nodig gebleken. Hiervoor was toestemming gegeven door de officier.

Afluisteren in het huis van bewaring

In het huis van bewaring zat een verdachte die vermoedelijk betrokken was bij de invoer van verdovende middelen van Frankrijk naar Nederland. Een medeverdachte kwam op bezoek en er zou wellicht over de handel gepraat worden. Besloten werd om direct af te luisteren, hetgeen echter geen succes had.

Het direct afluisteren leverde vaak slechte kwaliteit van het opgenomen geluid. Dat vormt volgens politie- en justitiefunctionarissen de belangrijkste reden waarom nog weinig gebruik wordt gemaakt van deze methoden.

De heerKloosterman: Ik heb nog nooit gezien dat zoiets werkt. Ze hebben mij nog nooit kunnen bewijzen dat dit te doen is voor ons soort werk. Het is mooi in het bos, als het heel stil is, voor de vogeltjes, maar ik denk niet dat je in een stad als Amsterdam een richtmicrofoon kan gebruiken.1

De toestemming en controle van direct afluisteren varieerde. De criteria op basis waarvan tot gebruik werd besloten, zijn onduidelijk. De toestemming werd, zover kon worden nagegaan, door een officier van justitie gegeven. In het verleden (voor 1992) werd zelden toestemming gevraagd aan het OM. De laatste jaren is daar verandering in gekomen. De commissie heeft geconstateerd dat officieren van justitie toestemming hebben gegeven voor vormen van direct afluisteren waarvoor geen juridische basis bestond. Daar komt bij dat de vastlegging van het direct afluisteren varieert van uitgebreid (bij de DTOO) tot summier (bij de afzonderlijke STO's bij de regio's). Het wetsontwerp Direct afluisteren waarvan de behandeling voor de duur van de enquête is opgeschort, voorziet in een exclusieve rol voor de DTOO bij het aanbrengen van afluisterapparatuur.

4.4.4 Observeren en volgen

Onder observeren en volgen verstaat de commissie het direct, fysiek heimelijk gadeslaan en heimelijk volgen van een persoon of een object, al of niet met gebruikmaking van hulpmiddelen. Het observeren en volgen is het klassieke schaduwen. Dit schaduwen wordt meestal aangeduid als dynamische observatie.2

Daarnaast kent men de statische observatie. Dat is het vanuit een vast punt in de gaten houden van een object (woning, loods, dealpand). Het gebeurt door het subject op enige afstand te volgen, zowel op de openbare weg als in voor het publiek toegankelijke ruimten. Daarbij wordt gebruik gemaakt van optische hulpmiddelen, zoals verrekijkers en van beeldregistratie-apparatuur, zoals foto-en videoapparatuur. Ook worden wel detectoren ingezet:

Wanneer men een vermoeden heeft dat er ingebroken gaat worden in een pand, dit kan zijn op basis van CID-informatie, kan men ertoe overgaan om een postkoffer te plaatsen. Dit werkt als volgt. In een ruimte wordt op een strategische plaats een klein kastje met een of andere detector geplaatst. Dit kan bijvoorbeeld een warmtemeter zijn of een bewegingsmelder. Dit kastje is draadloos dan wel met een draad verbonden aan een koffer. Wanneer de detector een signaal uitzendt wordt de apparatuur in de koffer geactiveerd om een van te voren geprogrammeerd nummer van bijvoorbeeld de meldkamer of een semafoon te bellen. Een ingesproken bandje meldt vervolgens welke postkoffer gemeld heeft, waarna een poging tot betrappen op heterdaad kan worden gedaan. Dit gebeurt veelal met toestemming van de eigenaar van het pand. Deze postkoffer wordt ook wel gebruikt bij een huiszoeking die meerdere dagen bestrijkt. Hiermee kan worden voorkomen dat goederen 's nachts ontvreemd worden. Van tevoren wordt over de inzet geen officier gekend.

Dynamische observatie wordt zeer veelvuldig ingezet. De duur varieert van enkele uren tot enkele weken. De totale duur van een observatie van een criminele groep kan maanden duren.

De heerKoekkoek: Wat is de langste observatie die u ooit heeft gedaan op dezelfde zaak?

De heerKloosterman: Enkele jaren.

De heerKoekkoek: En dat betekende dat u steeds maar weer...

De heerKloosterman: U moet het niet zo zien dat wij 's ochtends vroeg opstaan en dan direct op die zaak gaan en dat wij dat twee jaar lang doen.

De heerKoekkoek: Ik bedoel dat u er regelmatig mee bezig bent.

De heerKloosterman: Enkele malen in de week wordt er gekeken wat hij doet.1

Langdurige observatie, zeker in combinatie met andere opsporingsmethoden, is een ingrijpende zaak.

Devoorzitter: Wij zien nu constant, en dat hebben wij ook in ons onderzoek gezien, dat de politie langdurig observeert, ook zonder dat er sprake is van een specifiek strafbaar feit. Men kijkt ook naar de achtergrond van mensen. Gisteren en vanochtend hebben wij dat ook gehoord en hebben wij ook de noodzaak gehoord die daarbij door justitie en politie wordt aangegeven om dat te doen. Nu die wettelijke regeling er nog niet is, is dat dan allemaal onrechtmatig?

De heerCorstens: Ik zou beweren dat het onrechtmatig is. Als je de redenering aanhangt dat het onderdeel is van de opsporingstaak of in het algemeen van de politietaak en je zegt dat er daarmee voldoende legitimatie is, misken je het systeem van de Grondwet en het systeem van het Verdrag. Mijn conclusie zou zijn dat het onrechtmatig is. Een ding is naar mijn idee nodig, in elk geval, naast allerlei andere zaken die straks nodig zullen blijken te zijn, zo schat ik althans, en dat is een wettelijke regeling van dit type langdurige, stelselmatige, systematische observatie. Op dit moment zou ik dus zeggen dat het onrechtmatig is.2

Ook de omstandigheden waaronder en de plaats alwaar de observatie plaatsvindt kunnen deze zeer ingrijpend maken. Zo bleek uit de doorlichting dat een rechercheur zich tijdens een tactisch onderzoek in een verdovende middelenzaak heeft laten opnemen in het ziekenhuis op de kamer van de verdachte. Op deze wijze kon observatie plaatsvinden.

Deze observatie-activiteiten worden doorgaans verricht door een observatieteam.

De beslissing tot inzet van een OT wordt genomen door de tactische chef of de CID-chef. Soms wordt toestemming gevraagd aan de officier van justitie. De verkregen informatie wordt vastgelegd in een volgrapport en verstrekt aan de tactische recherche of de CID. De resultaten van de observatie worden veelal als CID-informatie behandeld. Dat betekent dat aangegeven wordt wat is waargenomen, maar niet hoe is waargenomen. De gegevens worden veelal verwerkt in de CID-bestanden.

4.4.5 Plaatsbepalingsapparatuur

Het gebruik van plaatsbepalingsapparatuur is het inzetten van een heimelijk geplaatste zender die een signaal uitzendt dat bij ontvangst de plaats van het object aangeeft. De ontvanger kan zowel op een centrale plaats zijn ondergebracht, als mobiel worden ingezet. Juridisch wordt het gebruik van plaatsbepalingsapparatuur opgevat als ondersteuning bij de observatie. Plaatsbepalingsapparatuur kan tevens worden gebruikt om bewegingen in kaart te brengen. De jurisprudentie lijkt deze methode te aanvaarden en acht deze onderworpen aan de algemene criteria voor observatie.1

De heerVos: In de notitie die u ons stuurde, meldde u het geval van een peilzender die in een fiets werd ingebouwd van twee jongens die van brandstichting verdacht werden.

De heerVan der Spoel: Dat betreft een geval van een collega van mij. Je kunt je daarbij de vraag stellen of ze het allemaal wel goed hebben bekeken, of het allemaal wel evenwichtig is. Ik denk dat dergelijke middelen alleen in bepaalde gevallen moeten worden gebruikt. Dat geldt ook voor de telefoontap en andere dwangmiddelen die wij kennen uit het Wetboek van Strafvordering.2

Plaatsbepalingsapparatuur wordt vooral ingezet in verband met doelmatigheidsoverwegingen. De inzet bespaart mankracht en maakt onopgemerkte observatie mogelijk. Peilapparatuur wordt vooral gebruikt ter ondersteuning van het OT indien een verdachte moeilijk te volgen is. Een voorbeeld, gegeven tijdens het verhoor van een observant:

De heerKoekkoek: Dat ging met hoge snelheid over de autobaan?

De heerKloosterman: Nee, dit ging met heel lage snelheid. Ja, ik kan het eigenlijk wel vertellen, maar... Wij maakten toen gebruik van peilapparatuur. Eh, de man reed nogal langzaam.

De heerKoekkoek: Wat is langzaam op de autobaan?

De heerKloosterman: 80 km/u. (...) meestal word je dan voorbij gereden door de vrachtwagens. Dus dan valt 80 km/u erg op, als er een hele sliert OT-auto's rijdt.

(Gelach)

Het schijnt grappig te zijn, maar voor ons zijn zulk soort situaties heel moeilijk. Dus toen is er besloten om peilapparatuur in te zetten. (...) Ik denk dat ook meegenomen is dat een sliert Nederlandse auto's in een buitenland heel moeilijk te verbergen is. Dus vandaar dat er ook peilapparatuur ingezet is. 3

De feitelijke aanbrenging vindt veelal plaats door de DTOO. De wijze waarop de DTOO dat doet blijft voor de aanvrager geheim. De verzoeken om technische ondersteuning aan de DTOO zijn vanaf 1992 verdrievoudigd.4 In 1995 worden 212 verzoeken om plaatsing van peilbakens uitgevoerd.5 De meningen over de kwaliteit van de peilbakens verschilt.

Devoorzitter: Gisteren heeft onze laatste getuige (Kloosterman) gezegd dat hetgeen voorhanden is, eigenlijk niet goed werkt.

De heerHellemons: Dat heb ik gehoord, maar ik ben het in het geheel niet met hem eens.

Devoorzitter: Maar hij rijdt ermee rond; u stuurt de mensen eruit.

De heerHellemons: De vraag is waar hij mee rondrijdt. Ik wil hier graag bij aantekenen dat er, zoals ik al aangegeven heb, een enorme variëteit aan plaatsbepalingssystemen is. Ik neem aan dat de getuige van gisteren doelt op een standaardmethodiek van een observatieteam.

Devoorzitter: Het plakken van een...

De heerHellemons: Van een peilbaken, zoals u waarschijnlijk wilde opmerken. Ik teken hierbij aan dat er op dit moment heel andere systemen bij onze dienst in gebruik zijn. Ongetwijfeld zullen er vanavond rijen deskundigen op de televisie komen en in de krant staan, die allemaal laten zien dat een peilbaken piept en dat je met een apparaat, waarvan zij driftig verkondigen dat het echt maar f.120 ex BTW kost, die peilzender onmiddellijk te pakken hebt aan de andere kant van de kamer. Ik durf hier echter absoluut te beweren dat wij goede systemen in gebruik hebben. Ik daag elke crimineel uit om die te vinden. Ik denk dat dat niet lukt.6

De inzet van plaatsbepalingsapparatuur gebeurt frequent, in sommige regio's meer dan 30 keer per jaar. De duur van de inzet kan variëren van enkele dagen tot meer dan een half jaar. Van een eenduidige (eerste) maximumduur met de mogelijkheid tot verlenging is in de praktijk geen sprake. Dat betekent dat niet tevoren wordt bepaald hoelang het middel mag worden ingezet. In de meeste gevallen wordt het middel pas in de verdenkingsfase ingezet, maar het wordt ook ingezet in de hieraan voorafgaande periode. Veelal betreft het in de praktijk onderzoeken naar criminele organisaties die verdacht worden van de handel in verdovende middelen, maar het vindt ook toepassing bij andere criminaliteit, zoals inbraken en autokraken.

Tot 1992 besloot de politie zelfstandig over de inzet van deze middelen. Toestemming voor het gebruik van deze middelen wordt nu veelal schriftelijk gegeven door een officier van justitie. Sinds 1 januari 1995 moet de inzet van een technisch middel aan de Centrale toetsingscommissie worden gemeld. In een aanzienlijk aantal gevallen is er inmiddels melding gedaan. Tot nadere normering heeft dit nog niet geleid.

De inzet van plaatsbepalingsapparatuur is geheim. Er is een tendens om in het zogenoemde stamproces-verbaal zakelijk mee te delen dat van plaatsbepalingsapparatuur is gebruik gemaakt en eventueel ook voor welke termijn. Het is geen vaste regel dat hetgeen door middel van de plaatsbepalingsapparatuur wordt waargenomen in de vorm van een proces-verbaal wordt vastgelegd.

4.4.6 Foto- en video-apparatuur

Het gebruik van foto- en video-apparatuur is niet wettelijk geregeld. De jurisprudentie laat het fotograferen en het maken van video-opnamen toe, zolang de privacy niet geschonden wordt. Van belang is dat niet meer wordt waargenomen dan een lijfelijk aanwezige politiefunctionaris had kunnen waarnemen.

De heerDe Graaf: Een camera op het raam, is dat in uw arrondissement wel of niet gebeurd?

De heerKoers: Ik weet dat er in één zaak een video geplaatst is op een woning waarmee door de woning heen gekeken kon worden. Het betrof een zaak waarin een moord gepleegd werd.1

Foto- en video-observatie wordt zeer veel gehanteerd. Het gaat daarbij primair om het observeren van de buitenkant van een gebouw, lokaliteit of woning. Het gaat daarbij veelal om videocamera's die op de openbare weg zijn geplaatst of met toestemming van betrokkenen in een huis of loods. Een enkele maal werd via een inkijkoperatie een camera geplaatst in een loods zonder toestemming van de rechthebbende. Sommige camera's waren gekoppeld aan een bewegingsdetectiesysteem. Bij nagenoeg elk omvangrijk strafrechtelijk onderzoek wordt wel gebruik gemaakt van deze methode. In de doorlichting wordt honderden malen melding gemaakt van de inzet van deze methode.

De heerKoers:Van alle bezoeken in de caravan, waar onze infiltrant toen woonde, en in het appartement waar hij later woonde, zijn video-opnames met geluidopnames gemaakt om dit risico, deze discussie (of er wel of niet een verhoorsituatie was, red.) uit te sluiten.2

De mate van controle varieert. Soms geeft een officier van justitie toestemming, soms is hij alleen op de hoogte en soms doet de politie het zelfstandig.

Devoorzitter: Nee, ik bedoel de slimmigheidjes. Ik vind het een vervelend woord, maar u hebt het zelf geïntroduceerd. Ik zou het niet bedacht hebben. Laten wij zeggen: methodieken waarover u zelf besliste en die verder niet terug te vinden waren.

De heerMosterd: Ja, er is nog de statische observatie, het plaatsen van videocamera's. Dat passen wij in Hollands-midden regelmatig toe teneinde zicht te krijgen op lokale dealers. Hoe is hun handel en wandel, wanneer komen de klanten en wanneer de spullen? Dat plaatsen bepaal ik gewoon zelf. Nu is het overleg gelukkig inmiddels zodanig dat wij deze zaken ook ter kennisgeving bespreken met de officier, maar dat was een stukje niemandsland. Pas sinds het begin van dit jaar moeten wij dat doorgeven aan de Centrale toetsingscommissie, zodat zij er zicht op krijgt hoe vaak dit middel wordt toegepast.

Devoorzitter: Gebruikt u ook video met geluid in verhoorkamers van politiebureaus?

De heerMosterd: Die wordt ook gebruikt, maar die is dan altijd openlijk geplaatst. De verdachte die gehoord wordt, ziet gewoon dat er video staat. In zwaardere zaken kan een koppel in een kamer ernaast zich dan ook inleven in de verhoorsituatie.

Devoorzitter: Dat is zichtbaar, niet heimelijk?

De heerMosterd: Dat is gewoon zichtbaar. Het is aan iedereen bekend.

Devoorzitter: En videocamera's met geluid?

De heerMosterd: Nee, die gebruiken wij niet. Ik herinner mij die discussie, maar wij werken alleen met beelden. Op geen enkele manier proberen wij via dergelijke methodieken geluid op te nemen, te registreren.

Devoorzitter: Wordt er bij het maken van de processen-verbaal goed op gelet dat het zien van gebeurtenissen zowel met het blote oog als met video gebeurd kan zijn? Staat er bijvoorbeeld in het proces-verbaal: ik zag om 9.32 uur dat mijnheer Jansen zijn pand verliet? Of staat erin: ik zag dat mijnheer Jansen om 9.32 uur zijn pand verliet?

De heerMosterd: In het begin hebben wij het zodanig op papier geformuleerd dat het niet duidelijk werd of het via een videocamera was geregistreerd of rechtstreeks met de ogen van de betrokkenen. Ook daarin zie je een ontwikkeling. Wij geven nu gewoon aan of er wel of niet gebruik is gemaakt van een videocamera.1

Dit middel wordt – ook bij statisch gebruik – niet alleen ingezet na een redelijk vermoeden van schuld, maar ook pro-actief en (zelfs) in het kader van de openbare ordehandhaving. Het middel wordt bij alle soorten misdrijven toegepast. De inzet geschiedt in hoofdzaak om doelmatigheidsredenen. Er wordt mankracht bespaard en soms is andere observatie onmogelijk.

De duur van de inzet varieert sterk: van enkele uren tijdens het volgen tot (statisch) enkele maanden (bijvoorbeeld een loods). Relevante waarnemingen worden met het oog op de interne communicatie binnen het onderzoeksteam in het journaal vermeld.

De inzet van het middel is doorgaans geheim. Tot voor kort geraakte de verdachte als regel in het geheel niet op de hoogte van de inzet van het middel. Er is een tendens om in het stamproces-verbaal zakelijk mededeling te doen van de inzet van het middel. Het is nog niet gebruikelijk daarbij de duur van de inzet en hetgeen is waargenomen aan te geven. Probleem bij de openbaarmaking is dat daardoor mogelijk gevaar ontstaat voor derden die hun medewerking verleenden.

4.4.7 Inkijkoperaties

Inkijkoperaties is de verzamelnaam voor de activiteiten waarbij men heimelijk en zonder toestemming van de rechthebbende een (afgesloten) gebouw of erf betreedt, eventueel door middel van braak of verbreking, om binnen de situatie in ogenschouw te nemen en/of apparatuur aan te brengen in de ruimte zelf of aan een in die ruimte aanwezig object. Er bestaat in de praktijk onduidelijkheid over de definitie van inkijkoperaties. Sommigen beschouwen het over een hek kijken of door een kier in de schutting kijken al als een inkijkoperatie.2

De reden voor een inkijkoperatie is veelal het verder sturen van het onderzoek. Een inkijkoperatie bevestigt een bestaande aanwijzing of een bestaand vermoeden. Een inkijkoperatie kan er toe leiden dat een vordering tot huiszoeking (beter) kan worden gemotiveerd. Er worden eveneens (zij het minder frequent) inkijkoperaties uitgevoerd om plaatsbepalingsapparatuur op een voertuig te plaatsen of een videocamera te installeren.

De jurisprudentie laat een inkijkoperatie op basis van de Opiumwet (art. 9) toe.1 Ook kan dit plaatsvinden op basis van bijzondere wetten. De rechtbank Den Bosch achtte de schouw (art. 150 Sv) een wettelijke basis voor inkijkoperaties. Het met gebruikmaking van een hulpmiddel in een ruimte naar binnen gluren, zonder die ruimte te betreden (bv. met een endoscoop in een loods of vrachtwagen kijken), wordt in de zaak Charles Z. toelaatbaar geacht.

De heerKoekkoek: Biedt de Opiumwet een basis?

De heerCorstens: Ja, artikel 9, Opiumwet. In de eerste plaats eist de Opiumwet, net als Strafvordering, dat er sprake moet zijn van een redelijk vermoeden. Het mag alleen maar als er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit en dus niet in de voorfase, de fase van pro-actief optreden. Dat heeft een van de kamers van het Amsterdamse Hof naar mijn gevoel terecht uitgemaakt. In de tweede plaats heb ik het idee dat je binnen de Opiumwet het binnengaan van plaatsen mag doen om daar andere, geregelde handelingen te stellen, namelijk in beslag nemen, huiszoeking of iemand aanhouden. Het gaat niet op voor deze wijze van opereren. Naar mijn gevoel heeft de wetgever daar niet aan gedacht.

De heerKoekkoek: U ziet het niet als een zelfstandige bevoegdheid?

De heerCorstens: Nee, ik zie het niet als een zelfstandige bevoegdheid.2

De Handleiding kijkoperaties 1995, die is uitgevaardigd door het College van procureurs-generaal3 , stelt uitdrukkelijk dat, buiten gevallen die onder de Opiumwet plaatsvinden, de schouw de grondslag van een inkijkoperatie is. Volgens de handleiding is inkijken in woningen niet toegestaan.

De commissie heeft verschillende vormen van inkijkoperaties aangetroffen: een politieman die met een controlerend ambtenaar mee naar binnen gaat om rond te kijken, het kijken door een door de politie geboord gat in de zijkant van een loods, het oplichten van een dakplaat van een loods, het binnentreden om plaatsbepalingsapparatuur te plaatsen of te vernieuwen, het plaatsen van bewegingsmelders, het binnentreden in loodsen en schuren om de situatie te bezien en de aanwezige goederen te controleren.

Devoorzitter: Inkijkoperaties? De heer Welten had er maar één. En wij hebben toen doorgevraagd: hoeveel inkijkoperaties heeft u in de afgelopen jaren gehad.

De heerVan Amerongen: Ik zit pas twee jaar bij deze afdeling. Ik denk dat er in ieder geval iets van tien waren en die zijn allemaal keurig netjes benoemd in het proces-verbaal en door de rechter getoetst.

Devoorzitter: Heeft bij u niet gespeeld dat van bepaalde inkijkoperaties geen proces-verbaal was gemaakt? Wij weten dat daarop in Den Bosch een zaak stukging.

De heerVan Amerongen: Ik ken dat voorbeeld ook, ja.

Devoorzitter: En bij u niet? Is dat nooit voorgekomen?

De heerVan Amerongen: Jawel. Ik heb één keer toestemming gegeven – dat was in de eerste fase dat ik er zat – om een inkijkoperatie te doen onder de CID-vlag, zoals wij dat dan noemen. Ik denk dat dat ook de gebruikelijke wijze was waarop wij dat drie à vier jaar terug deden. Wij hebben pas de ommezwaai gemaakt na de notitie van de twee heren Revers en Pieters van het Bossche parket, omdat zij hem onder 9 Opiumwet en dan onder 150 Wetboek van Strafvordering lieten vallen. Wij hebben achteraf gemeend, die zaak alsnog te moeten melden en daarvan 9 Opiumwet te maken. Maar voorheen – ik heb dat gisteren nog een keer nagevraagd omdat ik het verhoor van de heer Welten heb gehoord – vond dat naar mijn mening gewoon plaats onder de CID-vlag. Ik denk dat dit als reden had dat men eigenlijk vond dat wel de zorgvuldigheid er was, dat dus de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit werden ingevuld, maar dat het wat de wetmatigheid betreft, niet kon.4

De heerDe Graaf: Heeft u toestemming gegeven voor een inkijkoperatie?

MevrouwGonzales: Ja, dat heb ik gedaan.

De heerDe Graaf: Op grond van 9 Opiumwet?

MevrouwGonzales: Ja.

De heerDe Graaf: Volgens de richtlijnen Gonsalves?

MevrouwGonzales: Exact. Klopt.

De heerDe Graaf: Eén keer?

MevrouwGonzales: Dat is één keer gebeurd en ik moet erbij zeggen dat het nog mislukt is ook, dus het had niet veel resultaat.

De heerDe Graaf: Het is dus bij een poging gebleven?

MevrouwGonzales: Ja, en het is geverbaliseerd, inderdaad op basis van 9 Opiumwet.1

Van inkijken in woningen of kantoren2 is nauwelijks gebleken. Men zou kunnen spreken van enkele – zeer zeldzame – semi-inkijkoperaties in woningen/kantoren, waarbij een opsporingsambtenaar andere ambtenaren tijdens een reguliere controle begeleidde. Inkijken is een methode die binnen politie en justitie met enige regelmaat is gehanteerd. Inmiddels lijkt het aantal sterk terug te lopen.

Inkijkoperaties werden vaak uitgevoerd zonder enige verdere vastlegging en zonder vermelding in het proces-verbaal. Verschillende arrestatieteams (bijvoorbeeld Rijkspolitie West II, Utrecht en Rotterdam) voerden dergelijke operaties uit, ook ten behoeve van het IRT.

Devoorzitter: Het lijstje van de heer Zöllner betrof allerlei inkijkoperaties waar verder geen verslaglegging van terug te vinden was. Uit een zakboek kwam naar voren: «klusje voor Lith». En wij vragen ons nu af wat dat was.

De heerLith: Mijn opvatting daarover is dat de registratie niet thuishoort bij het arrestatieteam maar bij degene die de verantwoordelijkheid had. Die lag bij mij en daar is het geregistreerd. Ik heb er ook over gesproken met de heer Zöllner. Ik heb ook geconstateerd dat een aantal malen bij hem op z'n lijstje stond: «klusje». Ik zal u een voorbeeld geven. Als ik hem vroeg om met zijn team bij wijze van spreken morgen zo'n inkijkactie te verrichten, dan ging hij vanavond voorverkennen. Daar besteedde hij twee uur aan. En dat bleek er ook op te staan als «klusje». In die zin kan ik precies bij de administratie van het IRT terugvinden welke inkijkacties, overigens met toestemming van het openbaar ministerie, wij hebben gedaan.3

De inkijkoperaties werden veelal ook uitgevoerd door de Dienst technische operationele ondersteuning van het Korps landelijke politiediensten. Over de omvang van de inzet van deze methode is weinig te zeggen aangezien slechts zelden zaken werden vastgelegd.

Een aantal voorbeelden is bekend uit de doorlichting.

Inkijkoperatie in een kas

In een verdovende middelenzaak is door de politie zonder toestemming van de officier een inkijkoperatie uitgevoerd in een kas. Het vermoeden was er dat er hennepplanten zouden worden gekweekt. In de grote kas bleken inderdaad enige honderden hennepplanten te staan. Hierna is er nog een tweede keer gekeken o.a. door CRI-medewerkers die bevestigden dat het inderdaad ging om verboden planten. Vervolgens zijn bij huiszoeking de planten in beslag genomen.

Meeliften

De politie heeft onder bijzondere omstandigheden een voor-inkijkoperatie gedaan in een loods. In het kader van een onderzoek werd geïnformeerd bij het GEB naar het energieverbruik in een bepaalde loods. Door het GEB werd gemeld dat de gasinstallatie was afgesloten en dat er een aanvraag was om de levering te hervatten. Het GEB moest echter de aanwezige gasinstallatie nog keuren. Vervolgens heeft een politieman de GEB-controleur vergezeld bij de controle van de gasinstallatie in de loods. Hierbij was de eigenaar aanwezig. De politieman heeft de situatie in de loods en de afsluiting hiervan bekeken. Het doel van dit «meeliften» was om de opportuniteit van een eventuele latere inkijkoperatie danwel een huiszoeking te beoordelen. Dit vervolgtraject is echter niet doorgegaan.

Milieuambtenaar controleert op verzoek

In een onderzoek heeft een ambtenaar van milieuzaken op verzoek van de politie een bedrijf gecontroleerd. Hij werd hierbij vergezeld door een politieambtenaar die met een verborgen camera opnamen maakte in het pand. De politieman heeft zichzelf niet als zodanig kenbaar gemaakt maar deed zich voor als een collega van de milieu-ambtenaar. Later is dit in een andere situatie nogmaals gebeurd, maar dan zonder camera.

In sommige gevallen was er sprake van toestemming van het OM, in andere gevallen was het OM niet op de hoogte. Soms vond de inzet plaats op initiatief van de CID, soms van de tactische recherche. Tot voor kort besloot de politie zelfstandig over het gebruik van dit middel. De Handleiding kijkoperaties verplicht de politie tot toestemming van het OM. De registratie van de inkijkoperaties liet veel te wensen over. Het bleek in verschillende gevallen niet mogelijk achteraf te reconstrueren wie waarvoor inkijkoperaties had verricht. De gebeurtenissen rond de strafzaak Henk R. tonen dit duidelijk aan.

4.4.8 Andere observatiemethoden

In verschillende interviews komen vuilnissnuffel en postvang, in de zin van hengelen in brievenbussen, aan de orde. Postvang in deze zin is in strijd met het grondwettelijk gewaarborgde briefgeheim. Het Wetboek van Strafvordering kent een aparte regeling voor het onderscheppen van poststukken (zie artt. 100–102 en 114 Sv). Postvang buiten deze regeling om is onrechtmatig. In de zaak Charles Z. heeft de Hoge Raad beslist dat het in die zaak toegepaste onderzoek van huisvuil geen schending van het recht op de persoonlijke levenssfeer opleverde.

Slechts weinigen zien vuilnissnuffel en postvang als bijzondere methoden waarvoor aparte regelgeving zou moeten worden geformuleerd. Deze methoden worden volgens betrokkenen al gebruikt zolang de politie bestaat.

4.5 Casusonderzoek

4.5.1 De zaak Charles Z.

Een casus ter illustratie van de rechterlijke beoordeling van bijzondere opsporingsmethoden

Feiten en omstandigheden

De zaak Charles Z. betreft een onderzoek naar een criminele organisatie met als belangrijke hoofdactiviteit het importeren van grote hoeveelheden hasj uit Marokko. De hasj is bestemd voor zowel de Nederlandse markt als voor de doorvoer naar het buitenland. Verder houdt de criminele organisatie zich bezig met het witwassen van met die handel verkregen gelden.

Voor het transport van de hasj vanuit Marokko naar Nederland wordt gebruik gemaakt van koelwagens van reguliere transportondernemingen. Daarnaast beschikt de organisatie over een groep die zich bezighoudt met zowel het inpakken van de hasj in Marokko als het uitpakken en doorvoeren naar decentrale opslagplaatsen in Nederland. De leden van deze groep zijn eveneens betrokken bij het ophalen van crimineel verkregen geld in het buitenland, het wisselen en tellen ervan. Het tellen van het geld speelt zich af in de kelder van de villa van Charles Z. De criminele gelden worden onder meer witgewassen via de autohandel (Ferrari's, Porsches, Maserati's, Rolls Royces en dergelijke) door het aan Z. toebehorende bedrijf Investment Cars BV.

Binnen de organisatie wordt verscheidene malen geweld toegepast of gedreigd met geweld om leden van de organisatie te dwingen zich te schikken naar de opdrachten die Charles Z. geeft.

Politieel en justitieel onderzoek

De zaak Charles Z. betreft een onderzoek dat wordt uitgevoerd door een multidisciplinair team dat voor langere tijd speciaal is vrijgesteld. De Amsterdamse politie begint omstreeks eind mei 1991 met het verzamelen en in kaart brengen van her en der liggende processen-verbaal en CID-informatie rondom de «groep Z.». Dit betreft een uitsluitend administratief onderzoek waarvan de resultaten zijn verwerkt in een zogenoemde misdaadanalyse.

De resultaten van dit onderzoek worden in augustus 1991 gepresenteerd aan de Amsterdamse driehoek, waarop besloten wordt tot de oprichting van een multidisciplinair onderzoeksteam. Het team wordt geleid door een volledig voor die taken vrijgestelde officier van justitie. Begin 1992 wordt het rechercheteam uitgebreid met personeel van de FIOD, afdeling douanerecherche.

In september 1991 begint het rechercheteam met een zogeheten proactief onderzoek.

De heerDe Graaf: Mijnheer Woelders, mag ik nog twee punten met u doornemen? Beide hebben betrekking op de zaak-Z. Wij hebben van de heer Van Gemert informatie gehad over de wijze waarop cliëntgegevens bij een bank zijn opgevraagd. Ik neem aan dat u kunt bevestigen, dat dat is gebeurd.

De heerWoelders: Dat klopt.

De heerDe Graaf: Het gebeurde in een fase waarin nog sprake was van pro-actief onderzoek?

De heerWoelders: Ja, die term is in die periode gebruikt. Ik vind de term wat ongelukkig. Ik kan, los van de terminologie, beter omschrijven wat de situatie was. Er is een maand of drie informatie in het land verzameld over de groepering rondom Z. Dat is in juni 1991 gebeurd. Dat heeft geleid tot een presentatie in augustus 1991 van de doelgroep-Z. Daarin stond wie erin zaten en wat de strafbare feiten waren. Op dat moment zijn het allemaal CID-subjecten. Er lag ook voldoende informatie om op dat moment een onderzoek op te starten. Wij hebben de maanden daarna gebruikt om die informatie te veredelen, te controleren en verder uit te bouwen. Daar hebben wij vanaf september 1991 tot mei 1992, uit mijn hoofd gezegd, aan gewerkt. Toen was pas het eerste GVO in dat onderzoek. In die tussenfase is er dus gewoon sprake van tactisch onderzoek. Dat hebben wij in de zaak-Z. pro-actief genoemd, maar ondertussen heb ik daar ook wel weer tien definities over gehoord. Dus ik laat die term nu maar los. Wij hebben er toen tactisch onderzoek naar verricht. De vraag was ook: is hij op dat moment verdachte of zitten er verdachten in. Er lag zoveel CID-informatie, dat hij in ieder geval verdachte was ter zake van art. 2 en 3 Opiumwet. Wij bekeken met name in hoeverre er sprake was van een criminele organisatie en hij daar dus van kon worden verdacht.1

In de periode van september 1991 tot mei 1992 controleert en actualiseert het team de eerder binnengekomen informatie door middel van het observeren van bewegingen van personen en voertuigen en van contacten tussen personen. Tevens worden gegevens omtrent adressen en telefoonnummers van die personen achterhaald en geverifieerd.

Zo is bijvoorbeeld in de periode van februari 1992 tot en met juli 1992 de woning van Charles Z. met een camera geobserveerd en is bijgehouden welke auto's en bezoekers de oprit van de villa opgingen of verlieten.

Op 23 maart 1992 wordt het eerste gerechtelijk vooronderzoek in deze zaak geopend en wel tegen een lid van de transportgroep, W. Zelf wordt Charles Z. op 29 juni 1992 door de Algemene Verkeersdienst van de Rijkspolitie aangehouden. Hij heeft dan nog 690 dagen gevangenisstraf openstaan in verband met een hasjzaak waarvoor hij in 1985 is opgepakt en door de rechtbank en later het hof en de Hoge Raad tot 2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Op 3 juli 1992 wordt Charles Z. overgebracht naar de penitentiaire inrichting De Berg in Arnhem, van waaruit hij op 13 januari 1993 wordt overgeplaatst naar De Marwei in Leeuwarden.

Op 9 juli 1992 wordt een gerechtelijk vooronderzoek geopend tegen Charles Z. en verleent de rechter-commissaris een machtiging voor het opnemen en afluisteren van telefoongesprekken die Charles Z. vanuit de gevangenis voert. Bijgehouden wordt welke personen hem in detentie bezoeken. Het blijkt dat de detentie niet leidt tot het onderbreken van de criminele activiteiten.

Z. pleegt tijdens zijn detentie 14 300 telefoontjes en geeft opdrachten via briefjes die zijn vriendin voor hem verspreidt.

In het voorjaar van 1993 vindt een groot aantal aanhoudingen plaats van personen die betrokken zijn bij de organisatie van Charles Z. De volgende golf van aanhoudingen en huiszoekingen vindt medio september 1993 plaats. Charles Z. zelf wordt op 12 september 1993 aangehouden (op 17 september 1993 zou hij zijn 690 dagen uitgezeten hebben).

Door de verschillende verdachten zijn veel belastende verklaringen tegen Charles Z. afgelegd. De bewijsvoering tegen hem is grotendeels opgebouwd uit deze verklaringen. Naar verluidt heeft de grote «verklaringsbereidheid» te maken met het feit dat Charles Z. een slechte werkgever is. Hij zou zijn medewerkers slecht of niet betalen en zou ze ook fysiek laten bedreigen.

Het onderzoek heeft geresulteerd in de aanhouding van 40 verdachten waartegen proces-verbaal is opgemaakt dat 79 ordners beslaat. Hiervan zijn ongeveer 10 ordners interessant voor het bewijs tegen Charles Z. zelf.

Opsporingsmethoden

Observatie

Tijdens het onderzoek is veelvuldig geobserveerd, zowel op vaste posten als dynamisch met verschillende vervoermiddelen. De observaties vonden plaats op openbare plaatsen of in gebouwen dan wel op niet-openbare lokaties met toestemming van de rechthebbenden. Tijdens de observatie-acties zijn foto's en video-opnamen gemaakt. Tijdens verschillende dynamische observatie-acties zijn bij moeilijk te volgen verdachten (in verband met de rijstijl of contra-observatie) peilzenders aan voertuigen aangebracht. Voor het plaatsen van de zenders zijn geen lokaties betreden en is niet ingebroken in voertuigen.

Scannen

Tijdens de proactieve fase van het onderzoek heeft het team gebruik gemaakt van scanners, zowel in voertuigen als op vaste lokaties. De inhoud van de gescande gesprekken is niet verwerkt of vastgelegd in processen-verbaal of anderszins in het onderzoek gebruikt. Evenmin zijn over de inhoud van de gesprekken mededelingen gedaan aan anderen. Later in het onderzoek heeft het team met machtiging van de rechter-commissaris diverse mobiele telefoons afgeluisterd.

Vuilnissnuffel

Het team heeft meerdere keren 's nachts vuilniszakken weggehaald voor de deur van onder meer verdachte W. De inhoud van de zakken is bekeken op de aanwezigheid van informatie die van belang zou kunnen zijn voor het onderzoek, zoals vliegtickets, plaatsbewijzen en dergelijke. De gevonden informatie is ter beschikking gesteld aan de CID. Vervolgens is de CID-informatie weer neergelegd in processen-verbaal in de strafzaak tegen W.

Informanten

Tijdens het onderzoek zijn informanten gerund door zowel de CID-rechercheurs die deel uitmaakten van het rechercheteam als door personeel van de CID Amsterdam. Informanten in het onderzoek naar Charles Z. hebben volgens de teamleider geen strafbare feiten gepleegd met toestemming van politie of justitie. Uit door de CID Amsterdam toegezonden informatie blijkt dat de CID tot het einde van het onderzoek heeft beschikt over een informant die voor zijn diensten is beloond met een bedrag van enkele tienduizenden guldens.1 Door de informanten werd onder andere informatie verschaft over betrokken personen en transporten. In het onderzoek is geen gebruik gemaakt van infiltratie.2

Inkijkoperaties

Gedurende het onderzoek heeft het team een aantal parkeergarages, loodsen en vrachtauto's bekeken. Dat gebeurde doorgaans door van buiten naar binnen te kijken, bijvoorbeeld door een ventilatieopening, door een raam, middels een stok met een spiegel waarbij een schroef van een plank is losgedraaid, door openstaande deuren. Eén keer zijn rechercheurs meegelopen met een makelaar die een loods inspecteerde.

In een loods in Purmerend is een inkijkoperatie uitgevoerd door het AT. Dit gebeurde op grond van artikel 9 Opiumwet. Bij de inkijkoperatie is sprake geweest van braak. Het rechercheteam heeft de informatie, die uit de inkijkoperatie was verkregen, ontvangen van de CID Purmerend zonder te weten dat het hier een inkijkoperatie betrof. Er waren overigens geen verdovende middelen aangetroffen.

In het onderzoek is één keer in een woning binnengekeken. Hier is de politie zonder dat de hoofdbewoonster daarvan wist, meegelopen met de woningbouwvereniging die de woning inspecteerde.

Niet alleen de politie heeft gebruik gemaakt van bijzondere methoden, ook de criminele organisatie heeft zich niet onbetuigd gelaten op dit vlak. Zo zou Charles Z. telefoongesprekken van de teamleider heimelijk hebben doen opnemen.3 Tevens wordt in augustus 1994 ingebroken in de woning van de zaaksofficier waarbij onder andere diskettes worden meegenomen. Ook andere politie- en justitiemedewerkers worden op deze manier met een bezoek vereerd. Bovendien worden in het najaar 1994 delen van dagrapporten van het opsporingsteam getoond in een tweetal televisieprogramma's.

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank Amsterdam heeft Charles Z. op 9 maart 1994 veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Charles Z. tekende appèl aan waarna het hof Amsterdam op 8 september 1995 begon met de zitting die in totaal veertien zittingsdagen zou kosten. Het hof Amsterdam deed op 10 januari 1995 uitspraak.4

Bij aanvang van de zitting heeft de raadsman verzocht een 36-tal getuigen op de getuigenlijst te plaatsen. Charles Z. bestrijdt namelijk de tegen hem afgelegde verklaringen: «Er is geen hasj, er zijn geen vrachtauto's en geen chauffeurs.» Er zijn naar zijn mening beloften, giften, betalingen en toezeggingen aan vele getuigen gedaan. Voorts zegt hij sterk de indruk te hebben dat in zijn zaak de veelbesproken «gewraakte onderzoeksmethoden» uit de IRT-affaire zijn gebruikt.

Het hof besluit uiteindelijk 18 getuigen op de lijst te plaatsen, alsmede «de illegale bandjes»5 en de transcripten daarvan aan het dossier toe te voegen, aangezien naast het onderzoek naar de vraag of de verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan, ook dient te worden onderzocht of het in het dossier gepresenteerde bewijsmateriaal op rechtmatige wijze is verkregen.

De als getuige opgeroepen politiemensen worden met name gevraagd over de gebruikte methoden. Dit gebeurt mede aan de hand van de illegale bandjes. De getuigen/medeverdachten leggen veelal verklaringen af waarin zij hun eerdere verklaringen met betrekking tot de rol van Charles Z. intrekken, dan wel melden dat zij hebben gehoord dat anderen een deal met de politie hebben gesloten in ruil voor hun verklaring.

Getuige K. verklaart ter zitting dat zijn verklaring bij de politie klopt, behoudens de passages over Z. Hij heeft niets tegen de politie over Charles Z. verklaard. Tegen hem is een proces-verbaal terzake meineed opgemaakt.1

Getuige S. verklaart dat getuige A. hem had verteld dat hij in ruil voor strafvermindering, een andere woning voor zijn vrouw en 1 miljoen gulden een extra zware verklaring tegen Z. wilde afleggen. Als blijkt dat getuige A. moeilijk traceerbaar is doet de verdediging afstand van het horen van A. Het hof echter wil A. toch horen. A. verklaart dat het allemaal kletskoek is en dat hij op geen enkele wijze met de politie aan de gang is geweest en ook geen deal met het OM heeft gesloten.2

Op 24 oktober 1994 verzoekt de raadsman, in verband met het door hem gevoerde verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van de opsporing, een «plan van aanpak» van de politie aan het dossier toe te voegen, zoals dat is bekend gemaakt in het televisieprogramma Eerst zien van 20 oktober 1994. Het betreft een «plan van aanpak» tot september 1992, dat op kennelijk onrechtmatige wijze bij politie of justitie weggenomen is. Het hof wijst dit verzoek af, omdat het niet rechtstreeks betrekking heeft op het aan het licht brengen van eventuele onrechtmatigheden in de opsporing, maar op de besprekingen die binnen het opsporingsteam plaatsvonden over de onderzoeksmogelijkheden in deze zaak. Dit laat natuurlijk de mogelijkheid onverlet de teamleider over het stuk te horen.3

Op 3 december 1994 deelt de raadsman mee dat hem de avond ervoor door een journalist van het NRC Handelsblad telefonisch informatie is verschaft, afkomstig uit dagrapporten van de politie. Hieruit zou onder andere blijken dat er is ingekeken in een loods. De raadsman verzoekt vervolgens alle in de dagrapporten genoemde verbalisanten als getuige ter zitting op te roepen.

Het hof acht het bedenkelijk dat het strafproces onder druk komt te staan van gegevens die de verdediging gedoseerd presenteert en die verkregen zijn door gedrag dat niet anders dan als crimineel kan worden beschouwd. Het hof overweegt verder dat de advocatuur zich dient te realiseren dat zij onderdeel van de rechtsstaat uitmaakt. In aanmerking nemend dat het de taak van de rechter is om de materiële waarheid te vinden, heeft het hof behoefte aan controle over de activiteiten van het team in de zogenoemde «proactieve fase». In plaats van het horen van alle verbalisanten als getuige, zoals door de raadsman verzocht, hoort het hof de teamleider ter terechtzitting nader als getuige en vraagt hem een «loop»-proces-verbaal op te maken waarin een samenvattend relaas wordt gedaan van de gang van zaken in de proactieve fase.4

Devoorzitter: (refererend naar een andere strafzaak, namelijk de hierna besproken zaak Henk R., red.) Nu het verschil met de zaak-Z, het wezenlijke verschil waarom u niet tot dezelfde conclusie bent gekomen. Het ontbreken van het proces-verbaal van de heer Woelders leidde namelijk niet tot niet-ontvankelijkheid. Wat is het springende verschil, want voor veel mensen buiten de sfeer van het Hof leek het namelijk om bijna vergelijkbare zaken te gaan?

De heerWillems: Dat begrijp ik, maar toch is het niet zo. De vaststelling in de Zwolsman-zaak is dat het niet melden in het proces-verbaal, zoals dat werd aangeleverd, van met name inkijkoperaties en andere activiteiten, zoals het scannen, niet de achtergrond had om de rechter een verkeerde voorstelling van zaken te geven. Wat je daar altijd van hoorde – de heer Woelders zei het ook op de zitting – is dat de politie destijds van mening was – die mening is intussen achterhaald – dat dit niet in processen-verbaal moest komen, om te voorkomen dat degenen die werden onderzocht, zouden kunnen weten van dat soort systemen. Op den duur is het overigens onvermijdelijk dat dit wel bekend wordt, want vroeg of laat komt dat soort dingen op tafel. Dat is de leidende gedachte geweest. Ik had al eens eerder gehoord, buiten die concrete zaak om, dat de politie het idee had een zekere voorsprong te hebben op de verdachte in het kader van haar mogelijkheden en dat men dit om die reden niet wilde melden. Het is door iemand als volgt gezegd: als wij dat in het PV zetten, dan schuift het door naar de rechter-commissaris, dan schuift het door naar de verdediging en als het naar de verdediging doorschuift, dan schuift het door naar de verdachte en dat willen wij niet. Dat is de drijfveer geweest. Daar kun je verder van denken wat je wilt. De vraag is of dat standpunt juist is en of...1 (en verder)

Dit proces-verbaal is gebaseerd op twee soorten «bronnen». De eerste bron is het geheugen van de teamleider alsook het herinneringsvermogen van de overige leden van het onderzoeksteam en van de officier van justitie. Daarnaast zijn de dagrapporten van de tactische recherche, de journaals van het OT en de CID-rapporten doorgenomen. Het proces-verbaal geeft antwoord op de vragen, die de verdediging naar aanleiding van gegevens uit de dagrapporten had opgeworpen.

De raadsman stelt bijvoorbeeld aan de hand van de hem bereikte informatie sterke indicaties te hebben dat inkijkoperaties hebben plaatsgevonden. Hij wijst onder andere op het feit dat in het dagrapport van 6 november 1991 sprake is van een fax aan de FIOD met een verzoek de villa van Charles Z. nader te bekijken. In het proces-verbaal wordt uitgelegd dat deze fax het verzoek inhield een onderzoek in te stellen binnen het kadaster met betrekking tot de beschikbare gegevens over de eigenaar van en de hypotheek op het pand. Op 26 november 1991 is daarover een fax terug ontvangen, die als bijlage bij het pv is gevoegd.

Verder geeft het proces-verbaal een overzicht van de gebruikte werkmethoden in het algemeen en een overzicht van specifieke onderzoeken, zoals onderzoek in een bepaalde garage of loods. De voorzitter van het hof, mr Willems, zegt desgevraagd hierover het volgende:

De heerKoekkoek: Is mijn classificatie van het vragen van een volledig proces-verbaal aan de heer W. als reddingsboei een juiste typering?

De heerWillems: Ik vind dat geen juiste typering, omdat de rechtsopvatting van het Hof in die samenstelling is, voor wat het waard is, dat het Nederlandse recht niet de regel inhoudt, in het zicht van de achtergrond van het niet eerder vermelden, dat het niet vrij zou staan om dat op de zitting te doen. Dat hadden wij al eens eerder zo beslist. Ik herhaal nog eens dat de zaak-Zwolsman wat dat betreft niets bijzonders is, want er is slechts sprake van het doortrekken van reeds bestaande jurisprudentie. Ik weet wel dat het veelal wordt begrepen als reddingsboei, maar zo hebben wij het niet gekwalificeerd.2

Het hof acht zich daarmee alsnog voldoende ingelicht over het opsporingsonderzoek (inclusief de proactieve fase) om een voldoende gefundeerd oordeel te kunnen geven.

Of een rechterlijk college zich genoegzaam acht voorgelicht is aan dat college voorbehouden. Het oordeel daarover is in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen. Voorzover daarop in feitelijke aanleg verweer is gevoerd en in cassatie over is geklaagd doorstaat het die toets.

Observatie

Een groot deel van het onderzoek berust op observatie en het aan elkaar koppelen van de stukjes informatie die daaruit gedestilleerd konden worden.

De heerDe Graaf: Leidt uw stelling, zoals ook blijkt uit het arrest in de zaak-Z, ertoe dat de politie alle keukengeheimen gewoon op tafel moet leggen?

De heerWillems: Dat is iets anders. Er zijn meerdere belangen in het spel. Het enige dat ik zeg, is dat het uiteindelijk aan de zittingsrechter is om dat te bepalen. Een concreet voorbeeld. De politie heeft met camera's geobserveerd. Het liet voor mij geen twijfel dat dit in dit land rechtmatig is.

Devoorzitter: Vanwege de arresten van de Hoge Raad.

De heerWillems: Er is een zeer recent arrest van de Hoge Raad, waarin dat nog eens met zoveel woorden wordt...

Devoorzitter: Op basis van artikel 2 van de Politiewet.

De heerWillems: Neen, er wordt gewoon zeer in het algemeen gezegd dat er een bevoegdheid is. Ik heb het niet over eerdere arresten, maar over het arrest van de Hoge Raad van dit jaar over die zaak, waarbij is geobserveerd met camera's bij garageboxen.

Devoorzitter: Op basis toch van de bevoegdheid ex artikel 2?

De heerWillems: Neen, op grond van de opsporingsbevoegdheid, als opsporingsmethode.

De heerWillems: De Hoge Raad heeft dat arrest een paar maanden geleden gewezen. De vraag is of aan de zittingsrechter moet worden gemeld waar die camera precies heeft gedraaid. Het antwoord van de getuigen, of bijvoorbeeld het OM, kan luiden dat het onverstandig is als die vraag beantwoord zou moeten worden, omdat slechts sprake is van één locatie waar dat had gekund. Als die bekend wordt, dan is sprake van een probleem aan die kant. Dat mag op tafel worden gelegd. Dat zou aanleiding kunnen zijn dat dit gegeven niet vermeld hoeft te worden. De Hoge Raad heeft intussen ook geaccepteerd dat het opsporingsbelang een rol speelt bij het specifieke van de beantwoording. Dat blijft wel een oordeel van de zittingsrechter1

Informanten

De politie beschikte over een goede informant en heeft duidelijk via zijn medewerkers naar Charles Z. toegewerkt. Ondanks alle pogingen van de verdediging om deals met deze medewerkers aan te tonen, blijkt volgens het OM hier geen sprake van te zijn geweest. Het bewijs in het onderzoek is grotendeels opgebouwd uit verklaringen van medeverdachten.

Scannen

In het onderzoek tegen Charles Z. heeft de politie 3 weken gescand in de proactieve fase zonder machtiging van de rechter-commissaris. De gesprekken zijn eenzijdig opgenomen op een taperecorder.

Het hof beschouwt het scannen van mobiele telefoons als een feit van algemene bekendheid. Scannen is eenvoudig door iedereen te doen en daarom in deze zaak toelaatbaar voor de politie mits het gedaan is binnen de grenzen. In de zaak tegen Charles Z. heeft het scannen zich beperkt tot een duur van 3 weken. De gesprekken zijn «slechts» eenzijdig beluisterd en met het doel «slechts» vast te stellen òf gebruik werd gemaakt van de autotelefoon (ATF). Het scannen heeft in dit geval geen resultaat gehad. Het gebruik van de taperecorder doet hieraan niets af. De taperecorder is slechts gebruikt om een permanente aanwezigheid van teamleden te voorkomen. De opnamen voegen niets toe aan de verkregen gegevens. Het gebruik van de taperecorder doet niets af aan de beperkte strekking «vaststellen òf ...». Tevens zijn de banden gewist. Het hof gaat er kennelijk vanuit dat het scannen behoort tot een algemene opsporingstaak van de politie (art. 141 Sv; art. 2 Politiewet 1993). Het hof acht het gebruik van mobiele scanners met beperkt bereik ten behoeve van observatie-activiteiten in dit geval toegestaan.

Inkijkoperaties

Uit het aanvullend proces-verbaal blijkt het onderzoeksteam toch inkijkoperaties te hebben uitgevoerd. Het hof acht het betreden van loodsen teneinde daar te kijken rechtmatig. Bij een redelijk vermoeden van een overtreding van de Opiumwet in een loods, mag een opsporingsambtenaar die loods (heimelijk) betreden, teneinde te kijken wat zich daarin bevindt. De basis voor deze conclusie vindt het hof in artikel 9, eerste lid sub b van de Opiumwet, dat een suppletoir karakter heeft (ruimere bevoegdheid ten opzichte van het Wetboek van Strafvordering) en een zelfstandige bevoegdheid voor het betreden van plaatsen verleent aan opsporingsambtenaren.1 Met betrekking tot het vereiste van een «redelijk vermoeden» vindt het hof, conform de jurisprudentie, dat CID-informatie een voldoende basis kan zijn.

De suggestie dat meer inkijkoperaties plaatsgevonden zouden hebben dan vermeld staat in het aanvullend proces-verbaal, is volgens het hof niet waar gebleken of anderszins aannemelijk geworden.

Het hof is van mening dat de politie op grond van artikel 9 Opiumwet bevoegd was een loods te betreden tijdens een makelaar-inspectie waarbij er toestemming was van de huurder. Het hof acht artikel 9 Opiumwet daarvoor een voldoende basis. Het is in dit geval niet van belang of de huurder toestemming geeft.

Met betrekking tot het betreden door de politie van de woning tijdens een renovatie-inspectie, redeneert het hof als volgt. De toestemming van de hoofdbewoonster was gegeven aan de woningbouwvereniging en niet gericht op een strafrechtelijk onderzoek. In dit geval vormt artikel 9, eerste lid sub b alleen niet voldoende basis. Daarnaast gaf het toenmalig derde lid als vereisten voor het betreden van een woning de vergezelling c.q. last èn proces-verbaal/rapportageplicht.2

Het hof verklaart het OM ontvankelijk en veroordeelt Charles Z. voor zijn leidinggevende rol in een criminele organisatie. 3 Die rol wordt als bestuurder in de zin van artikel 140, derde lid Sr beschouwd. Verder heeft het hof bewezen verklaard dat Charles Z. zelf ook de invoer van een aantal partijen hasj heeft medegepleegd. Hij wordt door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren. Charles Z. tekent cassatie aan bij de Hoge Raad.

Bij arrest van 19 december 1995 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van Z. verworpen. Het cassatieberoep richtte zich vooral op de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging. De Hoge Raad overweegt dat:

r.o. 5.2 ...moet worden vooropgesteld, dat indien de rechter die over de feiten oordeelt vaststelt dat opsporingsambtenaren in het opsporingsonderzoek of in het onderzoek dat heeft plaatsgevonden in de daaraan voorafgaande fase onrechtmatig hebben gehandeld, hij zal behoren af te wegen of die onrechtmatigheid van dien aard is dat daarop een processuele sanctie past. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag zal als sanctie in aanmerking kunnen komen de uitsluiting van bewijsmateriaal dat tengevolge van dat onrechtmatig handelen is verkregen, indien het de verdachte is geweest die door dat handelen is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Voorts kan niet worden uitgesloten dat onrechtmatig optreden van opsporingsambtenaren onder omstandigheden een dusdanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat zulks – ook in een geval waarin overigens voldoende op rechtmatige wijze verkregen bewijsmateriaal voorhanden is tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie dient te leiden. Een zo ver gaande sanctie kan in dat geval echter slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust of met grove verontachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Van geval tot geval zal dit moeten worden beoordeeld, zodat een algemene regel daarvoor bezwaarlijk kan worden gegeven.

De Hoge Raad stipuleert andermaal dat inbreuken op fundamentele rechten van burgers, waaronder ook het in ontwikkeling voortgeschreden recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tijdens het opsporingsonderzoek of het daaraan voorafgaande onderzoek slechts gelegitimeerd kan zijn door of krachtens een wet in formele zin.

Observatie en het gebruik van informanten

Ingevolge artikel 2 Politiewet 1993 is de politie bevoegd in de proactieve fase handelingen te verrichten welke de haar opgedragen taak meebrengt, zoals het ter handhaving van de openbare orde geven van een bevel zich te verwijderen of onder zich nemen van voorwerpen, observatie en schaduwen, alsmede in het openbaar fotograferen van personen, en dat ook indien door zulke verrichtingen een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou worden gemaakt.

Scannen

Volgens de Hoge Raad ligt in de overweging van het hof ter zake besloten dat door het gebruik van de scanner geen inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Een ieder die dat wenst kan met behulp van eenvoudige en gemakkelijk verkrijgbare technische middelen gesprekken gevoerd door middel van een mobiele telefoon afluisteren. Binnen zekere grenzen zal de gespreksdeelnemer moeten accepteren dat de gesprekken worden opgevangen en beluisterd. Daarmee gaat niet de gehele bescherming verloren. Immers indien, zoals in casu, opsporingsambtenaren gedurende een langere periode met behulp van daarvoor speciaal geplaatste apparatuur doelbewust en stelselmatig gesprekken afluisteren en opnemen, die vanuit of in de omgeving van de woning van een bepaalde persoon met een mobiele telefoon worden gevoerd, worden die grenzen overschreden. Artikel 2 Politiewet 1993 biedt voor een dergelijke inbreuk geen legitimatie. De door het hof genoemde omstandigheden betreffende de duur, het doel, het slechts eenzijdig kunnen horen van de gesprekken, alsmede het ontbreken van resultaat doen niet af aan de schending van de verdragsbepaling. Deze omstandigheden zijn wel van belang voor de beoordeling van de ernst van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De inbreuk is niet zodanig ernstig geweest dat dit – ook niet in samenhang met de beoordeling van de andere middelen – tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn tegen de verdachte ingestelde strafvervolging zou kunnen leiden.

Inkijkoperaties

Anders dan in de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering het geval is, bindt artikel 9, eerste lid aanhef en onder b Opiumwet de aanwending van de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen door opsporingsambtenaren niet aan de uitoefening van een specifieke opsporingshandeling. Gelet op de reikwijdte van deze bepaling moet worden aangenomen dat deze mede omvat het – ten behoeve van de taakvervulling – bekijken van die plaatsen, mits is voldaan aan de voorwaarde dat in de te betreden plaats een overtreding van de Opiumwet wordt gepleegd dan wel redelijkerwijs vermoed kan worden dat aldaar zodanige overtreding wordt gepleegd. De bepaling laat echter geen ruimte voor stelselmatig en gericht onderzoek op de aanwezigheid van voor inbeslagneming vatbare voorwerpen (huiszoeking). Het afnemen van dactyloscopische sporen, alsmede het nemen van foto's zijn aan te merken als krachtens de opsporingstaak bevoegd verrichte activiteiten.

Vuilnissnuffel

's Hofs oordeel dat degene die vuilniszakken ter inzameling aanbiedt geacht moet worden de eigendom van die zakken en de inhoud daarvan te hebben prijsgegeven is juist. Van inbreuk op het eigendomsrecht is geen sprake. Ook het onderzoek naar de inhoud van die zakken levert geen schending op van het recht op persoonlijke levenssfeer. Van degene die vuilniszakken ter inzameling op straat heeft geplaatst kan immers niet worden gezegd dat hij voor wat betreft de inhoud daarvan objectief gezien een redelijke verwachting heeft omtrent de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

4.5.2 De zaak Henk R.

Een casus ter illustratie van de problemen die zich kunnen voordoen bij het geheim houden van opsporingsmethoden.

Feiten en omstandigheden

De zaak Henk R. betreft een onderzoek naar import en export van soft- en harddrugs, alsmede de produktie van XTC, met als hoofdverdachte Henk R. en twee belangrijke medeverdachten.

Bij de politie Utrecht alsook bij verschillende andere opsporingsdiensten in zowel Nederland als in het buitenland is bekend dat deze organisatie zich al vele jaren bezig houdt met de handel in grote hoeveelheden hasj. De gelden die de organisatie uit de opbrengst daarvan verkrijgt, investeert zij in onroerend goed en bedrijven.

De organisatie van Henk R. maakt bij de handel in verdovende middelen en het investeren van de financiële opbrengsten hiervan gebruik van tientallen personen zowel in Nederland als in andere landen, zoals Marokko, Canada, Engeland, België, Denemarken, Duitsland, Polen, Ierland, Suriname, Zwitserland en Liechtenstein.

De organisatie heeft een eigen aanvoerlijn voor het importeren van grote hoeveelheden hasj uit Marokko. De hasj wordt veelal vervoerd in (koel)trailers van zowel reeds bestaande als speciaal hiervoor opgerichte Nederlandse en Belgische transportondernemingen. De (koel)trailers worden door leden van de organisatie voorzien van geheime bergplaatsen – een extra plafond in de trailer ingebouwd- om daarin de verdovende middelen te vervoeren. De bergplaatsen zijn geschikt voor het verbergen van enkele tonnen hasj per transport. De organisatie beschikt in Nederland over verscheidene loodsen en schuren waarin de verdovende middelen worden op- en overgeslagen en waarin de (koel)trailers worden voorzien van geheime bergplaatsen.

Vanuit Nederland wordt doorgaans met lege vrachtauto's naar Marokko gereden. Als legale lading worden vaak groenten en/of fruit uit Marokko naar Nederland vervoerd. De kosten van deze fruit- en/of groenteladingen zijn veelal hoger dan de opbrengsten.

Uit het politie-onderzoek bij enkele gerenommeerde in Nederland gevestigde transportondernemingen zal blijken dat het volstrekt ongebruikelijk en onrendabel is om met lege vrachtwagens naar Marokko te rijden. Daarnaast is het niet rendabel om deze produkten vanuit Marokko naar Nederland te importeren per vrachtauto. Vervoer per schip is veel efficiënter en goedkoper.

In Spanje wisselen de chauffeurs elkaar regelmatig af. Op kosten van de organisatie van Henk R. reizen zij per vliegtuig heen of terug. Ook dit is in de reguliere transportwereld een bijzonder ongebruikelijke manier om beschikbare chauffeurs in te zetten.

In Marokko beschikt de organisatie over een eigen netwerk van personen die kunnen zorgen voor zowel de legale ladingen als de hasj. Tevens beschikt de organisatie in Marokko over de nodige corrumptieve contacten in de havens.

Eind 1991 en in de eerste helft van 1992 worden verschillende transporten vanuit Marokko uitgevoerd. Zowel in België als in Nederland wordt de hasj uitgeladen, opgeslagen in loodsen en voor verder vervoer gereed gemaakt. De afzetgebieden liggen in Nederland, Engeland en Ierland. Met name in Engeland heeft de organisatie contacten met een groot aantal afnemers voor de soft- en harddrugs, met name XTC-tabletten. De afnemers zijn bekenden bij de Engelse politie, die ieder voor zich in Engeland beschikken over eigen criminele organisaties voor de aankoop, vervoer, opslag en distributie in Engeland en Ierland. Door verscherpte controles in de havens van Marokko en problemen in het transport van de organisatie loopt de aanvoer van hasj uit Marokko medio 1992 sterk terug. Mogelijk als gevolg van de problemen in Marokko gaat de organisatie in de loop van 1992 over op de aanvoer van hasj uit onder andere Pakistan en het vervoer per schip.

In de loop van 1992 onderneemt Henk R. met hulp van leden uit zijn organisatie meerdere pogingen om te komen tot een eigen produktielijn voor de vervaardiging van XTC-tabletten. Met name in Denemarken, Polen en Rusland laat hij daarvoor de nodige voorbereidingshandelingen plegen.

De organisatie van Henk R. beschikt in Abcoude over een soort «hoofdkwartier». Dit betreft een woonboerderij, die hij heeft gekocht via één van zijn Liechtensteinse contacten. Aan de zuidkust van Spanje beschikken verschillende leden van de organisatie over huizen en/of appartementen. Deze gelegenheden worden vaak gebruikt als uitvalsbases voor de interne controle op hasjtransporten vanuit Marokko.

De organisatie maakt gebruik van moderne communicatie-apparatuur zoals semafoons, mobiele- en autotelefoons en telefaxapparatuur. De organisatie vreest dat de politie haar telefoongesprekken afluistert en maakt daarom geen gebruik van huistelefoonaansluitingen. Henk R. zorgt ervoor dat al zijn mensen doorlopend bereikbaar zijn via mobiele- en/of autotelefoons.

Verder heeft Henk R. belangen in een telecommunicatiebedrijf in Amsterdam. Dit stelt hem en de leden van zijn organisatie in staat om op elk willekeurig moment van mobiele- cq autotelefoon of geheel van nummer te wisselen. Dit gebeurt ook diverse keren, met name als een partij verdovende middelen in beslag genomen is en/of leden uit de organisatie aangehouden zijn. Ook is de organisatie in staat om over telefoons te beschikken, die niet bij PTT-Telecom zijn geregistreerd. Daarnaast worden telefoons aangeschaft met vervalste papieren en worden telefoons op naam gesteld van niet bij de organisatie betrokken personen of zelfs op naam van personen die absoluut van niets weten.

Politieel en justitieel onderzoek

Januari 1991 start de Utrechtse recherche het onderzoek tegen Henk R. Deze zaak is gekozen uit de «Top-tien» van criminele organisaties, die gemaakt is door het bureau misdaadanalyse van de Utrechtse politie. Dit bureau heeft in de periode oktober-december 1990 een analyse gemaakt op basis van informatie die gedurende 10 jaren is verzameld. De keuze is formeel gemaakt door de procureur-generaal. Hij heeft hierover overlegd met de hoofdofficier van justitie, omdat het onderzoek aanvankelijk een embargo-karakter had. Dit omdat er sprake zou zijn van corruptie. De Rijksrecherche beschikte over informatie in die richting. Het onderzoek naar mogelijke corruptie was niet het primaire doel. Het was slechts een extra facet in het onderzoek. Het politieel en justitieel onderzoek zou tot eind 1993 duren.

Gedurende dit onderzoek worden tegen meerdere deelnemers van de criminele organisatie gerechtelijke vooronderzoeken geopend en worden (mobiele cq auto)telefoongesprekken afgeluisterd, opgenomen en op schrift gesteld. Het afluisteren van de mobieleen autotelefoongesprekken vindt plaats door middel van scanners.

Met name aan de hand van deze afgeluisterde telefoongesprekken, alsook aan de hand van ingestelde onderzoeken en observatiewaarnemingen wordt duidelijk dat Henk R. en twee medeverdachten leiding geven aan een organisatie die zich bezig houdt met de internationale handel in hard- en softdrugs.

Tijdens het onderzoek werkt de recherche in Utrecht nauw samen met opsporingsdiensten in binnen- en buitenland. Dat leidt ertoe dat meermalen transporten verdovende middelen, die bestemd zijn voor of afkomstig zijn van deze criminele organisatie, in beslag kunnen worden genomen. Ook worden de financiële geldstromen zichtbaar.

Vanaf 9 mei 1993 worden op vele tientallen plaatsen in Nederland, Zwitserland, Liechtenstein en Duitsland huiszoekingen en inbeslagnemingen verricht en diverse verdachten aangehouden.

In oktober 1993 wordt een scala aan verdovende middelen in beslag genomen , waaronder 24 556 kg hasj, 3395 kg marihuana, 4,7 kg heroïne, 1 kg cocaïne en 85 kg XTC. Verder worden nog 12 schietwapens, 158 patronen en een aantal opleggers met geheime bergplaatsen, een omvangrijke hoeveelheid administratie, voertuigen, transportmiddelen, contanten, munten, kunst en sieraden in beslag genomen. Op dat moment zijn 164 personen verhoord. In totaal betreft dit 43 verdachten en 121 getuigen. In totaal zijn 36 verdachten aangehouden, van wie 27 in verzekering zijn gesteld en 6 personen in bewaring. In oktober 1993 bevinden de drie hoofdverdachten zich nog in voorlopige hechtenis.

Het financiële deel van het onderzoek voert het bureau financiële ondersteuning (BFO) van de politie Utrecht uit in samenwerking met de Belastingdienst/FIOD/Fiscale recherche Utrecht. Het financiële onderzoek richt zich met name op de bij de huiszoeking in beslag genomen administraties. Tevens wordt hierbij gebruikt gemaakt van de afgeluisterde telefoongesprekken. In de loop van het financiële onderzoek worden diverse personen gehoord. Voorzover mogelijk zijn in kaart gebracht: de geldstromen van de gehele organisatie over de periode van begin 1990 tot en met mei 1993 (totaal ca 240 miljoen gulden), de door Henk R. gedane uitgaven tijdens de periode van begin 1989 tot en met 10 mei 1993 (totaal circa 13 miljoen gulden) en de door een medeverdachte gedane uitgaven over de periode van begin 1991 tot en met 10 mei 1993 (totaal circa 2,6 miljoen gulden). Het geld uit de verdovende-middelenhandel is vermoedelijk gebruikt voor investeringen in nieuwe verdovende middelen-transporten, de aankoop van onroerend goed, luxueus levensgedrag, luxe goederen en voertuigen. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van rechtspersonen in Liechtenstein en Curaçao.

Tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft de politie een aantal bijzondere opsporingsmethoden gebruikt. De crux van het verhaal is dat de politie van deze methoden geen proces-verbaal heeft opgemaakt en/of gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. In deze casus worden behandeld: inkijkoperaties, scannen van mobiele telefoons en video-observatie.

Inkijkoperaties, betreden van een loods en een vrachtauto om een peilzender aan te brengen

Tijdens het opsporingsonderzoek naar de organisatie van Henk R. zijn verschillende inkijkoperaties uitgevoerd. De politie heeft de inkijkoperaties niet vermeld in de processen-verbaal, die zij aan het openbaar ministerie heeft aangeboden.

Op 21 februari 1994 meldt een artikel in De Telegraaf dat de Utrechtse recherche in een IRT-zaak in een loods te Landsmeer heeft ingebroken en daar camera's en microfoons heeft geplaatst. De officier van justitie stelt vervolgens hierover vragen aan de rechercheleiding en de CID-officier. De leiding van de tactische recherche maakt op 23 februari 1994 een proces-verbaal op waarin wordt aangegeven dat er in de loods te Landsmeer geen camera's zijn geplaatst en dat nooit opdracht is gegeven tot het plegen van een inbraak. Nadrukkelijk wordt erbij gemeld «zoals vermeld in het artikel in De Telegraaf». Op grond van dit proces-verbaal neemt de zaaksofficier het standpunt in dat de politie niet heeft ingebroken in de loods te Landsmeer en daartoe evenmin opdracht heeft gegeven. De CID-officier belt de teamleider van de CID. Deze zegt dat er geen camera's of microfoons in een loods zijn geplaatst, maar zegt bewust niet dat er wel was ingekeken op verzoek van de CID, zonder dat daarvoor toestemming was gevraagd aan de CID-officier. Dit in het kader dat het in die tijd niet de gewoonte was inkijkoperaties met de officier van justitie te bespreken.

Devoorzitter: Toen mevrouw Van der Molen u belde, wist u wel waarover het ging, maar u zei dat niet.

De heerVan Steeg: Dat is het spel dat ik toen met mevrouw Van der Molen heb gespeeld. Ik zat op cursus en moest mevrouw Van de Molen bellen. Dat deed ik en zij zei: «Mijnheer Van Steeg, er staat in de krant dat er camera's geplaatst zijn en dat er in een loods in Landsmeer is afgeluisterd.» Devoorzitter: En toen vroeg zij vervolgens: «Wat is daar aan de hand?» De heerVan Steeg: Nee, zij vroeg: «Is dat gebeurd.» Ik zei: «Nee.» Devoorzitter: Maar u wist wel dat er inkijkoperaties gepleegd waren.

De heerVan Steeg: Dat is juist.

Devoorzitter: En waarom heeft u dat toen niet gezegd?

De heerVan Steeg: Omdat wij niet op de 16de februari, maar lang van tevoren het standpunt ingenomen hadden, dat wij deze inkijkoperaties niet bekend zouden maken en de gegevens binnen de CID zouden houden. Als je dat dan eenmaal besloten hebt en je wordt plotseling geconfronteerd met het feit dat die operaties wel in de openbaarheid zijn gekomen, wil je tijd inbouwen om na te gaan hoe je vervolgens met de situatie om moet gaan. Die tijd wilde ik althans graag voor mij zelf hebben.1

De heerVos: Wat is dan de reden? [om het niet aan de officier van justitie te vertellen, red.] De heerVan Steeg: De reden was dat ik het niet bekend wil laten worden bij de criminelen.

De heerVos: Ja, maar u praat toch met de officier?

De heerVan Steeg: Dat weet ik, maar toen hadden wij het standpunt – ik praat over 1992 en niet over 1995 – dat hoe kleiner de groep is waarbinnen je dat weet, hoe beter het is. En dan houd je het binnenskamers, binnen die ene CID-kamer en de andere kamer van Dros.2

De CID treedt vervolgens in overleg met de chef recherche om te bepalen hoe zij de inkijkoperatie in de loods te Landsmeer aan de korpsleiding en het OM bekend zullen maken. Afgesproken wordt dat het zo snel mogelijk aan justitie bekend gemaakt zal moeten worden. De afspraak van de CID met de CID-officier wordt een paar keer uitgesteld vanwege agendaproblemen bij beide partijen. Uiteindelijk vindt de afspraak pas op 16 maart 1994 plaats. Dat is één dag na de rechtbankzitting, want die sluit op 15 maart 1994 haar onderzoek. De rechtbank wijst dan evenwel nog geen vonnis; de uitspraak zal op 29 maart 1994 volgen.

Op 16 maart 1994, daags na het rechtbank-onderzoek meldt de CID aan de CID-officier één inkijkoperatie, uitgevoerd door het AT West II in opdracht van de CID.

Vervolgens heeft de CID-officier bewust nagelaten de ruimte tussen 16 maart 1995 en 29 maart 1995 (uitspraak) te gebruiken om de zaaksofficier vroegtijdig van de inkijkoperatie in kennis te stellen en de zaak te repareren.

Devoorzitter: Met uw goedvinden ga ik even terug naar het voorgesprek dat wij met u hadden. Daar zegt u: «Voor mij was het toen duidelijk. De zaak ligt er. De rechtbank heeft waarschijnlijk het vonnis al gemaakt. Ik maak de zaaksofficier alleen nog maar zenuwachtiger. Hij was toch al zenuwachtig over de afloop van de zaak. Het was zijn eerste grote zaak. Aangezien het inkijken al zo lang geleden was en ze het me nu pas vertelden, ben ik niet acuut naar hem toegegaan.» Dat was de eerste inkijk. Dan gaat het verhaal door.

MevrouwVan der Molen-Maesen: Ja, maar het klopt.

Devoorzitter: Het klopt toch.

MevrouwVan der Molen-Maesen: Ja.

Devoorzitter: Maar u zegt: Ik maak die man maar zenuwachtiger.

MevrouwVan der Molen-Maesen: Ja.

Devoorzitter: Dat dacht u ook.

MevrouwVan der Molen-Maesen: Ja. Er waren twee dingen, maar ik zei al dat ik later, na het besloten verhoor, nog een keer heb nagedacht. Toen was ik van mening dat er meer moest zijn geweest waarom ik het toen niet heb gedaan. Al nadenkende, kwam ik tot de conclusie dat het dat tussenvonnis moet zijn geweest.1

Uiteindelijk informeert de CID-officier de zaaksofficier op 28 maart 1995. Dat is één dag voorafgaande aan de uitspraak. Vervolgens verwijt de zaaksofficier zichzelf dat hij niet alsnog de rechtbank van tevoren geïnformeerd heeft.

Devoorzitter: Hebt u toen niet gezegd: dan maken wij daar nu stante pede proces-verbaal van en daarmee ga ik nog naar de rechtbank?

De heerMaan: Ik heb dat inderdaad niet gezegd. Ik had dat moeten doen. Dat meen ik oprecht. Op dat moment was ik kwaad, om het kort aan te duiden, over hetgeen ik hoorde. Ik heb de rest van de dag eigenlijk besteed aan overleg met de CID-officier en de hoofdofficier, om te achterhalen wat er nu precies gebeurd was, welke inkijkoperatie had plaatsgevonden onder wat voor omstandigheden. Ik ben verder bezig geweest om ten behoeve van de hoofdofficier, die er uiteraard inmiddels in gemengd was, een rapportage te maken omtrent mijn ervaringen van wat er gebeurd was. Het is toen niet in mij opgekomen op dat moment, op het allerlaatste moment, de rechtbank nog te informeren. Dat had ik moeten doen.2

De heerRouvoet: Kunt u zich voorstellen dat het wat lastig is om dit in te voelen? U zegt: ik had het wel moeten doen. Maar het was een heel hectische dag. U was boos, u was overdonderd. Maar u had een dag de tijd. De hele dag moet toch bij u het gevoel zijn geweest: morgen doet de rechtbank uitspraak. Dat betekent toch dat u met uw gedachten bij die uitspraak was. Is het geen moment bij u opgekomen om dat toch te melden, ongeacht waar u verder mee bezig was, om het toch te melden, ongeacht de vraag of u het daarmee kon repareren? Is dat helemaal niet bij u opgekomen?

De heerMaan: Zoals ik zei, het is iets wat ik had moeten doen. Het is op dat moment niet bij mij opgekomen. De besprekingen die wij op dat moment hadden, richtten zich met name op de vraag hoe het had kunnen gebeuren. De contacten die ik op dat moment met het team had, waren zodanig dat het mij verbijsterde dat dit gebeurd was, ondanks de verzoeken die er waren ten aanzien van aanvullende processen-verbaal. Ik ben bezig geweest, zoals ik zei, met het rapporteren hoe dat gegaan is in de richting van de hoofdofficier. Uiteraard heb ik in mijn hoofd gehad «morgen is die uitspraak», maar ik heb op dat moment niet in mijn hoofd gehad dat ik dat heel snel aan de president, aan de advocaten moest melden. En dat is iets wat ik wel had moeten doen. Daar ben ik de fout in gegaan.

Devoorzitter: U heeft daarna de ongebruikelijke stap genomen om ook de president van de rechtbank nog een brief te schrijven na het vonnis.

De heerMaan: Ja.

Devoorzitter: Wat behelsde die brief?

De heerMaan: Ik was van mening, gelet op hetgeen uiteindelijk op de zitting was gebeurd, namelijk dat ik daar een proces-verbaal had overgelegd waarin gezegd werd dat geen inkijkoperatie had plaatsgevonden... Ik heb mij op de zitting ook achter dat proces-verbaal gesteld en gezegd: dit is een verbaal van het team. Er heeft dus geen inkijkoperatie plaatsgevonden. Als dan ineens boven tafel komt dat er wel is ingekeken, kan ik mij zeer goed voorstellen dat de rechtbank ook zijn vraagtekens krijgt in de richting van mij en mijn opstelling op de zitting. Ik heb daarom besloten de voorzitter van de strafkamer, de president van de kamer, een brief te sturen waarin ik hem heb uitgelegd hoe het gegaan is en waarin ik hem in feite heb gevraagd, mijn integriteit niet in twijfel te trekken.1

De officier verzoekt de politie van deze inkijkoperatie een proces-verbaal op te maken. Dat proces-verbaal wordt op 16 september 1994 opgemaakt waarin de inhoud van een proces-verbaal van een lid van het AT bevestigd wordt. Deze deelt in zijn proces-verbaal van 16 september 1994 namelijk mee dat hij in de nacht van 13 op 14 juni 1992 op verzoek van de teamleider CID een loods te Landsmeer heeft betreden om vast te stellen of er in die loods verdovende middelen aanwezig waren. Van Steeg zegt dat hij de inkijkoperatie heeft laten uitvoeren naar aanleiding van mededelingen van de tactische recherche dat er verhoogde activiteiten rond de loods werden ontwikkeld.

Enkele politie-ambtenaren worden op grond van de verwikkelingen rond de inkijkoperaties als getuige bij het hof gedagvaard. Wanneer zij het proces-verbaal begin november met elkaar bespreken, blijkt steeds meer boven te komen. Vlak voor de verhoren bij het hof, meldt de politie nog drie inkijkoperaties. Deze rapportage vindt plaats in de vorm van later opgemaakte processen-verbaal voor het hof. Zo maakt het lid van het AT West II op 31 oktober 1994 een proces-verbaal, dat inhoudt dat hij op verzoek van de CID in de nacht van 20 op 21 juni 1992 de loods te Landsmeer heeft betreden om daar een vrachtauto van een peilzender te voorzien. De chef CID en de chef Recherche-ondersteuning hebben deze actie bij proces-verbaal van 2 november 1994 bevestigd. Wederom maakt de AT-er op 2 november 1994 een proces-verbaal. Hierin staat dat hij op verzoek van de CID in de nacht van 2 op 3 september 1992 een loods te Muiden heeft betreden om daar een onderzoek in te stellen. Ook dit wordt bevestigd in een proces-verbaal van de beide chefs van dezelfde datum. In dit proces-verbaal van de AT-er meldt hij tevens dat hij de loods te Muiden eerder -in april 1992- op verzoek van de tactische recherche heeft betreden met als doel het plaatsen van een peilzender op een voertuig. Die plaatsing heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. Vervolgens maakt de verantwoordelijke chef van de tactische recherche op 3 november 1994 een proces-verbaal op waarin hij meedeelt dat hij de AT-er op 23 april 1992 heeft verzocht in de nacht van 23 op 24 april 1992 peilapparatuur aan te brengen op, aan of in een trailer in de loods te Muiden. Vervolgens werd hem echter op 24 april 1992 door de AT-er medegedeeld dat plaatsing van de peilapparatuur op dat moment praktisch niet haalbaar was.

De politie heeft dus tijdens het onderzoek vier inkijkoperaties uitgevoerd en daarvan geen proces-verbaal opgemaakt; de processen-verbaal zijn pas achteraf opgemaakt. Ook heeft de politie geen intern verslag gemaakt van de inkijkoperaties. Bovendien heeft de politie geen overleg gepleegd met, noch toestemming gevraagd aan het OM voor het gebruik van de opsporingsmethode inkijkoperaties. De politie stelt zich op het standpunt dat de Opiumwet haar daartoe een eigen bevoegdheid verleent.

Er is sprake van het witwassen van informatie uit inkijkoperaties. De teamleiderCID zegt ter terechtzitting de informatie uit de inkijkoperaties als CID-informatie aan de tactische recherche te hebben verstrekt. Dit achtte hij noodzakelijk ter bescherming van personen alsmede voor het afschermen van opsporingsmethoden. De wijze waarop met informatie uit inkijkoperaties is omgegaan, illustreert het breder gehanteerde need-to-know-principe dat geldt tussen de CID en de tactische recherche.

Scannen van mobiele telefoons

Het OT luisterde de autotelefoons van Henk R. af met behulp van mobiele scanners. Voor de autotelefoonnummers die de politie kende, werd door de zaaksofficier machtiging gevraagd aan de rechter-commissaris. Bij scannen worden de gesprekken opgevangen die de verdachte via een gescande autotelefoon voert, ongeacht het nummer dat de telefoon heeft. Aangezien Henk R. veelvuldig van telefoon wisselde, bestond in feite geen verband tussen het autotelefoonnummer waarvoor machtiging werd verleend en het nummer dat werd afgeluisterd. Aanvankelijk was wel een algemene machtiging verleend, vervat in een clausule, «voor het afluisteren van alle autotelefoongesprekken waaraan de verdachte deelnam», maar na vier weken stond die clausule niet meer in de vordering en daarmee ook niet in de machtiging.

Devoorzitter: Nu is het probleem dat die machtiging elke vier weken moet worden vernieuwd en dat die klaarblijkelijk vier weken daarna niet voor alle nummers vernieuwd wordt.

De heerMaan: De machtiging is daarna elke vier weken vernieuwd. In de machtiging stond een bepaald nummer van een toestel genoemd. Geprobeerd is ook om steeds zo concreet mogelijk aan te geven van welke toestellen de verdachte gebruik maakte. In die beschikking stond eveneens vermeld: handhaaft de bepaling van de voorgaande beschikking voor wat betreft het overige. Dat is door mij opgevat als betrekking hebbend op het mogen afluisteren van de hoofdverdachte ten aanzien van elk toestel waar hij gebruik van maakte. Later is gebleken dat er kennelijk een communicatiestoornis is geweest met de rechter-commissaris, die bij het gerechtshof, als getuige gehoord, verklaard heeft dat dat niet de bedoeling was.

Devoorzitter: Wij hebben ook die heel dikke map, met al die machtigingen erin. In feite is het zo dat u daar één keer ten gronde over praat met de rechter-commissaris en dat er daarna al een stempel op wordt gezet van «machtiging toegestaan zoals geëist» of zo.

De heerMaan: Bij mijn weten is er niet elke keer gebruik gemaakt van een stempel. Ik weet dat het rechter-commissariaat in Utrecht dat soms doet. Er worden ook heel vaak beschikkingen zelf opgemaakt door het rechter-commissariaat waarin die zinsnede staat.1

Video-observatie

Tijdens het onderzoek is op vier lokaties (drie loodsen en een woonhuis) geobserveerd met behulp van videocamera's. De zaaksofficier had hiervoor toestemming verleend.

Op één lokatie werd de camera in opdracht van de CID geplaatst en door de CID beheerd. De tactische teamleiding kreeg de videobanden, voorzien van datum en plaats, via de CID aangeleverd. Een tactisch-teamlid werkte deze banden vervolgens uit.

Op de andere drie lokaties draaide 24 uren per dag een videocamera waarvan de band (met datum en tijdstip) door de tactische recherche werd beheerd. Het onderzoeksteam heeft de videobanden elke 24 uur bekeken. De waarnemingen zijn niet direct in een proces-verbaal vermeld, maar in een journaal verwerkt. Aan de hand van deze journaals zijn later de processen-verbaal opgemaakt. Het was beleid dat het gebruik van de camera niet openbaar werd gemaakt. Het moest niet te herleiden zijn waar de videocamera was opgesteld. De videobanden, die in getal toenamen, werden daarop op een gegeven moment ook gewist. De zaaksofficier wist daar niet van. Uit de processen-verbaal die van de observaties zijn opgemaakt, valt niet op te maken dat het om video-observatie ging. Gesuggereerd wordt namelijk dat de waarnemingen met het blote oog door de rechercheurs zelf zijn gedaan.

Devoorzitter: Misschien moeten wij even uitleggen waar het over gaat. Het gaat erom dat in het proces-verbaal staat: Ik, opsporingsambtenaar, heb gezien dat op zo en zoveel januari negentien zoveel, om 9.32 uur de mij bekende A. het pand in de Kalverstraat verliet. Het was niet de Kalverstraat, maar dat doet er nu niet toe.

De heerMaan: Dat stond in het proces-verbaal. Dat gaf mij ook aanleiding om ervan uit te gaan dat er sprake was van een observatie door de bewuste opsporingsambtenaar, die dat gezien heeft. Later bleek dat de desbetreffende ambtenaar de videoband bekeken had waarna die scène, hetgeen er gebeurd is, door hem beschreven is. Dat betekent dat hij dus niet op die dag, dat tijdstip, dat gezien heeft, maar dat hij later aan de hand van een videoband geconstateerd heeft dat op die dag dat gebeurd is.

Devoorzitter: Daar zit dus verschil in. Vond u dat een belangrijk verschil?

De heerMaan: Ik vind dat een politieman in zijn verbaal moet vermelden wat hij gedaan heeft. Dus vind ik dat een belangrijk verschil. Hij heeft een videoband bekeken; hij heeft niet daar op die dag dat gezien.1

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank Utrecht veroordeelde Henk R. op 28 maart 1994 tot vijf jaar gevangenisstraf en een boete van anderhalf miljoen gulden. Beide partijen gingen in beroep. De zaak diende bij het hof Amsterdam in oktober 1994. De commissie concentreert zich hier op het arrest van het hof te Amsterdam.2

Het hof spreekt zich ondermeer uit over de vier inkijkoperaties, het plaatsen van een peilzender en het scannen.

Inkijkoperaties

De advocaat heeft met betrekking tot de inkijkoperaties een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het OM. Daartoe voerde hij aan dat door de politie vier inkijkoperaties in twee loodsen zijn uitgevoerd, waarvoor geen wettelijke grondslag bestond en die daarom onrechtmatig waren. Verder stelde hij dat twee van de bedoelde inkijkoperaties tot doel hadden een peilzender in of op een vrachtauto te plaatsen. Voor het plaatsen van deze peilzender ontbrak een wettelijke grondslag, terwijl daardoor een inbreuk werd gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Van dit alles was naar het oordeel van de verdediging ten onrechte geen proces-verbaal opgemaakt.

Het hof Amsterdam achtte het betreden van de loodsen teneinde daar een inkijkoperatie uit te voeren rechtmatig. Bij een redelijk vermoeden van een overtreding van de Opiumwet in een loods, mag een opsporingsambtenaar die loods (heimelijk) betreden, teneinde te kijken wat zich daarin bevindt. De basis voor deze conclusie vindt het hof in artikel 9, eerste lid sub b van de Opiumwet, dat een suppletoir karakter heeft (ruimere bevoegdheid ten opzichte van het Wetboek van Strafvordering) en een zelfstandige bevoegdheid voor het betreden van plaatsen verleent aan opsporingsambtenaren.

Het hof Amsterdam heeft echter met een verwijzing naar de artikelen 152 en 153 Sv (verbaliseringsplicht) bezwaar geuit tegen het ontbreken van processen-verbaal en het verzwijgen ter terechtzitting van de vier inkijkoperaties. Het hof stelt dat uit de gang van zaken en de verklaring van de CID-teamleider blijkt dat de inkijkoperaties bewust door de politie -ook ten opzichte van het OM- zijn verzwegen met als doel de rechterlijke toetsing te ontlopen. Het hof oordeelde in casu dat de toetsing op onaanvaardbare wijze is gefrustreerd. Dit achtte het hof zozeer in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde dat het OM niet ontvankelijk werd verklaard in zijn vervolging.

Betreden van een loods om peilzender te plaatsen

Het hof Amsterdam acht het plaatsen van een peilzender (bij een redelijk vermoeden van een drugsdelict) toegestaan. Voor het hiervoor betreden van de loods acht het hof de betredingstitel van artikel 9 Opiumwet noodzakelijk.

Een peilzender wordt als hulpmiddel bij de observatie gebruikt. Het hof vindt observatie die bestaat uit het volgen van een vrachtauto geen inbreuk op artikel 8 EVRM. Het gebruik van het hulpmiddel peilzender wordt daarbij geoorloofd geacht. In dit geval (drugszaak) werd de bevoegdheid tot het betreden van de loods ontleend aan artikel 9 lid 1 sub 1 Opiumwet.

Scannen mobiele telefoon (ATF)

Het hof Amsterdam zegt met betrekking tot de vereiste machtiging van de rechter-commissaris dat in de praktijk geen telefoonnummers, maar bepaalde frequenties worden gescand. Het hof vindt dat er in feite geen verband is tussen praktijk en concrete telefoonnummers in de machtiging van de rechter-commissaris. Het hof acht een algemene machtiging -inclusief de clausule- een voldoende legitimatie. In deze zaak is bijna twee jaren met machtiging van de rechter-commissaris gescand. Daarvan is vier weken gescand met een machtiging op telefoonnummers èn de genoemde clausule. Voor het overige heeft de politie gescand op basis van een machtiging met alleen de concrete telefoonnummers. De rechter-commissaris verklaart ter terechtzitting dat de algemene machtiging slechts bedoeld was voor de periode van vier weken. Het hof oordeelt dat de gegevens uit telefoongesprekken gevoerd via telefoons, waarvan de nummers niet in de scanmachtiging waren vermeld, over de periode van ongeveer 20 maanden onrechtmatig zijn verkregen en niet voor de bewijsvoering gebruikt mogen worden.

Het hof heeft op 1 december 1994 uitspraak gedaan. Slechts voor verboden wapenbezit en het bezit van een plak hasj van 997,1 gram heeft het hof Henk R. kunnen veroordelen. Dit resulteerde in een straf van twee maanden hechtenis en een geldboete van duizend gulden.

4.5.3 Tanker Cleaning Amsterdam en Rotterdam (TCA/TCR)

Een casus ter illustratie van de inzet van technische observatiemiddelen in een recent milieu-onderzoek.

Feiten en omstandigheden

In 1985 voeren de drie gebroeders Tom, Ron en Jan L. het bewind over twee grote afvalverwerkingsbedrijven in de haven van Amsterdam en Rotterdam (TCA en TCR).1 Er is sprake van collectief leiderschap waarbij een ieder aandachtspunten heeft. Zo richt Tom zich voornamelijk op TCA en Jan en Ron op TCR. De gebroeders houden er een ruime levensstijl op na. Zo heeft een van de broers een geldverslindende hobby aan de autoracerij. De gebroeders worden ondersteund door een paar naaste medewerkers van TCA en TCR die samen «De Groep» vormen. De zaaksofficier van justitie zegt ter terechtzitting hierover:

De echte beslissingen werden buiten de overlegstructuur om genomen, door de broers, als er na een ruzie een wolkje de deur uit kwam; (..) in de auto tussen Ron en Rob E.; tijdens een lunch met saté en frites en ga zo maar door!(..) De andere drie hier aanwezige verdachten hadden een zeer cruciale rol binnen TCR. Hans E. was de directeur, zonder zijn goedvinden konden de broers niet handelen. Wim de R. was plantmanager: hij was de onmisbare schakel naar de werknemers toe. (..) Daarnaast was Rob E. (hoofd waterhuishouding, red.) de bedenker van vele illegale handelingen, de chef List en Bedrog, ook wel genaamd Dirty Harry.2

In het begin loopt de bedrijfsvoering aardig. De milieubranche is groeiende en wordt financieel ondersteund door de overheid. Verschillende subsidies worden verstrekt, waaronder een aanzienlijk bedrag voor de aanleg van Haven Ontvangst Installaties (HOI) waartoe Nederland zich verplicht heeft door de ondertekening van het Marpolverdrag3 .

Echter in de loop der tijd zien de gebroeders zich gedwongen de bedrijfsvoering aan te passen. De olieprijs daalt drastisch zodat de opbrengst uit de verkoop van de gewonnen olie uit de afvalstromen terugloopt. Bovendien beschikken zeeschepen zelf over steeds betere schoonmaakinstallaties zodat de scheepsafvalstromen afnemen. Zowel TCA als TCR zien zich genoodzaakt zich mede toe te leggen op het inzamelen van landafvalstromen. Dit betreft afvalstoffen die afkomstig zijn van calamiteiten en reinigings- en restprodukten van industriële activiteiten, waarvoor echter de aanwezige installaties niet altijd geschikt zijn. Daarom wordt een deel van de giftige stoffen illegaal afgevoerd naar het buitenland waaronder België en Engeland, en naar later blijkt verdwijnt een deel rechtstreeks in het havenwater.

Vanaf 1989 beginnen de diverse controle-instanties, de provincies, VROM, de milieudiensten, Rijkswaterstaat en de havenbedrijven misstanden te constateren bij TCA en TCR.1 Veelvuldig blijken de milieunormen te worden overschreden, met name bij TCR. Dit resulteert in vele processen-verbaal voor beide bedrijven waaronder 43 voor TCR. De subsidie wordt stopgezet en er wordt een handhavingsteam ingesteld voor TCR om te zien of er verbetering optreedt. De zaaksofficier van justitie maakt deel uit van dit team en memoreert ter zitting een voorval:

Er was een (door TCR geplaatste, red.) camera die op de lozingspijp gericht stond waardoor het onmogelijk was het afvalwater vanaf de waterkant ongezien te bemonsteren. Het handhavingsteam vond dat de camera weg moest. Dat is ook gebeurd.2

Echter, in plaats van de camera verschijnt er een uitkijkhokje bij de lozingspijp. Personeel van TCR houdt hierin de wacht als er illegaal geloosd wordt. Zo kan tijdig gestopt worden met lozen als controle-instanties in de buurt komen. Ook wordt er 's nachts geloosd zodat lozingen, die niet aan de controle-instanties worden gemeld zoals voorgeschreven is, niet snel zullen worden ontdekt.

Inmiddels wordt door de directie ingezien dat controle-instanties vasthoudend worden en dat toedekking van de malversaties moeilijker wordt. Het besluit wordt genomen om de boekhouding te vervalsen. Op papier lijkt de zaak dan aardig te kloppen. Tevens wordt een aangebrachte monsternamecarrousel van Rijkswaterstaat gemanipuleerd door gebruik te maken van een jerrycan die half gevuld is met havenwater. Bovendien begint men met «processen».

Dit is het gedeeltelijk direct lozen van giftige afvalstoffen op oppervlaktewater waarna de tank wordt bijgevuld met havenwater. Vervolgens wordt de lozing gemeld aan Rijkswaterstaat, die dan na controle wel moet constateren dat de lozing binnen de vergunningseisen blijft.3

De directe lozingen op het oppervlaktewater worden verhuld door het tankstandenboek te vervalsen. Het geweten van de medewerkers die de illegale lozingen moeten uitvoeren wordt afgekocht met zwart geld. Verder hangt er een sfeer van angst binnen de bedrijvengroep. De officier van justitie zegt hierover:

De algemene mening is dat het hem (Jan, red.), maar ook Ron, niet kon schelen wat er gebeurde en hoe, als er maar geld verdiend werd. Hier op de zitting kreeg ik ook sterk de indruk dat Jan ook nu nog in staat is door een schrikbewind de anderen te bedreigen en bang te maken.4

Als een controleur komt, na de gebruikelijke melding van zijn komst, moet het bedrijfsterrein netjes worden opgeruimd. Vervuilingen worden afgegraven en zeiltjes worden over containers getrokken.5 Herhaaldelijk wordt duidelijk gemaakt dat iemands baan op de tocht staat als hij niet meewerkt. Alles lijkt in orde. Zelfs zo in orde dat de bedrijven in aanmerking komen voor milieukeurmerken. De Nederlandse vereniging van verwerkers van chemische afvalstoffen (NVCA), waarin broer Jan een prominente rol speelt, verleent een milieucertificaat in september 1992 aan TCA en in januari 1993 aan TCR. Ook wordt door TCR in september 1993 het ISO-9001 certificaat in de wacht gesleept. Dit certificaat wil zoveel zeggen als dat er een toetsbaar en geordend managementsysteem is.1 De officier van justitie zegt hierover:

Dit certificaat is met veel feestelijk vertoon uitgereikt in kasteel Rhoon. Voor de uitreiking was het gehele netwerk in brede zin uitgenodigd, waaronder zelfs de milieu-officier, die daarbij om begrijpelijke redenen verstek heeft laten gaan.2

Dit wekt zoveel vertrouwen dat bepaalde grote bedrijven als Shell en de Hoogovensgroep in zee gaan met de gebroeders L. Dit vertrouwen wordt nog eens versterkt door het feit dat TCR/TCA een gerenommeerd accountantskantoor en een Rotterdamse advocaat in de arm neemt, die vertrouwen geniet als voormalig Eerste Kamerlid. Ook de twee commissarissen R. en Van S. genieten binnen de overheid waardering en respect.3 Bovendien stelt de bedrijvengroep zich altijd zeer coöperatief op richting overheid.

Uiteindelijk mag dit niet baten. Een opsporingsonderzoek wordt gestart, de gebroeders gaan bankroet en de bedrijvengroep gaat failliet.

Het politieel en justitieel onderzoek

De aanleiding tot het uiteindelijke onderzoek naar TCA/TCR is gelegen in eerder verrichte onderzoeken die op niets zijn uitgelopen. Er is door de tijd heen regelmatig geverbaliseerd. Hieruit zijn onderzoeken gestart in 1983/1985 en 1989/1989, die beide voortijdig gesloten werden. Het eerste mislukte omdat uitlekte dat telefoons werden afgeluisterd nadat op hoog politiek niveau over dit onderzoek was gesproken. Het tweede onderzoek werd gestaakt door het OM. Er zouden niet voldoende aanwijzingen van strafbare feiten zijn. Volgens Van Zeben, hoofd milieubijstandsteam, betekende een gesprek van de secretarissen-generaal van de departementen van Verkeer en Waterstaat, VROM en Justitie het definitieve einde van de tweede poging. Een aantal jaren worden TCA en TCR dan strafrechtelijk met rust gelaten.

Tot 1993, dan wordt in Rotterdams kernteamverband besloten een grote milieuzaak te gaan doen. Er is een aantal beperkte proactieve onderzoeken verricht naar afvalverwerkingsbedrijven waaruit TCA en TCR duidelijk naar voren springen. Dan wordt besloten weer een opsporingsonderzoek in te stellen naar deze bedrijven, maar nu onder strikt embargo op een aparte lokatie. Alvorens een gerechtelijk vooronderzoek te openen wordt er proactief onderzoek verricht van maart tot november 1993.

Een belangrijk onderdeel van het vooronderzoek vormt het verzamelen van reeds bestaande gegevens over de betrokken bedrijven. Het meldingensysteem van VROM wordt bestudeerd, de vergunningen, de personeelsgegevens en de fiscale gegevens. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden tot observatie en monsternemingen, zowel te water als over de weg.4 Er is een on line verbinding met de Kamers van Koophandel om het bedrijvennetwerk in kaart te brengen. Dit blijkt 120 bedrijven te omvatten. Tevens worden alle toezichtgegevens van de controle-instanties opgevraagd en geanalyseerd. Dit betreft bestuurlijke informatie betreffende de achtergrond en omstandigheden van de vergunningverlening, de onderhandelingen tussen bedrijf en provincie, de reden voor ontheffing etc. Een medewerker van Rijkswaterstaat wordt aan het team toegevoegd om dit proces van bestuurlijke informatievertrekking te vergemakkelijken. Dit uitgebreide informatieve onderzoek is onder andere nodig door de slechte informatiepositie van de CID op milieugebied. Er blijkt hier nauwelijks informatie aanwezig over het onderzoekssubject.

Er worden verschillende bijzondere opsporingsmethoden ingezet in deze voorfase. In juni en september/oktober 1993 wordt het bedrijf TCR geobserveerd door camera's en thermische camera's die zijn opgesteld in een leegstaand fabriekspand. Deze worden ook bij TCA gebruikt. De opnamen worden op videoband vastgelegd. Ook worden observaties verricht vanaf een door het team gehuurde boot. Tijdens deze observatieacties wordt een scanner gebruikt om het portofoonverkeer tussen personeel onderling af te luisteren. De observaties en de scanner dienen ondermeer om te ontdekken wanneer er geloosd wordt. Dit is onder andere van belang voor de duikers van de marine die een nieuw ontwikkeld monsternemingsapparaat in de lozingspijp aanbrengen. Dit apparaat bestaat uit een opblaasbare band met daarin datalogapparatuur en vier glazen buizen die dienen als monsterkamers. Twee monsterkamers worden handmatig bediend vanaf de walkant door middel van een zender en twee worden automatisch in werking gesteld.1 De monsterkamers worden verwisseld door de duikers, vaak onder het spiedend oog van de op wacht staande medewerker op de kant. In oktober 1993 wordt het monsternemingsapparaat ontdekt door werknemers en verwijderd. Dit gebeurt onder het lijdelijk toeziend oog der observanten op de walkant.2

Een probleem bij heimelijke monsterneming is de contra-analyse. Het bedrijf kan immers later de analyse van de monsters in twijfel trekken en vragen om contra-monsters. Hierin wordt voorzien door inschakeling van een notaris die de monsters naar het laboratorium stuurt en de analyse-gegevens bewaart in de kluis. In februari 1994 worden deze vrijgegeven aan de betrokken bedrijven.3

Tijdens dit vooronderzoek wordt ook aandacht besteed aan grensoverschrijdende transporten van afvalstoffen. Zes transporten worden door het observatieteam van de AID geobserveerd en later stilgehouden en bemonsterd op grond van de Wet op de economische delicten of de Wegenverkeerswet.4

Naast statisch en dynamisch observeren, scannen en bemonsteren wordt in de voorfase ook gebruik gemaakt van een informant. In maart 1993 meldt een anonieme beller dat bij TCR illegaal geloosd gaat worden. Later blijkt dit een werknemer van TCR te zijn. Hij legt vervolgens verklaringen af bij een koppel runners van de CID, aangevuld met een medewerker van het milieubijstandsteam voor de milieutechnische kennis. Eind april 1993 besluit de werknemer om ontslag te nemen en als getuige te gaan optreden.

Dit vooronderzoek levert genoeg vermoedens op van het structureel plegen van milieudelicten om een gerechtelijk vooronderzoek te starten. Een multidisciplinair team wordt geformeerd waarin naast de recherche Rotterdam ook de CRI, het MBT en de FIOD participeren. Ook een medewerker van Rijkswaterstaat wordt aangetrokken. De betrokken medewerkers werken onder strikte geheimhouding. De reguliere controles vinden gewoon plaats, zonder dat de controleurs wetenschap hebben van het feit dat dit onderzoek loopt. Bijna gaat het dan ook mis. Niets vermoedende toezichthouders van Rijkswaterstaat ontdekken het monsternemingsapparaat. De officier legt hen geheimhouding op wat mogelijk is door het feit dat zij tevens opsporingsambtenaren zijn.5

Gedurende in totaal zes weken worden de telefoons van de hoofdverdachten getapt alsmede de faxen van de bedrijven. De CRI heeft een schatting gemaakt van de illegale verdiensten. Ook worden informanten als getuigen gehoord. Hierna worden huiszoekingen gedaan in december 1993 en worden aanhoudingen verricht.

Het onderzoek ter terechtzitting

In het voorjaar van 1995 wordt dit grote milieuonderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg behandeld. De rechtbank Rotterdam heeft een aantal strafbare feiten bewezen verklaard. Dit zijn deelname aan een criminele organisatie, het illegaal lozen van afvalwater op oppervlaktewater, EG-fraude, valsheid in geschrifte en belastingfraude.1 De illegale lozingen, die zijn vastgesteld door het nieuwe monsternemingsapparaat, worden niet bewezen verklaard. Niet omdat het apparaat niet zou deugen of de contra-monster procedure wordt afgekeurd maar,

het ten laste gelegde met betrekking tot de lozingen 8,9,10 is niet wettig en overtuigend bewezen omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat deze lozingen effluent van straat 1 of straat 2 betreffen, terwijl de in de tenlastelegging genoemde vergunningvoorschriften uitsluitend betrekking hebben op het effluent van deze zuiveringsstraten.2

De rechtbank veroordeelt de oudste broer Jan L. tot zes jaar gevangenisstraf en oordeelt:

In plaats van zijn macht in de L.groep en in het bijzonder in Tankcleaning Rotterdam aan te wenden om aan de milieu-eisen te voldoen, heeft hij met kennelijke minachting voor het milieu gehandeld ten behoeve van persoonlijk financieel gewin. (..) Hij heeft ertoe bijgedragen dat controlerende instanties om de tuin werden geleid, dat subsidiegelden een andere dan beoogde bestemming kregen, en dat fiscale afdrachten niet in voldoende mate werden gedaan.3

Dit is tot nu toe de hoogste straf in een milieuzaak. Ron L. wordt veroordeeld tot drie jaar en zes maanden, en Tom L. tot twaalf maanden gevangenisstraf. De handlangers Hans E., Willem de R. en Rob R. worden veroordeeld respectievelijk tot drie jaar, twee jaar en eveneens twee jaar cel, waarvan acht maanden voorwaardelijk. Jan L. is de enige die hoger beroep heeft ingesteld.

De broers en de bedrijvengroep zijn failliet. Duidelijk wordt dat de ruim 40 miljoen gulden aan verstrekte subsidie niet terug te vorderen zal zijn. De installaties blijken slechts 5 miljoen gulden waard bij verkoop. Ook de fiscus heeft het nakijken. De miljoenenaanslagen zijn waarschijnlijk niet inbaar.

Deze grote milieuzaak blijft de gemoederen bezighouden. Vooral de vragen hoe het zover heeft kunnen komen ondanks de controles, alsmede de besteding van de rijkssubsidies staan centraal. Inmiddels is een onderzoekscommissie ingesteld die zich over deze vraag zal buigen. Mede wordt gekeken wat de bestuurlijke lessen zijn die uit deze zaak kunnen worden getrokken.4

4.6 Beoordeling

De commissie heeft geconstateerd dat verschillende observatiemethoden geen uitdrukkelijke wettelijke basis hebben. Dwangmiddelen als het tappen van gegevensverkeer, het onderzoek in geautomatiseerde werken en de postvang zijn wel in de wet geregeld. Gelet op de nauwkeurige wettelijke normering van bepaalde dwangmiddelen en het ontbreken van normering van andere opsporingsmethoden is het beeld onevenwichtig. Voor het gebruik van bepaalde niet wettelijk geregelde opsporingsmethoden is in de rechtspraak een aanzet tot nadere normering gegeven. De jurisprudentie heeft voorwaarden gesteld aan het gebruik van de verschillende observatiemethoden.5 In een enkel geval, zoals het inkijken, bestaat een interne richtlijn die als juridische basis wordt gehanteerd voor de inzet van de observatiemethode.

Naar de stand van het huidig recht is naar het oordeel van de commissie te veel discussie mogelijk over de vraag of de inzet van bepaalde observatiemethoden rechtmatig is. Het punt is waar bij observatie sprake kan zijn van een inbreuk op de fundamentele rechten van de burger zonder dat daarvoor een specifieke wettelijke basis bestaat. Bij langdurige observatie is dat volgens de commissie het geval. Zonneklaar is dat het in de praktijk geconstateerde direct afluisteren en de semi-inkijkoperatie (meeliften) in een woning onrechtmatig zijn, tenzij sprake is van een noodtoestand. Het gebruik van niet in het strafdossier opgenomen tapgegevens door de CID is begrijpelijk, maar naar het huidige recht evenzeer onrechtmatig. Politie en justitie zijn van oordeel dat deze observatiemethoden noodzakelijk zijn voor een effectieve opsporing.

Er bestaan geen eenduidige criteria wanneer welke observatiemethode door wie mag worden gehanteerd. De commissie is van oordeel dat nadere normering gewenst is, mede omdat door het verrichten van observatiewerkzaamheden grondrechten (en vooral het grondrecht op privacy) kunnen worden aangetast. Bij direct afluisteren en inkijken is naar het oordeel van de commissie sprake van een ernstige inbreuk op het privacyrecht van burgers of van de vrijheid die in het verlengde daarvan ligt. Bij de andere vormen van observatie is het mogelijk dat inbreuk gemaakt wordt op privacy van burgers. Normering biedt politie en justitie expliciet omschreven mogelijkheden om deze methoden te hanteren.

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van betrokken politie- en justitiefunctionarissen zijn onduidelijk. De inzet van observatiemethoden was tot voor kort het monopolie van de politie. Daar kwam meestal geen officier van justitie aan te pas. Recent is wijziging gekomen in de bemoeienis van het OM. Ook waren de criteria op basis waarvan een beslissing werd genomen zeer diffuus. Het gebrek aan sturing van de politie door het OM acht de commissie onwenselijk. Het OM dient in ieder geval op de hoogte te zijn van het gebruik van deze methoden. Voor bepaalde vormen van observeren is naar het oordeel van de commissie expliciete voorafgaande toestemming van een officier van justitie noodzakelijk.

Van enige controle achteraf door het OM op het gebruik van deze observatiemethoden was nauwelijks sprake. De politie vertelde het OM weinig over de gehanteerde observatiemethoden. Of er informatie werd gegeven, was vooral afhankelijk van de voorkeur van de betrokken politiefunctionaris. Officieren van justitie vroegen sporadisch naar het gebruik van deze methoden. De commissie meent dat een meer intensieve toetsing van het gebruik van deze methoden door het OM noodzakelijk is. De rechter moet tevens achteraf kunnen controleren welke methoden zijn gebruikt en op welke wijze zij zijn ingezet.

De verslaglegging van de inzet van het merendeel van de observatiemethoden is zeer gebrekkig. Slechts met veel moeite kan gereconstrueerd worden welke observatiewerkzaamheden zijn verricht. In enkele gevallen had dat negatieve gevolgen voor de effectiviteit van de opsporing. Een adequate registratie is naar het oordeel van de commissie een essentiële voorwaarde voor een verantwoorde opsporing. Te vaak is naar het oordeel van de commissie het gebruik van observatiemethoden zoals inkijkoperaties, videocamera's, scanners, geheim gehouden. De rechter, de verdediging en soms het OM hadden te weinig inzicht in het gebruik van deze observatiemethoden.

Over het verantwoord zijn van de observatiemethoden valt moeilijk in algemene zin uitspraken te doen. Dat is sterk afhankelijk van de concrete gevallen. De inzet van niet wettelijk geregelde opsporingsmethoden is niet beperkt tot de onderzoeken naar zware, georganiseerde criminaliteit. Zo vindt met name de inzet van foto- en videoapparatuur plaats bij allerlei criminaliteit, variërend van burenruzies tot autokraken en woninginbraken. In iets mindere mate geldt dit ook voor plaatsbepalingsapparatuur.

In gevallen van georganiseerde criminaliteit wordt inzet van observatiemethoden al gauw proportioneel geacht. Als het bij een inbraak qua ernst van het delict is toegelaten, dan toch zeker ook bij zware, georganiseerde criminaliteit, zo wordt geredeneerd. Wat voor proportionaliteit geldt, geldt ook voor de subsidiariteitstoets. Gelet op de problemen die gebruikelijk zijn bij onderzoek naar criminele organisaties wordt niet snel gezegd dat eerst andere middelen moeten worden ingezet. De combinatie van de verschillende observatiemiddelen maakt dat er zicht op de organisatie ontstaat. Het voorgaande brengt met zich mee dat de toepassing van deze methoden bij georganiseerde criminaliteit min of meer standaard is.

De effectiviteit van de observatiemethoden is moeilijk te bepalen. Sommigen stellen dat de wettelijke dwangmiddelen voldoende mogelijkheden bieden, anderen menen dat het voor een effectieve opsporing noodzakelijk is om steeds nieuwe observatiemethoden te hanteren. De commissie meent dat het gebruik van verschillende observatiemiddelen noodzakelijk is voor een effectieve opsporing. De recente geschiedenis heeft getoond dat het gebruik van onvoldoende genormeerde observatiemethoden de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit kan schaden (zie de zaak Henk R.). Een voldoende normering is niet alleen een noodzakelijke voorwaarde voor de bescherming van de rechten van burgers, maar ook voor een effectieve opsporing. In hoofdstuk 10 geeft de commissie haar oordeel over welke observatiemethoden nader genormeerd moeten worden en welke observatiemethoden zij onwenselijk acht.

Observatie is een noodzakelijke methode bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. De commissie is van oordeel dat politie en justitie voldoende mogelijkheden moeten hebben om met behulp van observatiemiddelen gegevens te verzamelen. De commissie is echter tevens van oordeel dat de observatiemethoden zowel inhoudelijk als procedureel goed genormeerd moeten worden.

HOOFDSTUK 5 INFORMANTEN

5.1 Omschrijving

Zolang er politie bestaat wordt er gewerkt met informanten, personen die op basis van vertrouwelijkheid informatie aan de politie verstrekken. Zij zijn de belangrijkste bron van informatie voor de criminele inlichtingendiensten (CID-en).1

De heerPaulissen:... Ik bedoel, informantenwerk is in mijn ogen één van de belangrijkste manieren om boeven te vangen.

Devoorzitter: Is het de belangrijkste opsporingsmethode die wij hebben?

De heerPaulissen: Ik zet die bovenaan mijn lijstje. Als ik kijk naar de mogelijkheden om uiteindelijk informatie te krijgen, zet ik het werken met informanten bovenaan het lijstje.

Op basis van informatie van informanten wordt menig opsporingsonderzoek gestart. Het runnen van informanten is de kerntaak van de CID in Nederland. Kenmerkend is het vertrouwelijke karakter: niemand dient te weten wie de informant is. Een informant verstrekt inlichtingen aan de CID over criminele activiteiten. In de huidige praktijk zijn informanten vaak personen met een criminele achtergrond, maar ook niet-criminele burgers en politiefunctionarissen treden op als informant. Een informant kan tegen beloning, maar ook zonder beloning informatie verstrekken.

Devoorzitter: Hoe heet een informant in het milieu?

De heerMosterd: Verklikker, verraaier, matennaaier. Dat zijn de kreten die gebruikt worden.

Devoorzitter: Het woord «informant» is daar niet ingeburgerd?

De heerMosterd: Nee, dat is duidelijk de wat neutralere benaming die wij met elkaar verzonnen hebben.2

Het onderscheid tussen informanten, gestuurde informanten en infiltranten is vaak onduidelijk. Verschillende termen worden gehanteerd voor dezelfde informatiegevers. Moet een informant die uitdrukkelijk gevraagd wordt een bepaald café te bezoeken, al aangemerkt worden als infiltrant? Nog subtieler ligt het als de informant niet uitdrukkelijk gevraagd wordt naar een bepaald café te gaan, maar als hij als het ware zelf, in een suggestief gesprek, op die gedachte komt. De commissie komt tot het volgende onderscheid tussen de informant, de gestuurde informant en de infiltrant.

Een informant verstrekt zonder daarvoor speciale activiteiten te hebben ontplooid criminele informatie. Een gestuurde informant wordt daarenboven gevraagd om onder regie van de politie bepaalde activiteiten te ontplooien met uitzondering van strafbare feiten. Wordt een informant door de politie of justitie gevraagd onder regie strafbare feiten te plegen of de criminele organisatie steun te bieden, dan spreekt de commissie van een burgerinfiltrant. De grens tussen informanten en burgerinfiltranten ligt dus bij de regie van politie en justitie.

In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de informanten. In het volgende hoofdstuk worden naast de politiële infiltranten de burgerinfiltranten besproken. De commissie is zich ervan bewust dat met deze definiëring de schimmige scheiding tussen informanten, gestuurde informanten en infiltranten slechts gedeeltelijk is opgelost. De commissie meent echter wel dat op deze wijze een onderscheid mogelijk is.

5.2 Juridische basis en omvang

Een eigen, afzonderlijke wettelijke basis voor het runnen van informanten ontbreekt. Het gebruik van informanten is echter een cruciaal onderdeel van het strafrechtelijk onderzoek geworden. Politie, staande en zittende magistratuur hebben dat volledig aanvaard.

Voor het runnen van informanten bestaan weinig regels. Het ontbreken hiervan wordt door menigeen als problematisch ervaren. De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) biedt enige basis, maar geeft weinig sturing aan activiteiten van de CID. In de CID-regeling (1995) wordt noch gesproken over informanten, noch over het runnen hiervan.

In Nederland staan enige duizenden informanten ingeschreven bij de verschillende politieregio's. Bij de landelijke CID, cumulatief tot eind mei 1995 staan 2.936 informanten in het Informanten Coderings Systeem geregistreerd, afkomstig van 17 CID-en. Medio december 1995 is dit aantal inmiddels aanzienlijk gegroeid tot 5.259 informanten. Dit keer hebben alle 25 RCID-en, de Koninklijke Marechaussee, de Divisie mobiliteit van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) (in verband met het gedetineerdenvervoer) en een aantal bijzondere opsporingsdiensten, waaronder de FIOD, informanten aangemeld. Het overgrote deel van deze informanten beschikt over informatie over de handel in verdovende middelen. Van al die duizenden informanten wordt slechts een klein deel, een paar honderd, gerund. Slechts dit kleine aantal informanten heeft frequent contact met de runners. De andere informanten geven incidenteel informatie.

Het aantal informanten varieert sterk per CID. Zo staan bij de CID Twente volgens een zegsman aldaar 64 informanten ingeschreven, waarvan er 29 daadwerkelijk worden gerund. Amsterdam/Amstelland heeft 330 structureel gerunde informanten. Daarnaast is er een lijst van incidentele tipgevers van enkele honderden per jaar. De meeste kernteams concentreren zich op enkele informanten die hoogwaardige informatie kunnen geven over criminele organisaties. Zo heeft het kernteam Randstad Noord en Midden slechts enkele informanten.

5.3 Bevindingen

5.3.1 Werving en registratie

Informanten worden vaak geworven als zij als verdachten met de politie in aanraking zijn geweest. In andere gevallen melden zij zich spontaan aan. Ook zijn er informanten die benaderd worden door de CID. Het komt voor dat er ook buitenlandse informanten worden gerund. Deze worden meestal geworven door Nederlandse liaison officers in het buitenland en indien zij interessant zijn Nederlandse zaken worden zij bij een RCID geïntroduceerd .

Van elke informant wordt bij de CID een informantendossier aangelegd. De inhoud van deze informantendossiers varieert sterk. Soms bevatten ze uitgebreide informatie over de informant zoals de achtergronden, activiteiten, verschafte inlichtingen en betalingen, soms slechts enkele kerngegevens zoals naam, adres en telefoonnummer. Er zijn geen richtlijnen die bepalen welke informatie over informanten moet worden opgeslagen.

Niet iedereen die informatie aan de CID geeft wordt geregistreerd als informant. Bij de beslissing of iemand al dan niet als informant wordt ingeschreven is cruciaal het antwoord op de vraag of de identiteit van de informant beschermd moet worden. Als dat het geval is, volgt inschrijving als informant, ook als het een incidentele tipgever betreft.

Het is onduidelijk wie de bevoegdheid heeft om te beslissen of iemand als informant wordt ingeschreven. Feitelijk is de CID-chef degene die informanten inschrijft, op voorspraak van de CID-rechercheurs. Schoning van de informantendossiers vindt in de praktijk weinig plaats. Hierover is ook geen regeling getroffen.

Ingeschreven informanten zijn bijna altijd afkomstig uit het criminele milieu. De veronderstelling is dat criminelen over betere informatie omtrent strafbare feiten beschikken dan anderen. Informanten die onbetrouwbaar zijn gebleken voor de politie, worden op een zwarte lijst geplaatst die door de CRI wordt bijgehouden.

De heerPaulissen: Toen ik in 1987 in dat wereldje terecht kwam, was 90% van de informanten crimineel. Zij pleegden nauwelijks strafbare feiten en hadden niet ergens echt actief in deel. Toch wisten zij redelijk veel van datgene wat zich afspeelde. Je ziet in die jaren een verandering. Er ontstaat zoiets van, omdat men natuurlijk ook weet dat er met informanten wordt gewerkt: als je iets wilt weten, doe je dus mee. Dat betekent bijna per definitie dat de informanten vervolgens in een rol kwamen waarin zij actief in bepaalde constructies of actief in bepaalde handelingen, ook strafbare handelingen, betrokken werden. Dus dan ga je een informant een zaak in sturen. Je maakt goede afspraken. Hoe zwaarder zijn zaak, hoe meer vertrouwen je moet hebben in de informant.

Devoorzitter: Dus hoe meer strafbare feiten hij pleegt, hoe meer vertrouwen je in hem moet hebben?

De heerPaulissen: Absoluut. Stel dat een informant een wat actievere rol gaat spelen binnen zo'n organisatie. Dat doet ik niet met een informant die ik niet ken, die ik nooit heb kunnen controleren. Informanten zijn in mijn ogen nooit 100% stuurbaar. Het is een illusie om mensen voor te schilderen: luister, dit is het scenario en dit gebeurt er. Wat je moet doen, is duidelijke afspraken met die man maken: dit zijn de kaders waarbinnen jij opereert met dekking van politie en justitie, als jij daarbuiten gaat, zijn de problemen en de effecten daarvan ook voor jezelf, als wij je buiten die kaders op een strafbaar feit betrappen waarover wij vooraf met jou geen afspraken hebben gemaakt, dan ga je daarmee gewoon het strafrechtelijke circuit in. Dus je probeert de stuurbaarheid wel te vergroten, maar op 100% moet je nooit rekenen. Je moet altijd wantrouwend blijven ten opzichte van hetgeen zo'n informant voor je doet. Dat is het spel. En die onzekerheid moet je meenemen.1

In enkele gevallen staan ook niet-criminele burgers als informant ingeschreven: omwonenden, familieleden en vriendinnen van criminelen, bewakingspersoneel, journalisten, advocaten, accountants, garagehouders, autoverhuurders. Het streven om informanten uit de «bovenwereld» te werven staat echter nog in de kinderschoenen.

Devoorzitter: U heeft ons eerder verteld dat u heeft overwogen om journalisten als informant te gaan gebruiken.

De heerPaulissen: Ja.

Devoorzitter: Zijn zij uiteindelijk ook ingeschreven?

De heerPaulissen: Neen, zij zijn uiteindelijk niet ingeschreven, omdat onze korpsbeheerder vond dat wij hierin toch een beetje te ver gingen.2

Bij enkele RCID-en is geconstateerd dat politiemensen uit andere regio's als informant waren ingeschreven. Dat had tot doel de bron af te schermen. Met het inschrijven van politiemensen als informant wordt voorkomen dat zij in het openbaar getuigenis moeten afleggen. Het bergt echter het risico in zich dat informatie op deze wijze opgewaardeerd kan worden. Inmiddels zou het nauwelijks meer voorkomen dat politiemensen ingeschreven worden als informant.

Devoorzitter: Hebt u politiemensen als informant ingeschreven?

De heerMosterd: Niet meer. Dat «niet meer» geldt vanaf het moment dat ik er kwam. Daarvoor was er al het een en ander gepasseerd. Toen was het allemaal net geschoond. Voor die tijd stonden er PS'ers...

Devoorzitter: Pseudo-kopers.

De heerMosterd: ...of mensen van het arrestatieteam als informant ingeschreven.

Devoorzitter: Tot wanneer is dat gebeurd?

De heerMosterd: Dat was voor mijn tijd. Ik heb bij wijze van spreken de laatste zelf eruit gehaald. Ik ben wat dat betreft met een schone lei begonnen.1

Devoorzitter: Noemt u eens een voorbeeld van wat u bij de hand hebt gehad, op zo'n manier dat het geen schade kan doen.

De heerVan Steeg: Nu, een informant die gezien heeft dat er in een bepaald pand vuurwapens liggen; wij weten alleen maar dat die informant het gezien heeft. De informant weet het en de verdachte weet het, die twee, en daarbij komt dat de informant in Utrecht of in de omgeving van de verdachte woont. Op het moment dat de informant deze informatie ter beschikking stelt aan Utrecht en de informatie in de openbaarheid komt, zal het heel gauw duidelijk zijn voor de betrokken verdachte dat deze informatie van die informant af komt. Bij het toepassen van deze constructie zoek je naar mogelijkheden en vraag je je af: waar heeft de verdachte bijvoorbeeld nog meer contacten? Als dan blijkt dat hij veelvuldig in Amsterdam komt, zou je gebruik kunnen maken van die wetenschap en zeggen: we gaan wat zand in de ogen van de verdachte strooien en wij gaan de U-bochtconstructie toepassen.

Devoorzitter: Heeft u het ook wel eens zo gedaan, dat u het uit meerdere steden liet terugkomen?

De heerVan Steeg: Nee.

Devoorzitter: Ik vraag dit, omdat er ook een voorbeeld is waarbij de CID-informatie vanuit één bron, uit verschillende korpsen bleek terug te komen. Want dat kan natuurlijk niemand controleren: u kunt het aan Amsterdam vragen, u kunt het aan Rotterdam vragen en als zij het allebei doen, heb je twee bronnen.

De heerVan Steeg: Ja, wie gaat er dan met zijn vingers omhoog staan? Ik niet, in ieder geval.

De heerVos: Ik zou nog iets over de U-bocht willen vragen: vindt er dan geen opwaardering van de informatie plaats? Ik heb begrepen dat de U-bocht ook wel eens gebruikt wordt om informatie als het ware een zwaarder kaliber te geven.

De heerVan Steeg: Ik doe dat niet. Wij doen dat, zo durf ik te zeggen, in Utrecht zeker niet. Gebruikelijk is dat wij in Utrecht de informatie opmaken en dat deze de (waarderings)codering meekrijgt die wij in kunnen vullen. Die kunnen wij ook alleen maar invullen, want wij hebben contact met de informant. Die krijgt die en die waardering en wij geven dat door aan het andere korps, aan de andere regio. De andere regio neemt die waardering over – ik vind in ieder geval dat dit zo moet; dat spreken wij ook af – en deze waardering komt uiteindelijk bij de tactische recherche terecht.

Devoorzitter: Heeft u er kennis van dat er wel eens opwaardering heeft plaatsgevonden?

De heerVan Steeg: Nee.

Devoorzitter: Dit, omdat wij daar ook van gehoord hebben.

De heerVan Steeg: Ja, u heeft mij dit bij een vorige gelegenheid ook gevraagd: opwaardering via het CRI of zo, of via het buitenland. Nu, dat is voor mij echt waanzin.2

Het is de bedoeling dat alle informanten worden aangemeld bij de landelijke CID. Tot voor kort meldde een groot aantal CID-en informanten niet aan. Inmiddels hebben alle CID-en hun informanten gemeld. Melding vond niet altijd plaats omdat CID-en met het oog op de vertrouwelijkheid en de kwetsbaarheid de kring van personen die bekend zijn met de informant zo beperkt mogelijk willen houden.

5.3.2 Anonimiteit en bescherming

De CID houdt ten koste van nagenoeg alles de identiteit van de informant geheim. De CID doet een informant dan ook de toezegging van anonimiteit. Dit uitgangspunt beheerst al het handelen van de CID-rechercheurs. Ook als dat betekent dat een bepaald opsporingsonderzoek zal mislukken; de identiteit blijft geheim. Een voorbeeld daarvan is de behandeling van de Ramola-zaak bij de rechtbank Rotterdam.

Bij de politie bestaat de vrees dat zij in de toekomst geen informatie meer krijgt als zij de identiteit van informanten bekend maakt.

In augustus 1995 werden de namen van drie informanten die een rol hadden gespeeld in de zogenaamde ABN-AMRO-zaak bekend. De advocaat van de verdachte bleek over zeer vertrouwelijke stukken te beschikken waaruit duidelijk werd dat deze informanten voor de Haarlemse CID werkzaam waren. Tevens had de advocaat de beschikking over een proces-verbaal waarin Haarlemse CID-rechercheurs bevestigen dat het drietal als informant ingeschreven was.

Als bekend raakt wie aan de politie de informatie over de criminele organisatie heeft verschaft, loopt de betrokken informant grote risico's wat betreft zijn veiligheid.

De commissie heeft niet daadwerkelijk kunnen vaststellen dat er personen zijn geliquideerd vanwege hun optreden als informant, al valt dit in een aantal gevallen niet uit te sluiten.

Slechts zelden worden informanten als getuige op de zitting gehoord. Incidenteel worden informanten gehoord als anonieme getuige. Echter deze procedure wordt door veel politiefunctionarissen over het algemeen nog niet als voldoende beschouwd. De zaaksofficier in de Ramola-zaak zegt hierover:

Devoorzitter: Maar het probleem is toch dat u een groot risico hebt gelopen, blijkbaar, door met een informant te werken die u om begrijpelijke redenen uiteindelijk niet als getuige wilt laten optreden. Daar zit toch de kern van het probleem, dat wij hier in verschillende dimensies al vaak gezien hebben?

De heerDe Groot: Dat risico hebben wij gelopen, ja. (...) Devoorzitter: Had u het niet kunnen voorkomen door toch nog te proberen, in de vorm van anonieme getuigen etc., dat het niet hierop zou uitlopen, te weten dat uw zaak stuk gaat?

De heerDe Groot: Daar hebben wij van tevoren over gedacht en uiteindelijk de beslissing genomen om dat niet te doen – het is nu makkelijk achteraf praten – omdat er op dat moment niet voldoende concrete aanwijzingen waren dat wie dan ook uit die Ramola-groepering zich bedreigend ten opzichte van de informant had uitgelaten. En als je iemand als anonieme getuige bij de rechter-commissaris wilt laten horen, dan zal de rechter-commissaris en in het verlengde daarvan, bij een mogelijk hoger beroep, de raadkamer van de rechtbank, zich ervan moeten vergewissen dat er feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven om tot de conclusie te komen, dat betrokkene inderdaad op enigerlei wijze wordt bedreigd.1

In ruil voor een getuigenis kunnen politie en justitie eventueel bescherming aanbieden. In Nederland bestaat formeel geen getuigenbeschermingsprogramma. Desondanks zijn enkele malen getuigen voor langere tijd beschermd door politie en justitie en een enkeling heeft een andere identiteit gekregen. Het ontbreken van een regeling voor getuigenbescherming weerhield politie en justitie niet van deze beslissingen. Het ging hierbij om getuigen die in levensgevaar verkeerden omdat zij belastende verklaringen ten overstaan van de politie hadden afgelegd.

5.3.3 Runnen van informanten

Het runnen van een informant vindt plaats door een koppel van CID-rechercheurs, de «runners». In het verleden runde ook de tactische recherche informanten. Tegenwoordig is dat uitzondering. De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) geeft enkele algemene regels voor de relatie tussen runner en informant. In juni 1995 is door de Werkgroep ethische aspecten van CID-werkzaamheden onder leiding van officier van justitie Veurink een rapport geschreven dat moest voorzien in het gemis van algemeen aanvaardbare regels voor de wijze waarop de CID informatie vergaart en in de daarmee samenhangende behoefte in de praktijk aan een toetsingskader waarbinnen een antwoord kan worden gevonden op ethische vragen die zich in de praktijk van het CID werk voordoen.2 Deze werkgroep heeft een enquête gehouden onder CID-medewerkers. Uit de enquête-resultaten trok de Werkgroep ethische aspecten van CID-werkzaamheden de conclusie dat eenduidigheid van opvatting over ethische normen in het CID werk ontbreekt.

De belangrijkste enquêteresultaten:

* Een selectie van de handelingen waarover men het vrijwel eens is dat zij acceptabel zijn:

– Informatie via een andere CID exploitabel maken om zodoende een informant af te schermen (U-bochtconstructie), toegestaan 92%.

– Informatie uit een telefoon tap (in het kader van een GVO) gebruiken om actief informanten te winnen (bijvoorbeeld informatie over een verstoorde relatie), toegestaan 86%.

* Een selectie van handelingen waarvan vrijwel iedereen vindt dat ze onacceptabel zijn:

– Een informant pleegt zonder overleg met het OM strafbare feiten ten behoeve van de informatie inwinning (bijvoorbeeld noodzakelijk voor zijn geloofwaardigheid), toegestaan 3%.

– Aan een collega tipgeld verstrekken, toegestaan 5%.

– In voorkomende gevallen bij een informant erop aandringen bij een relatie te blijven (bijvoorbeeld de concubine van iemand die kennis draagt van zeer zware delicten), toegestaan 16%.

– Tegen de te werven informant zeggen: «zolang we door jouw informatie met anderen bezig zijn, hebben we geen tijd om aandacht aan jou te besteden», toegestaan 14%.

– Een informant een verkregen monster verdovende middelen laten behouden, toegestaan 13%.

– De naam van een verdachte verstrekken aan een medewerker van een expertise-bureau, toegestaan 15%.

* Een selectie van de handelingen waarover men meer van mening verschilde:

– Een informant blijft ongestraft terwijl hij u confronteert met een helingsituatie, toegestaan: 44%.

– Een informant blijft ongestraft terwijl hij u ongevraagd confronteert met het bezit van een vuurwapen, toegestaan 45%.

– Het achterhouden van het schuiladres van een informant waarvan de opsporing, de aanhouding en de voorgeleiding is gevraagd in verband met een kleine zaak in een andere regio, toegestaan 73%.

– Het verstrekken van informatie aan een medewerker van een expertisebureau waarmee regelmatig wordt samengewerkt: een tenaamstelling van een kenteken, 31% acceptabel; verstrekken van de naam van een verdachte, 15% acceptabel; de antecedenten van een verdachte verstrekken, 9% acceptabel.

– Het afdekken van vergaande inlichtingenmethoden, 61% acceptabel.

– Het afdekken van illegale opsporingsmethoden, 11% acceptabel.

Vervolgens is door de werkgroep getracht richtlijnen te formuleren voor de contacten tussen runners en informanten. De belangrijkste regel bij het runnen van informanten is dat de politie er te allen tijde voor moet zorgen het initiatief te houden. De politie moet de informant sturen en niet andersom. In een ethische code, opgesteld door de Werkgroep ethiek worden 41 stellingen geponeerd, waarvan een aantal hieronder wordt weergegeven:

1. Onder alle omstandigheden worden informanten door twee CID-rechercheurs gerund.

2 Met informanten worden geen privé-contacten onderhouden.

3 Informanten worden niet uitgelokt tot het plegen van strafbare handelingen.

4 Tussen runners en informant wordt geen «ruilhandel» bedreven.

5 Informantenrunners (en andere politiefunctionarissen) nemen geen enkel geschenk aan.

6 Tussen informantenrunners en informant bestaat een relatie, waarbij door eerstgenoemden steeds de nodige afstand wordt bewaard.

7 De politie voert de regie over het optreden van de informant.

8 Bij het regisseren van de informant staan controleerbaarheid en beheersbaarheid voorop.

9 Op basis van het aangaan van een contract met de informant wordt uitgegaan van diens «zakelijke» betrouwbaarheid. Met de informant dienen zakelijke afspraken te worden gemaakt die, liefst tweezijdig, maar in ieder geval door de politie, moeten worden vastgelegd.

10 Binnen een CID wordt alle informatie en worden alle (ambts)handelingen schriftelijk vastgelegd. Datzelfde geldt voor gemaakte werkafspraken.

11 De directe chef van informanten-runners is tevens hun «controller». Dit houdt ondermeer in een directe controle op het werk (het invulling geven aan het recht op controle van de runners), het begeleiden van het werk en het beschermen van en bieden van veiligheid aan de runners. Begrippen als «steun» en «betrokkenheid» staan hierbij centraal.

12 De directe chef van informanten-runners runt zelf geen informanten.

13 De directe chef van informanten-runners let op het «richtig» aanwerven van informanten.

Per regio gelden verschillende afspraken tussen runners en informanten. Deze afspraken worden niet steeds vastgelegd. In een dagjournaal moeten de runners alle activiteiten met de informanten beschrijven. In de praktijk bestaat er veel variatie in wat in de journaals wordt weergegeven. In enkele regio's wordt geëxperimenteerd met convenanten of contracten tussen runner en informant. In deze convenanten wordt aangegeven welke activiteiten de informant wel en niet mag verrichten en welke beloning hij bij succes tegemoet kan zien. Het volgende citaat betreft een convenant met een informant die wellicht burgerinfiltrant wordt:

De heerRabbae: Begrijp ik het goed dat u een convenant sluit met een informant?

De heerMosterd: De laatste tijd proberen wij, zeker als het gaat om trajecten waarin de informant een infiltrant aan het worden is, afspraken op papier te zetten. Dat hebben wij inmiddels één keer heel expliciet gedaan. Aan die afspraken dient in dat geval de infiltrant zich precies te houden. Die worden uiteraard in samenspraak met de CID-officier opgesteld en door de infiltrant ondertekend en die houden wij dan onder ons. Waarom doen wij dat? Wij worden er de laatste tijd mee geconfronteerd dat een infiltrant de opdracht, bewust natuurlijk, ruimer interpreteert dan wij die in werkelijkheid gegeven hebben. Als hij ergens voor wordt gepakt, zegt hij dan: wacht even, dat deed ik in opdracht van de CID Hollands-midden. Daarom is het goed, de afspraken zo goed mogelijk te concretiseren.

De heerDe Graaf: Hoeveel convenanten, respectievelijk infiltranten hebt u?

De heerMosterd: Wij hebben drie trajecten van burgerinfiltratie gehad. Die zijn door allerlei omstandigheden allemaal afgelopen. Ik haal even mijn papieren erbij, want ik heb het nog opgezocht. Wij hebben ook nog diverse besprekingen gehad over mogelijke infiltratieacties, maar die gingen over het algemeen niet door, niet zozeer omdat er juridische problemen mee waren, maar veel meer omdat wij niet konden garanderen dat de infiltrant later, als de zaak zou klappen, buiten schot zou blijven. Dan werd er gewoon geen uitvoering gegeven aan het bedachte traject.1

Soms worden informanten bij de RCID «meegerund» door buitengewone opsporingsambtenaren, zoals een douane- of milieurechercheur, omdat een bepaalde expertise nodig is. Niet altijd is duidelijk welke dienst dan de verantwoordelijkheid draagt.

5.3.4 Activiteiten informanten

Informanten leveren criminele informatie. Informanten moeten derhalve in de positie zijn om informatie te verkrijgen over (toekomstige) strafbare feiten en het functioneren van criminele organisaties. Zij participeren derhalve vaak in activiteiten van criminele organisaties, ook in die van strafbare aard. De commissie stuitte op een aantal van zulke gevallen. Benadrukt moet worden dat het hierbij niet gaat om criminele activiteiten zoals afgesproken met politie en justitie, maar om hand- en spandiensten voor de criminele organisatie op eigen titel.

Zo verzorgen informanten vervoersdocumenten voor de legale vracht waarin verdovende middelen worden verstopt. Ook vervoeren ze verdovende middelen of stellen voertuigen ter beschikking. Tevens worden grondstoffen en onderdelen geleverd voor de vervaardiging van verdovende middelen en bieden informanten leden van criminele organisaties onderdak aan of verzorgen voor hen verblijfsdocumenten. De commissie heeft een CID-traject aangetroffen waarbij sprake was van een nieuwe vorm van informatievergaring door een informant.

Via de CRI-liaison te Bogota is een Colombiaan in zicht gekomen. Hij heeft via zijn bedrijf legale contacten met het Calikartel. Nu biedt hij zijn diensten aan. Er blijkt echter van de kant van de politie niet veel belangstelling te zijn voor weer een informant die informatie heeft over de invoer van concrete partijen drugs of over de Colombiaanse kartels. De RCID lijkt het wel nuttig dat hij inzicht verschaft in de in Nederland werkzame Colombiaanse criminele organisaties. Hij zou een soort scan kunnen maken van de Colombiaanse organisaties die zich met de handel in verdovende middelen bezig houden. De Centrale toetsingscommissie (CTC) is van oordeel dat er eerst een kennismakingsgesprek plaats moet vinden, bij voorkeur buiten Nederland, teneinde de betrouwbaarheid te toetsen. Hierna kan de scan beginnen. Dit is gebeurd en de «scanner» wordt goed bevonden. Hij is ongeveer twee maanden actief geweest in Nederland, waarna de CID besluit dat zij niet veel verder komen en dat hij terug kan.

Geregeld laat de CID door observatie vaststellen in hoeverre een informant daadwerkelijk doet wat hij zegt te doen. Deze observatie vindt veelal plaats door een observatieteam (OT). Deze controle wordt noodzakelijk geacht. Veel CID-rechercheurs gaan ervan uit dat informanten per definitie onbetrouwbaar zijn. Dat neemt niet weg dat zij juiste informatie kunnen leveren.

Veel verzamelde CID-informatie wordt in het geheel niet gebruikt.

5.3.5 Strafbare feiten

Informanten mogen geen strafbare feiten plegen. Deze standaardformule wordt aan elke informant uitdrukkelijk meegedeeld. De CID is er echter bij gebaat dat informanten op enigerlei wijze weet hebben van het plegen van strafbare feiten aangezien de informant dan over de meeste informatie beschikt. De informantenrunners willen dan ook het liefst niet op de hoogte zijn van de strafbare feiten van informanten. De individuele informantenrunner bepaalt of de strafbare feiten die een informant pleegt, worden doorgegeven.

De commissie heeft geconstateerd dat informanten veelvuldig participeren in het plegen van lichte strafbare feiten rond criminele organisaties. Zij waren veelvuldig toeschouwer bij het plegen van zwaardere strafbare feiten. Enkele malen is geconstateerd dat informanten strafbare feiten plegen met medeweten van de CID.

De reactie van de politie op het plegen van strafbare feiten door informanten loopt in de praktijk nogal uiteen. Die reactie varieert van het negeren, het in beslag nemen van een verboden voorwerp al dan niet in combinatie met het opmaken van een proces-verbaal ter zake van het strafbare feit en het opmaken van proces-verbaal al dan niet gecombineerd met het verbreken van de relatie met de informant. De reactie is vaak afhankelijk van de afweging van de individuele runners.

5.3.6 Informatie en bewijs

De informatie van informanten wordt over het algemeen niet rechtstreeks gebruikt voor het bewijs. De verstrekte inlichtingen worden veelal als basis voor de aanvang van een opsporingsonderzoek gebruikt. Dat opsporingsonderzoek moet vervolgens het bewijs leveren waarover de rechter ter terechtzitting moet oordelen. Het is echter niet uitgesloten dat CID-informatie gebruikt wordt als (ondersteunend) bewijs. De rechter is vrij in de selectie en waardering van bewijsmiddelen. CID-informatie kan bijdragen aan de veroordeling van een verdachte.

De heerVos: Mevrouw Rutten, is het mogelijk dat u een verdachte veroordeelt op uitsluitend CID-informatie en welke rol, meer in het algemeen, speelt CID-informatie als bewijsmiddel?

MevrouwRutten-Roos: Die vraag is in haar algemeenheid niet te beantwoorden. CID-informatie kan een rol spelen bij het bewijs.

De heerVos: Op welke manier?

MevrouwRutten-Roos: Als bewijsmiddel. Maar niet als enig bewijsmiddel. Ik zie u al verschrikt kijken. Maar ook CID-informatie op zichzelf kan worden gehanteerd...

Devoorzitter: ...als een van de bewijsmiddelen...

MevrouwRutten-Roos: ...als een van de bewijsmiddelen.

(...)

Devoorzitter: Ik herinner mij uit mijn eigen studie, dat er tenminste twee bewijsmiddelen moeten zijn.

MevrouwRutten-Roos: Ja. Ja, zeker als... u schrikt net bij de gedachte, dat iemand uitsluitend op één CID-bericht veroordeeld kan worden...

Devoorzitter: Maar kan het wel op CID-plus, dat wil zeggen op CID als belangrijkste bewijsmiddel plus nog een extra verklaring?

MevrouwRutten-Roos: Ik vind het moeilijk om dat in het algemeen te zeggen. Iedere zaak is op zichzelf. Het gaat natuurlijk ook eigenlijk niet alleen om de wettige bewijsmiddelen maar om de overtuiging. Dat is de combinatie van de twee factoren die een rol spelen.1

Desondanks heeft de commissie weinig tot geen voorbeelden gezien van rechtszaken waarbij CID-informatie van informanten een doorslaggevende rol speelde in de bewijsvoering. In de huidige praktijk wordt CID-informatie ten behoeve van de bewijsvoering gegoten in de vorm van een proces-verbaal van de chef CID, die in algemene termen meedeelt welke feiten en omstandigheden bekend zijn. Dat zegt niets over de vraag hoe informanten hebben geopereerd en hoe de inlichtingen van informanten zijn verwerkt. Informatie wordt ook verwerkt in de zogenaamde 4 x 4 formulieren die ter beschikking kunnen worden gesteld van andere CID-en en, indien van belang aan de landelijke CID. In de gevallen waarin op basis van door de CID verstrekte informatie bevoegdheden zijn uitgeoefend, zal de informatie in samenvatting door middel van een proces-verbaal van de CID-chef aan de rechter ter kennis worden gebracht. In het proces-verbaal staat slechts de inhoud van de 4x4-formulieren vermeld zonder enige aanduiding van de bron, wat onder omstandigheden zelfs leidt tot achterwege laten van plaats en tijdstip van de gebeurtenis, waar de informatie betrekking op heeft. De wijze van inwinning of de toegepaste opsporingsmethode is daarin niet opgenomen. De achterliggende 4x4-tjes worden niet aan het proces-verbaal gehecht en komen niet op tafel bij de rechter. In de praktijk nam de rechter genoegen met dit proces-verbaal of volstond hij ermee de chef CID als getuige te horen. De tijd dat het proces-verbaal, waarmee het opsporingsonderzoek aanving met de mededeling dat «uit CID-informatie was gebleken», en dat de rechter daar genoegen mee nam lijkt voorbij. De rechter stelt vaker een onderzoek in naar de wijze van informatie-inwinning.

5.3.7 Beloningen

Informanten kunnen op verschillende wijze beloond worden voor hun informatie. Financiële beloningen vormen een van de mogelijkheden. In bepaalde gevallen zijn andere vormen van belonen mogelijk, zoals het niet vervolgen voor het plegen van bepaalde strafbare feiten.

De Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden (1985) geeft een procedure voor het aanvragen van beloningen (tipgelden) voor informanten. Op voordracht van de CID en de CID-officier van justitie van de regio waar de informant actief is, kan het ministerie van Justitie een beloning uitloven. Deze beloning kan oplopen tot vele tienduizenden guldens en in incidentele gevallen zelfs honderdduizenden guldens.

Uitbetaalde tipgelden 1995–1990

 199519941993199219911990
Totaal1 822 3001 576 1001 742 1501 139 300773 750985 100
Hoogste bedrag275 00075 000275 00050 00050 000110 000
Laagste bedrag500500500500500500
Gemiddelde bedrag4 6974 4275 7504 9754 4216 841
Aantal zaken388356303229175144

Zoals blijkt uit de tabel is in 1995 in totaal bijna twee miljoen gulden aan tipgeld betaald door het ministerie van Justitie. In de loop van de afgelopen vijf jaren is een gestage stijging te zien in zowel dit totaalbedrag als in het aantal zaken die hiervoor in aanmerking kwamen. Het gemiddeld bedrag per zaak is redelijk constant gebleven. Over het algemeen wordt het meeste tipgeld betaald voor verdovende middelenzaken. Over tipgelden is tijdens de openbare verhoren onder meer het volgende opgemerkt:

De heerDe Graaf: Is het geld dat beschikbaar wordt gesteld voor uitkeringen in het kader van de tip-, toon- en voorkoopgeldenregeling onderdeel van de post geheime uitgaven?

De heerWooldrik: Dat klopt. Ik heb hier de rijksbegroting voor 1996 en daar staat die in.

De heerWooldrik: Voor 1996 is een post van 2 mln. aan uw Kamer voorgesteld. De post was tot voor kort 1,5 mln.1

De heerZwanenburg: In de praktijk wordt het maximum van een tipgeld vastgesteld door het departement. Als de officier van mening is dat een lager bedrag noodzakelijk is, stelt hij een minimum vast.

De heerDe Graaf: Zo gaat het in de praktijk toch niet? De officier dient toch een aanvraag in en vermeldt dan het bedrag van de uitkering aan een informant?

De heerZwanenburg: Ja, maar in het vooroverleg, waarin er alleen nog sprake is van de informatie die de informant mogelijk zal leveren, wordt een indicatie gegeven van het bedrag van het tipgeld. Soms blijkt achteraf dat de informatie veel minder is dan de informant heeft toegezegd. Dan wordt het bedrag bijgesteld en dat kan mede door de betrokken officier worden gedaan (...).

De heerZwanenburg: Het zijn incidenten, dus dat er echt verschil van mening is over de hoogte van het tipgeld.2

De uitkering van beloningen is gebonden aan enkele voorwaarden. De belangrijkste voorwaarde is dat de verstrekte inlichtingen leiden tot aanhouding van de daders, of althans de vaststelling van hun identiteit. Deze «no cure, no pay» regel kent enkele uitzonderingen. Indien een officier van justitie meent dat een informant ondanks het niet voldoen aan deze voorwaarde toch voor de opsporing waardevolle inlichtingen heeft verzameld, kan de officier van justitie voorstellen aan de informant een beloning toe te kennen.

De hoogte van de tipgelden wordt berekend aan de hand van een aantal wegingsfactoren, waarbij de belangrijkste factoren zijn het risico van de informant, de moeite die de informant zich heeft moeten getroosten, de schade die wordt aangebracht aan de criminele organisatie door aanhouding van verdachten, het kaliber of de organisatiegraad van de verdachten en het maatschappelijk belang van de zaak. Het aantal in beslag genomen kilo's drugs speelt bij de bepaling van de hoogte van de beloning volgens het ministerie van Justitie geen rol. In de CID-praktijk blijkt de gewoonteregel: f 1 000,– per kilo harddrugs en f 1,– per kilo per softdrugs, een hardnekkig bestaan te leiden. De betrokken ambtenaar op het ministerie van Justitie maakt mede aan de hand van het advies van de CRI een inschatting van de waarde van de aanvraag en de hoogte van de beloning. De beleidsvrijheid met betrekking tot de toekenning en de hoogte van de beloning is groot.

De heerDe Graaf: Maar als niet wordt neergelegd hoe zwaar die wegingsfactoren uiteindelijk zijn, dan kan toch licht de indruk ontstaan dat betrekkelijk incidenteel tot besluitvorming wordt overgegaan?

De heerWooldrik: Nou incidenteel, het zijn steeds dezelfde mensen die het doen. Dat is de garantie dat het zoveel mogelijk eenvormig is, naar mijn idee. Dat is ook de reden waarom het centraal is gehouden in 1985. Ik kan u wel vertellen dat de secretaris-generaal bij die keer dat het bedrag van f. 275 000 werd uitgekeerd, zich afvroeg of de begroting niet uit de hand zou lopen, of er geen andere maatregelen zouden moeten worden genomen en of het niet overgeheveld zou moeten worden naar het reguliere politiebudget. Moeten de regio's dat niet zelf gaan doen? Wij hebben toen geadviseerd om dat niet te doen maar om het in één hand te houden, juist om de verschijnselen die u nu beschrijft zoveel mogelijk te voorkomen. Wij hebben nu 26 regio's en die zouden het dan 26 keer verschillend kunnen toepassen. Wij vonden dat niet verstandig.1

Het ministerie van Justitie heeft in het verleden enkele malen zeer hoge beloningen aan informanten ter beschikking gesteld. Het gaat daarbij om bedragen van enkele honderdduizenden guldens die aan informanten zijn verstrekt. In de nasleep van de opheffing van het IRT is aan een informant 2 miljoen gulden uitgekeerd.

Uit het budget voor geheime uitgaven van een CID, ongeveer 25 à 35 duizend gulden per regio, wordt ook een soort tipgelden betaald. Dit betreft enkele honderden tot enkele duizenden guldens, wat geldt als een soort onkostenvergoeding of aanmoedigingspremie. Van deze mogelijkheid wordt zeer frequent gebruik gemaakt. Van deze post moeten ook de onkosten van de runners betaald worden.

Naast politie en justitie loven ook verzekeringsmaatschappijen, banken, PTT en andere instanties beloningen uit. Het gaat dan vooral om het opsporen van ontvreemde goederen en geld. Daarbij wordt de regel gehanteerd dat informanten 10% van de waarde van de ontvreemde goederen als tipgeld kunnen krijgen. Deze bedragen zijn in de praktijk vaak veel hoger dan de tipgelden van politie en justitie.

5.3.8 Afspraken met informanten

Naast financiële beloningen worden met informanten ook andere afspraken gemaakt. Daarvoor bestaan geen algemene regels. Voor deals met informanten in geval van zaken van leven en dood of vergelijkbaar ernstige zaken geldt de Richtlijn deals met criminelen van de procureurs-generaal van 1 juli 1983. In deze regeling wordt gemeld dat een deal mogelijk is, ook buiten het gebruikelijke strafrechtelijke beleid. Welke vorm deze deals kunnen aannemen staat niet vermeld. Volgens deze regeling moet de procureur-generaal op de hoogte worden gebracht door de hoofdofficier van justitie indien gebruik gemaakt gaat worden van deze regeling. Deze regeling wordt vaak niet toegepast indien het gaat om deals met informanten. Het is voorgekomen dat noch de hoofdofficier, noch de procureur-generaal op de hoogte werden gesteld van deals met informanten.

De commissie heeft tijdens haar onderzoek vastgesteld dat politie en justitie verschillende deals met informanten hebben gesloten. Hierbij belooft het OM onder meer niet tot actieve opsporing over te gaan, sepot, de toezegging van een lagere strafeis, een milder regime, wegzenden of strafonderbreking.

Deze deals geschiedden niet altijd na tussenkomst van een officier van justitie. Op dit terrein zijn ook contacten tussen CID-en en andere ambtenaren van het OM geweest:

De heerVan Steeg: In, ik meen, 1991, kon de CID op het openbaar ministerie nog een ambtenaar aantreffen die ons bijvoorbeeld met de opschorting van een straf van dienst kon zijn. Hiervan heb ik u verslag gedaan.

Devoorzitter: Zonder de officier te raadplegen. Hoe vaak heeft u van die mogelijkheid gebruik gemaakt?

De heerVan Steeg: Ik denk heel weinig. In een bepaalde tijd is het misschien twee keer voorgekomen.1

De commissie kwam in één geval ter ore dat politie en justitie voornemens waren om een informant, die tevens als verdachte in een zaak was aangehouden, vrij te krijgen door bewust een vormfout te plegen. Hierover waren met de informant reeds afspraken gemaakt. De verdachte had waardevolle informatie over een drugbende verstrekt. De commissie heeft gemeend de minister van Justitie van dit geval op de hoogte te moeten stellen. De minister van Justitie heeft daarop maatregelen genomen die ertoe hebben geleid dat de vormfout niet heeft plaatsgevonden. De deal moest vervolgens worden aangepast: anonimiteit kon gewaarborgd blijven maar afzien van strafvervolging zat er niet meer in.2

De heerJansen: Dat was een geval waarin het probleem zat – het is al even aan de orde geweest – van de vrijwaring van de infiltrant. Men had gezegd: natuurlijk, wij moeten jou op een bepaald ogenblik ook wel aanhouden samen met de andere verdachten, want je speelt een rol in die zaak, maar wij halen je er wel uit. Men kwam daarmee in de problemen en stuurde toen aan op het maken van een vormfout.

Devoorzitter: Een welbewuste vormfout?

De heerJansen: Ja. Wij hebben gezegd dat wij dat volstrekt onaanvaardbaar vinden.

Devoorzitter: Heeft men toen naar u geluisterd?

De heerJansen: Toen heeft men naar ons geluisterd in die zin dat men zei: wij zijn het niet met je eens. Maar dat is ook de zaak waarin het beroep op de portefeuillehouder heeft plaatsgevonden.3

Tijdens het Laundry-onderzoek in Rotterdam waren politie en justitie begonnen met het sluiten van een deal met een verdachte die was aangehouden tijdens dit onderzoek. Overeengekomen was dat de informant informatie zou leveren over de criminele organisatie en zou getuigen op de zitting en dat het OM op haar beurt dan zou afzien van verdere vervolging van deze verdachte, met uitzondering van eventuele betrokkenheid bij geweldsdelicten. Echter voordat de informant al zijn verklaringen had kunnen afleggen werd hij geliquideerd.4

Niet alleen met verdachten, maar ook met afgestraften worden deals gesloten. In de volgende casus worden deals met gedetineerden overwogen:

In het kader van het Copa-onderzoek is een voorstel gedaan aan een aantal personen, die aanzienlijke vrijheidsstraf was opgelegd, voor door hen te leveren informatie strafvermindering te verlenen. Uit het voorstel is niet zonder meer in elk geval duidelijk om hoeveel strafvermindering het gaat. Er wordt eenmaal uitdrukkelijk de periode van zes maanden genoemd. Ook wordt gesproken van strafvermindering van substantiële duur. Een andere informant wilde dat bewerkstelligd werd dat via een voortvarende toepassing van de WOTS-procedure hij zijn straf in Nederland kon ondergaan (soepeler regime). Met dit voorstel verklaarde de Centrale Toetsingscommissie zich in beginsel accoord. Belangrijk is de volgende overweging in het oordeel van de Toetsingscommissie : «De commissie heeft zich bij haar oordeel voornamelijk gebaseerd op het feit dat dat indien bedoelde verklaringen door betrokkenen zouden zijn afgelegd bij de behandeling van hun zaak ter zitting, het aannemelijk is dat dit zou hebben geleid tot een lagere eis van de officier van justitie dan wel tot een lagere strafoplegging door de rechtbank dan wel in hoger beroep door het gerechtshof.»

De heerVan der Voort: Deals met criminelen kunnen conform de richtlijnen van de PG's als een ultimum remedium worden gezien, als een laatste poging om een belangrijke zaak, een zaak van leven of dood, daarmee rond te krijgen, wat op een andere manier niet zou lukken. Wij stonden voor de volgende keuze. Er was een zaak rond te krijgen, maar daarvoor was een deal noodzakelijk. Men vond dat, alles in aanmerking genomen, een te zwakke basis om die zaak daarmee uiteindelijk voor de rechter te brengen. Toen is gezegd: dan is het ook zinloos om de deal met de crimineel te sluiten.

De heerDe Graaf: Om wat voor soort deals ging het?

De heerVan der Voort: U moet denken aan strafvermindering, strafonderbreking.

De heerDe Graaf: Criminelen die reeds zitten, kunnen strafverlichting krijgen.

De heerVan der Voort: Als u vraagt of vooraf wel eens deals met criminelen zijn of worden gesloten, in die zin dat ze daarmee strafvervolging kunnen ontlopen, dan is mijn antwoord heel duidelijk: neen.1

Ook Blok, hoofdofficier te 's-Gravenhage wordt gevraagd naar dit afgestraftentraject:

De heerKoekkoek: Maar het ligt anders ten aanzien van afgestraften?

De heerBlok: Dat traject zijn wij ingegaan, ja. Het is er overigens nooit van gekomen, maar wij hebben daar wel voorstellen over gedaan. Het voordeel was misschien ook dat de beslissing uiteindelijk bij de minister ligt of dat al dan niet doorgaat. Dat kunnen wij zelfs wettelijk niet eens.2

Heden ten dage wordt overwogen om met één van de zeven een concrete deal te sluiten.

In de volgende casus is het wel gekomen tot een deal met een informant/tipgever:

Een verdachte van een moord uit 1986 zit vast voor de uitlokking van brandstichting op het café van zijn ex-vriendin. De ex-vriendin zou kunnen verklaren over zijn betrokkenheid bij de moord in kwestie. In ruil voor haar verklaring op naam wordt haar door het plaatselijk OM bescherming beloofd. Voor deze toezegging was geen goedkeuring gevraagd van het ministerie van Justitie dat echter wel geacht werd de kosten voor dit getuigenbeschermingsprogramma te voldoen. Enigszins voor het blok gezet, stemde het ministerie in en verzorgde voor de ex-vriendin een verblijf elders in het land onder een andere identiteit. Het betreffende parket OM gaf toe dat getuigenbescherming gecompliceerder is dan men had gedacht.

De commissie heeft ook in een lopend onderzoek een deal met een criminele informant aangetroffen die sterk vergelijkbaar is met het principe van een kroongetuige.3 In ruil voor informatie over een criminele organisatie hebben een hoofdofficier van justitie, de Centrale toetsingscommissie en de minister van Justitie ingestemd met de vrijwaring van strafvervolging en het gedurende langere tijd beschermen van de getuige en zijn familie. De getuige en zijn familie wordt tevens de mogelijkheid geboden elders een nieuw leven op te bouwen. De betrokken officieren van justitie hebben toegezegd te zijner tijd de gehele deal bij proces-verbaal voor te leggen aan de rechter.1

5.3.9 Sturing en controle

De controle op de CID bij het runnen van de informanten is gering. Vanwege de bescherming van de identiteit van de informanten heeft niemand buiten de CID een volledig zicht op diens activiteiten. De tactische recherchechef heeft slechts invloed op de CID voor zover hij de CID vraagt informatie te verzamelen. Maar ook dan is het niet vanzelfsprekend dat de CID-chef de recherchechef inlicht over de wijze waarop de informatie wordt verzameld. De korpsleiding heeft nauwelijks enige bemoeienis met de inhoud van het werk van de CID. De bemoeienis van de korpsleiding beperkt zich veelal tot organisatorische beslissingen.

De onderlinge verhoudingen tussen de CID-en laten te wensen over. Mede vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie is er weinig intensieve samenwerking. Bij de overdracht van informanten doen zich nogal eens problemen voor. Regelmatig worden informanten gerund voor een andere regio.

De CID-officier van justitie heeft de mogelijkheid tot sturing en controle van de CID.2 Dat neemt niet weg dat veel CID-officieren van justitie slecht op de hoogte zijn van de activiteiten van de CID. Tot voor kort bestond er een grote afstand tussen de CID-officier van justitie en de CID. De identiteit van de informanten is in het merendeel van de gevallen niet bekend bij de CID-officieren van justitie. Slechts zelden hebben de officieren daadwerkelijk weleens de informantendossiers en/of CID-registers ingekeken. Er lijkt een verandering te komen in de houding van de CID-officieren van justitie ten opzichte van de CID. Tegenwoordig wordt een veel actievere houding aangetroffen, waarbij CID-officieren van justitie op eigen initiatief vragen stellen en informatie eisen over de activiteiten van de CID.

Een rechter-commissaris heeft tot op heden geen vastgelegde taak ten opzichte van informanten. Slechts een enkele rechter-commissaris is op de hoogte van de activiteiten en de identiteit van een informant. Hoewel de rechter-commissaris soms een beslissing moet nemen tot het inzetten van dwangmiddelen (mede) op basis van informatie van een informant zal een rechter-commissaris zelden beslissen een informant zelf te horen. Het proces-verbaal van de CID-chef wordt voldoende geacht.

5.3.10 Corruptiegevoeligheid

Verschillende opsporingsmethoden dragen risico's van corrumptief gedrag in zich. Er is een aantal gevallen bekend van rechercheurs die in hun werkuitoefening bezweken zijn voor ongewenste beïnvloeding door onder meer informanten. Deze beïnvloeding zou ook een directe link hebben met de georganiseerde misdaad.3 Kuijper zegt hierover tijdens zijn openbaar verhoor:

De heerRabbae: In het kader van ons onderzoek is het interessant om van u te weten welke invloed, structureel of incidenteel, de georganiseerde criminaliteit heeft op de politie.

De heerKuijper: Uit eigen ervaring kan ik daar betrekkelijk weinig over zeggen. Ik kan alleen maar een gevoel vertalen. Erg veel zaken zijn er nog niet geweest, maar de zaken die er zijn geweest laten wel zien dat er sprake was van regelrechte omkoping voor het verkrijgen van diensten van de betrokken politieman. In het onderhavige geval ging het over informatie. Ik ben er eigenlijk van overtuigd dat de georganiseerde criminaliteit het erop toelegt punten binnen de politie te krijgen waar men gebruik van kan maken. In een bepaalde zaak, die speelde in het gokhuizencircuit, was iemand gewoon «platgelegd» door de organisatie.

Devoorzitter: Platgelegd?

De heerKuijper: Corrupt gemaakt. Hij kreeg wekelijks een uitkering, variërend tussen de f.300 en f.500. Daar hoefde hij eigenlijk niets voor te doen. In het gokhuizencircuit was de verwachting dat de geldgever de intentie had om deze politieman in voorkomende gevallen te gebruiken, als dat nodig was. Dat is ook naar voren gekomen. Er is ook een veroordeling van de betrokken geldgever gekomen.1

In dit hoofdstuk en het hoofdstuk over infiltratie wordt aandacht besteed aan deze en andere vormen van politieel corrumptief gedrag. Gezien de onenigheid die bestaat over de juiste definitie van het begrip corruptie heeft de commissie besloten een aantal verschijningsvormen te onderscheiden. Een onderscheid wordt gemaakt in normafwijkend gedrag (naggen), het lekken van politie-informatie, het behalen van (financieel of ander) voordeel aan criminele activiteiten, omkoping in de zin van het Wetboek van Strafrecht (of het Algemeen rijksambtenarenreglement) of anderzins het plegen van strafbare feiten. Dit ongewenste gedrag wordt bekeken in relatie tot bijzondere opsporingsmethoden die een directie relatie met het criminele milieu veronderstellen. Kuijper zegt desgevraagd hierover:

De heerRabbae: Kunt u ons aangeven welke opsporingsmethoden en -technieken van de politie corruptiegevoelig zijn?

De heerKuijper: Dat is het direct omgaan met het criminele milieu, in de breedste zin van het woord, variërend dus van het runnen van informanten tot het ondernemen van infiltratie-acties: ik denk dat dat zeer sterke corruptogene factoren zijn.2

Contacten tussen informanten en runners

Tijdens het onderzoek is gebleken dat de contacten tussen de informant en zijn runner(s) enkele jaren kunnen duren, in een enkel geval zelfs wel twintig jaar. Binnen een dergelijk tijdsbestek komt het voor dat de verhouding tussen de politieambtenaar en de informant uitgroeit tot meer dan een werkrelatie. Uit onderzoek is ondermeer gebleken dat een (voormalig) runner aan het ziekbed van één van zijn informanten heeft gezeten en dat een runner de begrafenis van zijn informant heeft bijgewoond.

De volgende twee casussen laten zien hoe een vriendschappelijke relatie tussen een rechercheur en een informant zich kan ontwikkelen en op welke manier dat op gespannen voet kan komen te staan met het op een integere wijze uitvoeren van politiewerkzaamheden. Bij het runnen van informanten bestaat het risico dat er (onbedoeld) politie-informatie terug het criminele milieu ingaat. In de gevallen die hieronder worden beschreven ontstaat de verdenking dat de betrokken politiemensen al of niet bewust politie-informatie doorgeven aan hun informant.

Casus 1.Een (tactisch) districtsrechercheur is in het midden van de jaren zeventig betrokken bij een aantal drugsonderzoeken naar een plaatselijk bekende crimineel. Vanaf die tijd hebben beiden regelmatig contact, waarbij de rechercheur met goedvinden van zijn superieuren de crimineel feitelijk als informant runt. Wanneer in het midden van de jaren tachtig in het district een CID wordt ingesteld, draagt de rechercheur zijn informant over aan twee CID-runners. De informant en de rechercheur hebben hierna echter nog steeds regelmatig contact. Mede naar aanleiding van een belastende verklaring van een gedetineerde, onderzoekt de Rijksrecherche de relatie tussen beiden. Uit het onderzoek blijkt dat ze in de loop der jaren een vrij hechte band hebben opgebouwd. De rechercheur heeft verschillende malen wanneer de informant in de gevangenis zat, bescherming geboden aan de echtgenote van de informant als deze zich bedreigd voelde. De rechercheur en de informant zijn tot twee keer toe samen met hun beider echtgenotes uiteten gegaan. De rekening werd beide keren door de informant voldaan. Een van die twee etentjes was kort nadat de informant op vrije voeten was gesteld. Bij een huiszoeking bleek de rechercheur op de verjaardagskalender van de informant te staan. Bovendien is gebleken dat de rechercheur en de informant er een gewoonte van hadden gemaakt om elkaar verjaardagskaarten en vakantiegroeten te sturen. Tijdens het Rijksrecherche onderzoek is van het wegtippen van informatie aan de informant over een op stapel staande huiszoeking, zoals de gedetineerde in zijn verklaring beweerde, niets gebleken.

Casus 2.Een wachtmeester van de Rijkspolitie heeft op verzoek – en onder begeleiding van – de CID een aantal jaren een informant gerund. Hun relatie is in verschillende opzichten opmerkelijk te noemen. De wachtmeester was eerder bijvoorbeeld nauw betrokken bij het in verzekering stellen van de informant, wegens diens betrokkenheid in een zaak van uitkerings-fraude. Hij heeft naar aanleiding van die zaak bovendien een reprimande van zijn chef gekregen omdat hij daags na de aanhouding de verdachte weer in vrijheid heeft gesteld, zonder enige vorm van overleg vooraf met bijvoorbeeld de hulpofficier van justitie. De wachtmeester werd er in de tijd dat hij de informant runde – die hij ten opzichte van anderen aanduidde als «mijn man» – door collega's regelmatig voor gewaarschuwd hun relatie niet te vertrouwelijk te laten worden. Desondanks bleek uit verschillende verklaringen in het kader van een Rijksrecherche-onderzoek onder meer, dat de wachtmeester een gemeenteambtenaar en zelfs de burgemeester persoonlijk heeft benaderd met het verzoek om de korting op de bijstandsuitkering van zijn informant – vanwege diens betrokkenheid in de fraude-zaak – op te heffen. Op verzoek van de wachtmeester heeft diens chef, voorafgaand aan de zitting in de fraude-zaak – met de officier van justitie overlegd over het eventueel seponeren van de zaak. De officier van justitie heeft toen geen toezeggingen hierover gedaan en nadrukkelijk gevraagd hun overleg «kabinet» (vertrouwelijk) te houden. Later blijkt dat de wachtmeester zijn informant toch hiervan op de hoogte heeft gesteld. De informant verschijnt uiteindelijk niet op de zitting, maar hij meldt zich ziek. Gevraagd naar de (werkelijke) weigering van de informant om te verschijnen, antwoordt de wachtmeester desgevraagd: «Als hij naar de zitting zou gaan wordt hij veroordeeld en kan de gemeente het totale bedrag op hem terugvorderen en dat zou toch te gek zijn.»

Een nauwe relatie tussen de informant en zijn runner kan er toe leiden dat het voor de politie-ambtenaar steeds moeilijker wordt om bijvoorbeeld cadeaus van zijn criminele kennis te weigeren of ze zelfs als zodanig te herkennen. Illustratief zijn in dit verband een CID-rechercheur die van een crimineel een paar dure schoenen aanneemt en een runner die op kosten van een crimineel op vakantie gaat.

Het risico van financieel voordeel: tipgeld

Naast informanten die incidenteel en vrijblijvend informatie verstrekken, zijn er ook «broodinformanten» die uitsluitend informatie verstrekken in ruil voor het tipgeld van justitie of van verzekeringsmaatschappijen. Bij het runnen van informanten gaat veel geld om. Het ministerie van Justitie heeft bijvoorbeeld in 1994 fl. 1 576 100,- aan tipgeld uitbetaald. Er blijkt bovendien sprake te zijn van een aanzienlijke stijging van het totaal aan tipgelden (zie paragraaf beloningen). In de praktijk kunnen zich ten aanzien van de uitbetaling van tipgeld verschillende corruptie-risico's voordoen. Er is melding gemaakt van een CID die voor de uitbetaling van zijn tipgelden een particulier bewakingsbedrijf heeft ingeschakeld, met alle gevaren van dien. De volgende casussen illustreren nog een aantal andere risico's.

Casus 3.De Rijksrecherche is een onderzoek gestart naar aanleiding van de verklaring van een informant dat hij geen tipgeld zou hebben ontvangen, terwijl hem dat wel was toegezegd. «Tussen de uitbetaler en de ontvanger zou iets zijn blijven zitten», aldus een van de betrokken rijksrechercheurs. Dit bleek echter niet het geval te zijn geweest. Bij de uitbetaling van het tipgeld zijn geen onregelmatigheden aan het licht gekomen. Wel is gebleken dat de afspraken over de uitbetaling van het tipgeld in een één-op-één-situatie zijn gemaakt. De Rijksrecherche heeft toen de aanbeveling gedaan dat in het vervolg runners beter met z'n tweeën kunnen opereren en de informant een bewijs van betaling moeten laten ondertekenen.

Casus 4.Een voormalig «runner» is van baan veranderd en verricht nu andere politie-werkzaamheden. Hij onderhoudt echter nog wel regelmatig contact met enkele van zijn oude informanten. Een van hen heeft recentelijk nog belangrijke informatie geleverd en is hiervoor betaald door een verzekeringsmaatschappij. Het tipgeld wordt daarvoor eerst overgemaakt op de giro-rekening van de ex-runner. De Rijksrecherche heeft aanwijzingen dat het geld niet verder komt en dat de politieman het tipgeld in eigen zak stopt. Tijdens het onderzoek dat hierop volgt is hiervan echter niets gebleken. De voormalige runner maakt het tipgeld over van zijn giro naar de rekening van de informant. De Rijksrecherche heeft de politieman wel te kennen te geven, dat hij – nu hij geen runner meer is – moet stoppen met runnen van informanten.

Casus 5.«Uit diverse verklaringen en omstandigheden kan door de politieleiding, die al langer argwaan jegens betrokkene koestert, worden opgemaakt dat een rechercheur delen van partijen in beslaggenomen verdovende middelen, kennelijk samen met een informant waarmee hij zeer vriendschappelijke relaties onderhoudt, in het illegale handelsverkeer heeft gebracht en een fors deel van de inkomsten hieruit ook zelf heeft geïnd. De betrokken politieman ontkent dit maar geeft wel toe dat hij mee heeft gedeeld in hoge tipgelden die dezelfde informant door zijn toedoen heeft opgestreken. Ook komt vast te staan dat hij met deze persoon nog contacten onderhield nadat hem dit uitdrukkelijk was verboden. Na het nodige onderzoek wordt deze politieman ontslagen».1

Een vergelijkbaar probleem doet zich in omgekeerde zin voor bij het inleveren van criminele verdiensten door informanten bij de CID.2 Deze gelden worden tot op heden op een speciale rekening van de CRI geparkeerd. Het is voorstelbaar dat door de ondoorzichtige gebruiken en administratie op dit gebied, ingeleverde verdiensten aan de strijkstok blijven hangen. Dit risico wordt slechts gesignaleerd: een concreet voorbeeld is de commissie niet bekend.

Omkoping

De relatie tussen een informant en zijn begeleider kan op verschillende manieren aanleiding geven tot vormen van politiële corruptie. Hierbij speelt ook een rol dat het overgrote deel van de informanten afkomstig is uit het criminele (drug)milieu. Over het nut van informanten wordt door politiemensen wel gezegd: hoe fouter hoe beter. Met andere woorden: een grote crimineel kan over de meeste informatie beschikken.

Wanneer in de praktijk sprake is van corruptie ten aanzien van het runnen van informanten, is dat soms het resultaat van een heel geleidelijk proces dat misschien begint als een vorm van normafwijkend gedrag en kan uitmonden in omkoping. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de volgende casus.

Casus 6.«Het begon met een simpel verzoek van de tipgever aan de rechercheur: of die even een kenteken voor hem wilde opvragen: «voor wat hoort wat, nietwaar?» Het volgende verzoek kwam enkele weken later: de tipgever wilde graag weten of mijnheer X bij de HKD (herkenningsdienst) bekend was. Ook die informatie werd hem verstrekt. Dat gebeurde nog een paar keer. Daar tussendoor een drankje en een etentje, alles op rekening van de informant. Het venijnige staartstuk kwam ongeveer een jaar later: de runner werd nu «gerund» en leverde de ene vitale strategische recherche-informatie na de andere aan zijn informant. De tegenprestatie bestond uit een (vaste) plaats op de loonlijst van een criminele organisatie.3

Controle

Eén van de problemen bij het omgaan met informanten is, dat niet altijd duidelijk is wie de regie heeft: de runners of de informant. Wie runt wie? Het is van groot belang, dat de informant zich door de runner laat leiden en dat hij het initiatief niet van de runner overneemt. In de praktijk hebben zich inmiddels verschillende gevallen van «omgekeerde sturing» voorgedaan.1 Een bijzondere vorm hiervan is de informant die optreedt als «dubbelspion» en niet alleen informatie doorgeeft aan de politie, maar ook over de politie. Dit risico is volgens sommigen toegenomen, doordat in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van gestuurde informanten/burgerinfiltranten:

De heerHiddema: Er is een heel gevaarlijke trend, die zich aldus laat situeren. De criminele organisaties weten stuk voor stuk – er zijn immers zoveel processen geweest – dat er wordt gewerkt met burgerinfiltranten.

Devoorzitter: Maar dat weet men al jaren.

De heerHiddema: Ja. Maar dan gaat men ervan uit dat ook hun organisatie al is, of ooit bezocht zal worden, door een burgerinfiltrant. Wat doet men? Men anticipeert op die mogelijkheid; men stuurt zelf een vertrouweling naar het politiebureau. Die man moet dan zeggen: ik ben Pietje en ik wil graag infiltreren in de organisatie van Y, want daar weet ik alles van. Maar Y heeft hem zelf gestuurd. Dat is zeer profijtelijk, want zo neutraliseer je het effect van een politie-informant – het is immers je eigen informant – maar je kunt gelijktijdig ook in de politiekeuken kijken, om te zien wat ze tegen jou aan het uitbroeden zijn. Dat is een mogelijkheid die de criminaliteit nooit zo sterk heeft gehad. Toen er geen burgerinfiltranten waren, kwam je daar ook niet zo makkelijk met een runner in.2

De heerRouvoet: Ik wil even stilstaan bij die criminele infiltranten. Is een consequentie van uw opmerking dat de criminele organisaties niet om iemand heen kunnen, dat een succesvolle criminele infiltrant eigenlijk per definitie niet voor de politie is te regisseren?

De heerSnijders: Het hangt ervan af wat je met hem afspreekt. Maar ik moet vaststellen dat er in de trajecten die ik heb bekeken, te vaak momenten zijn dat de man of vrouw in kwestie bepaalt wat er gebeurt. Zij hadden althans invloed op het proces. Ik denk dat dit absoluut niet mogelijk moet zijn. Dan heb je geen strakke sturing meer.

Devoorzitter: Aan welke elementen van de doorleveringstrajecten die wij nu bespreken, denkt u dan?

De heerSnijders: Ik wil het wat breed houden. Er is een keten van handelingen van mensen. Er worden auto's gebruikt, er worden loodsen gebruikt. Soms werden de voorwaarden gesteld vanuit het milieu: wij willen dit of dat. Ik kan daar niet dieper op ingaan. Maar dan werd feitelijk vastgesteld dat vanuit het milieu, de groepering waarop gedraaid werd, heel nadrukkelijk werd gezegd: wij willen dit of wij willen die. Dat is opgevolgd.3

5.4 Casusonderzoek Laundry

Een casus ter illustratie van een verdovende middelenzaak waarin een kroongetuigeregeling wordt gehanteerd.

Feiten en omstandigheden

In de jaren tachtig voert Kobus L., bijgenaamd «De Kamper», het bewind over een organisatie die handelt in zowel soft- als harddrugs. Hij is de onbetwiste leider en financier van alle projecten en laat zijn gezag regelmatig gelden, waarbij geen geweld wordt geschuwd. Hij opereert vanuit een woonwagenkamp.

Met zijn vrouw beheert L. verschillende bedrijven die dienen als dekmantel voor de illegale praktijken. Tussen deze bedrijven worden goederenstromen op gang gebracht waaronder zich verdovende middelen bevinden. Kobus L. heeft de beschikking over vele dekmantelfirma's en koeriers. Dit is ondermeer het geval omdat hij regelmatig mensen er weer boven op helpt nadat die in ernstige financiële problemen zijn geraakt. Deze geldelijke ondersteuning kan worden terugverdiend door handen spandiensten te verlenen aan Kobus L. Hij regelt zijn zaken hoofdzakelijk vanuit de keuken van zijn woning. Tijdens zijn afwezigheid neemt zijn zoon Bertus L. de zaken waar.

Lambert S. is de compagnon van Kobus L. Hij verzorgt met name de financiële kant van de illegale operaties, zoals het opzetten van witwasconstructies via Luxemburg, Engeland, Gibraltar en Oostenrijk. Een getuige verklaart hierover het volgende:

Lambert S. en Ine Q. (Kobus' vrouw) kwamen aan met een man die zijn zakken vol had gepropt met geld. Het ging om 1,25 miljoen gulden. Zij gaan dan naar de bank in Luxemburg. Op het moment dat de bank vragen gaat stellen over de herkomst van het geld treedt Q. naar voren. Zij tekende bij de bank voor de herkomst van het geld, dit na haar paspoort aan de bankmedewerker te hebben getoond. Zij bevestigde daarbij meerdere malen dat het haar geld was.1

Naast de kernleden Kobus L. en Lambert S. bestaat de organisatie uit wisselende leden. Een aantal van deze handlangers komt uit het «kampers»-circuit. Zij runnen bijvoorbeeld dekmantelfirma's of vervoeren verdovende middelen met speciaal voor dit doel aangeschafte auto's.2 Ook worden regelmatig vrachtauto's van respectabele autoverhuurmaatschappijen gehuurd waarmee de verdovende middelen vervoerd worden.3 De vrouwen binnen de groep vervullen over het algemeen de rol van intermediair en meldkamer. Zij leggen de verbindingen tussen de diverse personen tijdens de operaties.4 De bedrijfsvoering wordt ondersteund door diverse adviseurs. Zo maakt een notaris akte op van een gepretendeerde overeenkomst van geldlening, waardoor hij medewerking verleent aan een witwasconstructie.5

N. wil vervolgens dat de geldleenovereenkomst meer status krijgt en derhalve laat men een notaris een notariële akte met betrekking tot een en ander opmaken.6

Bovendien wordt er ook gebruik gemaakt van de diensten van een advocaat uit Dordrecht, die onder andere witwasconstructies op hun juridische aspecten bekijkt7 , een belastingadviseur, een accountant8 en een medewerker van het Marokkaans consulaat.9 Een Belgische politieman wordt gevraagd om een veroordeling van Kobus uit 1991 aldaar uit de computer te halen.

(...) dat dhr. L. iets te maken had met omkoping. Zijn veroordeling ter zake van export in België van soft- en harddrugs moest uit de computer.10

Ook worden verschillende douanefunctionarissen omgekocht.

Frans had een Marokkaanse douane-ambtenaar omgekocht. Hij kon de auto de grens overbrengen als deze man dienst had. Frans vertelde mij dat hij deze man geld gaf, zodat hij geen problemen kreeg met de papieren van de auto.11

Tevens wordt gebruik gemaakt van valse paspoorten en rijbewijzen. Zo heeft Kobus L. een vals rijbewijs met zijn pasfoto op de naam van Bertus K.12

De handel in verdovende middelen verloopt via landen als Suriname, Marokko, Nigeria, India, Frankrijk en Roemenië. In principe bemoeit Kobus zich niet met operationele zaken. Totdat een grote klapper gemaakt kan worden. Zo wordt hij gesignaleerd in Suriname alwaar hij contact heeft met de voormalige legertop over een grote partij cocaïne.

Kobus L. vertelde dat hij drie dagen besprekingen had gevoerd met de militairen, onder andere met Iwan G., over het afnemen van cocaïne. Kobus L. vertelde mij dat de militairen afwilden van de kleine jongens, die maar hoeveelheden van 100 kilo cocaïne afnamen en alleen met de grote jongens zoals Kobus L., zaken wilden doen.1

Vervolgens komt, verstopt in bundels hout, een partij van 357 kilo cocaïne aan in de Rotterdamse haven in mei 1991.

Het politieel en justitieel onderzoek

De partij van 357 kilo wordt in Breda in beslag genomen door de politie. Er wordt een onderzoek ingesteld, waarbij verschillende personen worden aangehouden. Naar aanleiding van dit onderzoek, geplaatst naast reeds aanwezige CID-informatie over Kobus L., inhoudende dat hij onder meer verantwoordelijk zou zijn voor een tiental liquidaties wordt besloten tot een vooronderzoek dat resulteert in een gerechtelijk vooronderzoek op Kobus L. dat geopend wordt in september 1991. Later worden ook twee strafrechtelijke financiële onderzoeken geopend op Kobus L. en Lambert S.

Een multidisciplinair team dat bestaat uit personeel van de Regionale RechercheDienst (RRD) van de regiopolitie Rotterdam Rijnmond, de belastingdienst en de FIOD, rechercheert tot in het voorjaar 1995 op de criminele organisatie. Hierbij wordt een groot aantal telefoongesprekken van zowel autotelefoonverkeer als gewone telefoons en faxen afgetapt. Dit zijn in totaal 88 424 gesprekken. Verder wordt een groot aantal personen gehoord, te weten 94, waarvan 62 als verdachte. Uiteindelijk staan 11 hiervan terecht. Ook worden huiszoekingen verricht.2 Zowel tactisch als CID-matig worden opsporingsmethoden ingezet. Zo worden vijf videocamera's op vier verschillende lokaties geplaatst. De keuze voor bepaalde lokaties wordt ondermeer bepaald naar aanleiding van RCID-informatie.3 De zaaksofficier van justitie geeft aan dat contra-observatie-activiteiten soms nopen tot de plaatsing van deze videocamera's. Zo moet in opdracht van Kobus L. een auto gevolgd worden die reeds vijf maal langs het huis van Kobus L. heeft gereden en Ineke Q. moet kentekens noteren van auto's die bij of rond het kamp rijden.4 Tot de contra-activiteiten hoort ook het achterhalen van privé-gegevens van een ambtenaar die financieel onderzoek doet naar de criminele organisatie.5 Naast het feit dat de positie van camera's onder meer is bepaald door CID-informatie over lokaties, blijkt dat meer structureel gebruik is gemaakt van informanten. De teamleider stelt dat er inderdaad CID-informatie is gebruikt. Van der Spoel, raadsman in deze zaak, zegt in zijn openbaar verhoor over de moeilijkheden voor de verdediging met het gesloten CID-traject het volgende:

De heerVos: Hoe prepareert u zich als advocaat op de kennelijke onevenwichtigheid die u vaststelt inzake CID-informatie? Maakt u gebruik van ongebruikelijke methoden om toch een vinger achter de waarheid te krijgen? Bent u bereid een beroep te doen op privé-detectives?

De heerVan der Spoel: Dat is een ontwikkeling die zich de komende tijd wel eens zou kunnen gaan aftekenen. In CID-kringen zit ook vaak het observatietraject. Men observeert langdurig en legt maar mondjesmaat rekening en verantwoording af van die observaties. In de Laundry-zaak ben ik zelf met een fototoestel op pad gegaan naar bepaalde objecten om precies te zien of de beweringen in het dossier gedekt konden worden door de observaties. Hoe ziet een woning eruit? Hoe kun je er naar binnen kijken? Waarvandaan kan dat gebeurd zijn? Bij een loods werd op een gegeven moment gesteld: wij hebben geconstateerd dat zich in de loods een bus bevond. Dan ga je naar die loods toe om te zien of je er inderdaad van buitenaf in kunt kijken.6

Een andere gehanteerde opsporingsmethode is het peilbaken. Er wordt een peilzender geplakt op een bus in Polen, die geprepareerd is ten behoeve van een hasjtransport. De hasjish zou in Marokko worden geladen en naar Nederland worden gebracht. De officier van justitie zegt hierover:

De peilzender heeft zijn werk echter niet hoeven te doen omdat de bus niet meer uit Polen is vertrokken (uiteraard met uitzondering voor het terughalen van de bus door justitie naar Nederland).1

Over het gebruik van afluisterapparatuur zegt advocaat Van der Spoel tijdens het openbaar verhoor:

Tijdens de behandeling van de Laundry zaak zijn er in de pers bepaalde uitlatingen gedaan door een zekere Max Wijnschenk. (..) Hij verklaarde als techneut werkzaam te zijn geweest bij de politie in Rotterdam. Volgens hem was in de Laundry zaak niet alleen gebruik gemaakt van een videocamera, maar ook van microfoons.2

Ter terechtzitting verklaart de teamleider dat dit niet gebeurd is.

Het requisitoir spreekt ook nog over het uitrechercheren van reisbewegingen van betrokkenen naar en van Suriname en Marokko.3 Een aantal observatieteams wordt ingezet. Zo worden smokkelauto's geobserveerd die met drugs verstopt in de benzinetank of in het reservewiel op Marokko rijden. Ook wordt, na controle, een transport naar Roemenië onder observatie afgeleverd. De controle geschiedt in de haven van Antwerpen. Hier worden twee Nigeriaanse containers, gevuld met maïszakken en bestemd voor Roemenië, aan controle onderworpen. De dienstdoende ambtenaar beschrijft dit als volgt:

Wij gaan over tot controle van container (..), waarbij wij de ingestapelde zakken ontladen. Ongeveer in het midden van de lading maïszakken bemerken wij een aantal zakken welke van uitzicht en zoals achteraf blijkt in gewicht, opmerkelijk verschillend zijn. Wij gaan aansluitend over tot doorgedreven nazicht en kunnen vaststellen dat betreffende zakken, elk op hun beurt, een aantal pakken inhouden.(...) Uit de volledige lading van container (..) kunnen wij 35 zakken recupereren welke pakken inhouden. Op basis van een gemiddeld gewicht van twee kilogram per pak, inhoudende marihuana, kunnen wij besluiten dat het brutogewicht van de verdovende middelen te situeren valt om en nabij 1050 kilogram. Na controle worden de zakken maïs, alsmede de zakken waarin verdovende middelen zitten, herladen in de respectieve container, dit met uitzondering van een pak marihuana, hetwelk als monster werd overhandigd aan de leden van het Laundry-team. (..) Op 21 juni 1993 worden beide containers opgehaald en aan boord geplaatst van het m.s. Caransebes, varende onder Roemeense vlag.4

Niet alleen de partij naar Roemenië maar ook een partij, die in een camper vervoerd wordt naar Parijs, wordt met toestemming van de Franse autoriteiten gecontroleerd afgeleverd. Wegens tijdsdruk kunnen de Belgische autoriteiten niet in kennis worden gesteld.5 Deze partij is in Frankrijk in beslag genomen.

Kroongetuige

In dit onderzoek wordt de nog vrij uitzonderlijke opsporingsmethode van de kroongetuige ingezet.6 Betrokkene, genaamd Helio Stewart, voormalig huisvriend en bodyguard van Kobus L., wordt in augustus 1993 aangehouden in verband met de invoer van 860 kilo hennep uit Nigeria. Hij verklaart dat hij tegenwoordig vaak met een pistool, dat hij ooit van Kobus L. gekregen heeft, op zak loopt omdat hij zich door hem bedreigd voelt.7 De Groot, naast Van Wijk eveneens officier in deze zaak, zegt tijdens zijn openbaar verhoor hierover:

De heerDe Groot: Hij gaf erbij aan dat hij vreesde voor zijn leven en dat het een kwestie was van: óf hij Stewart zou meneer L. doodschieten, dan wel mijnheer L. zou hem doodschieten. Hij vond het wat dat betreft een praktische oplossing, als ik het zo mag formuleren, dat meneer L. door de politie zou worden opgepakt en voor een tijdje achter de tralies zou worden geborgen. (...) Nu wij twee jaar met dat onderzoek tegen die meneer L. bezig zijn en natuurlijk wel een stuk zijn opgeschoten, maar nog niet precies weten hoe het is, is het van belang om te kijken of wij met behulp van deze «kroongetuige avant la lettre» verder zouden kunnen komen.1

Tijdens verschillende verhoren met Stewart wordt duidelijk dat hij deel uitmaakt van de criminele organisatie van Kobus L. en dat zijn leven in gevaar komt als hij hierover verklaart. Hij verzoekt vervolgens om een regeling te treffen. Na ampel overleg tot aan het niveau van de procureur-generaal besluit het OM hem een deal aan te bieden. De deal is dat hij in ruil voor verklaringen naar waarheid en een bevestiging hiervan bij de rechter-commissaris en voor de rechter ter terechtzitting, niet vervolgd zal worden. Deze toezegging betreft zijn «betrokkenheid bij de zaken die nu aan uw rechtbank zijn voorgelegd» aldus de zaaksofficier, «met uitzondering van liquidaties of geweld».2 Tevens vraagt Stewart om bescherming van zijn persoon en zijn gezin.

De heerVos: U had ook al met hem gesproken over een getuigenbeschermingsregeling. Hoe past dat in het verhaal?

De heerDe Groot: Wij hadden in beginsel met hem daarover gesproken. Hij stelde daar op dat moment, toen hij door de raadkamer werd losgelaten uit gevangenhouding, eigenlijk geen prijs op. Zijn inschatting was dat het pas een probleem zou opleveren op het moment dat wij zouden overgaan tot de aanhouding van meneer L.3

Vervolgens legt Stewart in het najaar van 1993 vele belastende verklaringen af over Kobus L. Dit komt echter abrupt tot een einde door de liquidatie van Helio Stewart op 6 december 1993 in Schiedam. Zijn inmiddels afgelegde verklaringen worden als bewijs ter terechtzitting gebruikt.

Overigens wordt er ook een overeenkomst bereikt met een andere verdachte, Frans de B. Afgesproken wordt dat «in zijn richting geen actieve opsporing zal plaatsvinden»4 , in ruil voor verklaringen over hasjish en cocaïnetransporten van Kobus L. Later wordt Frans de B. in Marokko opgepakt. Zijn eerder afgelegde verklaringen worden eveneens in rechte gebruikt.

Een derde deal loopt op niets uit omdat de verdachte/getuige zich niet aan de afspraken houdt.

De eerste poging tot aanhouding van Kobus L. mislukt. Hij ontsnapt en is spoorloos. Er wordt naar hem gezocht met behulp van cameraplaatsingen en er worden diverse experimenten in samenwerking met de PTT gedaan teneinde de ATF van Kobus L. te traceren.5 Op 21 juli 1994 wordt Kobus L. alsnog aangehouden. Het onderzoek wordt in het voorjaar van 1995 afgerond.

Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank doet op 14 juni 1995 uitspraak in de zaak Kobus L. Zij acht bewezen dat Kobus leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie, valsheid in geschrifte heeft doen plegen en geld heeft witgewassen. Hiertoe heeft de verdachte onder meer tezamen met anderen 357 kilo cocaïne ingevoerd, alsmede twee partijen van drie en twee kilo cocaïne en 10 000 pillen MDMA uitgevoerd, en een poging gedaan tot invoer van marihuana. Daarnaast zijn bij de verdachte in diens woning en auto, vuurwapens en munitie aangetroffen.6 Omstreden in deze zaak zijn de deals met criminelen, wier verklaringen gebruikt zijn door de rechtbank voor de bewezenverklaring. De officier van Justitie Van Wijk betoogt dat er slechts een deal getroffen is met wijlen de heer Stewart. De toezegging aan Frans de B. zou geen deal zijn.1 Van der Spoel, raadsman in deze zaak, zegt in zijn openbaar verhoor hierover:

Bij de tweede getuige wordt er bijvoorbeeld gesproken over «niet-actieve opsporing» en door het OM wordt betwist dat dit een deal zou zijn. Maar ja, een betere deal kan ik mij nauwelijks voorstellen: als men niet actief wordt opgespoord, zal men ook niet strafrechtelijk worden vervolgd.2

Verder is de verdediging van mening dat er vier deals zijn getroffen waaronder die met Helio Stewart en Frans de B. De rechtbank zegt hierover:

De rechtbank gaat ervan uit dat zogenaamde deals tussen verdachten/getuigen, te weten onderscheidenlijk Stewart en De B. enerzijds, en vertegenwoordigers van het justitieel apparaat anderzijds, tot stand zijn gekomen.3

In weerwil van de opstelling van het OM gaat de rechtbank dus uit van twee deals. De verdediging zegt tevens dat er gehandeld is zonder wettelijke basis. Dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, dan wel bewijsuitsluiting. De rechtbank is van mening dat het middel proportioneel en subsidiair ingezet is. De verklaringen van deze twee verdachten/getuigen zijn door de rechtbank voor het bewijs gebruikt:

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring niet in overwegende mate berust op een van deze verklaringen en dat deze verklaringen van Stewart en De B. (...) onderling in grote mate overeenstemmen en elkaar versterken, terwijl zij voorts in hoge mate steun vinden in ander gebezigd bewijsmateriaal.4

Kobus L. wordt veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf en een geldboete van een miljoen gulden. De zaak loopt op dit moment in hoger beroep bij het hof.

5.5 Beoordeling

Het runnen van informanten heeft geen afzonderlijke (formele) wettelijke basis. De CID regeling 1995 spreekt niet van informanten. Politie, justitie en rechterlijke macht hebben het runnen van informanten en het geven van informatie door informanten volledig geaccepteerd. Informatie van informanten vormt een wezenlijk onderdeel van de meeste opsporingsonderzoeken bij de georganiseerde criminaliteit.

De commissie is van oordeel dat voor het runnen van informanten door de politie een wettelijke basis noodzakelijk is. Het verwerven van informatie door informanten kan een beperking van de persoonlijke levenssfeer van burgers inhouden. Daarnaast blijkt het runnen van informanten dermate complex te zijn dat een duidelijke wettelijke regeling zowel vanuit het perspectief van politie en justitie als vanuit de optiek van informanten, CID-subjecten en verdachten wenselijk is.

De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van zowel politie en justitie als informanten zijn onduidelijk. Er zijn weinig regels voor de omgang tussen politie en informanten. In de Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden is een aantal regels opgenomen. Deze regeling heeft geen bindende werking voor de korpsen. Hiernaast is een ethische code ontwikkeld, die echter niet de status heeft van een formele regeling. Het is onduidelijk wie wanneer en onder welke voorwaarden in aanmerking komt voor een beloning. Het is onduidelijk of anderen dan de CID-rechercheurs de identiteit van de informanten moeten kennen. Soms worden afspraken tussen informanten en de politie vastgelegd, soms worden die alleen mondeling uitgewisseld. De CID wordt bij het runnen van informanten onvoldoende gestuurd en gecontroleerd. De speelruimte van CID-rechercheurs bij het runnen van informanten is groot.

De commissie is van oordeel dat de vrijheid van de CID bij het runnen van informanten te groot is. Het is naar het oordeel van de commissie noodzakelijk een meer adequate controle en sturing mogelijk te maken. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden van politie en justitie bij het runnen van informanten moeten worden vastgelegd. Daarbij moet het uitgangspunt zijn dat alle afspraken tussen informanten en politie en justitie schriftelijk worden vastgelegd door de politie. Het moet te allen tijde mogelijk zijn te achterhalen welke afspraken gemaakt zijn tussen informanten en politie en justitie. In hoofdstuk 10 geeft de commissie haar oordeel over de wijze waarop tijdens de zitting om gegaan moet worden met deze informatie.

Informanten zijn anoniem. Politie en justitie getroosten zich veel moeite om de identiteit van informanten te beschermen. Soms hanteren politie en justitie daarbij ondoorzichtige constructies, zoals de U-bocht en het inschrijven van politiemensen als informant. De commissie acht het ongewenst dat politiemensen als informant worden ingeschreven. Het onder alle voorwaarden beschermen van de identiteit van de informant heeft politie en justitie in een ongewenste positie geplaatst. Het gevaar bestaat dat politie en justitie te veel afhankelijk worden van de informant. Het beschermen van de identiteit van de informant wordt een instrument voor informanten om hun positie ten opzichte van politie en justitie te versterken.

Ten aanzien van het runnen van informanten en de risico's van politiële corruptie die deze methode mogelijk met zich meebrengt, komt de commissies tot de volgende oordelen. Bij het runnen van informanten bestaat het risico dat de runner de regie over de informant verliest en de informant de runner leidt in plaats van andersom. De relatie tussen een informant en zijn runner kent een paradoxaal karakter. Aan de ene kant wordt van de runner verwacht dat hij het vertrouwen van de informant probeert te winnen om op die manier zoveel mogelijk informatie te kunnen verzamelen. Anderzijds geldt dat hoe groter het onderlinge vertrouwen tussen beiden is, hoe groter het risico wordt dat er privé-contacten tussen hen ontstaan, met alle gevaren van dien.

Het runnen van informanten door rechercheurs die hiervoor niet zijn opgeleid maakt deze opsporingsmethode extra gevoelig voor corruptie.

Politie en justitie moeten naar het oordeel van de commissie te vaak zaken geheim houden waardoor onderling wantrouwen wordt versterkt. Het structurele geheime karakter van het runnen van informanten heeft soms een desintegrerend effect gehad op het functioneren van politie en justitie.

De commissie is van oordeel dat de anonimiteit van informanten geen vanzelfsprekende zaak is. Dit brengt met zich dat informanten in de toekomst meer frequent zullen moeten getuigen. Daarbij kan de constructie van de bedreigde getuige een bijdrage leveren. In hoofdstuk 10 wordt daar meer specifiek op ingegaan. Dit neemt niet weg dat de commissie zich zeer bewust is van de gevaren die sommige informanten lopen indien zij informatie geven aan de politie. Politie en justitie moeten het midden weten te vinden tussen het beschermen van een informant en de rechtsstatelijke eisen van openbaarheid en verantwoording.

De effectiviteit van het runnen van informanten wordt door politie en justitie hoog ingeschat. Het ontbreekt echter aan objectieve gegevens om dit te kunnen vaststellen. De schattingen omtrent de hoeveelheid CID-informatie die daadwerkelijk wordt gebruikt door de tactische recherche lopen uiteen van 10% tot 50%. Bij het runnen van informanten speelt een complexe paradox. Hoe effectiever de informant, des te moeilijker is de informatie operationeel te gebruiken. Hoe dichter de informant bij de criminele activiteiten zit, des te moeilijker is het om de informatie te gebruiken, zonder de informant in gevaar te brengen.

Het runnen van informanten is van groot belang voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit. Teneinde te voorkomen dat informanten het functioneren van politie en justitie schaden, is een wettelijke afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden noodzakelijk. Afspraken moeten worden vastgelegd. Justitie moet daadwerkelijk controle kunnen uitoefenen op de activiteiten van de informanten. Indien mogelijk moet de informatie van informanten ter zitting worden besproken. Het runnen van informanten is pas dan rechtsstatelijk verantwoord en effectief als een evenwicht kan worden gevonden tussen controle en verantwoording van de informatie en bescherming van de informant.

HOOFDSTUK 6 INFILTRATIE

6.1 Omschrijving

Infiltratie is het met het oog op opsporing en vervolging onder gezag en regie van politie en openbaar ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het ervan deel uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds deel van uitmaken of het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien dit optreden gepaard gaat met het I) aannemen van een valse identiteit en/of II) plegen van strafbare feiten en/of III) aanbieden van goederen en/of diensten aan de criminele organisatie of groep.

Infiltratie doet zich in verschillende vormen voor. De commissie is de volgende vormen van infiltratie tegengekomen:

– Pseudokoop is een vorm van infiltratie gericht op de aankoop of poging daartoe van een goed teneinde strafprocessueel te kunnen optreden tegen de verkoper(s) en anderen die met betrekking tot dat goed een strafbaar feit hebben gepleegd of gaan plegen.

– Pseudoverkoop is een vorm van infiltratie gericht op de verkoop of poging daartoe van een goed teneinde strafprocessueel te kunnen optreden tegen de koper(s) en anderen die met betrekking tot dat goed een strafbaar feit hebben gepleegd of gaan plegen.

– Projectmatige infiltratie is het al dan niet onder de dekmantel van een aangenomen identiteit binnendringen in of deel uitmaken van een (criminele) organisatie, dan wel het leveren van goederen of diensten aan die organisatie, teneinde zicht te krijgen op activiteiten en werkwijzen, ten aanzien waarvan concrete aanwijzingen bestaan van gepleegde of nog te plegen misdrijven die tot de georganiseerde criminaliteit gerekend kunnen worden, met als doel het geheel of gedeeltelijk beëindigen van criminele activiteiten en/of het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

– Een frontstore-operatie is het opzetten en/of exploiteren van een coverbedrijf of een structuur van coverbedrijven, door middel waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in de vorm van goederen of diensten aan criminele groeperingen of organisaties wordt aangeboden.

– Gecontroleerde aflevering is het met medeweten en onder toezicht van politie en justitie laten leveren van verdachte zendingen aan de criminele organisatie waarna de verdachte zending in beslag wordt genomen.

– Doorlaten is het met medeweten en onder toezicht van politie en justitie doorlaten van verdachte zendingen zonder dat de zendingen in beslag worden genomen waardoor de verdachte zendingen in het criminele milieu en bij consumenten terecht komen.

De commissie heeft op basis van haar onderzoek besloten wat betreft gecontroleerde aflevering en doorlating andere definities te hanteren dan in het rapport van de Werkgroep opsporingsmethoden het geval is. Zij heeft besloten de term «doorleveren» niet te gebruiken om verwarring met het begrip «gecontroleerde aflevering» te voorkomen. De commissie heeft zich laten leiden door wat zij heeft aangetroffen in de praktijk. De commissie beseft dat de bovenstaande definities niet geheel overeenkomen met de definities uit het rapport van de Werkgroep infiltratie1 , die in opdracht van het College van procureurs-generaal een rapport heeft geschreven over infiltratie. De commissie is van oordeel dat haar definities meer recht doen aan de werkelijke gang van zaken bij de inzet van deze opsporingsmethoden.

6.2 Juridische grondslag, toetsing en omvang

Het Wetboek van Strafvordering noch enige andere Nederlandse wet in formele zin kent de opsporingsmethode infiltratie. In enkele internationale verdragen waaraan Nederland zich heeft gebonden, komt één van de vooromschreven varianten van infiltratie, te weten gecontroleerde aflevering, wel voor.1 In de jurisprudentie is infiltratie sedert het Tallonarrest als opsporingsmethode erkend.2 In de Richtlijn infiltratie, vastgesteld door de Vergadering van procureurs-generaal van 20 februari 1991, worden voorwaarden, werkmethoden, de rechtspositie van de infiltrant, het centraal voorwaardenscheppend orgaan, de gecontroleerde aflevering en de internationale samenwerking geregeld. De richtlijn noemt vier voorwaarden:

a. De infiltrant mag door zijn optreden de verdachte niet brengen tot ander handelen dan waarop zijn opzet tevoren reeds gericht was.3

b. Het optreden van de infiltrant dient plaats te vinden na goedkeuring door het openbaar ministerie, onder regie van de recherchechef en in nauw overleg met de betrokken officier van justitie.

c. De toepassing van infiltratie moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en zorgvuldigheid. De aard van de op te sporen feiten moet de toepassing rechtvaardigen en andere meer gebruikelijke opsporingstechnieken moeten onvoldoende effectief geacht kunnen worden. De Hoge Raad oordeelde dat «bij beoordeling of voldaan is aan de eisen van proportionaliteit (..) niet alleen de ernst van de feiten van belang is maar ook de wijze waarop en de mate waarin ten behoeve van opsporing en vervolging van die feiten wordt opgetreden in het criminele milieu».4

d. Als infiltrant dient bij voorkeur alleen een speciaal daarvoor opgeleide politiefunctionaris te worden ingezet.5

In de rechtspraak ligt de meeste nadruk op de eerste en derde voorwaarde.

De Werkgroep infiltratie hanteert de noodtoestand als legitimatie voor het plegen van strafbare feiten tijdens infiltratie-acties.6 De commissie acht dit onwenselijk.

De Vergadering van procureurs-generaal heeft op 6 december 1994 besloten dat de volgende infiltratie-acties vooraf ter toetsing aan de Centrale toetsingscommissie (CTC) van het OM moeten worden voorgelegd:

– alle (inter-)nationale (projectmatige) infiltratiezaken met uitzondering van eenmalige of kortlopende acties zoals pseudo-koop en de gecontroleerde aflevering gericht op inbeslagneming (welke laatste moeten worden aangemeld ter registratie aan de CTC);

– alle vormen van – al dan niet langdurige – infiltratie-operaties waarbij gebruik wordt gemaakt van informatie van criminele infiltranten, die onder regie en gezag van het openbaar ministerie en de politie strafbare feiten (blijven) plegen;

– alle zogenaamde «frontstore-operaties» waarmee bedoeld wordt het opzetten en/of exploiteren van een coverbedrijf of een structuur van coverbedrijven, door middel waarvan desgevraagd facilitaire ondersteuning in de vorm van goederen of diensten aan criminele groeperingen of organisaties wordt aangeboden;

– alle infiltratie-operaties, waarbij gebruik gemaakt wordt van niet- criminele burgerinfiltranten.7

De procedure is dat via een formulier een voorgenomen infiltratie-actie ter toetsing wordt aangemeld bij de secretaris van de CTC. Na een toelichting van politie en/of justitie wordt door de CTC een beslissing genomen over de toelaatbaarheid.1 De commissie heeft geconstateerd dat niet altijd een duidelijke toetsing mogelijk is van bovengenoemde voorwaarden. De CTC beschikt niet steeds over alle relevante informatie. Daarbij komt dat het de vraag is of begrippen zonder wettelijk kader als proportionaliteit, subsidariteit, zorgvuldigheid en uitlokking voldoende leidraad geven. Voor de meeste infiltratie-acties wordt, soms na ampel beraad, toestemming verleend.

Aantal aangemelde infiltratie-acties in 1995 en beslissingen CTC

 Totaal aantalVoorwaardelijke toestemmingGeen toestemmingOverig
Inkijkoperaties42Registratiezaak en een nog niet behandelde zaak.
Politie-infiltratie19114Toetsing achteraf komt vier maal voor.
Burger-infiltratie30192Drie keer wordt oordeel opgeschort, vijf keer toetsing achteraf en één zaak is ingetrokken.
Deals met criminelen531Eén maal toetsing achteraf.
Overig521Twee zijn geen toetsingszaken
Totaal63351018

De voorwaarden die door de CTC aan infiltratie-acties worden gesteld zijn onder meer:

– er mag niet worden afgeweken van de aard en de duur van de inzet zonder de CTC hiervan op de hoogte te stellen;

– afspraken moeten schriftelijk worden vastgelegd en de burgerinfiltrant moet gewezen worden op de consequenties (o.a. aanhouding) bij schending hiervan;

– criminele verdiensten moeten worden afgedragen in ruil voor een beloning van justitie;

– aandacht moet worden besteed aan het beperken van het afbreukrisico, zowel voor de infiltrant als politiek;

– de Nederlandse burgerinfiltrant mag doorgaans geen activiteiten in het buitenland verrichten. Bij buitenlandse burgerinfiltranten moeten goede schriftelijke afspraken worden gemaakt met de buitenlandse autoriteiten en er moet op gelet worden dat er absoluut geen sprake is van uitlokking;

– bij gecontroleerde aflevering of doorlating moet de uiteindelijke omvang van een transport verdovende middelen gemeld worden, inclusief het deel dat eventueel uiteindelijk het milieu in gaat;

– goede psycho-sociale begeleiding van de politie-infiltrant;

– in geval van een buitenlandse politie-infiltrant in Nederland of een Nederlandse politie-infiltrant in het buitenland: handelen conform Nederlandse richtlijnen, schriftelijke afspraken met buitenlandse autoriteiten onder meer over vrijwaring als sprake is van het plegen van strafbare feiten en het sturen van een rogatoire commissie.

Verder spreekt de CTC nadrukkelijk haar voorkeur uit voor deals met afgestraften in plaats van verdachten en in ruil voor «harde» verklaringen om zware zaken op te lossen.

Deze tabel laat, naast de aard van de beslissingen van de CTC, ook de omvang van het aantal meldingen ter toetsing zien. In het grootste aantal gevallen is er sprake van de toetsing van burgerinfiltratie, gevolgd door politie-infiltratie. Inkijkoperaties, deals met criminelen en overige, waaronder bijvoorbeeld direct afluisteren valt, komen ongeveer in gelijke mate voor. Deze aantallen geven geen uitsluitsel over het totaal aantal infiltratie-acties in 1995. Een aantal toetsingen betreft reeds afgeronde acties. Dit zijn derhalve toetsingen achteraf. Ook heeft de commissie geconstateerd dat er infiltratie-acties niet zijn aangemeld.

Uit de verslagen van de vergaderingen van de CTC constateert de commissie dat verschillende doelen voor infiltratie-acties worden aangegeven. Soms gaat het om het identificeren van personen die betrokken zijn bij het begaan van strafbare feiten; soms om zicht te krijgen op de organisatie en de financiën; soms gaat het er alleen om zicht te krijgen op de leiders van de organisatie of het in beslag nemen van verdachte goederen. Al deze doelstellingen zijn door de jurisprudentie en de Centrale toetsingscommissie in specifieke gevallen als voldoende redenen aangemerkt. Het ontbreekt aan een eenduidige doelomschrijving voor de inzet van infiltratiemethoden.

6.3 Bevindingen

6.3.1 Pseudo-koop en pseudo-verkoop

In het midden van de jaren zeventig werd in Nederland pseudo-koop ingezet bij de bestrijding van de drughandel. Inmiddels vindt het middel pseudo-koop nog slechts incidenteel toepassing. De effectiviteit is in de loop der tijd geringer geworden aangezien de criminelen goed op de hoogte zijn van het gebruik van dit middel. Dat neemt niet weg dat in combinatie met andere vormen van infiltratie pseudo-koop is aangetroffen. Met enige regelmaat worden vertrouwensaankopen of proefaankopen gedaan door infiltranten om te kunnen beslissen of overgegaan moet worden tot een gecontroleerde aflevering of doorlating. Hiermee zijn nog aanzienlijke bedragen gemoeid:

Voorkoopgelden 1995–1990

 199519941993199219911990
Totaal bedrag658 210375 86966 550119 165227 25045 203
Hoogste bedrag517 000200 00027 50039 00052 00020 000
Laagste bedrag2 0001 6201 0003002 000600
Gemiddeld bedrag50 63246 9845 5466 62025 2506 458
Aantal zaken138121897

Uit deze tabel blijkt een duidelijke stijging over de laatste jaren van het totaalbedrag dat door het ministerie van Justitie is uitbetaald ten bate van voorkoop-acties. Dit wordt met name duidelijk als de jaren 1993 en 1995 worden vergeleken. Immers in deze jaren is welhaast een gelijk aantal zaken behandeld. Opvallend bij deze vergelijking is de spectaculaire stijging in het hoogste bedrag in één zaak: het bedrag in 1995 is het zestienvoudige van het bedrag in 1993. Afgezien van de invloed hiervan op het gemiddelde blijft ook dit bedrag in 1995 bijzonder hoog: het tienvoudige van het bedrag in 1993.

Pseudo-verkoop wordt zelden gebruikt. Het is moeilijk om aan de te leveren goederen te komen. De commissie heeft wel voorbeelden aangetroffen van pseudo-verkoop van wapens en grondstoffen voor synthetische drugs.

Pseudoverkoop van grondstoffen voor de produktie van amfetamine

Een RCID koopt in België en Duitsland vele malen grondstoffen aan die gebruikt kunnen worden voor de produktie van amfetamine. Hiervoor wordt vaak vooraf geld ter beschikking gesteld door de informant. De aankoop door de Nederlandse politie gebeurt met medeweten of bemiddeling van de plaatselijke autoriteiten. Die RCID levert de grondstoffen tegen inkoopprijs aan de informant die het verkoopt met winst aan het laboratorium van de criminele organisatie. De bedoeling is om door observatie laboratoria te ontmaskeren. Uiteindelijk is dit nooit gelukt.1

6.3.2 Politie-infiltratie

Organisatie en omvang

Politie-infiltratie is voorbehouden aan de politiële infiltratieteams (PIT's). Dit gebeurt in overleg met de Afdeling nationale coördinatie politiële infiltratie van de CRI (ANCPI). Elk politieel infiltratieteam zou moeten bestaan uit tien mannen en vrouwen, van wie vier infiltranten, vier begeleiders, een administratieve kracht en een teamleider. In 1992/1993 zijn de drie pseudokoopteams van de gemeentepolitie Amsterdam en het infiltratieteam West I van de Rijkspolitie opgeheven. Op dit moment zijn alleen de politiële infiltratieteams in het zuiden en het oosten op volle sterkte. In het noorden functioneert een half-bezet politieel infiltratieteam. Het landelijk politiële infiltratieteam is in oprichting en zal zich vooral bezighouden met internationale infiltratie. In de regio's Haaglanden en Rotterdam-Rijnmond bestaan er plannen voor de oprichting van nieuwe infiltratie-eenheden. Op dit moment beschikken politie en justitie dan ook slechts over ongeveer negen Nederlandse politie-infiltranten.

De omvang van de inzet van politiële infiltratie is niet eenduidig vast te stellen. De opgaven van de ANCPI2 en de Werkgroep infiltratie over de aantallen verzoeken om politie-infiltratie in de afgelopen jaren (1991: 98; 1992: 66; 1993: 59 en 1994: 78) moeten met de nodige relativering bezien worden. De verzoeken in 1994 hebben slechts in 65 gevallen een operationeel gevolg gekregen en betreffen voor het grootste deel buitenlandse verzoeken om ondersteuning (42 gevallen). Vijf van het totaal aan daadwerkelijke acties kunnen worden aangemerkt als langdurige zaken, wat wil zeggen een looptijd van anderhalf tot twee jaar. Van de overige 60 zaken vergden 24 acties enkele maanden en 36 slechts enkele dagen. Het gaat hierbij grotendeels om zeer kort lopende buitenlandse infiltraties in Nederland zoals het even bezoeken door een buitenlandse infiltrant van een hotel bij Schiphol. Sommige van deze buitenlandse infiltraties duurden niet langer dan enkele uren. De landelijk officier van justitie bij de CRI dient op de hoogte gesteld te worden van deze (kortlopende) infiltratie-acties. Volgens betrokkenen is het nagenoeg uitgesloten dat buitenlandse infiltratie-acties op Nederlandse bodem plaatsvinden zonder dat de Nederlandse politie en justitie zijn geïnformeerd. De commissie heeft echter enkele voorbeelden aangetroffen waarbij dat wel het geval was.

De Nederlandse politiële infiltratieteams voeren op zich niet veel infiltratie-acties uit per jaar. Zo heeft het politiële infiltratieteam Oost sinds 1990 slechts vijf grotere infiltratietrajecten uitgevoerd. Nederlandse infiltranten worden ook ingezet in het buitenland. In 1994 bereikte de ANCPI 42 maal een buitenlands verzoek om Nederlandse assistentie. Een voorbeeld van een operatie uit 1991 is de volgende casus:

In 1991 werd gestart met een undercoveroperatie Contrat. Dit was een samenwerkingsverband tussen de beide landen en had tot doel om zicht te krijgen op de activiteiten van criminele organisaties op het gebied van het witwassen van gelden via geldwisselkantoren. Besloten werd om rechtspersonen op te richten die actief zijn op het gebied van witwassen. Er werd een Nederlandse bedrijvenstructuur van financiële instellingen gecreëerd als frontstore, waarmee vervolgens succesvol werd binnengedrongen in de criminele organisatie. In dit kader zijn Nederlandse undercoveragenten ingezet, die regelmatig contact hadden met de Canadese hoofddaders in Nederland, Zwitserland en de Nederlandse Antillen. Tevens hebben de Nederlandse politie-infiltranten transporten van verdovende middelen gearrangeerd van Colombia naar Canada.1

Ook buitenlandse politiële infiltranten zijn voor langere duur actief in Nederland (zie bijvoorbeeld de casusbespreking Copa). Deze buitenlandse infiltranten worden op dat moment begeleid door Nederlandse begeleiders. De inzet van buitenlandse infiltranten is grotendeels gebaseerd op onderling vertrouwen tussen politie-instanties van verschillende landen. Van een afzonderlijk onderzoek naar de identiteit van buitenlandse politie-infiltranten is geen sprake. In Europees verband is een werkgroep actief die de afstemming van internationale infiltratie-acties voor haar rekening neemt. In deze werkgroep participeren ook Canada en de VS.

Infiltratie en selectie

Politiële infiltratie vindt primair plaats in de ondersteuning van de criminele organisatie. Het gaat dan vooral om het aanbieden van facilitaire diensten zoals vervoer, opslag en doorvoer, aan de criminele organisatie. Slechts zelden vindt infiltratie plaats in de directe nabijheid van de hoofddaders. Van diepte-infiltratie waarbij politie-infiltranten daadwerkelijk deel zijn gaan uitmaken van de kern van de criminele organisatie, is de commissie niets gebleken. Wel is een geval bekend waarbij de infiltranten de top van een criminele organisatie dicht zijn genaderd (zie eerstvolgende casus).

De selectie van politiële infiltranten is streng. Uitgebreid wordt de infiltrant getest op onder meer stressbestendigheid. Ook moeten diverse cursussen worden gevolgd voordat een politiefunctionaris als politiële infiltrant mag functioneren. Tijdens infiltratie-acties wordt steeds gestreefd naar dagelijks contact tussen de infiltrant en de begeleiders. Zowel de infiltrant als de begeleiders maken proces-verbaal op van hun activiteiten. Deze processen-verbaal worden in principe toegevoegd aan het procesdossier en zijn daarmee onderwerp van beoordeling door de rechter.2 Een voorbeeld van zo'n «open infiltratietraject» is in het openbaar verhoor van officier van justitie Koers aan de orde geweest:

In dit onderzoek naar vier Turkse broers is projectmatig geïnfiltreerd in een tactisch (open) traject.3

De projectinfiltratie is uitgevoerd door negen politie-infiltranten. Hiervan waren zes van het politieel infiltratieteam Oost-Nederland en drie Duitse politie-infiltranten. Het milieu waarin geïnfiltreerd moest worden was niet wars van grof geweld. Ook tegen de politie-infiltranten zijn forse bedreigingen geuit. Van januari 1993 tot juni 1995 zijn de politie-infiltranten in verschillende combinaties in totaal 119 maal opgetreden. In de praktijk blijkt vooral één van de politie-infiltranten daadwerkelijk veel contact te hebben gehad met de criminele organisatie. De anderen hebben veelal als geloofwaardige achtergrond gediend:

Devoorzitter: Ik wil u nog een vraag stellen over de processen-verbaal. Het is constant A851, die alles ziet, doet en daar verslag van legt. Die andere infiltrant nooit, bijna nooit. Er staan nog een paar andere nummers. Betekent dit nu, dat ook de handelingen en bevindingen van andere infiltranten toch onder A851 worden weggeschreven?

(...)

De heerKoers: Als A851 proces-verbaal opmaakt, is dat zijn verhaal. Dat zou hooguit aangevuld kunnen worden door verhalen van anderen.

Devoorzitter: Kan het ook zo zijn, dat A851 weer hoort van andere verhalen en die er zonder nummer ook inzet?

De heerKoers: Nee.

(...)

Devoorzitter: Maar dan is natuurlijk de vraag wat al die andere mensen dan doen. Daar is namelijk weinig tot niets van terug te vinden.

De heerKoers: Ik denk dat in een aantal gevallen de rest alleen maar franje is geweest.1

De politie-infiltranten waren tot hoog in de criminele organisatie geïnfiltreerd. Zij hadden diverse ontmoetingen met de vier hoofdverdachten, waarbij de politie-infiltranten partijen kregen aangeboden. Besloten is tot de aankoop van een aantal partijen teneinde te bewijzen dat de hoofdverdachten over een langere periode actief waren en in staat waren in korte tijd verschillende keren heroïne te kunnen leveren. De eerste aankoop betrof twee kilo cocaïne in april 1994. Deze werd gevolgd door vier aankopen van elk twee kilo heroïne in november en december. Vervolgens gingen de gesprekken over de financiering van een transport van een partij heroïne van Turkije naar Nederland en de levering van drie kilo. In overleg met het OM werd besloten een investering in dit transport (in totaal ongeveer 160 kilo) te doen van fl. 100 000,- . Tevens werd besloten dat een politie-infiltrant naar Turkije moest afreizen. In dit traject is de minister gekend.

De heerVos: Vervolgens zijn vanuit de Centrale toetsingscommissie wel enige voorwaarden gesteld, onder andere met betrekking tot de betrokkenheid van de minister in het voortraject en in het natraject. Hoe heeft dat in de praktijk gestalte gekregen?

De heerKoers: De betrokkenheid van de minister in deze zaak had een specifiek karakter, met name voor het laatste stukje van de zaak. Niet zozeer de individuele aankopen – daarmee heb je wel te maken met de tip- en toongeldregeling, de aankoopregeling, van het departement -maar met name het laatste stukje van de zaak, waarin het ging het investeren in een transport drugs vanuit Turkije naar Nederland. Daarbij kwam ter sprake dat de politiemenseninfiltranten, in ieder geval een daarvan, naar Turkije moesten. Dan heb je te maken met internationale verhoudingen. Binnen de Centrale toetsingscommissie is op dat moment gezegd, dat dit niet mocht zonder dat de minister van Justitie op de hoogte is. Die moet daar haar goedkeuring aan geven. Dat is vervolgens gebeurd. De hoofdofficier van Zwolle heeft een bespreking gehad met de hoofdofficier van Istanbul. Daar is ook de staatssecretaris van Justitie van Turkije bij betrokken geweest om goedkeuring te hechten aan de komst van een politiemaninfiltrant naar Istanbul, om als het ware daar besprekingen te voeren met een of meer van de Turkse verdachten.2

De afgesproken partij van drie kilo heroïne werd nog aangenomen en betaald, maar de volgende aangeboden partij van 20 kilo heroïne in juni 1995 werd in beslag genomen en de verdachten aangehouden. In totaal is er 31 kilo harddrugs aangekocht en fl. 623 000,- geïnvesteerd in deze vooraankopen. De ratio achter deze hoeveelheden legt Koers uit tijdens zijn openbaar verhoor:

De heerKoers: Er is 31 kilo aangekocht; dat klopt. Het doel was niet het kopen van heroïne of cocaïne, maar het doel was bewijs te vergaren tegen de vier hoofdverdachten. Als je bewijs tegen één hoofdverdachte hebt, dan heb je er nog drie tegen wie je geen bewijs hebt. Dan is het soms verstandig om door te gaan. Dat zijn afwegingen geweest gedurende met name het laatste jaar: hoe ver komen wij? Uiteindelijk is door de serie waartoe is besloten het mogelijk gebleken tegen dat viertal bewijs bij elkaar te krijgen.

De heerVos: En waarschijnlijk bent u ook doorgegaan om de Turkse lijn zelf bloot te leggen, de lijn naar het buitenland. Of heb ik dat verkeerd begrepen?

De heerKoers: De laatste actie die geweest is, is het mee investeren in een traject vanuit Istanboel deze kant op. Daarvan was het de bedoeling om de transportlijn, de aanvoerlijn bloot te leggen. Gedeeltelijk zijn wij daarin geslaagd, maar gedeeltelijk ook niet.3

De bedoeling was om tijdens dit hele traject geen gram verdovende middelen op de markt te laten komen. Dit is slechts gedeeltelijk gelukt. De aankopen zijn vernietigd maar:

Devoorzitter: Mogen wij dat iets helderder zeggen? Er is genvesteerd in een hoeveelheid die in totaal ongeveer 160 kilo zou zijn; dat staat ook in het proces-verbaal. Ongeveer 20 kilo daarvan wordt in beslag genomen en wij weten niet waar de rest is.

De heerKoers: Wij ook niet.

Devoorzitter: Het is toch niet zo dat, zoals de recherchechef zei, er geen gram waar wij aan mee hebben gedaan op de markt is gekomen? Dat weten wij niet precies, want wij weten niet waar dat is.

De heerKoers: Neen, wij weten ook niet of die 160 kilo naar Nederland gekomen is.

Devoorzitter: Neen, goed.

De heerKoers: Wij hebben die 20 kilo gezien die in Amsterdam is gepakt plus wat er in de bergplaats lag, zo'n 30 kilo, die ook in beslag is genomen. Dat is wat wij gezien hebben. Wat er verder geweest is, weet ik niet.1

Sturing en controle

De sturing en controle door politie en justitie zijn bij politiële infiltratie nauwkeurig geregeld. De goedkeuring vindt plaats op het niveau van de hoofdofficier. Tegenwoordig moet de Centrale toetsingscommissie de aanvraag voor een infiltratie-actie beoordelen. De Centrale toetsingscommissie geeft veelal onder voorwaarden toestemming. Incidenteel wordt een infiltratie-actie gestopt omdat de beheersbaarheid ter discussie staat. In het volgende geval heeft de minister besloten tot het stoppen van een infiltratie-actie, ondanks het feit dat de CTC goedkeuring hieraan had verleend:2

Dit onderzoek in het zuiden des lands was gericht op een notoire drugsbaron. Vele reguliere opsporingsmiddelen als taps en observatie bleken niet te werken. Besloten werd om een infiltratietraject te starten, met als doel zicht te krijgen op de strafbare feiten en de financiële stromen waarna respectievelijk aanhouding en afroming van de criminele winsten zouden kunnen volgen. De bedoeling was om dit traject later geheel ter toetsing aan de rechter voor te leggen.

In 1993 wordt begonnen met de opbouw van de cover door het politiële infiltratieteam, waarna binnen een aantal maanden de eerste sociale contacten worden gelegd door de politie-infiltrant. Deze wordt langzamerhand in het milieu van de verdachte opgenomen. De politie-infiltrant heeft ondermeer financiële deskundigheid te bieden. Tevens is hij bekend in een buitenlandse wereldhaven. Hij wordt benaderd om deel te nemen aan transporten softdrugs uit het buitenland.

In januari 1995 wordt dit infiltratietraject in zijn algemeenheid ter toetsing aan de CTC voorgelegd. Onder een aantal voorwaarden, waaronder een goede psycho-sociale begeleiding van de infiltrant, gaat de CTC akkoord. Tevens wordt het advies gegeven eventueel een tweede politie-infiltrant te introduceren als er een financieel én transporttraject gaan lopen. Het wordt onwenselijk geacht om twee informatieposities te verenigen in één politie-infiltrant. Bij een tweede toetsing op 4 april wordt toestemming gevraagd voor het vervolgtraject op de infiltratie-actie, te weten het plegen van strafbare feiten door de infiltrant. Het voorstel is om de vertrouwenspositie van de politie-infiltrant verder uit te bouwen door middel van een investering in een transport van enkele duizenden kilo's marihuana. De kans was aanwezig dat de partij eventueel op de Nederlandse markt zou kunnen komen. De CTC gaat voorwaardelijk akkoord met de actie voor een periode van drie maanden.

Ondanks het oordeel van de hoofdofficier, de procureur-generaal en de CTC dat het traject verantwoord was gezien de uitstekende stuurbaarheid van de politie-infiltrant en het feit dat het een open traject is, is de minister van Justitie van mening dat dit traject niet kan. Per brief van 27 april 1995 vraagt zij dit te stoppen. De toenmalige kernteamleider zegt hierover:

Devoorzitter: Is u geworden waarom de minister het afkeurde? Hoorde u dat via de telefoon van Justitie? Hoe is dat gegaan?

De heerPaulissen: Ik ben er zelf niet bij geweest, maar wij hebben uiteindelijk een briefje van de minister gekregen, een heel kort briefje: op het punt van de gecontroleerde doorvoer kon zij op dit moment geen toestemming geven.

Devoorzitter: Dat moet ongeveer in mei van dit jaar zijn geweest.

De heerPaulissen: Ja.

Devoorzitter: Heeft u het toen weer op een andere manier opgepakt? Wat is er toen gebeurd?

De heerPaulissen: Wij hebben toen besloten te stoppen. Wij vonden de gecontroleerde doorvoer echt noodzakelijk voor het bereiken van het grotere doel in de infiltratie. Wij zijn meteen gaan denken of er binnen de consignes van de minister nog mogelijkheden waren om dat doel op een andere manier te bereiken. Toen werden wij helaas geconfronteerd met het feit dat de zaak was uitgelekt in de pers. Toen hebben wij besloten om de zaak abrupt te stoppen.1

De minister kan niet instemmen met de invoer en vermoedelijke doorlating van een partij softdrugs door de politie waarin bovendien ook overheidsgeld geïnvesteerd wordt. Vervolgens wordt besloten de politie-infiltrant af te bouwen. In het openbaar verhoor zegt de minister van Justitie desgevraagd het volgende over de onthouden toestemming:

Devoorzitter: Ligt het aan de politieke gevoeligheid dat u in mei van het jaar van de infiltratie-operatie in het zuiden zegt die niet meer te willen doen. Die methode leek, vergeleken met de IRT-methode, zeer verantwoord te zijn. Ik doel dus op de infiltratiemethode van het kernteam in het Zuiden, waarvan u zegt het niet meer te willen doen, omdat er te weinig garantie is dat men de zaak echt in beslag kan nemen.

MevrouwSorgdrager: Als de zaak waar u nu over spreekt, in het zuiden des lands, loopt, is er geen kader wat de Centrale toetsingscommissie kennelijk had vastgesteld.

Devoorzitter: Zij vonden het goed!

MevrouwSorgdrager: Zij vonden het goed, maar het openbaar ministerie twijfelde kennelijk, want men is naar mij toegekomen met de vraag of het door kon gaan. Wij hebben toen die methode besproken en bekeken wat de te verwachten effectiviteit was. Ik vond, nu men het mij toch vroeg, dat men een te vaag doel had. De effectiviteit van de methode was niet groot genoeg. Ik verwachtte dat men over enige tijd weer bij mij zou komen met dezelfde vraag over dezelfde zaak. Dat moesten wij dus gewoon niet doen.2

Het openbaar ministerie wordt over de voortgang van politiële-infiltratie-acties in het algemeen goed geïnformeerd. Dit betreft in ieder geval de CID-officier. Echter dit brengt nog niet met zich mee dat de later optredende zaaksofficier ook volledig geïnformeerd is. In principe worden alle activiteiten van de politie-infiltrant vastgelegd en staat de actie volledig open ter beoordeling aan de rechter.

Ten behoeve van het functioneren van de politiële infiltranten worden valse identiteiten afgegeven.3 Een briefwisseling van de ministers van Justitie, Verkeer en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Financiën vrijwaart de ambtenaren die deze valse identiteiten verstrekken van strafvervolging.4 Het gaat daarbij om valse identiteiten om rekeningen te kunnen openen, auto's, woningen of loodsen te huren, frontstores op te zetten etc.

De commissie heeft geconstateerd dat politiële infiltranten gebruikt worden ter afscherming van informanten. Een politieel infiltratieteam gebruikt soms een gesloten CID-traject om de identiteit van de informant te beschermen. Dan worden twee of meer infiltranten ertussen geschoven zodat de oorspronkelijk informant niet meer zichtbaar is. De politie-infiltrant, die van deze informant het verhaal heeft gehoord, wordt als informant ingeschreven.

6.3.3 Burgerinfiltratie

Omschrijving en omvang

Over het gebruik van burgerinfiltranten bestaat minder duidelijkheid dan over de inzet van politie-infiltranten. De commissie spreekt van burgerinfiltranten indien al dan niet criminele burgers gevraagd worden bepaalde activiteiten te ondernemen waaronder het plegen van strafbare feiten. Sommige CID-en spreken in dit verband van gestuurde informanten, waarbij het onderscheid met burgerinfiltranten nauwelijks meer aanwezig is. Het enige verschil is dat zij op een gestuurde informant de infiltratierichtlijn niet van toepassing achten. In hoofdstuk 3 heeft de commissie enkele in het oog springende voorbeelden gegeven van het omgaan met burgerinfiltranten.

Het is duidelijk dat geregeld gebruik wordt gemaakt van criminele burgerinfiltranten. De commissie heeft vele voorbeelden aangetroffen van criminele burgers die door de politie gevraagd worden bepaalde activiteiten te verrichten. Wanneer deze activiteiten geen strafbare feiten omvatten spreekt de commissie van gestuurde informanten. Veelal gaat het om een verzoek van politie en justitie om informatie te verzamelen door het bezoeken van bepaalde plaatsen. In het overzicht aan het begin van dit hoofdstuk blijkt dat het grootste aantal toetsingsverzoeken aan de CTC de inzet van criminele burgerinfiltranten betreft (30). Vier verzoeken betreffen de inzet van niet-criminele burgerinfiltranten. Uit de CTC-stukken blijkt dat deze burgerinfiltranten strafbare feiten mogen plegen. Het ging dan vooral om het vervoeren van drugs of het anderszins ondersteunen van het invoeren en verkopen van verdovende middelen zoals het huren van loodsen of het ter beschikking stellen van vrachtauto's.1 Bijvoorbeeld:

In het kader van een onderzoek is overwogen om een projectinfiltratie van een gesloten traject te starten waarbij een burgerinfiltrant hand- en spandiensten zou verrichten bij een transport van softdrugs. De bedoeling was om eerst een proefzending softdrugs van enkele tonnen door te laten gaan, waarna een grote partij van meer dan tien ton zou worden gepakt, inclusief de verdachten. De informant heeft eerst een oriëntatiereis gemaakt naar het bronland op verzoek van het kernteam. In principe zou de informant de criminele verdiensten afdragen en een vergoeding krijgen van het ministerie van Justitie waarbij gedacht werd aan tonnen. De CTC ging na grote aarzeling akkoord. De informant werd door de criminele organisatie niet meer benaderd om behulpzaam te zijn bij transporten verdovende middelen. Tot op heden heeft het infiltratietraject daarom geen doorgang kunnen vinden.2

Ook wordt wel gevraagd om monsters aan te kopen. De commissie constateert dat in een aantal gevallen de CTC niet gevraagd is om toestemming voor de inzet van burgerinfiltranten.

In nagenoeg alle regio's en arrondissementen worden voorbeelden aangetroffen van burgerinfiltranten in de definitie van de commissie. In de regio Amsterdam-Amstelland echter wordt sinds 1992 niet meer gewerkt met burgerinfiltranten. Informanten mogen in Amsterdam slechts informatie geven. Politie en justitie gaan in principe niet akkoord met het verrichten van enige activiteit door informanten:

De heerDe Graaf: Ik wil even bij dit element blijven; zo meteen komen wij op andere elementen. Collega's van u uit andere korpsen zeggen: niks onbetrouwbaar, wij controleren zo'n informant van achteren naar voren; elke stap die hij zet, kennen wij, dubbelchecken wij. Is het volstrekt ongeloofwaardig als zij dat zeggen?

De heerWelten: U zei daarstraks dat elke informant ook een beetje crimineel moet zijn. Elke infiltrant is wat mij betreft zeker een beetje crimineel. Je kunt misschien wel betrouwbaar en crimineel zijn, maar dat is een contradictie waarmee ik echt niet uit de voeten kan.3

(...)

De heer Welten: Ja, weet u... Kijk, het beeld zou bijna gaan ontstaan dat Amsterdam roomser is dan de paus. Ik denk dat wij geleerd hebben van de kwetsbaarheid van methoden in zijn algemeenheid, omdat wij misschien wel in het centrum van de aandacht hebben gezeten. Er is destijds heel nadrukkelijk door wijlen mevrouw Dales gezegd dat wij na moesten denken, als overheid, over de integriteit van het openbaar bestuur, de integriteit van jezelf als apparaat. In combinatie met datgene wat ik persoonlijk vind, proberen wij daar een andere wending aan te geven. Dan ben ik helemaal niet roomser dan de paus; als ik afwijkend ben van de rest van het land, vind ik dat vervelend; op zichzelf probeer ik – ik denk ook dat dit behoorlijk gaat – heel constructief met de omgeving samen te werken, ondanks het feit dat ik misschien een vreemde eend in de bijt ben.1

Devoorzitter: Eerder zeiden vertegenwoordigers van het OM uit Amsterdam en ook de politie in Amsterdam dat er helemaal geen burgerinfiltratie was. Maar nu zegt u dat u dat onder omstandigheden niet geheel wilt uitsluiten.

De heerVrakking: Ik heb nooit gezegd: helemaal niet. Ik zeg in beginsel, nee, tenzij.2

De ANCPI houdt zich in principe niet bezig met burgerinfiltranten. Wel wordt bezien in hoeverre het mogelijk is materiedeskundigen (accountants, piloten, etcetera) in te schakelen als niet-criminele infiltranten. Als nadeel wordt genoemd dat deze materiedeskundigen geen politie-achtergrond hebben. Tot op heden zijn er nog geen materie-deskundigen op deze wijze ingezet.

Sturing en controle

De commissie constateert dat zich bij de inzet van criminele burgerinfiltranten verschillende problemen voordoen. De controleerbaarheid en stuurbaarheid van de criminele burgerinfiltrant is problematisch. De motivatie van deze infiltranten is veelal dubbelzinnig. Onduidelijkheid bestaat veelal over wat er met het criminele geld gebeurt. Op het plegen van strafbare feiten door de infiltrant is controle slechts ten dele mogelijk.

Enkele burgerinfiltranten geven informatie aan meer dan één CID. Deze infiltranten hebben onder regie van de verschillende CID-en strafbare feiten gepleegd. De verschillende CID-en waren niet altijd op de hoogte van het feit dat de infiltranten ook voor andere CID-en werkten. Deze infiltranten hebben zeer veel geld verdiend aan het geven van informatie. Hiertegenover stonden ruime onkostenvergoedingen, beloningen en het mogen houden van de verkregen criminele winsten. In hoofdstuk 3 zijn deze gevallen uitgebreid beschreven. De commissie is van oordeel dat burgerinfiltranten die een zo actieve positie hebben in een criminele organisatie niet meer volledig onder regie van politie en justitie kunnen staan. Het reële risico dreigt dan dat politie en justitie worden gestuurd door de burgerinfiltrant in plaats van andersom.

6.3.4 Frontstore

De fronstore is slechts recent in Nederland geïntroduceerd en derhalve bestaat nog weinig ervaring met deze opsporingsmethode. Het eerste, de commissie bekende, voorbeeld is de operatie Contrat (zie casus hiervoor). Tijdens het verhoor zei Wilzing hierover:

Devoorzitter: Was u ook al betrokken bij frontstores toen u verantwoordelijk was bij de CRI? Waren die er toen al, zogenaamde bedrijven die de politie gebruikte als dekmantel om eventueel binnen het criminele milieu te infiltreren dan wel om bewijs te verzamelen tegen criminele groepen die van zo'n dergelijk dekmantelbedrijf gebruik maken?

De heerWilzing: Ik weet mij uit mijn periode te herinneren dat wij daar een zaak hebben gehad. Het was een grote zaak die vanuit een ander werelddeel op ons afkwam, waarbij wij met onze accountants daar een aantal zaken voor geregeld hebben. Dan ging het met name over het sluizen van geld.

Devoorzitter: Daarbij speelde de financiële dienstverlening een rol?

De heerWilzing: Het was een financiële dienstverlening, exact.3

Een ander voorbeeld van een frontstore dat de commissie bekend is, is wederom een internationaal samenwerkingsverband:

De Amerikanen hebben een wereldwijde frontstore-operatie opgezet geheten Green Ice II, waarvan een deeloperatie vanaf september 1992 operationeel is. De doelstelling van deze operatie is om via het financiële traject in de Colombiaanse kartels te infiltreren. Zodoende komt zicht op de internationale stroom van drugsgelden. Ook in Nederland is een cover opgezet die gericht is op het scheppen van «paperwork». Tot op heden is door de criminele organisatie niet gehapt op het Nederlandse aas. Op andere plaatsen is wel met succes geopereerd. Het is niet ondenkbaar dat de zaak rond komt zonder dat gebruik gemaakt wordt van de Nederlandse cover. Op het moment wordt bekeken of er andere toepassingsmogelijkheden zijn.

Indien een frontstore wordt toegepast, gebeurt dat veelal in combinatie met politiële infiltratie; in incidentele gevallen ook met burger-infiltranten. Het gaat in Nederland om minder dan tien frontstores. Deze frontstores bevinden zich vooral in de dienstverlenende en facilitaire sector. Te denken valt aan transportbedrijven en financiële dienstverlening. Het doel is veelal criminele organisaties gebruik te laten maken van deze ondersteuning waardoor politie en justitie een beter beeld kunnen krijgen van hun activiteiten. Tijdens de openbare verhoren is hier ondermeer het volgende over gezegd:

Devoorzitter: (...) Hoeveel frontstores kennen wij ongeveer in Nederland? Honderden?

De heerKarstens: Nee.

Devoorzitter: Tientallen?

De heerKarstens: Ook niet.

Devoorzitter: Minder dan tien?

De heerKarstens: U wordt warm.1

Van de frontstores moeten onderscheiden worden de dekmantelbedrijven die bij de PIT's «op de plank liggen», met het doel om een andere identiteit van een informant of infiltrant aannemelijk te maken. Het opzetten van frontstores wordt bemoeilijkt doordat in Nederland alle gegevens nauwkeurig zijn geadministreerd. Volgens betrokkenen zal het in de toekomst vooral noodzakelijk zijn afspraken te maken met de belastingdienst hoe om te gaan met frontstores. Op dit moment zijn die afspraken nog niet gemaakt. Frontstorehouders melden dan ook dat zij veel moeite moeten doen om de belastingdienst op afstand te houden.

Devoorzitter: Daar komt het op uit. Moet ik dan vooral denken aan transportbedrijven of faciliterende bedrijven? Hoe houdt u de belasting en de waterleiding van uw nek?

De heerKarstens: Vanuit onze positie gezien, is de belastingdienst in zijn algemeenheid een geduchte tegenstander. Tot op heden hebben wij de argwaan van de belastingen nog niet gewekt.2

Een andere toepassingsmogelijkheid van een frontstore is het afschermen van CID-rechercheurs. Dit wordt noodzakelijk geacht door de vele contra-activiteiten van criminele organisaties. De CID richt dan een bedrijf op om bijvoorbeeld telefoons en kentekens te kunnen registreren op naam van dit bedrijf.

6.3.5 Gecontroleerde aflevering

De gecontroleerde aflevering is een zeer frequent gebruikte methode. Het gaat om honderden gecontroleerde afleveringen per jaar, variërend van een verdacht postpakketje tot een container. Veelal betreft dit verdovende middelen.

De heerDe Wit: (...) Wij spreken bijna dagelijks, zeker in de grootstedelijke praktijk, over gecontroleerde afleveringen en doorleveringen.(...)1

Bij gecontroleerde afleveringen wordt steeds getracht de verboden goederen daadwerkelijk in beslag te nemen. Het transport geschiedt dan ook meestal onder observatie van een OT. Dit voornemen tot inbeslagneming kan om diverse redenen mislukken. In enkele gevallen heeft de commissie geconstateerd dat door fouten tijdens de observatie partijen drugs uit het oog werden verloren. Een voorbeeld:

Begin 1994 komt een buitenlandse informant, die door een zusterdienst van de CRI overgedragen is aan een RCID, naar Nederland voor de invoer van een partij van tientallen kilo's cocaïne. Zijn rol bestaat uit het door de douane loodsen van deze partij drugs. De RCID besluit om de partij gecontroleerd af te leveren. Echter, het OT raakt betrokken bij een aanrijding en de partij verdwijnt ongezien in het milieu.

Hierna gaat de informant terug naar Zuid-Amerika, alwaar hij door Zuid-Amerikanen wordt benaderd met de vraag of hij dit vaker wil doen. De informant gaat, na consultatie van de betrokken RCID in Nederland, hierop in. Vervolgens wordt de informant geconfronteerd met een grote partij van duizenden kilo's marihuana die al in de haven ligt en wordt hem gevraagd of hij die "even binnen wil loodsen". Besloten wordt om deze partij door te laten en wel om drie redenen: de informant is beloofd dat hij het volgende omvangrijke cocaïnetransport mag doen, tevens is de criminele organisatie in een ander traject bezig om cocaïne in te voeren en dit mag niet verstoord worden. Bovendien vreesde de politie represailles als de partij wordt gepakt. De partij wordt wel gevolgd en het OT stelt vast waar de partij wordt opgeslagen.

In december 1994 wordt de grote partij cocaïne, die meer dan duizend kilo blijkt te bevatten, aangeboden aan de informant met de vraag of hij deze door de Amsterdamse douane kan loodsen. Besloten wordt om tot een gecontroleerde aflevering over te gaan. Wederom raakt het OT de vrachtwagen met de bewuste container kwijt. Echter, later wordt toch nog op verschillende adressen de partij teruggevonden en in beslag genomen. Meer dan 20 verdachten worden aangehouden, waaronder de top van de organisatie in Nederland. Tijdens zijn verhoor noemt Brand dit traject de klassieke methode:

De heerBrand: Dat zal ik u uitleggen. Het is onze eerste opdracht dat wij de criminele organisatie proberen op te rollen. Wij moeten ervoor zorgen dat wij het aantal kilo's in de hand hebben. Dat moet gebeuren wanneer dit het meest gunstig is. Wij hebben 1100 kilo cocaïne binnengehaald met de traditionele methode.

Devoorzitter: Op welke vangst doelt u?

De heerBrand: Dat is een vangst van verleden jaar kerstmis.

Devoorzitter: Het is geen HOLCO-vangst?

De heerBrand: Dat is een HOLCO-vangst.

Devoorzitter: Daar is toch een heel interessant en moeizaam traject aan vooraf gegaan?

De heerBrand: Eerst de zaak van de 1100 kilo. Dat ging volgens de traditionele methode. Traditioneel wil zeggen dat wij natuurlijk via taps weten wat er gebeurt. De traditionele methode gaat ervan uit dat de tegenpartij fouten maakt. In dat traject pakken wij op een gegeven moment dat aantal kilo's. Maar hoe dan ook: als je afluistert weet je veel meer dan op het moment waarop je ingrijpt. Wij moeten echter ingrijpen op het moment waarop de grotere hoeveelheden komen. Als die komen is daar vanuit de criminele organisaties meer kwaliteit tegenaan gezet en die moeten wij oppakken. Wij proberen niet alleen maar zoveel mogelijk kilo's te pakken.

De heerDe Graaf: U sprak ook over een ander traject, een klassiek recherchetraject, waarbij 1 100 kg cocaïne in beslag is genomen. Dat speelde aan het eind van het vorige jaar. Maar gingen daar ook geen lijntesters aan vooraf?

De heerBrand: Aan dat specifieke geval ging, voorzover ik weet, niet nadrukkelijk een lijntester vooraf.

Devoorzitter: Maar het is misschien niet goed om hier te veel in detail in te gaan op wat daar eventueel aan vooraf is gegaan. Het is althans onze indruk dat er iets meer aan voorafgaat dan louter klassiek rechercheren.

De heerBrand: Nou ik vind dat je het als een voorbeeld van klassiek rechercheren mag noemen. Dat er informatie in dat traject heeft meegespeeld, is altijd zo. Maar klassiek rechercheren is toch het bij elkaar brengen van informatie. Maar er is geen systematiek geweest van een lijnuittester op de manier waarop dat in de andere zaak is gebeurd.

Devoorzitter: Misschien weet u dat niet.1

Voor de «geslaagde» partijen krijgt de informant geld van de criminele organisatie. Na overhandiging van de justitiële beloning van 275 000 gulden draagt hij zijn verdiensten af. Het ingeleverde bedrag bedraagt meer dan een miljoen gulden. Dit geld wordt gestort op een rekening van de CRI.

Het doel van deze gecontroleerde afleveringen is te bezien wie in de criminele organisatie betrokken is bij de strafbare feiten. Gecontroleerde afleveringen vinden zowel plaats door de reguliere politie als door de Koninklijke marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten.

De heerVan Blijswijk: Gecontroleerde afleveringen kwamen met enige regelmaat voor en de vraag was: realiseert de leiding, in dit geval die van de douane, zich dat dit soort dingen gebeuren? Verder werd de vraag gesteld of aan het meewerken met de douane aan deze afleveringen geen grotere risico's verbonden waren voor het personeel dan aan het normale, reguliere werk. Die signalen waren aanleiding voor een contact. Dat contact heeft ertoe geleid dat de directeur van de douane en ik hebben gezegd: wij moeten dat gewoon eens bespreken en de zaken helder op een rij krijgen. Vervolgens hebben wij een afspraak gemaakt. Bij het gesprek op het ministerie van Financiën zijn mensen van de douane Amsterdam, onder wie de directeur Douane, en van de FIOD aanwezig geweest. Ik was daarbij ook aanwezig.

De heerRabbae: Wat is daaruit geresulteerd?

De heerVan Blijswijk: Uit dat gesprek is naar voren gekomen dat de aanwezigen geen enkele aanwijzing hadden dat er iets anders gebeurde dan gecontroleerde aflevering. Wij hebben verder geconstateerd in dat gesprek dat de methode, die wij al jaren kenden, correct was en dat wij medewerking zouden blijven verlenen als onder verantwoordelijkheid en op verzoek van het OM onze bijstand werd gevraagd.2

Meestal komt de politie plannen om partijen verdovende middelen in te voeren op het spoor door informatie van informanten of infiltranten. Zo weet men bijvoorbeeld het aantal containers, de naam van het schip en de haven van aankomst. Niet altijd blijkt deze informatie betrouwbaar:

De heerVan der Voort: De vraag van de heer Vos was of ik wel eens heb meegemaakt dat een aangekondigde proefzending van een bepaalde hoeveelheid later veel groter bleek te zijn. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Ik heb wel meegemaakt – die zaak is bij het verhoor van de heer Brand aan de orde geweest – dat iemand zich presenteerde als informant en een partij bij de politie meldde. Hij vertelde dat iets buiten de haven een schip lag met een partij van maar 40 of 50 kilo groot. Hij zei tegen ons dat de politie daar vooral niet aan moest komen, omdat daarna een partij zou komen die vele malen groter zou zijn. Dat verzekerde hij ons ook. Ik geloof dat zelfs werd gesproken over 1000 kilo cocaïne. Dat heb ik wel meegemaakt, maar dat is dus geen vooraf met mij en de politie doorgesproken traject, in de zin van: laat de lijntester maar komen. Dat is een geheel andere zaak geweest.

De heerVos: U besluit dan te vegen, als zo'n risico zich voordoet.

De heerVan der Voort: In dat geval hebben wij de partij gecontroleerd afgeleverd, omdat er twee dingen aan de orde waren. Het ene was dat de informant F volstrekt oncontroleerbaar en onbestuurbaar was. Dat was al in een eerdere zaak gebleken. Het andere aspect was dat wij zeer ernstige twijfels hadden over de betrouwbaarheid van deze informant. Ik had de indruk, samen met de politie, al in een heel vroeg stadium, dat het helemaal geen kleine partij was, maar dat op deze manier, met toestemming van de politie, met bescherming van de politie zelfs, om een ripdeal te voorkomen, een grotere partij werd ingevoerd. Het laatste bleek, want er zat geen 40 kilo in, maar 200 kilo.(....)

De heerVan der Voort: De partij is geschept, er is een gecontroleerde aflevering van gemaakt. De informant, tevens zijnde verdachte, is aangehouden, voorgeleid aan de rechter-commissaris en uiteindelijk voor de rechtbank gebracht. Ik heb een gevangenisstraf van acht jaar geist. De rechtbank heeft er zeven van gemaakt. Het Hof, om hem moverende redenen, heeft er drie jaar gevangenisstraf van gemaakt.1

Naast het gecontroleerd afleveren van drugs heeft de commissie ook aangetroffen dat dit incidenteel gebeurde met bedreigde diersoorten, gestolen auto's en wapens:

Een aantal handelaren smokkelt bedreigde diersoorten uit Australië naar Nederland. Deze diersoorten worden gemengd met legaal te verhandelen dieren en de facturen worden vervalst. Vanaf Schiphol worden de dieren tijdelijk ergens in Nederland ondergebracht. Hierna worden ze verzonden naar handelaren in de Verenigde Staten met de vermelding dat de dieren in gevangenschap zijn gefokt in Nederland. Teneinde de smokkel en de valsheid in geschrifte te bewijzen worden de dieren gefotografeerd en gewaarmerkt bij invoer en uitvoer op Schiphol. Zo kan na transport in de VS worden vastgesteld dat dit dezelfde dieren zijn als in Nederland. De US Fish and Wildlife Service is op de hoogte.

Naar aanleiding van een Amerikaans rechtshulpverzoek heeft een gecontroleerde aflevering van wapens plaatsgevonden. Er was van Amerikaanse zijde niet vermeld dat de af te leveren partij wapens betrof en de verdachte militair was. Direct na aflevering is huiszoeking gedaan waarbij een partij pistolen en munitie is gevonden.

Politie en justitie laten een partij verboden goederen (veelal verdovende middelen) niet alleen afleveren aan de criminele organisatie, maar ook doorleveren aan de verdere tussenpersonen en de afnemers. Op die manier hopen politie en justitie inzicht te krijgen in het gehele traject van de verdovende middelen. De doelstelling is de verboden goederen in de tweede, derde of vierde hand in beslag te nemen. Het probleem daarbij is dat een partij drugs veelal wordt opgesplitst in kleinere hoeveelheden waardoor het voor politie en justitie nagenoeg onmogelijk wordt om alle deelpartijen te blijven observeren.

6.3.6 Doorlaten

Het doorlaten van verboden goederen betreft met name verdovende middelen.2 In de afgelopen jaren zijn naast de tonnen softdrugs ook honderden kilo harddrugs op de markt terecht gekomen, terwijl politie en/of justitie zicht hadden op deze partijen drugs. De precieze hoeveelheden drugs die met medeweten van politie en justitie op de markt terecht zijn gekomen, zijn niet te bepalen. Over het aantal in een concreet onderzoek wordt in een verhoor gezegd:

Devoorzitter: Van hoeveel kilo harddrugs weet u dat ze op de markt gebracht zijn?

De heerKarstens: Ik wil niet over exacte aantallen spreken, omdat de operatie nog steeds loopt. Het is meer dan 100 maar minder dan 500.

Devoorzitter: U heeft het dan over het politie-infiltratietraject?

De heerKarstens: Ja.

Devoorzitter: In de afgelopen jaren?

De heerKarstens: Er is sprake van een redelijk unieke situatie. Er was nog één zaak met softdrugs.

Devoorzitter: Die harddrugs van meer dan 100 maar minder dan 500 kilo, hebben die betrekking op één zaak?

De heerKarstens: Ja, één zaak.

Devoorzitter: Was er ook nog niet een met 50?

De heerKarstens: Dat is dezelfde zaak.

Devoorzitter: Het kwam dus meerdere keren voor in die zaak?

De heerKarstens: Ja.

Devoorzitter: Dat is de enige die u kent?

De heerKarstens: Waarbij wij harddrugs hebben doorgelaten? Ja!3

De redenen voor de doorlating van drugs verschillen. Het kan zijn dat de criminele organisatie een drugsmokkelroute (druglijn) wil testen alvorens een grote partij af te zenden. De kleine testzending wordt dan doorgelaten. Ook kan een aantal grotere partijen worden doorgelaten om zicht te krijgen op de criminele organisatie.

De commissie heeft in een aantal gevallen vastgesteld dat partijen soft- en harddrugs bewust op de markt terecht zijn gekomen. In hoofdstuk 3 zijn enkelen gevallen uitgebreid beschreven en in de navolgende paragrafen komen nog de doorlatingen in het Copa- en Exportonderzoek aan de orde. De commissie heeft echter nog meer gevallen aangetroffen:

Een kernteam heeft een (open) infiltratietraject overgenomen van een Europees land in een drugslijn van Zuid-Amerika naar Nederland. Het betreft een buitenlandse burger-infiltrant en een politie-infiltrant. Ten tijde van het overnemen moet een partij van 9000 kilo marihuana worden doorgelaten uit Zuid-Amerika via het Europese land in Nederland.

De heerDe Graaf: Als het gaat over een partij van zeg 10 000 kilo marihuana, wordt dat ongetwijfeld weer verdeeld in deelpartijen. Je moet dat met observatieteams zodanig bijhouden, dat je het dan ineens in een heel andere regio laat wegtippen.

De heerBlok: De partij waarover u spreekt, is wel gevolgd met een OT, maar het is niet gelukt om die partij vervolgens in beslag te nemen.

De heerDe Graaf: Maar daar was de doelstelling van de politie ook niet op gericht?

De heerBlok: Jawel, want er was observatie, ook nadat er doorgeleverd was.1

Dit is een lijntester waarna door het kartel een grote partij cocaïne zal worden verzonden. De partij komt via dezelfde route als de partij marihuana naar Nederland. Deze partij cocaïne wordt gecontroleerd afgeleverd en blijkt na huiszoeking 250 kilo te bevatten. Bij deze gelegenheid wordt nog een partij van 150 kilo aangetroffen. Er worden in totaal acht huiszoekingen gedaan en 19 verdachten aangehouden.

Voor dit traject heeft de vorige minister van Justitie, Kosto, expliciet toestemming gegeven.

Devoorzitter: Het laatste punt dat ik kort aan de orde wil stellen: in het eerste verhoor van de heer Wooldrik hebben we het over een zaak gehad van de doorlevering van softdrugs, die bij u aan de gang was. Omdat uit de toetsingscommissie bleek dat toestemming was gegeven door de waarnemend procureur-generaal, is gebleken dat de minister daarvan wist. Inmiddels is opgehelderd dat de minister ervan geweten heeft. Dat was de heer Kosto, en daarna mevrouw Sorgdrager. Hoe is het gegaan tussen u en de minister?

De heerBlok: Ik was daarbij niet persoonlijk betrokken. Het speelde in augustus, en toen was ik op vakantie. In dat hele traject hebben allemaal waarnemers gespeeld, zoals u misschien heeft ontdekt. Mijn plaatsvervanger heeft de plaatsvervangend PG op de hoogte gesteld, die vervolgens de minister op de hoogte heeft gesteld. Het is dus via een plaatsvervangend PG gegaan.

Devoorzitter: Schriftelijk?

De heerBlok: Nee, dat is een mondeling overleg geweest, tussen mijn plaatsvervanger en de plaatsvervangend PG.

Devoorzitter: De plaatsvervangend PG moet dus naar het ministerie zijn gegaan, en daar is het blijkbaar neergeslagen in een notitie?

De heerBlok: Het laatste weet ik niet helemaal zeker. Ik weet wel dat de plaatsvervangend PG een ambtenaar op het departement heeft benaderd, die vervolgens de minister heeft benaderd.2

Het tweede voorbeeld betreft een Arubaans onderzoek dat overgenomen wordt door de Amsterdamse politie:

De politie in Aruba verzoekt de Amsterdamse recherche om te assisteren bij een infiltratietraject. Verteld wordt dat er reeds een boot met ongeveer 2500 kilo marihuana onderweg is naar Amsterdam, wat geldt als een proeftransport. Hierna zal een partij van 2 á 3 ton cocaïne komen. De landelijke officier van justitie verleent toestemming. De recherche heeft haar bedenkingen:

De heerWelten: (..) Wij zijn geforceerd geworden om mee te werken aan zo'n traject. Met «zo'n traject» bedoel ik dat wij de oorsprong van de informatie niet konden toetsen. Was de informatie op basis waarvan activiteiten door de politie moesten worden ontplooid, rechtmatig verkregen informatie? Als dat niet rechtmatig is, werken wij daar liever niet aan mee. In die tijd hebben wij daar een dispuut over gehad en het moest toch. Nu, wij hebben het gedaan. De levering is doorgegaan en er is f.930 000 van de betrokken persoon die het invoerde, afgenomen en dat is naar de autoriteiten in het land van herkomst teruggegaan.1

Er komen twee burgerinfiltranten onder politiebegeleiding uit Aruba naar Nederland om in Amsterdam contact te leggen met de ontvangers van de partij verdovende middelen. De infiltranten maken de partij vrij en brengen die onder beheer van de politie. Later wordt de partij overgedragen aan een groep Nederlandse criminelen waar een andere regio mee bezig is. De politie aldaar wordt op de hoogte gebracht van de opslagruimte waar de partij ligt. Een deel wordt in beslag genomen, een ander deel verdwijnt in het milieu.

De heerDe Graaf: Waar ging het in dat geval om? Softdrugs?

De heerWelten: Het was softdrugs, 2500 kilo.

De heerDe Graaf: Die is op de markt verdwenen?

De heerWelten: Die is voor een deel aangehouden, heeft men mij gezegd, en is op de markt verdwenen, ja.2

De opbrengst van de verkoop van deze partij wordt in beslag genomen en op uitdrukkelijk verzoek overgemaakt op een bankrekening van de autoriteiten te Aruba. Vervolgens wordt geen medewerking meer verleend aan het Arubaanse traject daar onder meer de beheersbaarheid van de infiltranten moeilijk is gebleken.

Het doorlaten van partijen drugs heeft vaak tot doel zicht te krijgen op de top van een criminele organisatie en deze strafrechtelijk te vervolgen. De commissie constateert dat in gevallen waarin gebruik is gemaakt van doorlating wel veel aanhoudingen zijn verricht en veroordelingen zijn gevolgd (met name in het Copa-onderzoek), maar er geen sprake is geweest van het succesvol vervolgen van de top van de criminele organisatie.

6.3.7 Corruptiegevoeligheid

Een onderwerp dat regelmatig in verband wordt gebracht met infiltratie is het gevaar van het «afglijden» van een politie-infiltrant in het criminele milieu. Immers deze opsporingsmethode brengt nauw contact met de criminele organisatie met zich mee met alle verleidingen van dien. Nordholt licht tijdens zijn openbaar verhoor het besluit tot opheffing van de pseudo-koopteams in Amsterdam toe en hij benadrukt hierbij ook de risico's van de methode:

Devoorzitter: Kunt u kort de redenen aangeven, waarom de teams zijn opgeheven?

De heerNordholt: (...) Ik was altijd tegen pseudo-koop. Ik heb wat dat betreft altijd dezelfde lijn gevolgd die de heer Blaauw uit Rotterdam ook volgde. Ik denk dat je het middel eigenlijk niet zou moeten toepassen. Ik vind het gevaarlijk. Het gevaar is groot dat collega's die in zo'n traject terechtkomen, afglijden. Je krijgt in zekere mate een gespleten geest als je het maar lang genoeg doet. Eigenlijk vind ik de voordelen ervan niet opwegen tegen de nadelen, waarbij je moet denken aan de psychische en vaak ook fysieke bescherming van collega's.3

In deze paragraaf zullen aan de hand van een aantal casus verschillende corruptie-risico's bij infiltratie worden beschreven.

Het risico van normafwijkend gedrag en het lekken van informatie

De methode van infiltratie vereist dat een politieambtenaar (soms zeer lange tijd) intensieve contacten onderhoudt met het criminele milieu. Het voortzetten van deze contacten nadat hij zijn functie als infiltrant heeft beëindigd kan leiden tot verschillende risico's, zo blijkt uit de volgende casus.

CasusEen informant verklaart aan een criminele inlichtingendienst dat een begeleider van een unit pseudo-kopers vertrouwelijke politie-informatie verkoopt. Naar aanleiding van onder andere deze verklaring wordt een onderzoek naar de betrokken politieman gestart. Tijdens het onderzoek worden geen aanwijzingen gevonden voor de beschuldiging van de informant, maar blijkt wel dat de betrokken politieman veelvuldig privé-contacten onderhoudt met personen uit het criminele milieu. Er komt onder meer naar voren dat hij regelmatig een café bezoekt waar hij ook komt voor zijn politiewerk. In het café wordt in goud gehandeld. De betrokken politieman koopt hier onder meer goud voor zichzelf en hij wordt er bovendien van verdacht de handelaar zijn diensten aan te bieden als bewaker. De politieman heeft verschillende kennissen in de bouwwereld en krijgt zo korting bij de aanschaf van bouwmaterialen voor zichzelf en voor anderen. Een aantal van deze kennissen, zo blijkt uit het onderzoek, heeft criminele contacten of heeft zelf een crimineel verleden. De betrokken politieman heeft bovendien op zijn huisadres telefonisch contact met personen uit het criminele milieu. Hij bemiddelt op die manier onder andere bij de aanschaf van een auto voor een vriend en op verzoek van een kennis heeft de politieman in het verleden wel eens het HKS systeem geraadpleegd om na te gaan of hij, wanneer hij op wintersport zou gaan, op Schiphol zou worden aangehouden voor openstaande boetes. Voordat betrokkene werkzaam was als begeleider van een unit pseudo-kopers, is hij in de jaren zeventig vanwege disciplinaire redenen overgeplaatst naar een ander politiebureau. De directe aanleiding hiervoor was dat hij samen met zijn echtgenote een gala-avond had bezocht, op uitnodiging van een bevriende medewerker van een particulier beveiligingsbedrijf die ook hun toegangsbewijzen betaalde. Hierdoor, en door een aantal andere omstandigheden, wekte hij de indruk dat hij voor het bedrijf bewakingswerkzaamheden zou verrichten. Betrokkene is vanaf eind jaren tachtig werkzaam geweest als begeleider van een pseudo-koopteam en werkt op dit moment niet meer bij de politie.

Bovenstaand voorbeeld illustreert hoe de methode van politiële infiltratie ook risico's kan opleveren ten aanzien van het lekken van vertrouwelijke politie-informatie.1 In de praktijk zal dit risico vaak nauw samenhangen met andere vormen van corruptie, zo blijkt onder meer uit de volgende casus.

CasusNaar aanleiding van belastende verklaringen door zijn ex-vrouw en een voormalige vriendin, stelt de Rijksrecherche een onderzoek in naar een lid van een politieel infiltratieteam. De betrokken politieman, die door zijn collega's wordt omschreven als professioneel, gedreven en soms zelfs fanatiek, is naast part-time pseudo-koper/infiltrant ook werkzaam als CID-rechercheur. Uit het rijksrecherche-onderzoek blijkt onder meer dat hij aan familie, vrienden en kennissen regelmatig zeer gedetailleerde verhalen vertelt over afgeronde of op stapel staande pseudo-koop- en infiltratie-acties en andere aspecten van zijn werk. Thuis in zijn werkkamer hangen foto's die zijn genomen tijdens inzetten van zijn team en bezoekers bij hem thuis laat hij politievideo's zien van zijn werk. Zijn echtgenote heeft hij verschillende malen meegenomen naar enkele zogenaamde safehouses. De betrokken politieman blijkt bovendien een illegaal vuurwapen (een riot gun) te bezitten dat hij bij een collega in bewaring heeft gegeven. Hij heeft dit wapen aangeschaft omdat hij zich naar aanleiding van een voorval in een café met een crimineel die hem kende als politie-ambtenaar en als gevolg van uitlatingen van zijn ex-vriendin, bedreigd voelde. Tijdens de opleiding voor pseudo-koop/infiltratie wordt uitgebreid aandacht besteed aan het simuleren van druggebruik. Betrokkene heeft met toestemming van zijn chefs, en uit het budget van het politie infiltratieteam, een coke-setje voor het gebruik van cocaïne aangeschaft dat hij bij zich mocht dragen. Uit het onderzoek van de Rijksrecherche blijkt dat hij, ondanks dat hem dit nadrukkelijk is verboden, een aantal jaren privé cocaïne heeft gebruikt. Daarnaast maakt de politieman zich zowel binnen als buiten diensttijd schuldig aan overmatig drankgebruik, onder andere onmiddellijk voorafgaand aan een actie (door hemzelf bestempeld als «voordrinken»). Tegen de pseudo-koper/infiltrant bestond aanvankelijk ook de verdenking dat hij samen met enkele collega's tegen betaling politie-informatie zou doorgeven aan een particulier beveiligingsbedrijf, maar tijdens het rijksrecherche-onderzoek is dit niet aangetoond. Betrokkene blijkt enige jaren niet in bezit te zijn geweest van een verplicht «A-nummer» omdat hij niet de vereiste opleiding voor pseudo-koper heeft gevolgd. Toen hij zich aanmeldde voor deze opleiding bleek er op dat moment geen plek meer te zijn en daarom heeft hij in plaats daarvan de opleiding voor pseudo-koop-begeleider gevolgd. De pseudo-koper/infiltrant, die in strijd met de Richtlijnen infiltratie langer dan 4 jaar als zodanig werkzaam geweest, is inmiddels geschorst.

Dit politiële infiltratieteam is inmiddels ontbonden. De Rijksrecherche heeft in haar onderzoek in deze zaak niet alleen gekeken naar de individuele politieambtenaar, maar heeft ook nadrukkelijk onderzocht in hoeverre er mogelijk sprake was van een structureel probleem. Uit het onderzoek blijkt dat het team op een aantal punten slecht georganiseerd was en op verschillende manieren ruimte kon bieden aan vormen van poli