Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1999-200024034 nr. 32

24 034
Reorganisatie van het openbaar ministerie

26 800 VI
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2000

nr. 32
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 10 december 1999

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 11 november 1999 overleg gevoerd met minister Korthals van Justitie over:

de brief van 20 mei 1999 inzake de zevende voortgangsrapportage over de reorganisatie van het openbaar ministerie (24 034, nr. 31);

– de brief van 25 mei 1999 inzake snelrecht (26 200-VI, nr. 51);

– de brief van 10 juni 1999 ten geleide van antwoorden op vragen inzake het aantal jeugdofficieren per 31 december 1997 (26 200-VI, nr. 56);

– de brief van 11 juni 1999 inzake de toezegging over de formatie van het jeugd-OM (J 99–449);

– de brief van 16 juni 1999 ten geleide van het jaarverslag van het openbaar ministerie over het jaar 1998 (J 99–477).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Kalsbeek (PvdA) complimenteerde de minister met de zevende voortgangsrapportage, die inzichtelijker en eerlijker is dan voorgaande rapportages. Hoewel het om moeilijk meetbare factoren zoals kwaliteit gaat, bevat de rapportage duidelijke gegevens. Zij deed het voorstel voor een halfjaarlijkse rapportage van dezelfde kwaliteit als de voortgangsrapportage en een jaarlijkse bespreking ervan, zodat de Kamer de ontwikkelingen bij het OM kan blijven volgen.

Vooral bij de ressortsparketten blijkt het gewenste niveau immers niet te zijn bereikt na de reorganisatie. De slechte score op de juridische kwaliteit van de behandeling van zaken in hoger beroep noemde mevrouw Kalsbeek ernstig. Voor de slechte score op de twee andere kerntaken had zij meer begrip, onder andere omdat de bevordering van de juridische kwaliteit in het ressort een betrekkelijk nieuwe taak is. Volgens de voortgangsrapportage is aan de hoofden van de ressortsparketten gevraagd een plan van aanpak voor de vernieuwing op te stellen. Het is echter niet duidelijk wat hierin moet komen te staan en waaraan zo'n plan moet voldoen. Behalve een concretisering van de subdoelen zou er een tijdschema in moeten staan.

Tussen de arrondissementsparketten bestaan grote verschillen in score.

Mevrouw Kalsbeek had er begrip voor dat in de voortgangsrapportage niet staat welke parketten slecht scoren, maar wilde hierover wel duidelijk- heid krijgen, mocht over een halfjaar blijken dat dezelfde parketten achter- blijven ten opzichte van het gemiddelde of ten opzichte van de norm.

Dat bij de arrondissementsparketten de juridische kwaliteit te wensen overlaat, vond mevrouw Kalsbeek ernstig. Dit probleem wordt aangepakt met een betere begeleiding van officieren van justitie en intensivering van de hulp van de ressortsparketten, die zelf nog niet uit de problemen zijn. Zij achtte het niet mogelijk de kwaliteit van het OM wezenlijk te verbeteren met hetzelfde aantal mensen en sprak er nogmaals haar verbazing over uit dat er behalve een incidenteel bedrag geen extra geld voor het OM is uitgetrokken. Het bevreemdde haar dat aan de post formatieplannen-budgetverdeelsysteem in 1998 4 mln. minder is uitgegeven dan was begroot. Hoe is het hiermee gesteld in 1999?

Volgens de voortgangsrapportage heeft herschikking van middelen plaats- gevonden niet ten gunste van de reorganisatie, maar ten gunste van andere nuttige zaken zoals automatisering. Waarom is deze keuze gemaakt?

In verband met het contact met externe partners miste mevrouw Kalsbeek de relatie met de media. Zij vroeg de minister dit onderwerp nadrukkelijk op te nemen in de audit, evenals het contact met slachtoffers. Welke gevolgen ondervindt het OM van de minimumnormen voor slachtofferhulp die op de Europese top in Tampere zijn afgesproken?

Mevrouw Kalsbeek vond het onderdeel van de voortgangsrapportage over het parket-generaal nogal optimistisch. Het ontbreekt in Nederland aan een criminele politiek en de communicatie met de parketten bijvoorbeeld over richtlijnen is onvoldoende. Wat is de reactie van de minister hierop?

Dat de procureurs-generaal (PG's) enkele ressorten als aandachtsgebied hebben gekregen, achtte mevrouw Kalsbeek in strijd met de wettelijk vastgelegde organisatie van het OM. Het college zou immers een functionele taakverdeling en niet langer een territoriale taakverdeling hebben. Zij vroeg de minister om een toelichting.

Naar aanleiding van het antwoord dat er een standaard voor het aantal fte's voor jeugdzaken wordt ontworpen, wees mevrouw Kalsbeek erop dat het aantal jeugdzaken dat naar het OM doorstroomt, beleidsmatig is te beïnvloeden. Moet voor die standaard niet eerder worden uitgegaan van de ontwikkeling van de jeugdcriminaliteit? Verder zijn de arrondissementen zelfstandig budgethouder. Kan de minister het afdwingen dat zij hun geld overeenkomstig de vastgestelde standaard besteden?

Mevrouw Kalsbeek stelde vast dat de helft van de Van Montfransgelden niet naar het jeugd-OM is gegaan omdat de arrondissementen kennelijk andere prioriteiten hebben gesteld. Slechts 50% tot 55% van de jeugdzaken blijkt binnen zes maanden te worden afgedaan, terwijl er was afgesproken dat de afdoening voor jongeren veel sneller zou gebeuren. Het verbaasde haar dat er geen geld voor extra jeugdofficieren beschikbaar komt, want het leek haar niet mogelijk de versterking van het jeugd-OM budgettair neutraal te laten verlopen.

Ook de heer Van de Camp (CDA) was er blij om dat de zevende voortgangsrapportage een reëler beeld geeft dan voorgaande rapportages. Het bevreemdde hem dat erin staat dat de reorganisatie in formele zin wel is afgerond, maar de organisatieontwikkeling van het OM nog niet. Welke vorderingen zijn er sinds het verschijnen van de zevende voortgangsrapportage gemaakt?

De heer Van de Camp stelde vast dat de communicatie tussen het departement en de top van het OM verbeterd is. Staat de conclusie van de commissie-Kottman van december 1998 dat een flinke minderheid van de officieren zich niet betrokken voelt bij de implementatie van de reorganisatie, nog overeind?

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat vier arrondissementsparketten in de afgelopen vierenhalf jaar nauwelijks vooruitgegaan zijn. De heer Van de Camp vroeg het oordeel van de minister over de gedachte van de voorzitter van het college van PG's om deze parketten te behandelen overeenkomstig de artikel 12-status voor gemeenten.

Zal het feit dat de arrondissementsparketten het beter doen dan de ressortsparketten, geen problemen opleveren op het gebied van de juridische kwaliteit? De heer Van de Camp sloot zich aan bij de vragen van mevrouw Kalsbeek over de bevordering van de juridische kwaliteit in de ressorten.

Vervolgens vroeg hij de minister hoe het komt dat de toename van het aantal snelle behandelingen bij de arrondissementen geen effect op de doorlooptijden heeft. Is de vermindering van de productiviteit uitsluitend te verklaren met het feit dat de zaken die bij de parketten terechtkomen, complexer zijn, waarvoor overigens een deel van de extra middelen is ingezet?

Zijn de plannen van aanpak van de ressorten er inmiddels en wat is de inhoud ervan?

De heer Van de Camp miste in de zevende voortgangsrapportage de door de minister toegezegde visie op de nabije toekomst van het OM. Wanneer is deze te verwachten? Wat is het standpunt van de departementale accountantsdienst over het verloop van de reorganisatie?

Volgens de voortgangsrapportage zijn de kosten van de structurele versterking van het landelijke niveau even hard gegroeid als die van de structurele versterking van de parketten. De heer Van de Camp vroeg de minister om een toelichting hierop.

Ten slotte vroeg hij de minister hoe hij de Tweede Kamer op de hoogte wil houden van de organisatieontwikkeling bij het OM en het traject van de bijzondere opsporingsbevoegdheden? Als informatie hierover wordt gegeven in de ophanden zijnde beleidsverantwoording, moet die daarin wel als zodanig herkenbaar zijn.

De heer Vos (VVD) concludeerde uit de zevende voortgangsrapportage dat er goede resultaten zijn geboekt, waaronder de openhartigheid waarmee het OM zijn eigen functioneren beschouwt. Aandacht voor de organisatie van het OM blijft echter geboden. Van de negentien arrondissementsparketten blijven er immers zeven onder de norm en zijn er bij vier nauwelijks verbeteringen bereikt. Wat doen de minister en het college van PG's hieraan?

Hoewel de maatschappelijke oriëntatie op het lokale bestuur is verbeterd, blijft die op de lokale samenleving achter. Wat is hiervan de oorzaak? Wat vindt de minister van de gedachte dat een vertegenwoordiger van het OM een of twee keer per jaar aan de gemeenteraad informatie over de activiteiten van het OM geeft?

De openhartigheid over de zorg voor de juridische kwaliteit vond de heer Vos positief, maar hij noemde het zorgwekkend dat deze kwaliteit tekortschiet. Een van de oorzaken zou zijn dat jonge officieren te zware zaken draaien. Volgens de voortgangsrapportage is daarom coaching en intercollegiale toetsing nodig. Waarom is het OM niet zelf op dit idee gekomen en hoe komt het dat ervaren officieren niet toekomen aan het zorgvuldig inwerken van hun jongere collega's? In het kader van de bevordering van de kwaliteit pleitte de heer Vos voor een geregelde uitwisseling tussen het OM en de advocatuur, bijvoorbeeld door rechterlijke ambtenaren in opleiding (raio's) hun buitenstage in de advocatuur te laten volgen. Verder maakte hij zich zorgen over de juridische kwaliteit in bijzondere zaken, vooral medische. Heeft het OM voldoende deskundigheid op dit terrein?

Wat is de verklaring voor het achterblijven van enkele parketten in de versterking van het gezag over de opsporing? Zijn de twee parketten dienog geen criminele kaart hebben, de slechte uitzonderingen in de organisatie?

Ook de heer Vos sprak er zijn verbazing over uit dat de ressortsparketten slecht scoren op de eigen juridische kwaliteit en op de bevordering van de juridische kwaliteit in het ressort. Zij zouden centra van kennis en kwaliteit moeten zijn waarvan de arrondissementsparketten gebruik kunnen maken. Wat doet de minister om dit te bereiken? Wat is de oorzaak van de aarzeling bij de ressortsparketten en de arrondissementsparketten om samen te werken?

Dat het parket-generaal zijn zaken op orde heeft, vond de heer Vos een compliment waard. Hij concludeerde dat het hierdoor de mogelijkheid heeft zich te richten op het aanpakken van knelpunten bij de arrondissementen en de ressorten.

Ook de heer Vos vroeg om vergroting van het aantal jeugdzaken dat binnen zes maanden wordt afgedaan. Wat vind de minister van de bewering van jeugdofficieren dat hun specialisme niet op waarde geschat wordt?

De heer Vos had tegenstrijdige berichten gekregen over de prioriteit voor de aanpak van de bedrijfsmatige teelt van nederwiet. Wat is het beleid op dit punt?

In Roermond blijkt het OM 75% van de zaken te kunnen afdoen op basis van aanhouden en uitreiken. Kan dit een voorbeeld voor de andere arrondissementen zijn?

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat het niet gelukt is, het aantal HALT-afdoeningen met 10% te vergroten, ondanks de toename van de jeugdcriminaliteit. Wat is hiervan de oorzaak?

Ten slotte vroeg de heer Vos aan de minister hoe hij de Tweede Kamer zal informeren over de organisatieontwikkeling van het OM en over de door hem toegezegde visie op de nabije toekomst van het OM.

Ook de heer Dittrich (D66) constateerde een aanmerkelijke verbetering bij het OM door de reorganisatie. Hij benadrukte het gegroeide besef bij officieren van justitie en ondersteunend personeel dat het OM onderdeel uitmaakt van de samenleving.

De heer Dittrich was kritisch over de conclusie in de zevende voortgangsrapportage dat het OM daadwerkelijk als één organisatie werkt. De ressortsparketten zijn niet meegegroeid met de reorganisatie en voelen niet sterk de noodzaak van vernieuwing en van een andere werkwijze. Een plan van aanpak dat zij zelf opstellen, zal dan ook niet afdoende zijn. Zal het college van PG's criteria opstellen om te bereiken dat de kwaliteit meetbaar verbetert? Bestaat er het risico dat de verbetering bij de arrondissementsparketten wordt tenietgedaan door de benadering bij de ressortsparketten? Wat doet de minister om dit probleem op te lossen?

Verder betwijfelde de heer Dittrich of het OM werkelijk zo maatschappelijk georiënteerd is als in de voortgangsrapportage staat. Er blijken verschillen van mening tussen het openbaar bestuur en het OM te zijn over de aanpak van problemen. Verder zijn er veel klachten van slachtoffers en nabestaanden over de handelwijze van het OM in zaken betreffende medische fouten. Hoe denkt de minister hierin verbetering te brengen? De heer Dittrich herinnerde in dit verband aan de motie over een cursusaanbod voor het OM betreffende bejegening van slachtoffers, die hij tijdens de begrotingsbehandeling met mevrouw Kalsbeek had ingediend.

Ook de heer Dittrich was er verbaasd over dat onervaren officieren zaken behandelen die zij nog niet aankunnen. In de voortgangsrapportage wordt weliswaar begeleiding en coaching als oplossing genoemd, maar hiervoor wordt geen geld beschikbaar gesteld. Is de inzet van middelen om de grotere druk als gevolg van de bewerkelijkheid van zaken op te vangen, ten koste gegaan van de begeleiding van beginnende officieren? Hoe wordt die begeleiding verbeterd?

Volgens het rapport van de commissie-Kottman was er bij het OM een cultuur van non-interventie en niet-aanspreekbaarheid. Inmiddels zijn intervisie en intercollegiale toetsing nog niet uit de verf gekomen. Welke maatregelen neemt de minister op dit punt? Ook constateerde de commissie-Kottman een verschil in houding tussen de advocaten-generaal en de hoofdofficieren van justitie. Is er zicht op een visie op de inhoud en de vormgeving van de taken van het OM die de juridische kwaliteit van de behandeling van zaken bevordert?

Dat van de negentien parketten er zeven onder de norm blijven en er vier nauwelijks verbetering laten zien, vond de heer Dittrich alarmerend. Wat doet de minister eraan om dit op korte termijn te verbeteren?

De heer Dittrich stelde vast dat het gezag van het OM over de opsporing inderdaad versterkt is, maar meende dat verdere verbetering mogelijk is.

Hij sloot zich aan bij de door anderen gestelde vragen over de jeugdofficieren.

Hoewel het grote project van de reorganisatie is afgerond, wilde ook de heer Dittrich de organisatieontwikkeling van het OM blijven volgen door minimaal een keer per jaar apart overleg erover te voeren.

Het antwoord van de regering

De minister kon tot zijn spijt niet antwoorden op vragen over het jeugd-OM omdat hij de herziene convocatie voor dit overleg niet had ontvangen. Hij zegde toe binnen twee weken schriftelijk te zullen antwoorden op de desbetreffende vragen.

Hij benadrukte de omvang van de reorganisatie van het OM, waarvoor per 1 juli 1999 een nieuwe wettelijke regeling is ingegaan en dankte al degenen die zich hiermee sinds 1995 hebben bezighouden, zowel de medewerkers van het OM als de leden van de Tweede Kamer. Een organisatie zoals het OM, dat een publieke taak vervult in een dynamische maatschappij, is echter nooit af. Wel is er na de reorganisatie voldoende basis voor vertrouwen in de toekomst.

Het gezag over de politie moet gebaseerd zijn op de deskundigheid en de kennis van de officieren van justitie die met de opsporing te maken hebben. De commissie-Kalsbeek heeft vastgesteld dat hierin een flinke stap vooruit is gezet.

Ook de bestuurlijke professionaliteit bij het OM is duidelijk toegenomen. De minister constateerde echter dat de juridische kwaliteit wel op orde is bij de ressorten maar in mindere mate bij de arrondissementen. Dit komt doordat jonge, onervaren officieren zware zaken krijgen en door gebrek aan tijd om hen te begeleiden. Tijdens de reorganisatie is wel de bedrijfsvoering bij de arrondissementsparketten duidelijk verbeterd: in de periode van 1994 tot en met 1998 is niet alleen de reorganisatie doorgevoerd; ook zijn er meer verdachten voor de rechtbank gekomen, zijn er minder sepots geweest, werden zaken sneller afgedaan en zijn er meer zware zaken behandeld.

Uit de audits blijkt dat er ook op het punt van de maatschappelijke oriëntatie grote vooruitgang is geboekt. De minister had in contacten met korpsbeheerders en korpschefs ervaren dat zij meer tevreden zijn over de samenwerking met het OM dan voorheen.

Het OM is tijdens de reorganisatie veranderd van een verzameling individueel opererende officieren van justitie in een hechte organisatie. Het college van PG's en het parket-generaal hebben hieraan hard gewerkt. Er is een totale beheers- en budgetverantwoordelijkheid. Er is een stelsel van planning en control. Er is een doorlichting en modernisering van de richtlijnen, waarvoor initiatieven top-down gaan. Verder worden er best practices uitgewisseld en wordt er overlegd over moeilijke zaken, waar- door de kwaliteit van de juridische behandeling ervan wordt verbeterd.

Als aanleiding voor de reorganisatie noemde de minister het grote aantal vormfouten waardoor verdachten werden heengezonden. Inmiddels is de discussie hierover verstomd. Op de opmerking van mevrouw Kalsbeek dat het indertijd ook ging om het gebrek aan eenheid binnen het OM, reageerde hij bevestigend. In reactie op een opmerking van de heer Dittrich beaamde hij dat er inmiddels wetgeving is op grond waarvan het OM vormfouten kan herstellen. Hoewel er duidelijk vooruitgang is geboekt, zei de minister het niet hierbij te willen laten, maar met het OM te zullen doorgaan op de ingeslagen weg. Hij zegde toe te zullen bewerkstelligen dat successen in grote zaken duidelijk naar buiten komen, maar stelde wel vast dat de pers hierin minder nieuwswaarde ziet dan in zaken waarin het fout gaat.

De minister constateerde dat er tijdens de algemene beschouwingen geen aandrang vanuit de Kamer is uitgeoefend om meer geld voor het OM beschikbaar te stellen. Door het handhavingstekort in Nederland en door de verzwaring van de praktijk van de handhaving ontkomt het OM niet aan harde keuzes. Zelfs een substantiële vergroting van de capaciteit kan niet aan alle problemen tegemoetkomen. In zijn beoordeling of een zaak wel of niet vervolgd zal worden, zal het OM rekening moeten houden met de politieke keuzes van de minister van Justitie. In het meerjarenplan Perspectief op 2002 staat welke doelen het OM stelt en hoe deze bereikt kunnen worden. De minister sloot niet uit dat hiervoor en om gelijke tred te houden met de ontwikkelingen in het strafrecht, extra geld in de huidige regeringsperiode nodig is. In overleg met het college van PG's wilde hij nagaan of de voorziene capaciteit van het OM voldoende is, zeker gelet op de toename van de taken. Zo nodig zullen hiervoor voorstellen worden gedaan in de Voorjaarsnota 2000 of in de begroting voor 2001.

De minister benadrukte dat de juridische kwaliteit, dus de kennis van medewerkers van de ressorten, van behoorlijk niveau is, maar erkende dat de juridische bedrijfsvoering, het bijhouden van dossiers, achterblijft. Hieraan wordt aandacht besteed in de cyclus van planning en control.

De hoofden van de ressortsparketten hebben met het college van PG's besproken hoe zij de juridische kwaliteit in hun ressort kunnen bevorderen en hun voornemens vervolgens vastgelegd in jaarplannen voor 2000. In dat jaar zullen de ressortsparketten afspraken met de arrondissementsparketten maken over bijstand in grote zaken, coaching en intervisie, terugkoppeling omtrent de behandeling van strafzaken en procedures waarin burgers klagen over niet-vervolging. Verder komt er in Den Haag een landelijke pilot om de straftoemeting in eerste en in tweede aanleg systematisch te vergelijken.

De minister verklaarde dat het college van PG's een collegiale verantwoordelijkheid heeft en een functionele taakverdeling kent. Behalve de voorzitter en de portefeuillehouder politie en commune criminaliteit zijn de overige drie PG's ook aanspreekpunt voor bepaalde ressorten in zaken die niet functioneel zijn verdeeld. Hij zegde toe nadere informatie hierover aan de Tweede Kamer te zullen sturen.

Verder zegde de minister toe de relatie met de media bij een volgende audit te betrekken.

Voor de correcte bejegening van slachtoffers en nabestaanden in strafzaken heeft het college van PG's verschillende initiatieven ontplooid. Bij veel parketten is de slachtofferhulp genoegzaam geregeld. Slachtoffers ontvangen al informatie en vanaf 2000 kunnen zij bij één loket terecht met hun vragen over politie en OM, waarmee de bereikbaarheid van politie en OM wordt verbeterd. De cursus slachtofferzorg, die sinds 1993 bestaat, voldeed niet geheel aan de behoeften. Bij de voorbereiding van de aanpassing ervan zijn de coördinerende landelijke officier slachtofferzorg en de Vereniging van ouders van het vermoorde kind betrokken geweest. In de nieuwe cursus van de stichting Studiecentrum rechtspleging (SSR), die vanaf januari 2000 als reguliere cursus aan officieren en parketsecretarissen wordt gegeven, wordt ingegaan op de verwerkingsmechanismen bij slachtoffers en nabestaanden en op het voeren van gesprekken met hen. Ook organiseren parketten steeds meer slachtofferavonden. Sinds enkele jaren wordt er periodiek een enquête onder slachtoffers gehouden om in kaart te brengen welke informatie zij ontvingen en op welke wijze zij zijn bejegend. Het merendeel blijkt hierover tevreden te zijn. Binnenkort wordt er een landelijke enquête onder alle slachtoffers gehouden. In 2000 dient de implementatie van de in gang gezette initiatieven afgerond te zijn. Verder bemiddelt het OM in zaken die zich hiervoor lenen, tussen dader en slachtoffer voor schade en helpt het OM benadeelden en slachtoffers in samenwerking met de bureaus voor rechtshulp.

De minister zegde toe de klachten over zaken van medische fouten onder de aandacht van het OM te zullen brengen, maar wees erop dat dit meestal civielrechtelijke zaken betreft. Brieven met klachten over de strafrechtelijke opsporing en vervolging in dit soort zaken zou hij graag toegestuurd krijgen. Naar aanleiding van een opmerking van de heer Dittrich bevestigde hij dat het OM in dit soort zaken in ieder geval binnen een redelijke termijn antwoord behoort te geven op vragen van betrokkenen.

De minister verduidelijkte dat het aantal achterblijvende parketten niet elf is, maar zeven, waarvan er drie inmiddels in de goede richting gaan. Het college van PG's heeft de uitkomsten van de audits besproken met de hoofden van de parketten en in het kader van de cyclus van planning en control vervolgens met ieder parkethoofd afzonderlijk gesproken, waarbij een eventuele achterstand van het parket aan de orde is gesteld. Er is hierbij niet gekozen voor een artikel 12-status, maar voor extra aandacht voor de desbetreffende parketten.

De minister achtte het bij top-downprocessen gebruikelijk dat de top eerder tevreden is dan de basis. Inmiddels kunnen ook hoofdofficieren en officieren zich meer vinden in de veranderde aanpak. Dit proces kost gewoon enige tijd.

De visie op de nabije toekomst van het OM staat reeds in de nota Perspectief op 2002, van december 1998. Deze nota van het college van PG's is onder verantwoordelijkheid van de minister aan de Tweede Kamer gestuurd.

De minister sprak een voorkeur uit voor een jaarlijkse rapportage over het OM, als bijlage bij het jaarverslag van het OM. Daarin zal de vooruitgang in de organisatie nadrukkelijk aan de orde komen. Daarnaast wordt er natuurlijk bij de begroting en beleidsverantwoording ingegaan op het OM.

In de praktijk geeft het OM al toelichting aan gemeenteraden wanneer daar aanleiding toe bestaat. De minister noemde zich een voorstander hiervan, maar vond dat dit niet mag leiden tot het afleggen van verantwoording, zeker niet in zaken waarvoor de minister van Justitie verantwoording aflegt aan de Tweede Kamer. Ook vond hij het te ver gaan als het OM een toelichting geeft bij gemeentelijke beleidsplannen; hiervoor is immers de burgemeester verantwoordelijk.

Het OM is bij het opstellen van een criminele kaart afhankelijk van gegevens van anderen. De minister erkende dat dit bij twee parketten is misgelopen; aan verbetering hiervan wordt gewerkt.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Kalsbeek (PvdA) wees erop dat zij tijdens de begrotingsbehandeling had gevraagd of de vastgestelde bedragen voldoende waren en dat de minister toen heeft ontkend dat er financiële problemen zijn. Inmiddels blijkt de minister dit toch nog te willen onderzoeken. Ook zij was van mening dat de verantwoordelijkheid voor het geven van uitleg over het strafrechtelijke beleid bij de burgemeester en niet bij het OM ligt. In een bijzonder geval kan de officier echter ook informatie verstrekken. Voor haar had het geen prioriteit dat het OM actief hierin optreedt. Verder drong zij aan op een fundamentele discussie over de relatie tussen de cyclus van planning en control en de criminele politiek. Ten slotte herinnerde zij aan haar vragen over de post formatieplannen-budgetverdeelsysteem en over de minimumnormen voor slachtofferhulp.

De heer Van de Camp (CDA) herinnerde aan zijn vraag naar de betrokkenheid van de accountantsdienst bij de reorganisatie. Bij elk groot project zou immers een rapport van de desbetreffende departementale accountantsdienst worden uitgebracht. Ook herhaalde hij zijn vraag over de verdeling van de financiële middelen tussen het centrale en het decentrale niveau.

De heer Vos (VVD) verduidelijkte dat hij de toelichting van een officier in een gemeenteraad in het verlengde ziet van het project Justitie in de buurt. Hij stelde vast dat steeds minder raio's bij hun buitenstage voor de advocatuur kiezen en benadrukte dat het goed zou zijn als raio's behoudens een enkele uitzondering hun buitenstage verplicht in de advocatuur zouden vervullen. Verder herinnerde hij aan zijn vraag over het snelrecht. Hij ging ervan uit dat zijn opmerking over de jeugdofficieren wordt beantwoord in de door de minister toegezegde brief.

Ook de heer Dittrich (D66) steunde het geven van een toelichting aan een gemeenteraad door een officier. Dit mag er echter niet toe leiden dat de gemeenteraad aanwijzingen geeft voor het opsporings- en vervolgingsbeleid. Hij herinnerde aan zijn vragen naar aanleiding van het rapport van de commissie-Kottman over intervisie en collegiale toetsing en de financiering van begeleiding en coaching.

De minister legde uit dat de accountantsdienst van het ministerie van Justitie ook de vaste en eenmalige budgetten van het openbaar ministerie controleert. Op de vraag naar een afzonderlijk rapport over de reorganisatie van het OM zegde hij nadere schriftelijke informatie toe.

Het hoge bedrag voor het landelijke niveau verklaarde de minister met het feit dat enkele posten in het kader van de reorganisatie op landelijk niveau zijn gebracht, zoals de automatisering.

De minimumnormen voor slachtofferhulp die in Tampere zijn afgesproken, vormen een oriëntatiepunt voor het OM. De minister zegde toe bij de bespreking van de uitkomsten van de top in Tampere erop te zullen terugkomen op welke wijze deze inhoud krijgen.

Het geld voor het budgetverdeelsysteem is pas in de loop van 1998 beschikbaar gesteld, waardoor het niet volledig kon worden besteed, onder andere doordat de werving van medewerkers niet tijdig is gelukt. De stand van zaken in 1999 is nog niet bekend.

De minister zei te willen bereiken dat jeugdofficieren de positie krijgen die zij behoren te hebben. Naarmate jeugdcriminaliteit meer prioriteit krijgt, zal de positie van de jeugdofficieren sterker worden.

De intervisie en de intercollegiale toetsing vormen een beleidsonderdeel in het jaarplan van het OM waaraan hard en serieus wordt gewerkt.

De minister benadrukte de vrijwilligheid in de keuze van raio's voor een buitenstage. Hij beschouwde de advocatuur niet als de enige goede sector waarin raio's zich in hun buitenstage kunnen bekwamen. De oorzaken voor de daling op dit gebied wilde hij weleens nagaan.

Van snelrecht wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt, zeker voor jeugdige daders. Verder is er een plan van aanpak gemaakt voor het Europese kampioenschap voetballen in 2000; de bedoeling is dat mensen die een delict hebben begaan, binnen drie dagen voor de rechtbank verschijnen.

De voorzitter van de commissie,

Van Heemst

De griffier van de commissie,

Pe


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Kalsbeek (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), voorzitter, Dittrich (D66), ondervoorzitter, Rabbae (GroenLinks), Rouvoet (RPF), Van Oven (PvdA), O. P. G. Vos (VVD), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA) en Brood (VVD).

Plv. leden: Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Wagenaar (PvdA), Arib (PvdA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GroenLinks), Schutte (GPV), Santi (PvdA), Van den Doel (VVD), Rietkerk (CDA), Rijpstra (VVD), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), Eurlings (CDA) en Kamp (VVD).