nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP
Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende
aanpassing van de Spoorwegwet en de Wet personenvervoer aan Richtlijn nr.
91/440 EEG en Verordening (EEG) nr. 1893/91.
De toelichtende memorie (en bijlagen) die het wetsvoorstel vergezelt,
bevat de gronden waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.
's-Gravenhage,
23 december 1994
Beatrix
nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het noodzakelijk is de Spoorwegwet
en de Wet personenvervoer in overeenstemming te brengen met richtlijn nr.
91/440/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 juli 1991, betreffende
de ontwikkeling van de spoorwegondernemingen in de Gemeenschap (PbEG van 24
augustus 1991, nr. L 237), het besluit van het gemengd comité van de
EER nr. 7/94 van 21 maart 1994 (PbEG van 28 juni 1994, nr. L160) en verordening
(EEG) nr. 1893/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 juni 1991
tot wijziging van de verordening (EEG) nr. 1191/69, betreffende het optreden
van de Lid-Staten ten aanzien van met het begrip openbare dienst verbonden
verplichtingen op het gebied van het vervoer per spoor, over de weg en over
de binnenwateren (PbEG van 29 juni 1991, nr. L 169);
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Spoorwegwet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 7, eerste lid, vervalt: , voorzien in artikel 8,.
B
Artikel 8 vervalt.
C
Artikel 9, tweede lid, vervalt.
D
Aan hoofdstuk I wordt een artikel toegevoegd, luidend:
Artikel 9a
De artikelen 75, eerste lid, en 186, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek gelden niet voor ondernemers van een spoorwegdienst ten aanzien van
door hen uitgegeven documenten voor het goederenvervoer.
E
In artikel 18 vervalt: , is art. 8 niet toepasselijk, en.
F
De artikelen 25 en 26 vervallen.
G
Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:
1. In de zinsnede «de voorwaarden voor het vervoer van reizigers
en goederen» vervalt: reizigers en.
2. De zinsnede «de behandeling der in de rijtuigen of stations achtergelaten
voorwerpen en der onafgehaalde of onbestelbare goederen» wordt vervangen
door: de behandeling der onafgehaalde of onbestelbare goederen.
3. In de zinsnede «de tijd waarna die voorwerpen en goederen kunnen
verkocht worden, en de wijze waarop die verkoop zal kunnen geschieden»
vervalt: voorwerpen en.
H
Artikel 32a vervalt.
I
Hoofdstuk III komt te luiden:
HOOFDSTUK III. TOEGANGS- EN DOORVOERRECHTEN; GEBRUIKSVERGOEDING
Artikel 28
1. De in dit hoofdstuk gebezigde begrippen «spoorwegonderneming»,
«beheerder van de infrastructuur», «spoorweginfrastructuur»
en «internationaal samenwerkingsverband» hebben eenzelfde betekenis
als in artikel 3 van richtlijn nr. 91/440/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen
van 29 juli 1991, betreffende de ontwikkeling van de spoorwegondernemingen
in de Gemeenschap (Pb L 237).
2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
«richtlijn»: de richtlijn, genoemd in het eerste lid;
«Lid-Staat»: een Lid-Staat van de Europese Unie of een andere
staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische
Ruimte.
3. Dit hoofdstuk is van toepassing op spoorwegondernemingen waarop de
richtlijn van toepassing is.
Artikel 29
1. De spoorwegonderneming die beheerder is van de infrastructuur verleent:
a. aan internationale samenwerkingsverbanden waaraan een in Nederland
gevestigde spoorwegonderneming deelneemt, toegangs- en doorvoerrechten, overeenkomstig
artikel 10, eerste lid, van de richtlijn,
b. aan internationale samenwerkingsverbanden waarvan de deelnemende spoorwegondernemingen
gevestigd zijn in andere Lid-Staten, doorvoerrechten ten behoeve van internationale
vervoerdiensten tussen die Lid-Staten, overeenkomstig artikel 10, eerste lid,
van de richtlijn,
c. aan spoorwegondernemingen, die in andere Lid-Staten zijn of zullen
worden gevestigd, toegangsrechten ten behoeve van internationale gecombineerde
goederenvervoerdiensten, overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de richtlijn.
2. Met het oog op de verkeersregeling en de veiligheid van het verkeer
in verband met de internationale vervoerdiensten, bedoeld in het eerste lid,
komen de internationale samenwerkingsverbanden en de spoorwegondernemingen
met de beheerder van de infrastructuur de daartoe noodzakelijke administratieve,
technische en financiële bepalingen overeen. De overeenkomsten, bedoeld
in de eerste volzin, bevatten geen discriminerende bepalingen.
Artikel 30
De spoorwegondernemingen en de internationale samenwerkingsverbanden die
gebruik maken van de spoorweginfrastructuur zijn daarvoor aan de beheerder
van die infrastructuur een vergoeding verschuldigd.
Artikel 31
1. De vergoeding, bedoeld in artikel 30, kan, onder vermijding van elke
vorm van discriminatie, worden berekend aan de hand van onder andere:
a. de afgelegde afstand,
b. de samenstelling van de trein,
c. de snelheid,
d. de asdruk, en
e. de periode waarbinnen of de mate waarin van de infrastructuur gebruik
wordt gemaakt.
2. Bij ministeriële regeling worden, na overleg met de beheerder
van de infrastructuur, nadere regels gesteld omtrent de wijze
waarop de vergoeding wordt vastgesteld.
Artikel 32
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden
gesteld omtrent het bepaalde in dit hoofdstuk.
J
De artikelen 45 en 46 vervallen.
ARTIKEL II
De Wet personenvervoer wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2 wordt na het derde lid een nieuw lid toegevoegd luidende:
4. De artikelen 17, 18, 19, 21, 23, 25, 27, eerste tot en met vierde lid,
en zesde lid, 28, 29, 35, 36 en 40 zijn niet van toepassing op interlokaal
openbaar vervoer per trein.
B
Artikel 27 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het derde lid vervalt.
2. In het vijfde lid vervalt: en derde.
3. In het zevende lid wordt «van vervoerbewijzen» vervangen
door: en vervoerbewijzen.
4. Het vierde tot en met zevende lid worden vernummerd tot derde tot en
met zesde lid.
C
In artikel 29 vervalt: , behoudens in de gevallen als aangegeven in de
in artikel 27, derde lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur.
ARTIKEL III
Artikel 5a van het Besluit personenvervoer vervalt.
ARTIKEL IV
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2. Artikel I werkt terug tot en met 1 januari 1993.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Verkeer en Waterstaat,