24 071
Wateroverlast in Nederland

nr. 22
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 29 mei 1995

Bijgaand stuur ik u een voortgangsrapportage betreffende de schade-afwikkeling van de wateroverlast die begin '95 optrad. Hierin is de stand van zaken in het land en bij de verschillende betrokken ministeries opgenomen. Voorts wordt ingegaan op een aantal vragen dat reeds eerder door de vaste kamercommissie voor Binnenlandse Zaken werd gesteld. Deze voortgangsrapportage wordt aan de orde gesteld in het komende mondeling overleg met uw Kamer.

Een evaluatie van het overheidsoptreden naar aanleiding van de wateroverlast zal ik u afzonderlijk toesturen.

De Minister van Binnenlandse Zaken,

H. F. Dijkstal

VOORTGANGSRAPPORTAGE SCHADE-AFWIKKELING WATEROVERLAST 1995

1. Particulieren

a. Het Nationaal Rampenfonds

Het Nationaal Rampenfonds (NRF) verzorgt de schadevergoeding aan particulieren die gedupeerd zijn door waterschade. Over de wijze van uitvoering en de opstelling van een uitkeringsreglement heeft het NRF overleg gevoerd met vertegenwoordigers van de betrokken provincies en de Stichting Watersnood Particulieren 1995. Op 6 april heeft het NRF zijn uitkeringsreglement vastgesteld.

Het uitkeringsreglement Watersnood 1995 kent geen eigen risico. Evenals in 1993 wordt afgezien van het aanvankelijke voornemen om een algemeen eigen risico op te nemen. Van opstalschade wordt 90% vergoed. Voor inboedelschade is een staffeling opgenomen die globaal overeenkomt met die van het reglement in 1993.

Het reglement geeft twee extra vergoedingen. Een forfaitair bedrag van f 100,voor de vergoeding van extra stookkosten. Het gaat hierbij om woningen die door het water zijn getroffen. Tevens kunnen ouderen van 65 jaar en ouder, per huishouden, in aanmerking komen voor een forfait van f 250,- voor bereddingskosten. Dit zijn kosten die gemaakt zijn voor schadebeperkende maatregelen. In het reglement is een hardheidsclausule opgenomen op grond waarvan in bijzondere schadegevallen particulieren een beroep kunnen doen op het Nationaal Rampenfonds. Tot 1 oktober 1995 kan men hierop een beroep doen.

De feitelijke uitvoering wordt verzorgd door de Stichting Watersnood Particulieren 1995. Vanuit de provincies Gelderland, Noord-Brabant, Overijssel, Zuid-Holland en Limburg zijn bestuursleden op voordracht van de Commissarissen der Koningin in het bestuur van deze stichting opgenomen. Deze stichting treedt op voor alle betrokken provincies.

b. Stand van zaken

De experts zijn gereed met hun werk in de categorie particulieren. Na afronding van hun werk is het gegevensbestand gecontroleerd op kwaliteit, volledigheid, juistheid en dergelijke. Dit is mede door accountants gebeurd. Vervolgens was er een toets op eigendom via een controle van de Onroerende Zaak-Belasting.

Er zijn dit jaar circa 5700 schademeldingen ontvangen voor inboedel- en opstalschade. Medio mei zijn 4773 huishoudens geïnformeerd over de verdere procedure en het toegekende schadebedrag. Tevens is een voorschot verstrekt van 75% op deze dossiers, ten bedrage van f 25,5 mln. De totale uitkeringen zijn geraamd op circa f 35 mln.

Vanaf 29 mei kan de uitbetaling van het grootste deel van de gevallen plaatsvinden. Tenslotte kan nog een bezwarenronde nodig zijn en zullen hardheidsgevallen behandeld moeten gaan worden.

c. Particuliere verhuurders en eigenaars vakantiewoningen/stacaravans

Het NRF rekent de vergoeding van schade die is geleden door kleine particuliere verhuurders en schade aan stacaravans en recreatiewoningen niet tot zijn taak. Ik heb mij op verzoek van de Stichting Watersnood Particulieren '95 en van de Commissaris der Koningin in Limburg over deze twee categorieën gebogen. In overleg met de provincie Limburg is besloten ook deze twee categorieën gedupeerden schadevergoeding toe te kennen. De regering heeft hiervoor f 10 mln uitgetrokken. De uitvoering zal plaatsvinden door of vanwege de provincies. De meest betrokken provincie, Limburg, gaat hiermee akkoord. Inmiddels heb ik de provincies schriftelijk in kennis gesteld van de randvoorwaarden op grond waarvan zij een regeling kunnen opstellen.

d. Stand van zaken

Bij de kleine particuliere verhuurders zijn momenteel (23 mei 1995) 225 gevallen bekend en grotendeels getaxeerd. De geraamde kosten bedragen f 1,8 mln. Nog ongeveer 120 dossiers zijn in onderzoek, hiervoor bedraagt het geraamde schadebedrag f 500 000,- Het totaal van de raming bedraagt derhalve f 2,3 mln.

Van de recreatiewoningen en sta-caravans zijn 1364 dossiers in behandeling. Het geraamde schadebedrag is f 8,7 mln.

e. Financiële situatie Nationaal Rampenfonds

De inzameling bij de bevolking, die het NRF heeft georganiseerd, heeft 82 miljoen gulden opgebracht. Op grond van zijn reglement zal het NRF globaal f 40 mln besteden. Het overschot zal het NRF aan het rijk overdragen, onder de voorwaarde dat dit overschot ten goede zal komen aan de f 500,- regeling voor evacués. Deze regeling zal naar verwachting f 52 mln kosten, zodat hiermee het gehele overschot van het NRF besteed is. Van de f 500,-regeling is dan f 10 mln nog niet gefinancierd.

De regering heeft toegezegd het door het NRF ingezamelde geld te verdubbelen. Deze toezegging blijft overeind. Het NRF heeft laten weten geen aanspraak te maken op de verdubbeling ten behoeve van de gedupeerden die onder zijn reglement ressorteren. Dit betekent dat de rijksoverheid de verdubbeling ten goede zal laten komen van andere gedupeerden van de wateroverlast. Uit de f 82 mln aan verdubbeling worden in ieder geval nog gefinancierd: f 10 mln aan evacuatiekosten voor particulieren en f 10 mln voor schadevergoeding aan particuliere verhuurders en aan eigenaren van vakantiehuisjes en stacaravans. Resteert een bedrag van f 62 mln. Hieruit kan worden geput voor schade van andere categorieën gedupeerden. Over de invulling van dit bedrag zal de Ministerraad beslissen wanneer het totaalbeeld van de kosten bekend is.

f. Evacuatieforfait

De regering heeft besloten een vast bedrag van f 500,- ter beschikking te stellen voor geëvacueerde huishoudens. Ik heb de gemeenten gevraagd dit besluit uit te voeren. De gemeenten kunnen de kosten van de tegemoetkoming declareren bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Voorwaarde is dan wel dat de gemeenten een regeling opstellen waarin opgenomen is onder welke voorwaarden huishoudens aanspraak kunnen maken op een forfaitaire uitkering. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft op mijn verzoek een model-verordening opgesteld ten behoeve van de gemeenten. In deze regeling is er uitdrukkelijk voor gekozen geen bijdrage toe te kennen aan die huishoudens die geweigerd hebben om een gemeentelijk evacuatiegebod op te volgen.

In sommige gevallen is slechts een evacuatieadvies gegeven, als dat het geval is kan wel tot uitbetaling worden overgegaan. De beoordeling hiervan ligt bij de gemeente. In situaties waarin sprake is geweest van onder water gelopen woningen, terwijl geen evacuatie advies of gebod gold en evacuatie zelfstandig heeft plaatsgevonden, zal in de geest van de regeling eveneens tot uitbetaling van het evacuatieforfait worden overgegaan.

Afgelopen februari is een schatting gemaakt van het aantal huishoudens dat voor een uitkering op grond van het evacuatieforfait in aanmerking komt.

Het aantal geëvacueerde huishoudens werd toen geschat op circa 100 000.

Omdat het uitvoeren van een dergelijke regeling voor de gemeenten in de getroffen gebieden administratieve lasten met zich brengt heb ik ten aanzien van de uitvoeringskosten besloten om aan de gemeenten, als tegemoetkoming, een standaardvergoeding van f 2,- per uit te keren huishouden toe te kennen. Rentekosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

g. Stand van zaken

De stand van zaken is alsvolgt. Tot op 4 mei 1995 zijn er door de getroffen gemeenten declaraties ingediend voor 92 715 huishoudens. Deze declaraties zijn het ministerie van BiZa afgewikkeld. Inclusief de bedragen die aan de gemeenten ter beschikking gesteld zijn als tegemoetkoming in de uitvoeringskosten, is een bedrag van f 46 542 930,- betaalbaar gesteld aan de gemeenten. De verwachting is dat er nog een aantal declaraties zal binnenkomen. Ten aanzien van een aantal in eerste instantie afgewezen aanvragen zijn op dit moment nog bezwaarschriftenprocedures bij de gemeenten aanhangig.

Een overzicht van betaalde bedragen per gemeente kan desgewenst worden verstrekt. In de Voorjaarsnota is voor deze uitvoering van deze regeling vooralsnog een bedrag van f 52 000 000,- opgenomen.

2. Bedrijfsleven

Voor het niet-agrarisch bedrijfsleven heeft het ministerie van Economische Zaken een drietal regelingen:

a. Subsidieregeling waterschade 1995

Vergoedingen:

a. activaschade en bereddingskosten (65%, indien ook in 1994 schade (90%)

b. evacuatie-, opslag- en verzekeringskosten (100%).

Recentelijk doorgevoerde wijzigingen: een forfait van f 1500,- voor evacuatiekosten met daarbij de mogelijkheid om te declareren op basis van werkelijke kosten; in eigen beheer uitgevoerde evacuatiekosten tellen mee indien verricht buiten de normale werkuren (tegen een uurtarief van maximaal f 33,- per mens-uur).

Omzetschade komt, overeenkomstig kabinetsbesluit, niet voor vergoeding in aanmerking.

Er wordt geen vergoeding verleend indien de schade lager is dan f 2000,(uitgezonderd forfait evacuatiekosten).

Werkingsgebied:

ad a. gemeenten waar zich daadwerkelijk schade als gevolg van hoge waterstand van de Rijn of Maas heeft voorgedaan, dan wel waar door bevoegd gezag een evacuatiegebod of evacuatie-advies is uitgevaardigd.

ad b. gemeenten of delen daarvan waarvoor het bevoegd gezag een evacuatiegebod of -advies heeft uitgevaardigd.

Schade aan schepen en aan auto's valt niet onder de regeling aangezien deze verzekerbaar is.

Uitvoering:

De uitvoering verloopt (analoog aan 1994) door de daartoe in het leven geroepen Stichting Watersnood Bedrijven Nederland 1995, onder voorzitterschap van oud-staatssecretaris P.H. van Zeil. In deze stichting werken samen het IMK-Limburg, de LOZO (Limburgse Organisatie van Zelfstandige Ondernemers) en de Kamers van Koophandel en Fabrieken uit de door overstromingen of evacuaties getroffen gebieden.

b. Stand van zaken

De stand van zaken per 1 mei jl. was (tussen haken de cijfers betreffende 1994): 8092 schademeldingen (1994: 1886); 6055 daadwerkelijke subsidie-aanvragen (1994: 1603). Gebleken is dat de stichting haar werkzaamheden in een hoog tempo verricht: per 1 mei waren inmiddels 2274 taxatierapporten opgesteld; circa 700 dossiers waren op dat moment in betaling of reeds betaald en daarmee was circa f 26 mln gemoeid.

Bij deze cijfers zij aangetekend dat vanwege genoemde wijzigingen in de regeling, de aanmeldingstermijn is verlengd tot 10 mei (melding van vervolgschade is mogelijk tot 1 november a.s.). In de periode tot 10 mei zijn nog enkele duizenden aanvragen ingediend (deels nieuwe, deels in aanvulling op een eerdere aanvraag); het totaal aantal betrokken bedrijven wordt thans geschat op circa 15 000.

c. Regeling borgstelling waterschadekredieten

Doel: tegemoetkomen aan financieringsbehoefte van ondernemers die niet beschikken over voldoende bancaire zekerheden, die in ernstige bedrijfsvoeringsproblemen zijn geraakt als gevolg van de recente overstromingen en evacuaties in het stroomgebied van de Rijn en de Maas.

Vorm: een door een bank te verlenen renteloos krediet (rentesubsidie door de overheid), waarbij de overheid voor 90% van het krediet borg staat.

Looptijd 6 jaar.

Kredietomvang: het gedeelte van de activaschade (zie subsidieregeling waterschade 1995) dat voor eigen rekening komt, vermeerderd met 3% van de jaaromzet 1994 van de betreffende ondernemer.

Drempelbedrag van het krediet is f2000,-.

d. Stand van zaken

Stand van zaken per 18 mei: er zijn nog geen aanvragen ingediend (1994: 44 kredieten verleend, tot een totaalbedrag van 2,4 mln.)

e. Bedrijvenfonds hoogwater 1995

Dit fonds strekt ten behoeve van ondernemers die, ondanks de bovenvermelde regelingen, als direct en uitsluitend gevolg van de wateroverlast ernstige bedrijfsvoeringsproblemen hebben of zullen krijgen. De Stichting Watersnood Bedrijven Nederland 1995 is (analoog aan 1994) met de werking van dit fonds belast. Daarbij zal maximaal gebruik worden gemaakt van de in Limburg opgedane ervaringen met betrekking tot de wateroverlast van 1993/94; een en ander betekent dat het om maatwerk per onderneming zal gaan.

De criteria worden nog nader vastgesteld.

3. Agrarisch bedrijfsleven

De minister van LNV informeerde uw Kamer reeds eerder ten aanzien van de afhandeling van de schade bij boeren en tuinders als gevolg van de watersnood van eind januari, begin februari 1995 (brief van 2 mei '95, TK 94–95, 24 071, nr. 20). Hier geef ik u een korte situatieschets.

a. Bijdrageregeling landbouwbedrijven overstromingsschade 1995

Op grond van het op 15 en 16 maart jl. gevoerde overleg in de Tweede Kamer is de Bijdrageregeling landbouwbedrijven overstromingsschade 1995 op een aantal punten aangepast. De belangrijkste aanpassingen zijn:

– voor de agrarische sector is er geen maximum aan de vergoeding van de evacuatiekosten;

– kosten van extra eigen arbeid in eigen beheer bij evacuatie, beredding en opruiming komen voor vergoeding in aanmerking;

– voor leningen, aangegaan voor herstel van de schade, kan een rentesubsidie van 4% worden verkregen;

– teeltplanschade en bedrijfsschade, geleden in de periode van evacuatie of overstroming (week 5 van 1995) komen voor vergoeding in aanmerking.

b. Stichting Fonds Watersnood 1995 Land- en Tuinbouw

Op grond van de resultaten van de eerste 1000 taxaties kan worden geconcludeerd dat de schadevergoedingsregeling in zijn algemeenheid voldoet. In een beperkt aantal gevallen is echter gebleken dat de bijdrageregeling aantoonbaar tekort schiet. In overleg met LT0-Nederland is hiervoor een aantal speciale categorieën knelsituaties benoemd, waar de Stichting Fonds Watersnood 1995 Land- en Tuinbouw, aanvullend op de schadervergoeding op basis van de bijdrageregeling, een extra tegemoetkoming zou moeten geven. Daartoe heeft de regering besloten hiertoe een bedrag van circa f 5 miljoen ter beschikking te stellen aan deze Stichting.

Ter invulling van de op 16 maart jl. door de Tweede Kamer aangenomen motie Keur c.s. is nagegaan waar en in welke mate er sprake is van onaanvaardbaar hoge eigen risico's. Gelet op de uitkomsten van de taxaties en de thans beschikbare informatie over andere getroffen bedrijven is de regering van mening dat een aftopping van de soms zeer hoge eigen risico's noodzakelijk is. In overeenstemming met LT0-Nederland heeft de regering besloten om aan de Stichting hiertoe een bedrag van f 11,5 miljoen ter beschikking te stellen. De manier van aftoppen is de verantwoordelijkheid van de Stichting.

c. Noodfaciliteit

Voor agrarische bedrijven die in acute liquiditeitsproblemen zijn gekomen ten gevolge van de watersnood was er tot 1 mei jl. de mogelijkheid een beroep te doen op de noodfaciliteit van het Borgstellingsfonds voor de Landbouw. Dit krediet kan betrekking hebben op herstel van de schade enerzijds of op hervatting van de bedrijfsvoering anderzijds. Voor deze bedrijven kunnen de banken de financiering van het herstel van de schade verstrekken, terwijl het borgstellingsfonds zich garant stelt voor deze noodfaciliteit. Van deze faciliteit is door 35 boeren en tuinders gebruik gemaakt.

d. Mogelijkheid van bevoorschotting

Vanaf 13 maart jl. is ter voorkoming van onnodige liquiditeitsproblemen bij gedupeerde boeren en tuinders de mogelijkheid gecreëerd, vooruitlopend op de uiteindelijke schadevergoeding, een voorschot voor bereddingskosten, opruimingskosten en directe activaschade uitbetaald te krijgen. Bovendien kan vanaf deze datum een voorschot worden verkregen voor evacuatiekosten. Bevoorschotting is alleen mogelijk indien voor genoemde posten nota's of facturen kunnen worden overlegd.

e. Stand van zaken

Tot en met 18 mei jl. zijn 600 aanvragen voor een voorschot ingediend. Door de Dienst Uitvoering Regelingen (DUR) zijn inmiddels 530 aanvragen uitbetaald. Hiermee is een bedrag gemoeid van 4,3 miljoen gulden.

f. Taxaties en aanvragen schadevergoeding; stand van zaken

Op 24 april jl. waren er 1000 taxaties afgerond. In totaal verwacht het Bureau Watersnood Agrarisch in Roermond dat er circa 3950 taxaties bij getroffen boeren en tuinders zullen plaatsvinden.

De afgeronde taxaties vormen een onderdeel van de aanvraag voor schadevergoeding. Op 18 mei jl. waren er 1150 aanvragen bij de DUR binnengekomen. Hiervan zijn er inmiddels bijna 700 behandeld en uitbetaald. Op 18 mei waren er 48 aanvragen voor een rentesubsidie ingediend.

4. Zorginstellingen

De ministerraad heeft een schaderegeling voor zorginstellingen vastgesteld. Over de uitvoering van de regeling vindt overleg plaats met de koepel-organisaties. De minister van VWS zal u afzonderlijk over de inhoud van de regeling informeren.

Het ligt in de bedoeling dat voor de zomer de kosten zijn geïnventariseerd, waarna zo spoedig mogelijk afhandeling van de schade kan plaatsvinden.

In het mondeling overleg van 22 februari jl. is ook gevraagd naar de stand van zaken op het terrein van de psychosociale nazorg.

Het Ministerie van VWS financiert mede een onderzoek dat door de RIAGGRivierenland wordt uitgevoerd inzake de psychosociale gevolgen van de wateroverlast.

Mede op basis van dit onderzoek en ervaringen, opgedaan bij calamiteiten in het recente verleden zullen gedragsregels ter voorkoming van psychosociale gevolgen bij gebeurtenissen zoals de wateroverlast, maar ook bij andere calamiteiten, worden opgesteld. Ook hierover zal de minister van VWS u nader informeren.

De budgettaire gevolgen hiervan dienen nog geregeld te worden. In de Voorjaars- nota is hiervoor nog geen voorziening getroffen.

5. Decentrale overheden, andere rechtspersonen, rampbestrijders en bijstand

Ik heb op mijn ministerie een Tijdelijk Bureau Schadevergoedingen Wateroverlast ingesteld, dat belast is met de uitvoering van de verschillende vergoedingsregelingen die in deze paragraaf worden genoemd en met de uitvoering van de f 500,-regeling. Bij dit bureau is tevens een informatiepunt ondergebracht waar mede-overheden en hulpverleningsorganisaties met hun vragen op het terrein van schadevergoeding terecht kunnen.

a. Regeling voor infrastructuur en gebouwen gemeenten, provincies en waterschappen

Het Rijk stelt middelen beschikbaar voor een bijdrage in de kosten in verband met schade aan infrastructuur en gebouwen van provincies, gemeenten en waterschappen. De middelen worden uitgekeerd aan de provincie die vervolgens de gelden op basis van een provinciale regeling uitkeert aan de betrokkenen. De grondslag van de middelen die het Rijk beschikbaar stelt wordt gevormd door de totale schade die beëdigde taxateurs vaststellen. Het bedrag bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel is 65% van 90% van de getaxeerde totaalschade waarbij 10% van de getaxeerde schade voor eigen rekening blijft. Het tweede onderdeel betreft 10% van de getaxeerde totaalschade in verband met hardheidsgevallen.

In aanvulling op hetgeen u bij brief van 7 februari reeds is gemeld, zullen ook middelen beschikbaar worden gesteld voor een bijdrage in de kosten van maatregelen gericht op de bescherming van infrastructuur en gebouwen; het gaat hier om kosten in verband met beredding. Bij brief aan de provincies heb ik hierover nadere regels gesteld. Aan de uitvoering van de regeling wordt momenteel door de provincies gewerkt.

b. Stand van zaken

De registratie van de schademeldingen is inmiddels afgerond. Onder supervisie van de provincies wordt de omvang van de schade getaxeerd door erkende taxateurs. Het vaststellen van de provinciale regelingen zal naar verwachting in juni plaatsvinden. Nadat de regelingen zijn vastgesteld en de schade is getaxeerd zal het Rijk een voorschot aan de provincies verstrekken, opdat de provincies snel een aanvang kunnen maken met het uitkeren van de bedragen.

c. Regeling voor opstal- en inboedelschade bij verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen

Het Rijk stelt middelen beschikbaar voor een bijdrage in de kosten in verband met de schade aan opstal en inboedel van verenigingen, stichtingen en kerkgenootschappen. De middelen worden uitgekeerd aan de provincie die vervolgens de gelden op basis van een provinciale regeling uitkeert aan de betrokkenen. De grondslag van de middelen die het Rijk beschikbaar stelt wordt gevormd door de totale schade die beëdigde taxateurs vaststellen. Het bedrag bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft 90% voor opstalschade en voor inboedelschade 90% van de eerste f 20 000,- en 50% van de daarop volgende f 40 000,-. Hierbij geldt een eigen risicobedrag van f 2000,-; en een eigen risico van f 1000,- indien er ook schade is vergoed als gevolg van de wateroverlast in 1993. Tot opstalschade wordt ook gerekend de schade aan huurdersbelang en aan installaties.

Ook voor deze categorie geldt dat middelen beschikbaar zullen worden gesteld voor een bijdrage in de kosten van maatregelen die zijn gericht op de bescherming van opstal en inboedel (bereddingskosten) en voor kosten in verband met de evacuatie van de inboedel. Bij brief aan de provincies heb ik hieromtrent nadere regels gesteld. Aan de uitvoering van de regeling wordt momenteel door de provincies gewerkt.

d. Stand van zaken

De registratie van de schademeldingen is inmiddels afgerond. Op zeer korte termijn zal onder supervisie van de provincies worden gestart met de taxatie van de omvang van de schade. Het vaststellen van de provinciale regelingen zal naar verwachting in juni plaatsvinden. Nadat de regelingen zijn vastgesteld en de schade is getaxeerd zal het Rijk een voorschot aan de provincies verstrekken, opdat de provincies snel een aanvang kunnen maken met het uitkeren van de bedragen.

e. Gemeentelijke kosten rampbestrijding

Onder vigeur van artikel 25 van de Rampenwet kunnen gemeenten kosten die gerelateerd kunnen worden aan de bestrijding van de ramp declareren bij BiZa.

Bij de toepassing van deze regeling geldt voor de gemeenten een drempelbedrag van f 100 000,-. Wordt de drempel eenmaal overschreden dan zijn alle kosten die onder artikel 25 Rampenwet gebracht kunnen worden declarabel bij het Rijk.

De gemeente heeft overigens dan nog wel een eigen risico van f 5,- per inwoner. Dit eigen risico wordt in mindering gebracht op de door het rijk aan de gemeente te verstrekken uitkering.

Op basis van de ervaringen met de overstroming in december 1993 is een gemiddelde uitkering van f 400 000,- per gemeente te verwachten.

Naar verwachting zal een zestigtal gemeenten een beroep doen op artikel 25 van de Rampenwet. Ook heeft een aantal niet bij ramp betrokken gemeenten kosten gemaakt voor de evacuatie en opvang van de evacués uit de rampgemeenten. Declaraties van deze gemeenten zullen «meeliften» met de declaraties van de rampgemeenten.

Op dit moment, 15 mei 1995, heeft een aantal gemeenten (voorlopige) declaraties ingediend. De met deze regeling gemoeide kosten bedragen naar schatting f 29 760 000,-

f. Rampbestrijders

Op verzoek van een aantal burgemeesters heb ik de Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders (Wrvr) van toepassing verklaard. De Wrvr kent rechten toe aan individuele rampbestrijders. Rampbestrijders kunnen in aanmerking komen voor:

a. een uitkering wegens invaliditeit, ziekte, overlijden e.d. Voor zover bekend hebben deze gevallen zich slechts in enkele gevallen voorgedaan.

b. een uurbeloning

c. vergoeding van gederfdinkomen.

De onder a genoemde uitkeringen gelden ook voor beroepskrachten, die onder b en c alleen voor vrijwilligers.

Deze rechten gelden voor vrijwilligers die zijn aangesloten bij een hulpverleningsdienst en voor vrijwillige burgers die niet zijn aangesloten bij een hulpverleningsdienst, maar wel kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk rampbestrijders zijn geweest.

Het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft administratieve voorbereidingen getroffen om de Wrvr te kunnen uitvoeren. Onlangs zijn de aanvraagformulieren verstuurd naar de betrokken hulpverleningsdiensten en gemeenten, die de formulieren op hun beurt zullen verspreiden onder de vrijwilligers. Formeel hebben de rampbestrijders tot 1 maart 1996 de tijd om hun aanvraag in te dienen. Om de afwikkeling te bespoedigen is gevraagd de aanvragen voor 1 september 1995 in te dienen.

g. Politiebijstand

Aan de korpsen is om een opgave gevraagd van de door de korpsen gemaakte meerkosten. Daarbij dienden de korpsen slechts de volgende kosten te betrekken:

1. de kosten van overuren van eigen personeel (tegen een normbedrag van f 50,-).

2. de door andere korpsen in rekening gebrachte kosten van bijstandsverlening (gemaakt op grond van Hoofdstuk IX Politiewet 1993).

3. de gemaakte uitzonderlijke en excessieve materiële kosten.

Deze opgaven beliepen landelijk een totaalbedrag van f 13,7 mln. In de brief van 7 februari aan de Voorzitter van de Tweede Kamer is opgemerkt dat op grond van de nieuwe Politiewet er geen bijzondere regeling is getroffen voor het vergoeden van kosten die regiokorpsen maken voor het verlenen van bijstand. Uitgangspunt is dat vergoeding van bijstandskosten door de korpsen onderling wordt geregeld en dat in overleg met de betrokken regiokorpsen nagegaan zal worden of -en zo ja in hoeverre- er sprake is van excessieve kosten. Gelet op bovengenoemde uitgangspunten is voor deze bijstand vooralsnog een bedrag (afgerond f 7 mln) voorzien.

Ten tijde van de najaarsnota zal het totaal benodigde bedrag voor politiebijstand definitief worden vastgesteld.

h. Brandweerbijstand

Op basis van artikel 11 van de Brandweerwet 1985 wordt brandweerbijstand binnen en buiten de provincie vergoed. De additionele kosten die de inzet van vier brandweereenheden gedurende twaalf uur te boven gaat komen voor vergoeding in aanmerking. Hieronder vallen de kosten van inzet van zowel materieel als personeel. Over een periode van tien dagen zijn wisselend tien tot vijftien brandweercompagnieën ingezet. Het gaat hier om de inzet van een beperkt aantal brandweerregio's. De totale kosten hiervan bedragen naar schatting f 16 mln.

6. Cultuurgoed

De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft de door wateroverlast getroffen gemeenten schriftelijk verzocht om opgave te doen van de schade aan rijksmonumenten. Uit de inventarisatie blijkt dat de totale schade circa f 7,5 mln bedraagt, maar slechts voor een beperkt deel direct betrekking heeft op rijksmonumenten. Dit probleem zal binnen de bestaande regelingen en het beschikbare budget voor de monumentenzorg moeten worden opgelost. Uit de inventarisatie blijkt dat het grootste deel van de schade de infrastructuur en/of civiele werken betreft in zogenaamde beschermde stads- en dorpsgezichten (kaden en wallen). Deze problematiek zal binnen de gemeentelijke begrotingen moeten worden gefinancierd.

7. Opkrikken van woningen

Tijdens het eerdere mondeling overleg met de vaste Kamercommissie van Binnenlandse Zaken is gevraagd naar de mogelijkheid om een financiële regeling te treffen voor verhuurders en eigenaar/bewoners die uit preventieve overwegingen hun huis hebben opgekrikt of dit in de toekomst nog zullen doen om zo de kans op overstromingen te beperken. Ook indien in de toekomst door middel van de aanleg van kaden het risico van overstromingen sterk verkleind zal worden, zullen er immers woningen zijn die buiten deze kaden blijven vallen.

Binnen de huidige regelgeving zijn er twee regelingen op grond waarvan er een bijdrage verstrekt kan worden in de kosten die het opkrikken van woningen met zich mee brengt.

Op basis van het Besluit Woninggebonden Subsidies is het mogelijk dat het Rijk een bijdrage verstrekt in de kosten van verbetering van vooroorlogse huurwoningen. In dit Besluit is overigens wel een minimumbedrag van f 50 000,– per op te krikken woning opgenomen. Dat het geld besteed kan worden voor het opkrikken van de fundering moet wel expliciet door de gemeente of de regio in de subsidieverordening worden opgenomen.

Uit het Stadsvernieuwingsfonds kan bovendien ten behoeve van eigenaar/bewoners en verhuurders van na-oorlogse huurwoningen een bijdrage in de kosten die het opkrikken van deze woningen met zich mee brengt worden verkregen. Deze subsidieregeling stelt geen minimumbedrag als eis om voor subsidie in aanmerking te komen. Grotere gemeenten -en in het geval van kleinere gemeenten: de provincie- moeten door middel van de inhoud van de susbsidieverordening aangeven dat de kosten, die het opkrikken van woningen met zich mee brengt, onder de werking van de subsidieverordening vallen.

Samenvattend kan gesteld worden dat besluitvorming omtrent deze subsidieregelingen op decentraal niveau dient te geschieden (gemeente, provincie en regio) en dat het Rijk hiervoor geen aparte middelen levert.

8. Overige schade: gevangenissen, scholen en terreinen van domeinen

Tijdens de wateroverlast is tevens schade aan scholen, gevangenissen en terreinen van domeinen ontstaan. In totaal wordt voor deze categorieën op dit moment uitgegaan van een schade van circa f 10 mln. Wanneer inzicht bestaat in de exacte hoogte van deze kosten zal verwerking op de desbetreffende hoofdstukken plaatsvinden.

9. Internationale bijdrage

Uw Kamer heeft mij gevraagd of er ook steun verleend is door internationale organisaties.

Op 1 februari is door de Europese Unie besloten om een bedrag van 1,5 miljoen ECU (= ca f 3,3 mln) te reserveren voor de gevolgen van de wateroverlast in de Westeuropese lidstaten. Het gaat hier om een zogeheten «Aide d'Urgence», een noodhulp die bedoeld is als uiting van solidariteit met de slachtoffers. Het totale communautaire budget voor noodhulp bedraagt 2,5 miljoen ECU voor 1995. Dit bedrag is bestemd voor de getroffen (zeven) lidstaten gezamenlijk. De definitieve verdeling van de noodhulp is tot op heden nog niet vastgesteld. De criteria die de Europese Commissie hanteert houden in dat het gaat om noodhulp ten behoeve van eerste hulp, noodopvang en dergelijke. Deze steun is niet bedoeld voor vergoeding van schade van particulieren, bedrijfsschade, schade aan infrastructuur en dergelijke.

BIJLAGE

TOTAAL-OVERZICHT SCHADE WATEROVERLAST

In mijn brief van 7 februari 1995 (TK 1994/1995, nr. 24 071, nr. 4), gaf ik de algemene uitgangspunten aan die het kabinet bij de vergoeding van de schade van de wateroverlast begin dit jaar zal hanteren. In de Voorjaarsnota 1995 worden ten behoeve van de financiële afwikkeling van de te vergoeden schades bij de desbetreffende departementen de navolgende verhogingen van de ramingen opgenomen. Het gaat hierbij om voorlopige ramingsbijstellingen. Op basis van de feitelijke uitgaven zal in de Najaarsnota 1995 en/of Voorjaarsnota 1996 de definitieve budgettaire verwerking plaats hebben op de desbetreffende begrotingshoofdstukken.

Op dit moment zijn op de respectieve begrotingshoofdstukken de volgende bedragen verwerkt.

1995 (bedragen maal f 1000)

Hoofdstuk VII Binnenlandse Zaken

– vergoedingen aan gemeenten, andere overheden & verenigingen c.a. die schade hebben geleden als gevolg van de watersnood 18 400 
– Vergoedingen aan evacuees (f 500-regeling)52 000 
– vergoedingen aan vrijwilligers op basis van de wet rechtspositionele voorzieningen rampenbestrijders (WRVR)4 800  
– vergoeding van door brandweerregio's aan de getroffen regio's verleende bijstand op basis van artikel 11 Rampenwet 16 000  
– vergoedingen aan gemeente voor gemaakte kosten in verband met het voorkomen en bestrijden van de gevolgen van de overstromingen op basis van artikel 25 van de Rampenwet29 760  
Diversen:   
– vergoedingen aan het ministerie van Defensie voor verleende militaire bijstand 1 040  
– vergoeding van kosten van extra politie-inzet 7 000  
– taxatiekosten schade 1 600  
– extra kosten Logistiek Centrum Zoetermeer 240  
– apparaatskosten bureau schadeafwikkeling160 
Totaal Binnenlandse Zaken 131 000
   
Hoofdstuk XII, Verkeer en Waterstaat  
Schade waterwegen e.d.:   
– infrastructuurfonds 35 000  
– overig V&W 8 000 
Totaal Verkeer en Waterstaat 43 000
   
Hoofdstuk XIII, Economische Zaken  
– Schaderegelingen bedrijven  145 000
   
Hoofdstuk XIV, Landbouw en Visserij  
– schaderegelingen landbouw 85 000
Naar boven