24 036
Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit

nr. 31
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN DE MINISTERS VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ EN VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 oktober 1996

Het advies van de MDW-werkgroep levensmiddelenwetgeving en de conclusies die wij daaraan verbinden hebben wij uw Kamer 16 juli jl. (24 036, nr. 21) doen toekomen. In deze brief hebben wij aangegeven de aanbevelingen van de MDW-werkgroep over te nemen en de Tweede Kamer voor de implementatie van de aanbevelingen een plan van aanpak toe te zenden. Dit implementatieplan doen wij u hierbij toekomen.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. G. Terpstra

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J. J. van Aartsen

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

Inhoudsopgave

1Inleiding3
   
2Opschoning en vereenvoudiging van regelgeving4
2.1Warenwetgeving4
2.1.1Inleiding4
2.1.2Aanbevelingen4
2.1.3Opmerkingen5
2.1.4Implementatie5
2.1.5Planning8
2.2Landbouwkwaliteitswetgeving9
2.2.1Inleiding9
2.2.2Aanbevelingen10
2.2.3Opmerkingen11
2.2.4Implementatie11
2.2.5Planning13
2.3PBO-regelgeving14
2.3.1Aanbevelingen14
2.3.2Implementatie15
2.3.3Planning15
   
3Normalisatie en certificatie15
3.1Aanbevelingen15
3.2Implementatie16
3.3Planning18
   
4Wettelijk en bestuurlijk kader19
4.1Positie van de PBO's19
4.1.1Aanbeveling19
4.1.2Implementatie19
4.2Perspectief voor de toekomst: één levensmiddelenwet?19
4.2.1Aanbevelingen19
4.2.2Implementatie19
4.2.3Planning21
   
5Intercontinentaal deel21
5.1Codex Alimentarius21
5.2Europese Gemeenschap22
5.2.1Aanbevelingen22
5.2.2Implementatie22
5.3Benelux24
5.3.1Aanbevelingen24
5.3.2Implementatie24
   
6Ter afsluiting25
   
BijlageOp te schonen en te vereenvoudigen autonome PBO-regelgeving26

1 Inleiding

In onze brief van 16 juli jl. hebben wij aangegeven voor de implementatie van de aanbevelingen van de MDW-werkgroep levensmiddelenwetgeving een plan van aanpak op te stellen, waarbij onze planning erop is gericht de herziene regelgeving per 1 januari 1998 in werking te laten treden en op dat tijdstip met betrekking tot normalisatie en certificatie concrete resultaten te hebben geboekt en onze conclusies te presenteren naar aanleiding van het onderzoek naar één wettelijk kader. 1

Zoals reeds aangegeven in de brief van juli jl., acht het kabinet overleg met het bedrijfsleven en met consumentenorganisaties over de implementatie van de aanbevelingen noodzakelijk, mede gezien de in de toekomst meer terughoudende rol met betrekking tot overheidsregelgeving. In dit implementatieplan is ruimte voor dit overleg opgenomen.

Alvorens aan te geven op welke wijze wij aan de aanbevelingen invulling denken te geven, achten wij het, gezien de omvang van de operatie, van belang duidelijk te maken wie op de voortgang van de implementatie kan worden aangesproken. De verantwoordelijkheden zijn ons inziens als volgt te verdelen:

– De staatssecretaris van VWS is primair verantwoordelijk voor de implementatie van de aanbevelingen met betrekking tot de Warenwetgeving, de minister van LNV voor die met betrekking tot de Landbouwkwaliteitswetgeving.

– De ministers van LNV en EZ kunnen uit hoofde van het toezicht op de desbetreffende product- en bedrijfschappen (PBO's) worden aangesproken op de implementatie van de aanbevelingen uit het MDW-rapport met betrekking tot de autonome verordeningen van de PBO's op levensmiddelenterrein, vanzelfsprekend onverminderd de eigen verantwoordelijkheid van de PBO's.

– Voor de activiteiten op het terrein van normalisatie en certificatie kunnen de bewindspersonen van VWS, LNV en EZ worden aangesproken.

– De verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar één levensmiddelenwet ligt bij de bewindspersonen van VWS, LNV, EZ en Justitie.

– Voor de activiteiten op het internationale terrein kunnen primair de staatssecretaris van VWS en de minister van LNV worden aangesproken.

In MDW-kader is inmiddels een interdepartementale task force geformeerd die is belast met de bewaking van de implementatie van de aanbevelingen en de inhoudelijke afstemming van de diverse activiteiten waar nodig. Van de task force maken deel uit de departementen van VWS, LNV, EZ, Justitie en de PBO's. Periodiek zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de voortgang en de resultaten, waarbij, waar nodig, vervolgactiviteiten worden aangegeven. Een eerste rapportage kan de Tweede Kamer in het tweede kwartaal van 1997 tegemoet zien.

Dit plan van aanpak voor de implementatie van de aanbevelingen van de MDW-werkgroep levensmiddelenwetgeving is opgebouwd conform het desbetreffend kabinetsstandpunt van 16 juli jl. Allereerst worden de diverse nationale activiteiten geconcretiseerd en van een operationele planning voorzien. Hieronder vallen het opschonen en vereenvoudigen van de nationale regelgeving, het stimuleren van de ontwikkeling en het gebruik van normalisatie en certificatie en het bezien van aanpassingen van het wettelijk en bestuurlijk kader. Daarna wordt aangegeven welke acties op het internationale terrein worden gestart.

2 Opschoning en vereenvoudiging van regelgeving

Achtereenvolgens komen aan de orde de opschoning en vereenvoudiging van de Warenwetgeving, die van de Landbouwkwaliteitswetgeving (inclusief medebewind) en die van de (autonome) PBO-regelgeving.

2.1 Warenwetgeving

2.1.1 Inleiding

In 1988 is de Warenwet ingrijpend herzien. De nieuwe Warenwet is, evenals zijn voorganger, een raamwet met de mogelijkheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (AMvB) nadere regels te stellen. Sinds 1988 zijn verschillende op de «oude» Warenwet gebaseerde AMvB's grondig bezien. Rekening houdend met de nieuwe wet, zijn deze AMvB's getoetst op mogelijkheden voor deregulering. Deze doorlichting heeft geleid tot diverse «nieuwe» Warenwetbesluiten. Deze herziening van bestaande Warenwettelijke regels is evenwel nog niet gereed en wordt nu ingehaald door de aanbevelingen in het MDW-rapport.

2.1.2 Aanbevelingen

Met name relevant voor opschoning en vereenvoudiging van de Warenwetgeving zijn de volgende aanbevelingen uit het rapport:

Regels ten aanzien van producten en productiewijzen met gezondheidsrisico's

Bezie in hoeverre de nationale gezondheidsregelgeving noodzakelijk en evenredig is, mede gezien het belang van de internationale concurrentiepositie van Nederland. Ga daartoe na in hoeverre andere lid-staten van de EG minder ver gaan in hun nationale aanvullingen of beschikken over minder belemmerende extra bepalingen en zo ja, of daarmee een zelfde niveau van gezondheidsbescherming kan worden bereikt.

Regels ten aanzien van producten en productiewijzen zonder gezondheidsrisico's

Etiketteringsregels

Houd met betrekking tot etiketteringsregels het EG-kader, in de zin van de Etiketteringsrichtlijn en de Richtlijn Voedingswaarde-aanduidingen, aan. Stel slechts wanneer sprake is van een essentieel aspect dat niet door de EG-regels wordt bestreken een nationale, additionele etiketteringsregel op. De noodzaak en evenredigheid daarvan moet, ook voor de Europese Commissie, worden aangetoond. Bied ruimte voor een additionele etiketteringsverplichting wanneer deze een alternatief vormt voor een andere meer belemmerende regel die daarmee komt te vervallen.

Regels met betrekking tot claims

Geef waar bij bestrijding van misleidende reclame door claims privaatrechtelijke handhaving mogelijk is, daaraan voorrang. Waar het gaat om ernstige gevallen waarbij de gezondheidsbescherming in het geding is, is publiekrechtelijk optreden eerder gerechtvaardigd.

Wettelijke productbenamingen

Reduceer het aantal wettelijke productbenamingen sterk. Slechts wanneer sprake is van in brede kring geconsumeerde levensmiddelen waarbij sprake is van een sterke verwachting van de consument of die door de consument veelal worden gekozen met het oog op voedingskundige aspecten kan een wettelijke productbenaming gerechtvaardigd zijn, mits bescherming van de consument niet kan worden verwezenlijkt door een middel dat het handelsverkeer minder belemmert, zoals etikettering.

Verbieden of anderszins reguleren van toevoegingen en productiewijzen zonder gezondheidsrisico's

Hanteer ten aanzien van het verbieden of anderszins reguleren van toevoegingen en productiewijzen zonder gezondheidsrisico's de volgende uitgangspunten:

1. Weer in beginsel geen producten van de markt die veilig zijn.

2. Volsta, voor zover dusdanig dringende exportbelangen of nationale «consumer concerns» aan de orde zijn, zoveel mogelijk met minder ingrijpende middelen dan verboden, zoals etikettering.

3. Wanneer toch in een uitzonderingsgeval een verbod nodig, bezie dan periodiek in hoeverre de motivering voor de uitzondering nog opgaat, bijvoorbeeld door te voorzien in een horizonbepaling.

2.1.3 Opmerkingen

Met betrekking tot de implementatie van de aanbevelingen allereerst twee opmerkingen.

Ten eerste wordt met betrekking tot etikettering binnen de EG al geruime tijd onderhandeld over het doorvoeren van kwantitatieve ingrediëntendeclaratie (QUID). De introductie hiervan is een belangrijk hulpmiddel bij het schrappen van wettelijke productbenamingen. Dan kan immers de consument op het etiket lezen in welke hoeveelheden de verschillende ingrediënten in een levensmiddel aanwezig zijn. De consument kan zo een bewuste keuze maken, bijvoorbeeld voor gezonde voeding. De bestaande EG-wetgeving verbiedt de lid-staten nationaal kwantitatieve ingrediëntendeclaratie voor te schrijven. Derhalve kunnen nationale productbenamingen worden geschrapt zodra de kwantitatieve ingrediëntendeclaratie in de Etiketteringsrichtlijn is opgenomen.

Een tweede opmerking behelst de thans in verschillende besluiten opgenomen eisen inzake het toevoegen van levensmiddelenadditieven. Deze eisen zijn met name opgenomen in die besluiten die in beginsel kunnen worden ingetrokken. Op dit terrein is EG-wetgeving in voorbereiding. Deze wetgeving is inmiddels in een vergevorderd stadium, maar het wachten is nog op een aantal zuiverheidseisen voor levensmiddelenadditieven. Na inwerkingtreding van deze internationale wetgeving, kunnen de desbetreffende Warenwetbesluiten worden ingetrokken.

2.1.4 Implementatie

Aan de hand van bovenvermelde aanbevelingen zijn de levensmiddelenbesluiten op basis van de Warenwet, die niet of niet geheel strekken ter uitvoering van internationale regelgeving, inclusief onderliggende regelingen en verordeningen, in de volgende categorieën ingedeeld:

a) besluiten die in beginsel kunnen worden ingetrokken

b) besluiten met hoofdzakelijk productbenamingen die vergaand kunnen worden gedereguleerd

c) besluiten die nagenoeg uitsluitend de volksgezondheid betreffen

d) moderne Warenwetbesluiten.

Bij deze categorisering is vanzelfsprekend sprake van een eerste inschatting. De besluiten, die – conform het MDW-rapport – zijn onderscheiden naar aard (horizontale (algemene) besluiten, verticale (product-) besluiten, additieven/contaminanten en hygiëne) zijn vooralsnog als volgt gecategoriseerd:

Horizontale (algemene) besluiten

a) Besluiten die in beginsel kunnen worden ingetrokken

– Algemeen besluit (Warenwet) (nationaal)

– Algemeen aanduidingenbesluit (Warenwet) (nationaal)

d) Moderne Warenwetbesluiten

– Warenwetbesluit Doorstraalde waren (nationaal)

– Warenwetbesluit Toevoeging micro-voedingsstoffen aan levensmiddelen (nationaal)

– Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen (EG + nationaal)

– Warenwetbesluit Voedingswaarde-aanduidingen (EG + nationaal)

– Warenwetbesluit Toelating nieuwe voedingsmiddelen (nationaal; komt EG-verordening)

Verticale (product-)besluiten

a) Besluiten die in beginsel kunnen worden ingetrokken

– Azijnbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Eiwitproductenbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Geconserveerde-aardappelenbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Geconserveerde-groentenbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Jusbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Margarinebesluit (Warenwet) (nationaal)

– Mayonaise- en slasausbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Wijnbesluit (Warenwet) (nationaal)

b) Besluiten met hoofdzakelijk productbenamingen die vergaand kunnen worden gedereguleerd

– Broodbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Meelbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Peulvruchtenbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Vlees- en vleeswarenbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Consumptie-ijsbesluit (Warenwet) (Benelux + nationaal)

– Deegwarenbesluit (Warenwet) (Benelux + nationaal)

– Warenwetbesluit Frisdranken (Benelux + nationaal)

– Warenwetbesluit Koffie en cichorei (EG + Benelux + nationaal)

– Mosterdbesluit (Warenwet) (Benelux + nationaal)

– Natuurlijk mineraal- en bronwaterbesluit (Warenwet) (EG + nationaal)

– Warenwetbesluit Puddingpoeders (Benelux + nationaal)

– Warenwetbesluit Soep-, vleesextract en bouillon (Benelux + nationaal)

– Specerijenbesluit (Warenwet) (Benelux + nationaal)

– Suiker- en stroopbesluit (Warenwet) (EG + nationaal)

– Warenwetbesluit Thee (Benelux + nationaal)

– Verduurzaamde vruchtenproductenbesluit (Warenwet) (EG + nationaal)

– Vitaminepreparatenregeling (nationaal)

– Zetmeelbesluit (Warenwet) (Benelux + nationaal)

– Zoutbesluit (Warenwet) (Benelux + nationaal)

c) Besluit dat nagenoeg uitsluitend de volksgezondheid betreft

– Kokswarenbesluit (Warenwet) (nationaal)

d) Moderne Warenwetbesluiten

– Warenwetbesluit Visserijprodukten (EG + nationaal)

– Warenwetbesluit Zuivel (EG + nationaal)

Additieven/contaminanten

a) Besluiten die in beginsel kunnen worden ingetrokken

– Antioxydantenbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Conserveermiddelenbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Emulgatorenbesluit (Warenwet) (nationaal)

– Kleurstoffenbesluit (Warenwet) (nationaal)

c) Besluiten die nagenoeg uitsluitend de volksgezondheid betreffen

– Geur- en smaakstoffenregeling (nationaal)

– Nitraatgehalte in groenten (nationaal)

– Normen PCB's (nationaal)

– Dioxine in melk (nationaal)

– Normen zware metalen (nationaal)

Hygiëne

c) Besluiten die nagenoeg uitsluitend de volksgezondheid betreffen

– Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen (EG + nationaal)

– Warenwetregeling Vrijstelling gekoeld bewaren in kantines en restaurants (nationaal)

Toelichting

De indeling in deze vier categorieën laat zich als volgt verklaren:

a) Besluiten die in beginsel kunnen worden ingetrokken

Het betreft hier AMvB's krachtens de «oude» Warenwet. Vooral door het horizontaal regelen van de toevoeging van levensmiddelenadditieven, bevat een deel van deze AMvB's inmiddels geen inhoudelijke bepalingen meer. Deze AMvB's kunnen daarom worden ingetrokken. De overige AMvB's in deze categorie lijken gezien de aanbevelingen te kunnen worden ingetrokken. Naar eerste inschatting bevatten slechts enkele van deze AMvB's bepalingen die de toets der aanbevelingen kunnen doorstaan. Bezien moet worden welke bepalingen voor handhaving in aanmerking komen en of die kunnen worden overgeheveld naar de resterende besluiten of moeten worden opgenomen in een nieuw Warenwetbesluit.

b) Besluiten met hoofdzakelijk productbenamingen die vergaand kunnen worden gedereguleerd

Deze categorie bevat voor het merendeel eveneens AMvB's krachtens de «oude» Warenwet. Inhoudelijk bevatten deze AMvB's hoofdzakelijk productbenamingen. Nagegaan moet worden welke benamingen voldoen aan de desbetreffende aanbeveling, mede gezien de geschetste Europese ontwikkeling naar verplichte kwantitatieve ingrediëntendeclaratie. De overblijvende bepalingen kunnen dan opnieuw worden geformuleerd in een nieuw Warenwetbesluit.

c) Besluiten die nagenoeg uitsluitend de volksgezondheid betreffen

Met betrekking tot de onderwerpen van deze nationale besluiten zal worden bezien in hoeverre andere lid-staten van de EG minder ver gaan in hun nationale aanvullingen of beschikken over minder belemmerende extra bepalingen. Hiertoe zullen de EG-partners worden benaderd.

d) Moderne Warenwetbesluiten

Eveneens zal moeten worden bezien in hoeverre ook krachtens de nieuwe Warenwet vastgestelde besluiten in aanmerking komen voor deregulering. Bij het opstellen van deze besluiten is reeds rekening gehouden met toetsingspunten die gelijkwaardig zijn aan de aanbevelingen van de MDW-werkgroep, zodat de verwachting is dat deze nieuwe besluiten geen grondige herziening hoeven te ondergaan.

Opmerking met betrekking tot de categorieën a) tot en met d)

Waar, ongeacht de categorie, sprake is van besluiten ter uitvoering van Benelux- en/of EG-regelgeving worden de nationale aanvullingen op deze internationale regelgeving getoetst aan de MDW-aanbevelingen.1

Op bovenvermelde wijze wordt invulling gegeven aan de aanbevelingen met betrekking tot regels ten aanzien van producten en productiewijzen met gezondheidsrisico's, etiketteringsregels, wettelijke productbenamingen, het verbieden of anderszins reguleren van toevoegingen en productiewijzen zonder gezondheidsrisico's. Aan de aanbeveling met betrekking tot claims wordt apart invulling gegeven.

e) Regels met betrekking tot claims

Deze aanbeveling van de MDW-werkgroep behelst geen wijziging van regelgeving, maar wel het geven van een aanwijzing aan de handhavende instantie. De staatssecretaris van VWS zal allereerst aan de Inspectie Gezondheidsbescherming (IGB) een rapportage vragen over de praktijk van het hanteren van allerhande beweringen op levensmiddelen en over de indeling van de gesignaleerde beweringen in een «economische» en een «gezondheidskundige» categorie. De bedoelde aanwijzing zal mede geformuleerd kunnen worden aan de hand van de uitkomsten van deze rapportage van de IGB.

2.1.5 Planning

Aan de betrokkenheid van marktpartijen bij het totstandkomen van nieuw beleid wordt, zoals aangegeven, veel waarde toegekend; dit in verband met de aansluiting van de voorschriften bij de bedrijfsvoering en de handhaafbaarheid. Tot 1 januari 1997 zal hiertoe voor het Warenwet-deel gebruik worden gemaakt van de Adviescommissie Warenwet.

Naar verwachting zal de implementatie van de aanbevelingen van dit plan veel tijd vergen. Het betreft hier immers de aanpassing van nogal wat AMvB's en onderliggende regels. Per categorie moet worden gerekend met tenminste één jaar voor de implementatie:

– ontwikkelen concreet voorstel: 2 maanden

– bespreken voorstel met betrokkenen: 2 maanden

– wetgevingstraject: 8 maanden.

Pas in de implementatiefase zal duidelijk worden in welke tempo aanpassingen daadwerkelijk mogelijk zijn. Vooralsnog wordt de volgende planning aangehouden:

a) Besluiten die in beginsel kunnen worden ingetrokken

ontwikkelen concreet voorstel1 oktober 1996 – 1 december 19962 maanden
bespreken voorstel met betrokkenen1 december 1996 – 1 februari 19972 maanden
wetgevingstraject1 februari 1997 – 1 oktober 19978 maanden

b) Besluiten met hoofdzakelijk productbenamingen die vergaand kunnen worden gedereguleerd

ontwikkelen concreet voorstel1 december 1996 – 1 februari 19972 maanden
bespreken voorstel met betrokkenen1 februari 1997 – 1 april 19972 maanden
wetgevingstraject1 april 1997 – 1 december 19978 maanden

Deze planning betreft de nationale besluiten en de nationale aanvullingen op internationale regels, voor zover deze internationale regels in internationaal verband niet ter discussie staan. Waar sprake is van nationale aanvullingen op internationale regelgeving die in Benelux- en/of EG-verband ter discussie staat, moet eerst het internationale overleg zijn afgerond voordat een concreet voorstel kan worden ontwikkeld. VWS streeft ernaar met betrekking tot deze besluiten uiterlijk 1 juni 1997 (Benelux) respectievelijk 1 juli 1997 (EG) concrete voorstellen met betrokkenen te kunnen bespreken, waarna dan ook het wetgevingstraject kan worden ingezet.

c) Besluiten die nagenoeg uitsluitend de volksgezondheid betreffen

ontwikkelen concreet voorstel1 augustus 1997 – 1 oktober 19972 maanden
bespreken voorstel met betrokkenen1 oktober 1997 – 1 december 19972 maanden
wetgevingstrajectVoor zover relevant.1 december 1997 – 1 augustus 19988 maanden

d) Moderne Warenwetbesluiten

ontwikkelen concreet voorstel1 juli 1997 – 1 september 19972 maanden
bespreken voorstel met betrokkenen1 september 1997 – 1 november 19972 maanden
wetgevingstrajectIdem.1 november 1997 – 1 juli 19988 maanden

e) Regels met betrekking tot claims

rapportage IGB1 oktober 1996 – 1 april 19976 maanden
opstellen aanwijzing1 april 1997 – 1 juli 19973 maanden

2.2 Landbouwkwaliteitswetgeving

2.2.1 Inleiding

De Landbouwkwaliteitswet is een kaderwet. Op grond van deze wet is voor een aantal (categorieën van) producten een Landbouwkwaliteitsbesluit, een AMvB, uitgevaardigd. Deze besluiten bieden op hun beurt veelal de basis voor uitwerking in ministeriële regelingen dan wel in productschapsverordeningen (medebewind). In deze regelingen en verordeningen zijn de concrete – en vaak zeer gedetailleerde – kwaliteitsregels neergelegd.

2.2.2 Aanbevelingen

In het MDW-rapport komen de volgende voor de Landbouwkwaliteitswetgeving relevante aanbevelingen voor:

Regels ten aanzien van producten en productiewijzen zonder gezondheidsrisico's

Etiketteringsregels

Houd met betrekking tot etiketteringsregels het EG-kader, in de zin van de Etiketteringsrichtlijn en de Richtlijn Voedingswaarde-aanduidingen, aan. Stel slechts wanneer sprake is van een essentieel aspect dat niet door de EG-regels wordt bestreken een nationale, additionele etiketteringsregel op. De noodzaak en evenredigheid daarvan moet, ook voor de Europese Commissie, worden aangetoond. Bied ruimte voor een additionele etiketteringsverplichting wanneer deze een alternatief vormt voor een andere meer belemmerende regel die daarmee komt te vervallen.

Wettelijke productbenamingen

Reduceer het aantal wettelijke productbenamingen sterk. Slechts wanneer sprake is van in brede kring geconsumeerde levensmiddelen waarbij sprake is van een sterke verwachting van de consument of die door de consument veelal worden gekozen met het oog op voedingskundige aspecten kan een wettelijke productbenaming gerechtvaardigd zijn, mits bescherming van de consument niet kan worden verwezenlijkt door een middel dat het handelsverkeer minder belemmert, zoals etikettering.

Regels met betrekking tot marktordening

Schaf de nationale marktordening af. Geef het proces naar afschaffing in overleg met het bedrijfsleven vorm. Onderzoek of in verband met de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse agrarische bedrijfsleven tijdelijk een uitzondering nodig en evenredig is.

Regels met betrekking tot extra kwaliteit

Schaf de regels met betrekking tot «extra kwaliteit» af. Geef het proces naar afschaffing in overleg met het bedrijfsleven vorm. Onderzoek of in verband met de internationale concurrentiepositie van het Nederlandse agrarische bedrijfsleven tijdelijk een uitzondering nodig en evenredig is.

Regels met betrekking tot vrijwaring

Geef slechts een overheidsgarantie (vrijwaring) dat de te exporteren producten voldoen aan de specifieke eisen van een derde land, wanneer dit derde land dat vereist.

Verbieden of anderszins reguleren van toevoegingen en productiewijzen zonder gezondheidsrisico's

Hanteer ten aanzien van het verbieden of anderszins reguleren van toevoegingen en productiewijzen zonder gezondheidsrisico's de volgende uitgangspunten:

1. Weer in beginsel geen producten van de markt die veilig zijn.

2. Volsta, voor zover dusdanig dringende exportbelangen of nationale «consumer concerns» aan de orde zijn, zoveel mogelijk met minder ingrijpende middelen dan verboden, zoals etikettering.

3. Wanneer toch in een uitzonderingsgeval een verbod nodig, bezie dan periodiek in hoeverre de motivering voor de uitzondering nog opgaat, bijvoorbeeld door te voorzien in een horizonbepaling.

In MDW-verband zijn de meest relevante categorieën van regels de Landbouwkwaliteitsregels inzake marktordening en «extra kwaliteit». Bij de eerste categorie gaat het voornamelijk om classificatie- en sorteringseisen in de sector groenten en fruit. Bij «extra kwaliteit» gaat het om publiekrechtelijke regels, die als doel hebben het bevorderen van de afzet en die primair een sector- en ondernemersbelang dienen. Er is hierbij sprake van een niveau dat uitgaat boven dat van de EG-regels, terwijl voor het bedrijfsleven doorgaans geen verplichting bestaat te voldoen aan de eisen in kwestie. Wil men de producten echter als «extra kwaliteit» aan de man brengen (en het bijbehorende keurmerk voeren), dan moet aan de gestelde eisen worden voldaan.

2.2.3 Opmerkingen

Ook hier met betrekking tot de implementatie van de aanbevelingen twee opmerkingen.

Ten eerste zal de aanbeveling met betrekking tot vrijwaring worden gehanteerd bij eventuele toekomstige regelgeving op basis van de Landbouwkwaliteitswet. Op dit moment is namelijk geen sprake van Landbouwkwaliteitsregelgeving op dit terrein.

Een tweede opmerking behelst de samenloop van de MDW-aanbevelingen met de implementatie van de aanbevelingen van het LNV-project Vereenvoudiging Landbouwkwaliteitsvoorschriften Zuivel. In dit zuivelproject zijn met vertegenwoordigers van het zuivelbedrijfsleven de mogelijkheden van vereenvoudiging van de zeer gedetailleerde voorschriften ten aanzien van boter, kaas en poedervormige melkproducten onderzocht. Dit onderzoek heeft tot de conclusie geleid dat op korte termijn vergaande vereenvoudiging van het huidige stelsel mogelijk blijkt. Onder meer kunnen de extra kwaliteitseisen voor een groot aantal producten komen te vervallen en voor het overige worden teruggebracht tot een globale beschrijving van het kwaliteitsniveau. De implementatie van de aanbevelingen op dit terrein is inmiddels van start gegaan. In de brief van 6 maart 1996 aan de Tweede Kamer over de voortgang van het LNV-dereguleringsprogramma heeft de minister van LNV opgemerkt dat het zeker niet uitgesloten is dat de overheidsbescherming vervolgens verder zal worden afgebouwd; dit, zo stelt de minister, mogelijk mede onder invloed van de aanbevelingen van de MDW-werkgroep, waarin het totale levensmiddelenbeleid onder de loep wordt genomen. Voor zover de MDW-aanbevelingen verder gaan dan de aanbevelingen van het zuivelproject worden deze MDW-aanbevelingen in het kader van het zuivelproject geïmplementeerd. Vanzelfsprekend vindt tussen beide projecten afstemming plaats.

2.2.4 Implementatie

In het navolgende wordt aangegeven op welke regelgeving de desbetreffende aanbeveling betrekking heeft en welke consequenties de aanbeveling voor deze regelgeving heeft. Zoals vermeld, zijn in dit verband de meest relevante categorieën van regels die inzake marktordening en «extra kwaliteit».

Regels met betrekking tot marktordening

De Landbouwkwaliteitsregels op dit terrein hebben betrekking op de productsoorten groenten en fruit en poedervormige melkproducten.

Groenten en fruit

De volgende besluiten bevatten marktordeningsregels:

– Landbouwkwaliteitsregeling aanwijzing groenten en fruit (EG + nationaal)

– Verordening PGF 1977 Kwaliteitsvoorschriften groenten en fruit (idem)

In de sector groenten en fruit is het Landbouwkwaliteitsbesluit groenten en fruit van kracht. Het regime van dit besluit is slechts van toepassing op de productsoorten die zijn aangewezen in de Landbouwkwaliteitsregeling aanwijzing groenten en fruit. In de (op het besluit in medebewind gebaseerde) Verordening PGF 1977 Kwaliteitsvoorschriften groenten en fruit zijn voor circa 50% van de aldus aangewezen productsoorten nationale marktordeningseisen gesteld. Voor de overige 50% van de aangewezen productsoorten geldt, dat de marktordeningsregels hun oorsprong in EG-regelgeving vinden. Het Landbouwkwaliteitsbesluit groenten en fruit, de Landbouwkwaliteitsregeling aanwijzing groenten en fruit en de Verordening PGF 1977 Kwaliteitsvoorschriften groenten en fruit zullen daarom niet geheel kunnen worden gemist. De MDW-aanbeveling met betrekking tot marktordening zal derhalve resulteren in een sterke vereenvoudiging van deze regelgeving, namelijk de afbouw van de nationale marktordeningsregels, die in de PGF-verordening zijn opgenomen. Voor zover voor de desbetreffende productsoorten geen EG-marktordeningsregels gelden, kunnen zij, onder voorbehoud van een eventueel noodzakelijke tijdelijke uitzondering, in de Landbouwkwaliteitsregeling aanwijzing groenten en fruit worden geschrapt.

Poedervormige melkproducten

Het volgende besluit bevat marktordeningsregels:

– Landbouwkwaliteitsbesluit poedervormige melkproducten (nationaal)

Voor de poedervormige melkproducten brengt de MDW-aanbeveling met betrekking tot marktordeningsregels met zich mee dat, onder voorbehoud van een eventueel noodzakelijke tijdelijke uitzondering, de nationale marktordeningsregels op dit terrein worden geschrapt.

Regels met betrekking tot extra kwaliteit

Bacon, baconcuts en prepacked bacon, consumptie-aardappelen, groenten en fruit, scharrelvarkensvlees en -vleeswaar, vis en visproducten, vleeswaren, rookworst

De MDW-aanbeveling voor regelgeving met betrekking tot «extra kwaliteit» heeft allereerst consequenties voor de extra-kwaliteitsregels neergelegd in de volgende besluiten, regelingen en verordeningen:

– Landbouwkwaliteitsbesluit bacon (nationaal)

– Landbouwkwaliteitsregeling baconkeuring en -merken (idem, etc.)

– Landbouwkwaliteitsregeling vrijstellingen, ontheffingen en nadere voorschriften

– Regeling van 25 oktober 1983 inzake vrijstelling aanbrengen Rijksbaconmerk (J. 6227, Stcrt. 209)

– Landbouwkwaliteitsverordening baconcuts en prepacked bacon 1978

– Uitvoeringsbesluit baconpekels, baconcuts en prepacked bacon 1979

– Uitvoeringsbesluit Landbouwkwaliteitsverordening baconpekels, baconcuts en prepacked bacon 1986

– Landbouwkwaliteitsbesluit consumptie-aardappelen

– Landbouwkwaliteitsverordening consumptie-aardappelen 1987

– Landbouwkwaliteitsverordening PGF 1991 groenten en fruit

– Landbouwkwaliteitsbesluit scharrelvarkensvlees en -vleeswaar

– Landbouwkwaliteitsbesluit vis en visproducten

– Landbouwkwaliteitsbesluit vleeswaren

– Landbouwkwaliteitsregeling aanwijzing vleeswaren

– Landbouwkwaliteitsregeling overdracht bevoegdheden vleeswaren

– Landbouwkwaliteitsregeling vleeswarenkeuring en -merken

– Landbouwkwaliteitsverordening rookworst

De desbetreffende aanbeveling brengt met zich mee dat bovenvermelde regelgeving kan worden ingetrokken, behoudens een eventueel noodzakelijke tijdelijke uitzondering.

Boter, kaas en poedervormige melkproducten

Op het terrein van de zuivel behelst de aanbeveling voor regels met betrekking tot «extra kwaliteit» de volgende besluiten en regelingen:

– Landbouwkwaliteitsbesluit boterproducten

– Landbouwkwaliteitsregeling boterproducten

– Landbouwkwaliteitsbesluit kaasproducten

– Landbouwkwaliteitsregeling kaasproducten

– Landbouwkwaliteitsbesluit poedervormige melkproducten

– Landbouwkwaliteitsregeling poedervormige melkproducten

Deze besluiten en regelingen kunnen in beginsel worden afgeschaft, met dien verstande dat ook hier ruimte bestaat voor een tijdelijke uitzondering indien dit uit oogpunt van internationale concurrentiepositie noodzakelijk en evenredig is. Voor de kaassoorten Goudse, Edammer en Commissiekaas vloeit een dergelijke uitzondering voort uit het zuivelproject. Het Uitvoerbesluit 1957 (melk en melkproducten) kan in beginsel worden ingetrokken. Indien komt vast te staan dat dit besluit inderdaad kan worden ingetrokken, zal tevens worden bezien of de Landbouwuitvoerwet 1938 kan worden ingetrokken.

Etiketteringsregels

Aanvullende etiketteringsvoorschriften zijn opgenomen in de Landbouwkwaliteitsbesluiten, -regelingen en -verordeningen (medebewind) consumptie-aardappelen, groenten en fruit, boter, kaas en poedervormige melkproducten. Onderzocht wordt of deze regelgeving gezien de desbetreffende MDW-aanbeveling aanpassing behoeft.

Wettelijke productbenamingen

Beschermde benamingen komen voor in de Landbouwkwaliteitsbesluiten en -regelingen boter, kaas en poedervormige melkproducten. Onderzocht wordt of deze regelgeving gezien de desbetreffende MDW-aanbeveling aanpassing behoeft.

Verbieden of anderszins reguleren van toevoegingen en productiewijzen zonder gezondheidsrisico's

Voorschriften op dit terrein komen voor in de Landbouwkwaliteitsbesluiten en -regelingen boter, kaas en poedervormige melkproducten. Onderzocht wordt of deze regelgeving gezien de desbetreffende MDW-aanbeveling aanpassing behoeft.

2.2.5 Planning

Een belangrijk onderdeel van de implementatie van de aanbevelingen is overleg met het Nederlandse bedrijfsleven, in dit geval het agrarische en visserijbedrijfsleven. Voor een deel vloeit dit direct uit de MDW-aanbevelingen voort. In deze aanbevelingen wordt bij de onderdelen marktordening en «extra kwaliteit» immers gerefereerd aan overleg met het bedrijfsleven in het kader van het onderzoek naar de concurrentiepositie van de desbetreffende sector. Ook in het zuivelproject heeft het overleg met het bedrijfsleven een prominente plaats ingenomen. Gekozen is daarom voor een implementatie die in het algemeen zal bestaan uit twee delen, namelijk een onderzoekstraject en een wetgevingstraject. Het onderzoekstraject valt uiteen in een fase waarin de te hanteren aanpak wordt ontwikkeld en een fase waarin aan de hand daarvan samen met het bedrijfsleven wordt bezien in hoeverre directe afschaffing van de desbetreffende regelgeving mogelijk is. Voor het onderdeel zuivel worden in het reeds lopende implementatietraject van het zuivelproject de aanvullende MDW-punten meegenomen. Hierbij zal het bedrijfsleven wederom worden betrokken.

Voor de zuivelsector (boter, kaas en poedervormige melkproducten) zal de implementatie van de MDW-aanbevelingen gelijk oplopen met de reeds in gang gezette implementatie van de aanbevelingen van het zuivelproject. De herziening van de desbetreffende Landbouwkwaliteitsbesluiten en -regelingen zal naar verwachting begin 1997 gereed zijn voor een adviesaanvraag en per 1 januari 1998 zijn beslag kunnen krijgen. Het hiervoor vermelde onderzoekstraject zal naar verwachting voor de meeste van de overige productsoorten in totaal circa drie maanden in beslag nemen. Voor de sector groenten en fruit zal dit traject, met het oog op de complexiteit van met name de marktordeningsaspecten, tenminste in totaal vijf maanden belopen. Gelet op een start in september 1996, betekent dit dat verwacht mag worden dat het onderzoekstraject in november 1996 (bacon, baconcuts en prepacked bacon, consumptieaardappelen, scharrelvarkensvlees en -vleeswaar, vis en visproducten, vleeswaren, rookworst) respectievelijk januari 1997 (groenten en fruit) zal zijn afgerond. Gestreefd wordt naar afronding van beide wetgevingstrajecten uiterlijk per 1 januari 1998.1

Voor de Landbouwkwaliteitsregels wordt aldus de volgende planning aangehouden:

a) Regels met betrekking tot boter-, kaas- en poedervormige melkproducten

wetgevingstrajectbegin 1997 – 1 januari 1998 

b) Regels met betrekking tot bacon, baconcuts en prepacked bacon, consumptieaardappelen, scharrelvarkensvlees en -vleeswaar, vis en visproducten, vleeswaren en rookworst

ontwikkeling aanpak1 september 1996 – 1 oktober 19961 maand
overleg met bedrijfsleven1 oktober 1996 – 1 december 19962 maanden
wetgevingstraject1 december 1996 – 1 januari 199813 maanden

c) Regels met betrekking tot groenten en fruit

ontwikkeling aanpak1 september 1996 – 1 oktober 19961 maand
overleg met bedrijfslevenoktober 1996 – 1 februari 19974 maanden
wetgevingstraject1 februari 1997 – 1 januari 199811 maanden

2.3 PBO-regelgeving

2.3.1 Aanbevelingen

In het kabinetsstandpunt bij het MDW-rapport levensmiddelenwetgeving heeft het kabinet aangegeven doorlichting en opschoning van de levensmiddelenregelgeving, waarin begrepen die van de PBO's, gewenst te vinden. Met betrekking tot de positie van de PBO's heeft het kabinet zich in dit verband uitgesproken voor het beter inbedden van de bevoegdheden van de PBO-organen in het algemene levensmiddelenbeleid.

In het kabinetsstandpunt over de toekomst van de PBO's, dat de Tweede Kamer binnen enkele weken zal bereiken, wordt invulling gegeven aan het beter inbedden van de bevoegdheden van de PBO-organen in het staatsbestel. Onderdelen hiervan zijn het doorlichten en opschonen van PBO-regelgeving en een versterkt toezicht.1

2.3.2 Implementatie

De PBO's op levensmiddelenterrein hebben zich bereid verklaard medewerking te verlenen aan het opschonen en vereenvoudiging van de levensmiddelenwetgeving, waarbij specifiek wordt verwezen naar de in het MDW-rapport opgenomen lijst met autonome PBO-regelgeving op dit terrein. Een overzicht van deze PBO-verordeningen is opgenomen in de bijlage. Met het voorleggen van de aanbevelingen van het MDW-rapport aan de (dagelijkse) besturen van de desbetreffende PBO's, is ook bij de PBO's de implementatie van start gegaan.

Aan de interdepartementale MDW-taskforce, die is belast met de bewaking van de implementatie en de inhoudelijke afstemming van de diverse activiteiten waar nodig, zullen de PBO's tussentijds rapporteren over de voortgang.

Door afstemming van de dereguleringsvoorstellen van de departementen en de desbetreffende PBO's zal met bedoelde versterkte inbedding van de bevoegdheden van de PBO-organen in het algemene levensmiddelenbeleid een begin worden gemaakt. De in het kabinetsstandpunt over de toekomst van het PBO-stelsel aangegeven wijzigingen van het PBO-stelsel, zoals een versterkt toezicht, dragen hier verder aan bij.

2.3.3 Planning

Men geeft aan dat ter voorbereiding van besluitvorming door de besturen intensief overleg met het betrokken bedrijfsleven nodig is; ook met de rijksoverheid en consumentenorganisaties zal in voorkomend geval worden overlegd. Dit overleg zal geruime tijd in beslag nemen.

De desbetreffende PBO's zeggen toe dat per 1 juli 1997 de desbetreffende autonome verordeningen conform de MDW-aanbevelingen zijn aangepast.

3 Normalisatie en certificatie

3.1 Aanbevelingen

De aanbevelingen van het MDW-rapport met betrekking tot het stimuleren van de ontwikkeling en het gebruik van normalisatie en certificatie luiden als volgt:

– Kwaliteitszorg en certificatie binnen de levensmiddelensector zijn positieve ontwikkelingen die stimulering behoeven. Het ontwikkelen van passende «tegenwaarden» verdient hierbij veel aandacht. Van belang is dat de te bieden «tegenwaarde» de benodigde investeringen ook daadwerkelijk de moeite waard maakt.

– Werk de mogelijkheid uit dat bepaalde regels buiten werking worden gesteld wanneer sprake is van een door het bedrijfsleven zelf ontwikkeld alternatief waarbij hetzelfde of zelfs een hoger beschermingsniveau wordt bereikt als de overheid voor ogen staat. Ga hierbij na hoe door het bedrijfsleven afdoende kan worden aangetoond dat een adequaat beschermingsniveau wordt geboden, zodat voor de overheid de handhaafbaarheid niet in het geding komt.

– Laat zelfregulering door het bedrijfsleven waar mogelijk gepaard gaan met een vermindering van de lasten van overheidstoezicht. Stel als voorwaarde dat het bedrijf beschikt over een certificaat dat is verleend door een geaccrediteerde certificatie-instelling.

– Ondersteun de ontwikkeling en het gebruik van kwaliteitszorg en certificatie door een faciliterende rol te vervullen. Verstrek van overheidswege aan bijvoorbeeld het Nederlands Normalisatie-instituut (NNI) en/of de accreditatiestructuur (waarin vertegenwoordigd de certificatie-instellingen) de opdracht in samenwerking met belanghebbenden (zoals bedrijven en consumenten en de overheid) de verbijzondering/uitbreiding van hygiënecodes/ISO 9000-eisen per deelsector van de levensmiddelenbranche te verzorgen teneinde alle voor het levensmiddelenbeleid relevante aspecten mee te nemen. Stimuleer door middel van onderzoek, proefprojecten en voorlichting het gebruik van normalisatie en certificatie.

Ook wordt aanbevolen de ruimte die de EG-regelgeving biedt voor het verbinden van gevolgen aan zelfregulering door het bedrijfsleven in kaart te brengen. Op het internationale vlak wordt aanbevolen voor de korte termijn in te zetten op dusdanige wijziging van EG-regelgeving dat meer ruimte ontstaat voor het verlenen van «tegenwaarde» in de sfeer van regelgeving en toezicht. Voor de lange termijn wordt aanbevolen op Europees niveau de introductie van de Nieuwe Aanpak voor levensmiddelen te bevorderen.

3.2 Implementatie

In tegenstelling tot de aanbevelingen op de overige nationale terreinen, zoals die met betrekking tot het vereenvoudigen en opschonen van de regelgeving, behoeven bovenstaande aanbevelingen concretisering alvorens tot implementatie kan worden overgegaan.1 Hierbij is het kabinet van mening dat bij het stimuleren van de ontwikkeling en het gebruik van normalisatie en certificatie zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij een aantal concrete projecten die reeds lopen of op het punt staan van start te gaan, zoals die met betrekking tot hygiënecodes/HACCP, op het gebied van de zuivel (de «praktijk-module» van het LNV-zuivelproject) en met betrekking tot de biologische landbouw (het erkenningensysteem controle biologische landbouw).

Werken volgens de principes van HACCP is sinds december 1995 verplicht. Branche-organisaties ontwikkelen hygiënecodes die het voldoen aan de wettelijke verplichting een voedselveiligheidssysteem op basis van HACCP op te zetten vergemakkelijken. Ook is door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) voor HACCP-certificatie, bestaande uit vertegenwoordigers van certificerende instellingen, handel, industrie, consumenten en PBO's, een certificatieschema ontwikkeld om elk bedrijf dat wettelijk verplicht is een HACCP-systeem op te zetten, de gelegenheid te bieden dit systeem te laten certificeren. De eerste bedrijven proberen nu dit certificaat te bemachtigen. Mogelijk is in de relatie overheid-bedrijfsleven een «tegenwaarde» te formuleren die het werken volgens de HACCP-principes verder stimuleert.

De «praktijk-module» van het LNV-zuivelproject heeft tot doel de bestaande praktijkcodes op zuivelgebied te herzien dan wel nieuwe praktijkcodes te formuleren, zodat deze codes aansluiten bij het gedereguleerde stelsel van de Landbouwkwaliteitsregelgeving voor de zuivel.

Het project «erkenningensysteem controle biologische landbouw» heeft betrekking op een omschakeling van aanwijzing van één keuringsinstantie voor biologische producten naar een systeem van erkenning van meer keuringsinstanties.

Door aan bepaalde vormen van zelfregulering een «tegenwaarde» te verbinden, kan de overheid de ontwikkeling en het gebruik van normalisatie en certificatie stimuleren. Zo zou de overheid aan het behalen van een HACCP-certificaat voor bedrijven aantrekkelijker kunnen maken door de lasten van overheidstoezicht te verminderen en bepaalde regels buiten werking te stellen. Voor een dergelijke «tegenwaarde» moet de EG-regelgeving ruimte bieden. Ook is het van belang een dergelijke «tegenwaarde» vast te leggen, zodat bedrijven hierop kunnen rekenen.

Met betrekking tot het nader verkennen van de mogelijkheden van normalisatie en certificatie voor het levensmiddelenterrein kiest het kabinet voor een praktische aanpak. Daar waar reeds initiatieven worden genomen, worden deze uitgewerkt. Bij voldoende positief resultaat wordt verkend in hoeverre ook op andere terreinen voor normalisatie en certificatie belangstelling en mogelijkheden bestaan. De nadruk zal daarom in eerste instantie liggen op de genoemde drie terreinen.

Een aantal aspecten zal in de vorenbedoelde projecten aan de orde komen. Deze aspecten zijn:

a) Ruimte EG-regelgeving

Vanzelfsprekend vormt de ruimte die de EG biedt voor het verbinden van gevolgen aan zelfregulering door het bedrijfsleven, zoals het verbinden van een «tegenwaarde» aan het bezit van een HACCP-certificaat, een wezenlijke randvoorwaarde. Deze ruimte zal dan ook in kaart worden gebracht.

De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen mogelijk in Europees verband worden gebruikt ter ondersteuning van onder andere het streven naar meer ruimte voor het verbinden van gevolgen aan normalisatie en certificatie door het bedrijfsleven, zoals in de sfeer van regelgeving en toezicht.

b) «Tegenwaarde» HACCP- en andere kwaliteitssystemen

Voor een mogelijke «tegenwaarde» in de zin van vermindering van de lasten van overheidstoezicht zal samen met bedrijfsleven en consumentenorganisaties worden overlegd met de desbetreffende toezichtinstanties. Met betrekking tot het mogelijk buiten werking stellen van bepaalde regels bij het bezit van een HACCP-systeem of andere kwaliteitssystemen zal aan de bedrijven die dergelijke systemen aan het opzetten zijn of reeds hebben opgezet de vraag worden voorgelegd of hierbij bepaalde regelgeving in de praktijk een knelpunt is en zo ja, op welke wijze dit zou kunnen worden verholpen. Ook de toezichthouders en andere belanghebbenden zullen worden betrokken. Bij beide aspecten, toezicht én regelgeving, zal de rol die certificatie kan spelen, bijvoorbeeld in verband met de benodigde waarborgen, worden betrokken. Ten behoeve van beide onderdelen zal dan ook onder andere het CCvD voor HACCP-certificatie worden geraadpleegd. De ruimte die de EG voor het verbinden van gevolgen aan zelfregulering biedt, vormt bij het onderzoeken van de mogelijke «tegenwaarde» een wezenlijke randvoorwaarde.

c) Kansen normalisatie

Kwaliteitszorg en certificatie daarvan komen in de levensmiddelensector op gang; normalisatie blijft echter nog achter. Deze beperkt zich thans met name tot methoden voor analyse en bemonstering. Voor HACCP verschijnt binnenkort wel een ISO ontwerp-norm; als deze norm definitief is, wordt het huidige certificatieschema daarop aangepast. De ISO norm is een systeemnorm vergelijkbaar met ISO 9000 (kwaliteitszorg) en ISO 14 000 (milieuzorg) normen. Productnormen zijn schaars. Wel is sprake van veel productregelgeving. De vorenstaande voorstellen beogen onder meer het dereguleren van productregelgeving. De overheid zal dan ook niet bij belanghebbenden propageren om op deze terreinen productnormen op te stellen; in wetgeving zal naar dergelijke normen dan ook niet worden verwezen.

Wel is het interessant te bezien of normalisatie voordelen biedt met betrekking tot het voldoen aan regels die de overheid wenst te blijven stellen, bijvoorbeeld omdat normen beter aansluiten bij de bedrijfsvoering en normen gemakkelijker zijn aan te passen. Dit onderzoek moet zich niet beperken tot de Nederlandse situatie, maar ook de mogelijkheden voor Europese normalisatie bezien. Ook bij dit onderzoek zullen de belanghebbenden, waaronder het bedrijfsleven, worden betrokken.

d) Toepassing resultaten a), b) en c) op gedereguleerde wetgeving

Na toetsing van de bestaande wetgeving aan de in het MDW-rapport neergelegde criteria zal nog een aanzienlijke hoeveelheid wetgeving overblijven. Afhankelijk van de resultaten van de eerder vermelde projecten kan worden bekeken of deze resultaten ook in breder verband in de levensmiddelenwetgeving toepasbaar zijn.

e) Stimulering HACCP- en andere kwaliteitssystemen en normalisatie

Eveneens afhankelijk van de resultaten van de eerder vermelde projecten en van een mogelijke verbreding van deze resultaten naar ook andere terreinen van de levensmiddelenwetgeving, kunnen de stimulering van HACCP- en andere kwaliteitssystemen en normalisatie gestalte krijgen, bijvoorbeeld door het organiseren van (branche-)bijeenkomsten met belanghebbenden, zoals (vertegenwoordigers) van bedrijven, consumenten en overheid, waaronder toezichthouders. De resultaten van de verrichte onderzoeken kunnen worden gepresenteerd evenals de follow-up die de overheid daaraan geeft.

3.3 Planning

Voor de activiteiten op het terrein van hygiënecodes/HACCP wordt ernaar gestreefd per 1 januari 1998 concrete resultaten te hebben geboekt. Ook met betrekking tot de modules van het LNV-zuivelproject, inclusief de hier besproken «praktijk-module», wordt gestreefd naar afronding uiterlijk per 1 januari 1998. Het project «erkenningensysteem controle biologische landbouw» start deze maand en zal in maart 1997 tot eerste resultaten leiden; afhankelijk daarvan wordt mogelijk een vervolgtraject gestart. Voor de overige terreinen wordt per 1 januari 1998 aangegeven in hoeverre ook hier concrete resultaten mogelijk zijn en welke stappen hiervoor nog moeten worden gezet.

4 Wettelijk en bestuurlijk kader

4.1 Positie van de PBO's

4.1.1 Aanbeveling

Met betrekking tot de positie van de PBO's komt de MDW-werkgroep tot de volgende aanbeveling:

«Kies met betrekking tot de positie van de PBO's één van de volgende varianten:

1. Schaf de autonome verordenende bevoegdheid van de PBO's af.

2. Versterk de inbedding van de autonome verordenende bevoegdheid van de PBO's in het algemene levensmiddelenbeleid. Zie er in het kader van het toezicht op de PBO's op toe dat aan de voorwaarden voor regelgeving (dringende afzetbelangen, etc.) is voldaan. Draag de PBO's op hun voornemen tot regelgeving vroegtijdig af te stemmen met de rijksoverheid.»

4.1.2 Implementatie

Het kabinet heeft zich, zoals ook aangegeven in paragraaf 2.3 PBO-regelgeving, in haar standpunt bij het MDW-rapport levensmiddelenwetgeving uitgesproken voor het beter inbedden van de bevoegdheden van de PBO-organen in het algemene levensmiddelenbeleid. In deze paragraaf is tevens aangegeven dat in het kabinetsstandpunt over de toekomst van de PBO's invulling wordt gegeven aan het beter inbedden van de bevoegdheden van de PBO-organen in het staatsbestel. Een versterkt toezicht maakt hier onderdeel van uit.

4.2 Perspectief voor de toekomst: één levensmiddelenwet?

4.2.1 Aanbevelingen

De MDW-werkgroep kwam op dit terrein met de volgende aanbevelingen:

«Bezie of het aanbeveling verdient stappen te zetten in de richting van één levensmiddelenwet als kader voor alle levensmiddelenvoorschriften en als thuisbasis voor de publieke diensten, waarbij publieke en private (controle-)taken strikt worden gescheiden. Als de politieke legitimatie om hieraan te werken wordt uitgesproken, kan een onderzoek hiernaar worden verricht. Dit laatste overigens zonder dat daarmee het in te zetten proces van opschoning en vereenvoudiging wordt belemmerd of vertraagd.

Als het kabinet bovenvermelde gedachte aanspreekt, kan, voor zover binnen de huidige bevoegdheidsverdeling mogelijk, reeds nu de doorzichtigheid van de wetgeving worden vergroot door regels voor één product slechts in één kader te stellen, waardoor versnippering van wetgeving wordt voorkomen.»

4.2.2 Implementatie

a) Eén levensmiddelenwet

Het kabinet spreekt de gedachte van één levensmiddelenwet als kader voor alle levensmiddelenvoorschriften en als «thuisbasis» voor de publieke diensten aan. Daarom zal naar de haalbaarheid van één wettelijk en bestuurlijk kader voor de levensmiddelenwetgeving nader onderzoek worden gestart. Hiertoe zal een bestuurskundig georiënteerd jurist worden gevraagd de contouren van één levensmiddelenwet te schetsen met daarbij een uitwerking van de voor- en nadelen van één wet. Een dergelijke opdracht kan er als volgt uit zien:

Overwegingen

«De gedachte van één levensmiddelenwet als kader voor alle levensmiddelenvoorschriften en als thuisbasis voor de publieke diensten spreekt het kabinet aan.» Zo reageerde het kabinet op de door de MDW-werkgroep levensmiddelenwetgeving gesignaleerde kansen om te komen tot één wettelijk en bestuurlijk kader voor de levensmiddelenwetgeving en een uitvoeringsstructuur waarin publieke en private taken zijn onderscheiden. Verbeterde realisering van de beleidsdoelen, voorkomen van ongewenste neveneffecten van wetgeving en versterking van de (doelmatigheid van de) handhaving zouden uit het onder één dak brengen van de nog noodzakelijke wettelijke regels voor levensmiddelen kunnen voortvloeien. Het kabinet meent dat in dat geval de gewenste integrale afweging van belangen beter tot zijn recht kan komen.

Opdracht

Wetgeving inzake levensmiddelen vindt thans plaats in of op grond van de Warenwet, de Landbouwkwaliteitswet en PBO-verordeningen. Ook de in de Vleeskeuringswet geregelde materie raakt aan de levensmiddelenwetgeving.1 Verder biedt het privaatrecht – meer dan vroeger – mogelijkheden om doelstellingen van de levensmiddelenwetgeving te realiseren, zoals de regels met betrekking tot reclame, productaansprakelijkheid en het collectief actierecht.

Om de kansen en risico's van één levensmiddelenwet in kaart te brengen is het nodig te beschikken over een schets met de contouren voor zo'n levensmiddelenwet. Uitgangspunt voor de contourenschets voor de levensmiddelenwetgeving vormt de lijn als uiteengezet in het MDW-rapport: liever gebruik van privaatrechtelijke dan publiekrechtelijke mechanismen, voor zover publiekrechtelijke instrumenten nodig zijn voorrang voor de minst ingrijpende, liever regels voor voedingsmiddelen in het algemeen dan regels gericht op specifieke producten of productgroepen en bij voorkeur geen regels die hogere eisen stellen dan waartoe internationale verplichtingen nopen.

Op basis van het kabinetsstandpunt en het MDW-rapport levensmiddelenwetgeving zouden in de contourenschets in ieder geval de volgende onderwerpen uitwerking verdienen:

1. Formuleren van de doelstellingen:

Op de achtergrond spelen bij de levensmiddelenwetgeving verschillende, soms tegengestelde, belangen. Publieke en private belangen blijken vaak in elkaars verlengde te leggen. Zo laat het private belang van de consument bij levensmiddelen die zijn gezondheid niet aantasten zich vanuit publiek perspectief vertalen in de doelstelling van bescherming van de volksgezondheid. En strekt regeling van productaansprakelijkheid en misleidende reclame naast bescherming van private partijen tevens tot bevordering van de eerlijkheid in de handel.

Bij het formuleren van doelstellingen voor één levensmiddelenwet is het daarom nodig het terrein af te bakenen waarop de bestuurswetgever zich terzake van de levensmiddelenwetgeving beweegt. De met de wetgeving nagestreefde doeleinden moeten worden vastgelegd. Tegelijk moet worden aangegeven hoe verwerkelijking van deze doelstellingen kan worden verwezenlijkt, waarbij conform de conclusies van de MDW-werkgroep de private partijen zoveel mogelijk worden geprikkeld aan de doelstellingen bij te dragen.

2. Inventariseren van de benodigde wettelijke normen, zoals:

– in de formele wet op te nemen verplichtingen voor de producenten van levensmiddelen

– het bieden van een wettelijke basis voor implementatie van EG-regelgeving

– het bieden van een (voldoende materieel en procedureel genormeerde) wettelijke basis voor uitvoeringsbesluiten

– de eventueel benodigde verankering van normalisatie en certificatie als middel tot het waarborgen van de doelstellingen van de levensmiddelenwet

– het verlenen van de benodigde toezichthoudende bevoegdheden

– een adequaat sanctieregime

– de eventuele naast de Algemene wet bestuursrecht nog benodigde voorzieningen voor de rechtsbescherming.

Op basis van een dergelijke contourenschets dient een analyse van de voor- en nadelen van één levensmiddelenwet te worden gegeven.»

b) Objecten van regelgeving zoveel mogelijk één keer regelen

Het kabinet heeft aangegeven reeds nu de doorzichtigheid van de wetgeving te willen vergroten door bij de nationale regelgeving die gezien het bovenvermelde op de nominatie staat om te worden doorgelicht en bij toekomstige regelgeving, met inachtneming van de bestaande verdeling van verantwoordelijkheden, elk object van regelgeving zoveel mogelijk één keer te regelen. Versnippering van wetgeving wordt zo voorkomen.

Ter implementatie van deze aanbeveling worden de dereguleringsvoorstellen van de diverse wetgevers naast elkaar gelegd en bezien op de mogelijkheid elk object van regelgeving één in plaats van twee of drie keer te regelen.

4.2.3 Planning

Het kabinet streeft ernaar het vermelde onderzoek naar de voor- en nadelen van één levensmiddelenwet per 1 april 1997 af te doen ronden en uiterlijk 1 januari 1998 een besluit te nemen over de wenselijkheid van één levensmiddelenwet.

Bij de planning van de diverse wetgevingsactiviteiten wordt met de aanbeveling objecten van regelgeving zoveel mogelijk één keer te regelen rekening gehouden.

5 Internationaal deel

5.1 Codex Alimentarius

De aanbevelingen van het MDW-rapport zullen niet alleen worden gebruikt voor de opstelling ten opzichte van de geharmoniseerde wetgeving in de Europese Unie en de Benelux, maar ook ten opzichte van de afspraken die in het kader van het FAO/WHO Joint Food Standard Program in de Codex Alimentarius Commission worden gemaakt en die door de SPS-overeenkomst (Agreement on the Applications of Sanitary and Phytosanitary Measures) en de TBT-code (Technical Barriers to Trade) binnen de WTO niet meer vrijblijvend zijn. Met betrekking tot de ontwikkeling van «food standards» door de Codex Alimentarius Commission wordt de Nederlandse Contactcommissie van de Codex Alimentarius verzocht in haar standpuntbepaling rekening te houden met de aanbevelingen van het MDW-rapport.

5.2 Europese Gemeenschap

5.2.1 Aanbevelingen

Met betrekking tot EG-regelgeving beveelt de MDW-werkgroep aan, waar hiervoor ruimte bestaat, de volgende lijn aan te houden:

Opschoning en vereenvoudiging van EG-regelgeving

– Hanteer de uitgangspunten, de analyse en de aanbevelingen met betrekking tot de nationale regelgeving als richtsnoeren voor de opstelling van Nederland met betrekking tot EG-regelgeving.

– Bezie in hoeverre de algemene EG-etiketteringsvoorschriften betrekking hebben op meer dan de echt essentiële informatie en in hoeverre kan worden gekozen voor een meer consumentvriendelijke systematiek. Dring, voor zover hiervan sprake is, aan op aanpassing van deze etiketteringsvoorschriften.

Ruimte voor en toepassing van normalisatie en certificatie in de EG-regelgeving

– Zet voor de korte termijn in op dusdanige wijziging van EG-regelgeving dat meer ruimte ontstaat voor het verlenen van «tegenwaarde» in de sfeer van regelgeving en toezicht.

– Bevorder voor de langere termijn op Europees niveau de introductie van de Nieuwe Aanpak voor levensmiddelen, zoals deze al eerder ingang heeft gevonden in de sector van de niet-levensmiddelen.

5.2.2 Implementatie

Waar daarvoor ruimte is, zal bij de behandeling van individuele dossiers een opstelling worden gekozen die zoveel mogelijk in lijn ligt met het MDW-rapport en het kabinetsstandpunt. Daarbij worden de volgende prioritaire invalshoeken gehanteerd:

– vereenvoudiging van regelgeving (onder meer door codificatie van versnipperde wetgeving)

– stimulering van de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven (onder meer door bij overheidscontrole en kosten daarvan rekening te houden met zelfcontrole).

Allereerst zal worden aangegeven wat kan worden verwacht van het in ontwikkeling zijnde Groenboek Levensmiddelenrecht en welke rol Nederland via het voorzitterschap van de Europese Unie (voorjaar 1997) daarbij kan spelen. Daarna zullen op de terreinen «opschoning en vereenvoudiging van EG-regelgeving» en «ruimte voor toepassing van normalisatie en certificatie» de in dit kader relevante lopende initiatieven worden vermeld met daarbij aandachtspunten voor Nederland.

Groenboek Levensmiddelenrecht en Nederlands voorzitterschap

De Europese Commissie heeft een Groenboek Levensmiddelenrecht aangekondigd. Dit Groenboek zal onder meer gericht zijn op vereenvoudiging en stroomlijning van de huidige levensmiddelenregelgeving. De Commissie heeft recent de verwachting uitgesproken dat rond de jaarwisseling het Groenboek zal worden gepubliceerd. Nederland zal tijdens het Nederlands voorzitterschap aan dit Groenboek actief aandacht besteden evenals aan enkele actuele thema's in het levensmiddelenbeleid. Over beide onderwerpen zal Nederland – in overleg met de Europese Commissie – een conferentie organiseren. Deze conferentie zal worden gehouden in Den Haag van 5 tot 7 maart 1997. Tijdens het Nederlands voorzitterschap en in het bijzonder op deze conferentie zal door Nederland het MDW-gedachtegoed met betrekking tot het opschonen en vereenvoudigen van regelgeving en het creëren van ruimte voor het gebruik van normalisatie en certificatie in de wetgeving worden uitgedragen. Eén van de actuele thema's in het levensmiddelenbeleid is de rol van normalisatie en certificatie.

Opschoning en vereenvoudiging van EG-regelgeving

De regelgeving op het gebied van levensmiddelen is sterk Europees bepaald. Deze regelgeving is complex en weinig doorzichtig. Een belangrijk deel van de regelgeving is verticaal en voorziet in gedetailleerde regels voor specifieke producten. Binnen de EG is vanaf het midden van de jaren tachtig de trend gezet naar meer horizontale wetgeving. Dit proces is nog niet voltooid. Nog steeds zijn tal van verticale regels van kracht. De Europese Commissie is zich hiervan bewust en is op deelterreinen bezig de regelgeving te vereenvoudigen.

Horizontale (algemene) richtlijnen/verordeningen

Het MDW-rapport signaleert een toename van etiketteringseisen die, hoewel gericht op een goede voorlichting van de consument, het risico met zich meebrengen dat het tegenovergestelde wordt bereikt. Aanbevolen wordt om binnen de EG te kiezen voor een meer consumentvriendelijke systematiek gericht op de echt essentiële informatie. De Commissie heeft aangekondigd om binnen een termijn van twee jaar te komen met wijzigingsvoorstellen van de etiketteringsvoorschriften. Nederland zal deze voorstellen langs de desbetreffende MDW-aanbeveling leggen.

Verticale (product-)richtlijnen/verordeningen

Door de Europese Commissie is voorgesteld zeven verticale richtlijnen op het gebied van levensmiddelen te vereenvoudigen.1 Het betreft de volgende richtlijnen:

– Chocolade en chocoladeproducten

– Honing

– Jam en dergelijke (Verduurzaamde vruchtenproducten)

– Koffie-extract

– Suiker

– Verduurzaamde melk (Gedehydrateerde melk)

– Vruchtensap en dergelijke.

Dit voorstel is inmiddels aangeboden aan de Raad van de Europese Unie.

Ook is met de vereenvoudiging van veertien specifieke hygiënerichtlijnen een begin gemaakt. Men streeft naar samenvoeging. De Commissie bereidt een voorstel voor dat mogelijk nog dit jaar aan de Raad zal worden aangeboden.

Bij de behandeling van individuele dossiers kunnen onder meer de suggesties en ideeën aan de orde komen die de Europese Commissie zijn aangereikt in het Memorandum van de Nederlandse regering inzake het Europese levensmiddelenbeleid van 8 september 1994. Veel van deze – vaak concrete – suggesties sporen met de aanbevelingen van de MDW-werkgroep. In dit Memorandum is onder meer aangegeven dat ook op het terrein van de marktordening dereguleringsmogelijkheden moeten worden onderzocht. Aspecten die daarbij naar voren zijn gebracht zijn samenstelling, etikettering en kwaliteit. Aanzienlijke dereguleringsmogelijkheden lijken aanwezig te zijn met name op het gebied van de marktordening groenten en fruit. In het bijzonder is flexibilisering en vereenvoudiging mogelijk van de EG-kwaliteitsnormen voor groenten en fruit (indeling in kwaliteitsklassen). Ten aanzien van de voorstellen tot herziening van de marktordening groenten en fruit heeft Nederland reeds in 1995 aangedrongen op vereenvoudiging van de kwaliteitsregelgeving. De Europese Commissie is tot nu toe niet aan deze wens tegemoet gekomen.

Ruimte voor en toepassing van normalisatie en certificatie in de EG-regelgeving

Gestreefd wordt naar meer duidelijkheid over de plaats die normalisatie en certificatie innemen in het levensmiddelenbeleid. In het reeds genoemde Memorandum is hiervoor de nodige aandacht gevraagd, mede als gevolg van de ontwikkeling dat ook in de levensmiddelensector normalisatie en certificatie een meer prominente plaats krijgen. Verduidelijking dient plaats te vinden van de rol die de CEN, het Europese normalisatie-instituut, kan spelen bij onder meer het doen certificeren van de productiewijze van ondernemers, in overeenstemming met de principes van ISO 9000. Tevens dient de verhouding van een dergelijke certificatie en van (de certificatie van) HACCP-systemen tot de officiële controle aan de orde te worden gesteld. Wel spreekt daarbij voor zich dat, gelet op de terughoudende opstelling van een aantal lid-staten op dit punt en vanuit Brussel behoedzaam moet worden geopereerd.

Bij de stimulering van normalisatie en certificatie moet rekening worden gehouden met de hierover in internationaal verband gemaakte afspraken. Het wederzijds erkennen van elkaars controle- en certificatiesystemen is met name bij het terugtreden van de overheid van groot belang om het internationale handelsverkeer niet te belemmeren. Nederland zal zich, naast het vergroten van de ruimte voor het verbinden van gevolgen aan zelfregulering door het bedrijfsleven, inzetten voor in ieder geval Europese erkenning van het HACCP-certificaat. De Raad voor Accreditatie zal worden verzocht zich in EAC-verband (European Accreditation of Certification) in te zetten voor wederzijdse erkenning van HACCP-certificatie.

5.3 Benelux

5.3.1 Aanbevelingen

De MDW-werkgroep heeft met betrekking tot het internationale deel van de levensmiddelenwetgeving aandacht voor de nuancering dat voor internationale besluitvorming vaak vele partners nodig zijn en niet altijd aan een principiële lijn kan worden vastgehouden. Met betrekking tot opschoning en vereenvoudiging van Benelux-regelgeving komt de MDW-werkgroep tot de volgende aanbevelingen:

– Zorg in Benelux-verband op korte termijn voor afronding van het reeds in gang gezette dereguleringsproces.

– Streef voor de langere termijn, in overleg met de Benelux-partners, naar algehele afschaffing van de resterende Benelux-regelgeving.

5.3.2 Implementatie

Ter afronding van het reeds in gang gezette dereguleringsproces is tijdens de vergadering van de Raad van de Economische Unie 2 juli jl. met betrekking tot de acht nog niet aangepaste beschikkingen overeengekomen dat vijf beschikkingen worden ingetrokken en drie worden aangepast.

De volgende beschikkingen worden ingetrokken:

– Consumptie-ijs

– Eiproducten

– Mosterd

– Specerijen

– Zout

De overige nog niet aangepaste beschikkingen worden bezien op dereguleringsmogelijkheden:

– Deegwaren

– Eetbare oliën

– Voedingszetmelen

Inmiddels heeft een ad hoc groep onder verantwoordelijkheid van de Werkgroep Interne Markt de opdracht tot aanpassing van deze drie beschikkingen gekregen. Naar verwachting zullen de werkzaamheden november 1996. kunnen worden afgerond. Binnen dat tijdsbestek kan ook intrekking van de vijf overige regelingen plaatsvinden. Het Secretariaat-Generaal van de Benelux heeft de opdracht gekregen een ontwerp-beschikking tot intrekking op te stellen.

Met betrekking tot algehele deregulering worden op dit moment geen concrete stappen ondernomen in verband met de terughoudendheid van België en Luxemburg op dit punt. Wel zal tijdens het opschoningsproces worden bezien of verdere stappen kunnen worden gezet. Of de Benelux-partners bereid zijn tot verdergaande deregulering hangt mede af van de voortgang van de harmonisatie binnen de EG. Nederland blijft voorstander van afschaffing van de resterende Benelux-beschikkingen.

6 Ter afsluiting

Om daadwerkelijk invulling te geven aan de aanbeveling elk object van regelgeving zoveel mogelijk één keer te regelen en een begin te maken met een versterkte inbedding van de PBO-bevoegdheden in het algemene levensmiddelenbeleid, is het onderling afstemmen van de dereguleringsvoorstellen, alvorens het wetgevingstraject te starten, essentieel. Hierop zal dan ook elk van de regelgevers kunnen worden aangesproken. De interdepartementale MDW-taskforce zal, naast de bewaking van de implementatie van de aanbevelingen, op deze inhoudelijke afstemming van de diverse activiteiten toezien.

BIJLAGE

Op te schonen en te vereenvoudigen autonome PBO-regelgeving

Het onderstaande vormt een overzicht van autonome PBO-verordeningen op het terrein van de levensmiddelen. De medebewindsverordeningen, waarvan met name op grond van de Landbouwkwaliteitswet sprake is, zijn in het voorgaande meegenomen. Onderscheid is gemaakt tussen autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving en autonome verordeningen die wél voortvloeien uit internationale regelgeving. Waar dit laatste het geval is, is – voor zover bekend – aangegeven of hierbij sprake is van EG- of van Benelux-regelgeving. Of bij de autonome verordeningen die voortvloeien uit internationale regelgeving sprake is van extra, nationale regels moet worden bezien.

Productschap voor Aardappelen

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening commissie kwaliteitskeuring aardappelen 1986 (wordt ingetrokken)

Verordening gedroogde aardappelpuree 1983 (wordt ingetrokken)

HoofdProductschap voor Akkerbouwprodukten (HPA)

Mogelijk bevatten de autonome verordeningen die voortvloeien uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening cacao en chocoladeproducten 1974 (EG)

Verordening verpakkingseenheden koffie- en cichorei-extract 1979 (EG)

Verordening verpakkingseenheden koffie en koffieproducten 1983 (EG)

Productschap Bier

Mogelijk bevat de autonome verordening die voortvloeit uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Bierverordening (Benelux)

Bedrijfschap Frisdranken en Waters

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Statiegeldverordening frisdranken en waters

Statiegeldverordening groothandelsverpakkingen

Verordening authenciteit vruchtenlimonades 1992

Verordening inspectiesysteem hervulbare kunststofflessen

Verordening kwaliteitseisen limonadesiropen

Productschap voor Gedistilleerde dranken

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening benaming van advocaat

Verordening benaming van boerenjongens en boerenmeisjes

Verordening benaming van enige gedistilleerde en zwak-alcoholhoudende dranken

Verordening benaming jenever en korenwijn

Verordening botteling en verpakking van gedistilleerde en zwak-alcoholhoudende dranken

Verordening keuringscommissie van het Productschap voor Gedistilleerde dranken

Verordening kwaliteitscontrole alcohol en gedistilleerde dranken

Verordening laaggradige eierdranken

Verordening verbod koppelverkoop van gedistilleerde dranken

Verordening verbod verkoop ethylalcohol

Verordening verwerking agrarische alcohol en gedistilleerde dranken

Mogelijk bevatten de autonome verordeningen die wél voortvloeien uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening tot naleving van Verordening (EEG) nr. 1576/89 (EG)

Verordening voorverpakte gedistilleerde dranken (EG)

Productschap voor Granen, Zaden en Peulvruchten (GZP)

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening droge stof brood 1986

Verordening snijkoek 1983

Verordening speculaas

Verordening verpakkingseenheden roggebrood 1986

Productschap voor Groenten en Fruit (PGF)

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening appelmoes 1982

Verordening geconfijte vruchten 1988

Verordening opgeweekte peulvruchten 1978

Verordening tomatensap en bepaalde aanverwante producten 1982

Verordening verbod doorstralen groenten en fruit 1988

Verordening verhandelingsverbod onrijpe appelen 1970 (wordt ingetrokken)

Verordening zuurkool 1987

Mogelijk bevatten de autonome verordeningen die wél voortvloeien uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening verduurzaamde groenten 1981 (EG)

Verordening vruchtensappen en bepaalde aanverwante producten 1976 (EG)

Productschap Margarine, Vetten en Oliën (MVO)

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening algemene bepalingen 1958

Verordening halvarine 1968

Verordening margarine 1957

Verordening vet en olie 1958

Mogelijk bevat de autonome verordening die wél voortvloeit uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening eetbare oliën en vetten 1975 (EG + Benelux)

Productschap Pluimvee en Eieren (PPE)

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening afleveren kippen-, eenden- en ganzeneieren

Verordening integraal ketenbeheersingsprogramma kuikenvlees (productie en verwerking)

Verordening inzake met vreemde stoffen bewerkte broedeieren

Verordening kwaliteitseisen en aanduidingsvoorschriften wild en geslachte konijnen

Verordening onschadelijkmaking slachtafvallen van pluimvee, wild en konijnen

Verordening regulering doorstralen vlees van pluimvee 1993

Verordening kwaliteitseisen pluimvee en geslacht gevogelte alsmede voorschriften conserven

Verordening verbod inspuiten pluimvee, wild en tamme konijnen

Verordening verbod toediening bepaalde vreemde stoffen aan pluimvee

Verordening verbod toediening chlooramphenicol 1995

Mogelijk bevatten de autonome verordeningen die wél voortvloeien uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening bijzondere slachtpluimveehouderijsystemen 1991

Verordening eiproducten 1992

Verordening handelsnormen slachtpluimvee (EG)

Verordening productie van en handel in broedeieren levend pluimvee 1992

Verordening verhandelen kippeneieren EEG 1991 (EG)

Verordening watergehalte pluimvee bij Productschapsondernemers 1981

Bedrijfschap Groothandel in Eieren en Eiproducten en de Eiproductenindustrie

Mogelijk bevatten de autonome verordeningen die wél voortvloeien uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening EEG-kwaliteitsregeling eieren 1991 (EG)

Verordening eiproducten 1992

Bedrijfschap Pluimveehandel en -industrie

Autonome verordening die niet voortvloeit uit internationale regelgeving:

Verordening kwaliteitseisen en etikettering konijnen en wild

Verordening onschadelijkmaking slachtafvallen

Mogelijk bevat de autonome verordening die wél voortvloeit uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening handelsnormen slachtpluimvee

Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD)

Autonome verordening die niet voortvloeit uit internationale regelgeving:

Verordening inrichting detailhandel in wild en gevogelte 1991

Productschap Vis

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening administratievoorschriften mosselen

Verordening dagvers gerookte paling

Verordening gezondheidsvoorschriften visdetailhandel

Verordening grootte-aanduiding voorverpakte verse mosselen

Verordening inrichting kleinhandel in vis 1951

Verordening voorkoming introductie van uitheemse toxische dinoflagellaten

Mogelijk bevatten de autonome verordeningen die wél voortvloeien uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening denatureren EEG-basisvissoorten 1973 (EG)

Verordening EEG-handelsnormen garnalen 1971 (EG)

Verordening EEG-handelsnormen zeevissoorten 1972 (EG)

Verordening gezondheidsvoorschriften levende tweekleppige weekdieren

Verordening gezondheidsvoorschriften visafslagen (EG)

Verordening gezondheidsvoorschriften vissersvaartuigen (EG)

Verordening gezondheidsvoorschriften visverwerkende bedrijven (EG)

Verordening inzake keuring van aangevoerde en geïmporteerde vis 1987 (EG)

Visaanvoer- en losverordening 1976

Productschap voor Wijn

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening aflevering Franse AOC-wijn nieuwe oogst

Verordening aflevering Franse landwijn nieuwe oogst

Verordening proefcommissie wijn 1981

Mogelijk bevatten de autonome verordeningen die wél voortvloeien uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening etikettering wijn 1986 (EG)

Verordening voorverpakkingen wijn 1983 (EG)

Verordening wijn 1972 (EG)

Productschap voor Zuivel

Autonome verordeningen die niet voortvloeien uit internationale regelgeving:

Verordening bedrijfsinrichting en bedrijfsuitoefening detailhandel en ambulante handel in melk en melk- en zuivelproducten 1986

Verordening bestemming en verwerking marktveemelk 1958

Verordening chlooramphenicol 1985

Verordening consumptiemelk 1958

Verordening kaas 1958

Verordening kanalisatie van melk afkomstig uit bepaalde gebieden 1984

Verordening terminologie 1958

Mogelijk bevatten de autonome verordeningen die wél voortvloeien uit internationale regelgeving extra, nationale regels:

Verordening inrichtingseisen zuivelbereiding 1993 (gedeeltelijk medebewind; EG)

Verordening gebruik caseïne en caseïnaten in kaas 1990 (EG).


XNoot
1

Brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Economische Zaken d.d. 16 juli 1996.

XNoot
1

Zie hoofdstuk 5 voor internationale dereguleringsinitiatieven.

XNoot
1

Indien de Landbouwuitvoerwet 1938 kan worden ingetrokken zal, gelet op het «zware» wetgevingstraject, deze datum voor dat onderdeel naar verwachting niet worden gehaald.

XNoot
1

Zie paragraaf 4.1 Positie van de PBO's.

XNoot
1

De benodigde internationale acties zijn vermeld in hoofdstuk 5.

XNoot
1

Het project Vleeskeuringswet nieuwe stijl beoogt de wetgeving met betrekking tot de vleeskeuring – nu opgenomen in de Vleeskeuringswet, de Landbouwwet en de Veewet – te integreren in één wet. Vooralsnog is dit een apart traject.

XNoot
1

PbEG 1996, C 321.

Naar boven