Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1994-199524029 nr. 4

24 029
Wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met met de oprichting van het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 14 februari 1995

De vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken1, belast met het voorbereidend onderzoek naar dit wetsvoorstel heeft de eer van haar bevindingen als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de gestelde vragen door de regering tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

Inhoudsopgave  
   
1.Algemeen1
2.Hoofdlijnen wetsvoorstel3
2.1.Rechtsvorm3
2.2.Bestuur5
2.3.Bevoegdheden Minister van Binnenlandse Zaken6
2.4.Rechtspositie personeel7
2.5.Rechtspositie studenten7
2.6.Wijze van financiering en financieel beheer7
2.7.Rechtsbescherming, openbaarheid van bestuur en Nationale Ombudsman7
3.Artikelen8

1. Algemeen

De leden van de PvdA-fractie kunnen zich in grote lijnen vinden in het onderhavige wetsvoorstel.

Alvorens in te gaan op de inhoud van het onderhavige voorstel van wet, vragen de leden van de CDA-fractie de regering in te gaan op de volgende vraag. Wordt, tegen het licht van het verschijnen van het rapport Verantwoord Verzelfstandigen van de commissie-Sint, het nut van verzelfstandiging van rijkstaken nog door de regering onderschreven? Zo ja, kan de regering dan aangeven hoe eenheid van beleid met betrekking tot vorm en inhoud in deze wordt gegeven?

Met belangstelling hebben de leden van de CDA-fractie kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Hoewel deze leden het doel van deze wijziging, te weten het streven naar oprichting van het NIBRA, zoals in het convenant van september 1992 door de betrokken organisaties en de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken is vastgelegd, onderschrijven, leeft er toch een aantal vragen bij deze leden over de uitvoering en vormgeving daarvan.

Een eerste vraag die deze leden stellen, betreft het feit dat op 7 december 1994 het NIBRA reeds ten doop is gehouden, terwijl dit wetsvoorstel eerst nu aan de Tweede Kamer ter beoordeling voorligt. De CDA-leden vragen of de inbreng vanuit de Kamer nog wel zin heeft en of eventuele wijzigingen niet bij voorbaat zullen stuiten op weerstanden, nu reeds vooruitlopend op het standpunt van de Kamer is overgegaan tot instelling van het NIBRA. Hoewel voortvarendheid door de CDA-fractie op prijs wordt gesteld, zijn deze leden van mening dat de Kamer als mede-wetgever serieus genomen dient te worden.

Het spreekt de leden van de CDA-fractie aan dat de reden tot verzelfstandiging van de Rijks brandweeracademie (RBA) gelegen is in het feit dat de Minister van Binnenlandse Zaken zich wil concentreren op de kerntaken en dat onderwijs/werving en selectie daartoe niet kunnen worden gerekend.

Deze leden delen de visie van de regering dat verzelfstandiging kan leiden tot vermindering van taken en tot verkleining van ministeries.

Kan de regering aangeven hoe de kosten van deze verzelfstandiging zich verhouden tot de kosten die op dit moment met de uitvoering van deze taak zijn gemoeid?

De leden van VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorstel tot wijziging van de Brandweerwet 1985 in verband met de oprichting van het NIBRA.

Zij kunnen instemmen met de instelling van een landelijk instituut voor brandweer en rampenbestrijding. De totstandkoming van het Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding is een kans om verdere kennisopbouw en -ontwikkeling te stimuleren en versnippering van activiteiten te voorkomen. Het ontwikkelen van expertise dient daarom in de ogen van de leden van de VVD-fractie een belangrijke vaste taak te zijn van het NIBRA.

De leden van de VVD-fractie merken op dat het erop lijkt dat de regering op het terrein van de brandweer een beleid van voldongen feiten voert ten aanzien van regelingen waarover het parlement zich nog moet uitspreken. Het NIBRA werd op 7 december jl. al opgericht voordat de Kamer zich had kunnen uitspreken. Kan de regering toezeggen dat een volgende keer de Kamer eerder geraadpleegd wordt?

De leden van de VVD-fractie merken voorts op het vreemd te vinden dat er in het regulier onderwijs geen mogelijkheid bestaat om voor het vak van brandweerman te studeren. Kan hier nader onderzoek over worden verricht?

De leden van de fractie van D66 hebben met interesse kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel, dat de oprichting van één verzelfstandigd opleidingsinstituut voor brandweer en rampenbestrijding regelt, waardoor tevens de integratie tot stand komt van de Rijksbrandweeracademie en de Stichting Brandweeropleiding in Nederland.

Zij zien hierin het logische vervolg op het voornemen tot verzelfstandiging c.q. integratie dat reeds enkele jaren geleden werd aangekondigd en naar aanleiding waarvan een plan van aanpak is voorbereid. Een en ander leidde in 1992 reeds tot een overeenkomst tussen «het veld» en de Minister van Binnenlandse Zaken, waarin het streven te komen tot één opleidingsintituut werd verwoord. Ook een voorlopig bestuur van het instituut-in-oprichting werd toen benoemd.

De leden van de fractie van D66 hebben vragen, waarom niet de keuze is gemaakt voor een afzonderlijk wetsvoorstel, zoals bijvoorbeeld bij de LSOP-wet het geval was. Een ander voorbeeld is de wet tot oprichting van het zelfstandig bestuursorgaan voor de opvang van asielzoekers. Ligt de reden daarvan in de beperkte omvang die de wet zou krijgen, nu onder meer wat de controle betreft is gekozen voor nadere regelgeving bij of krachtens algemene maatregel van bestuur?

De leden van de GPV-fractie stemmen met de regering in dat een samengaan van de RBA en de SBOiN grote voordelen met zich kan brengen. Beide instituten vullen elkaar goed aan, een gefuseerde instelling kan op een efficiënte wijze en tegen lagere kosten een compleet produkt aanbieden.

Het NIBRA zal de rechtsopvolger zijn van een privaatrechtelijke en een publiekrechtelijke instantie.

Terecht wordt er van uitgegaan dat de opleiding tot brandweerpersoneel geen kernactiviteit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is, en dat een dergelijke opleiding daarom verzelfstandigd moet zijn. Deze leden onderschrijven dat.

2. Hoofdlijnen wetsvoorstel

2.1. Rechtsvorm

De leden van de PvdA-fractie hebben een aantal vragen over de bevoegdheden die de minister volgens het wetsvoorstel met betrekking tot het instituut zou moeten krijgen. Zo vragen zij in hoeverre er hier nu sprake is van verzelfstandiging. Gaat het hier niet veeleer om de RBA in een nieuw jasje? Zij verwijzen hierbij naar de artikelen 18c, 18d en 18e. Waarom is bijvoorbeeld niet gekozen voor echte verzelfstandiging door middel van een stichting?

Bundeling van de activiteiten van de RBA en de Stichting Brandweeropleiding in Nederland (SBOiN) is in de visie van de leden van de CDA-fractie een goede zaak en kan niet alleen bijdragen aan meer efficiency, maar zal zeker ook een meerwaarde kunnen geven aan het nieuwe instituut.

De keuze van de bestuurlijke en juridische vormgeving van dit instituut echter, roept bij de leden van de CDA-fractie toch enige verbazing op. Wordt aan de ene kant gekozen voor een besturen op afstand en beperking van de ministeriële bemoeienis en verantwoordelijkheid, aan de andere kant wordt die afstand weer teniet gedaan door de uitgebreide aan de minister toegekende bevoegdheden op een aantal terreinen. Ook de door de regering naar voren gebrachte argumenten die zouden pleiten voor de instelling van een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan kunnen ons niet overtuigen. Waarom wordt geen recht gedaan aan het zelfstandig kunnen functioneren van het NIBRA, hetgeen toch de opzet is van deze wetswijziging?

In onze visie ligt het veel meer in lijn met de uitgangspunten van deze verzelfstandigingsoperatie, om te kiezen voor een stichtingsvorm zoals die reeds decennia lang goed functioneert bij de SBOiN. Het relatief kleine onderdeel die de RBA vormt binnen het nieuwe instituut, kan de voorgestelde vergaande bevoegdheden van de minister in onze ogen niet rechtvaardigen. De vormgeving van het NIBRA zoals voorgesteld in het voorliggende wetsvoorstel, resulteert niet in een verzelfstandiging van de RBA, maar in een centralisatie van de SBOiN. Wij delen dan ook het commentaar van de VNG en de Koninklijke Nederlandse Brandweer Vereniging die spreken van een «aanschuiven» van de SBOiN.

Het voorstel van wet betekent voor de Rijksbrandweeracademie (RBA) dat haar activiteiten verzelfstandigd worden. In hoeverre passen de zware bevoegdheden van de minister, zoals genoemd in artikel 18e in het verzelfstandigingsplan, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Hoe past dit in de discussie rond de verzelfstandiging van departementale diensten en onderdelen? Kan de regering beargumenteren waarom niet is gekozen voor een stichtingsvorm, zoals de Stichting Brandweeropleiding in Nederland (SBOiN) dat was?

Bij de formeel-wettelijke oprichting van het instituut is gekozen voor een zelfstandig bestuursorgaan, met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid.

De leden van de fractie van D66 vinden de uiteenzetting in de memorie van toelichting waarin die keuze wordt gemotiveerd op zichzelf helder en inzichtelijk. Zij kunnen zich daar goed in vinden. Maar juist deze redengeving brengt de discussie weer in herinnering die destijds in de Kamer bij gelegenheid van de privatisering van het ROI werd gevoerd. Ook daar werd op zich erkend dat het opleiden van eigen ambtenaren wel een overheidstaak was, maar werd het opleidingsinstituut desondanks toch geprivatiseerd. Het komt de leden van de D66-fractie voor dat het wenselijk is dat binnen de rijksoverheid op zich vergelijkbare taken zoals opleidingstaken op vergelijkbare wijze worden georganiseerd.

Een nadere beschouwing van de zijde van de regering wordt door deze leden nog meer in het bijzonder op prijs gesteld in het licht van het regeringsstandpunt op het rapport «Verantwoord verzelfstandigen» van de commissie-Sint van 14 september 1994 dat op 26 januari jl. verscheen. Als deze leden het goed zien zou het in het vervolg bij verzelfstandigingen vooral moeten gaan om een keuze tussen agentschappen en privatisering. Er moeten wel veel extra argumenten worden aangevoerd voordat voor een zelfstandig bestuursorgaan (in de zin van extern verzelfstandigd publiekrechtelijk orgaan) kan worden gekozen. Het heeft er veel van weg dat op deze wijze een inperking van het gebruik van zelfstandige bestuursorganen wordt nagestreefd.

Daarbij vragen de leden van de D66-fractie, of bij de voorbereiding van de oprichting van dit instituut de commissie-Oele betrokken is geweest.

Zij vragen dit mede, omdat het hen opviel dat de controle elementen in de wet zo mager zijn bedeeld. Op grond van artikel 18e, tweede lid, zal de controle voor een belangrijk deel in gedelegeerde wetgeving worden geregeld. Waarom zo vragen deze leden.

Werd in het kader van de «Deetman-operatie» door de eerste externe commissie in haar rapport «steekhoudend ministerschap» immers niet indringend geadviseerd dat de controle bij zelfstandige bestuursorganen veel beter moest worden geregeld? Waarom dan in deze nieuwe wet niet de controle behoorlijk geregeld?

De leden van de fractie van D66 achten een zorgvuldige parlementaire discussie over de oprichting en in het bijzonder de rechtsvorm van het instituut van belang, zeker in het licht van de algehele en uiterst actuele discussie over verzelfstandigingen van departementale diensten, maar daarnaast ook uit een algemeen oogpunt van behoorlijke (mede-) wetgeving.

De regering noemt een aantal goede argumenten waarom het nieuwe zelfstandige bestuursorgaan een publiekrechtelijke rechtsvorm zou dienen te hebben. De leden van de GPV-fractie kunnen zich goed hierin vinden. Maar dan rijst wel de vraag of het nieuwe instituut zich niet dient te beperken tot opleidingen die slechts de brandweer en de rampenbestrijding op het oog hebben.

Het is echter nadrukkelijk de bedoeling de opleiding ook open te stellen voor anderen dan brandweerpersoneel. Gedacht kan worden aan opleidingen op het terrein van emergency, management en strategische en bestuurlijke vaardigheden. Is het nu echt noodzakelijk dat het NIBRA zich gaat bewegen op een toch al oververzadigde markt van managementopleidingen? Dreigt geen concurrentievervalsing omdat het NIBRA niet belastingplichtig zal zijn in het kader van de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting? Blijkens het Nader Rapport zal het NIBRA een substantieel deel van zijn totale inkomsten dienen te verwerven uit inkomsten van eigen activiteiten. Als dit de bedoeling is dan ligt een privaatrechtelijke rechtsvorm toch meer voor de hand?

Deze leden wezen in dit verband op het rapport van de commissie-Sint waarin gepleit wordt voor terughoudendheid bij zelfstandige bestuursorganen met het verrichten van werkzaamheden voor derden. Slechts als het zou gaan om nevenprodukten van de hoofdtaak van de zelfstandigde instellingen is een zakelijke exploitatie zonder verstorende «kruissubsidiëring» denkbaar. Hoe oordeelt de regering hierover?

2.2. Bestuur

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het is gesteld met de positie van het «veld» inzake het recht van aanbeveling van kandidaten die door de minister zijn voorgedragen voor een functie in het bestuur van het NIBRA.

Heeft de minister hier niet teveel de keuze? Waarom is niet gekozen voor een aantal eigen bestuurszetels voor vertegenwoordigers uit het «veld»? Deze leden vragen de regering hoe het mogelijk is dat het voorlopige bestuur van het instituut in oprichting ook het bestuur zal zijn van het instituut in zijn uiteindelijke vorm (artikel III, onder C) zonder dat hierover overleg is gevoerd met de betrokken partijen uit het veld. Zijn er in het verband van de bestuurssamenstellingen nog andere modellen denkbaar?

De regering geeft in de memorie van toelichting aan, dat de verantwoordelijkheid van de partners in het NIBRA tot uitdrukking moet komen. Daarom verbaast het de leden van de CDA-fractie dat de regering zich weinig aantrekt van de wensen van de andere contractpartners met betrekking tot de samenstelling van het bestuur. Waarom honoreert de regering niet het, naar de mening van deze leden, redelijke verzoek om uitbreiding van het bestuur tot tenminste 7 leden?

Zij zien niet in waarom uitbreiding naar 7 leden de slagvaardigheid van het bestuur in negatieve zin zou beïnvloeden. Wat is de reden dat de regering suggesties in de richting van een begeleidingscommissie verkiest boven een daadkrachtig bestuur dat gedragen wordt door de belanghebbende organisaties?

Gegeven de visie van de regering dat het wenselijk is dat bestuursleden het vertrouwen hebben van de afnemers, een visie die de leden van de CDA-fractie delen, zou een voordracht voor in plaats van advisering over te benoemen bestuursleden meer in de rede hebben gelegen. Kan de regering aangeven waarom hier niet voor is gekozen?

Met betrekking tot het vertrouwen van het veld in de bestuursleden, vragen zij de regering duidelijkheid te geven over de gevolgde procedure bij de aanwijzing van de leden van het voorlopig bestuur.

Is het juist, dat de door het veld aanbevolen kandidaten zijn geweigerd? Zo ja, bestaat dan niet het gevaar dat het voorlopig bestuur overgaat in een definitief bestuur zonder dat het veld zich daarin in voldoende mate gerepresenteerd voelt?.

Overigens lijkt de regering zelf weinig vertrouwen te hebben in het nieuwe bestuur. Ondanks het feit dat de taken en bevoegdheden van de directeur als een «interne aangelegenheid» worden beschouwd, geeft de regering niettemin in de memorie van toelichting een gedetailleerde opsomming.

In de memorie van toelichting wordt geconstateerd dat het wenselijk is dat in het bestuur personen zitting hebben die geacht mogen worden het vertrouwen te hebben van de afnemers van de produkten van het NIBRA. Dit betreft met name de brandweer, maar in het kader van de rampenbestrijding eveneens het openbaar bestuur, de GGD en de politie. Tevens biedt het NIBRA produkten aan bedrijven, zoals de bedrijfsbrandweer, de bedrijfshulpverlening. Op het terrein van brandweer en rampenbestrijding is het NIBRA monopolist. Kan de minister aangeven wat zijn motieven zijn om voorbij te gaan aan de vertegenwoordiging vanuit de afnemers (artikel 18b), zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De leden van de fractie van D66 vragen, naar aanleiding van commentaren uit «het veld», waarom niet gekozen is voor een meer rechtstreekse vertegenwoordiging van het veld in het bestuur (met uitzondering van de voorzitter), dus zonder tussenkomst van de minister.

Zij krijgen daarop graag een nadere toelichting.

Ook vragen zij, waarom het wetsvoorstel uitsluit, dat bij de formele oprichting van het instituut het bestuur opnieuw wordt samengesteld. Voorshands kunnen zij de noodzaak daarvan nog niet inzien.

Het bestuur van de SBOiN voelt zich door de voorgestelde regeling inzake de totstandkoming van het bestuur van het NIBRA enigszins in de kou gezet, blijkens de brief van de KNBV van 1 februari jl. aan de vaste Kamercommissie. Het recht van aanbeveling voor een aantal bestuurszetels acht men te zwak. Verwezen wordt naar de gang van zaken bij de aanbeveling van bestuursleden van het NIBRA in oprichting. Deze aanbeveling zou door de minister zijn genegeerd. Wil de regering hierop reageren?

Wat is er op tegen naast de voorzitter die bij koninklijk besluit wordt benoemd de overige bestuursleden te laten benoemen op voordracht van het veld? Wordt de betrokkenheid van het veld niet groter dan alleen bij de mogelijkheid tot het doen van een aanbeveling van bestuursleden, zo vragen de leden van de GPV-fractie.

2.3. Bevoegdheden Minister van Binnenlandse Zaken

De leden van de fractie van D66 willen stilstaan bij de bevoegdheden van de minister in de artikelen 18c en 18d en de delegatiebepaling van artikel 18e.

In navolging van de Raad van State vragen deze leden, of de koppeling van de algemene rijksbijdrage aan de wettelijke taken van het instituut – in combinatie met de delegatiebepaling over de wijze van financiering – wel voldoende garantie biedt dat de hoogte van de rijksbijdrage toereikend is. Moeten over de vaststelling van de hoogte van de bijdragen geen nadere regels worden gesteld in de genoemde algemene maatregel van bestuur? Is het niet raadzaam dat dan ook in de wet tot uitdrukking te brengen?

De leden van de fractie van D66 krijgen graag een nadere toelichting op de algemene aanwijzingsbevoegdheid krachtens artikel 18d, tweede lid. Wat moeten zij verstaan onder aanwijzingen van algemene aard. Ligt het niet in het specifieke karakter van de aanwijzing besloten dat aanwijzingen van algemene aard haast een «contradictio in terminis» zijn? Het komt de leden van de D66-fractie voor dat de minister gebruikmakend van deze bevoegdheid behoorlijk indringend met de uitvoering van welke taak dan ook kan inlaten. En is dat nu de bedoeling van een verzelfstandiging?

Graag zien de leden van de D66-fractie een aantal concrete voorbeelden van situaties tegemoet, waaraan door de regering wordt gedacht.

Tevens stellen zij het op prijs als nader wordt ingegaan op de verhouding tussen deze «algemene» aanwijzingsbevoegdheid in dit wetsvoorstel en aanwijzingsbevoegdheden in andere wetsvoorstellen waarbij tot oprichting van zelfstandige bestuursorganen werd overgegaan.

2.4. Rechtspositie personeel

Met betrekking tot het besluit het personeel van het NIBRA een ambtelijke status te geven, vragen de leden van de CDA-fractie of deze overgang voornamelijk betrekking heeft op het personeel van de SBOiN. Heeft deze overgang nog financiële consequenties voor de rijksbijdrage? Kan de regering duidelijk maken wat bedoeld wordt met de opmerking op blz. 15 van de memorie van toelichting «De betrokkenheid van het voorlopig bestuur van het NIBRA vloeide voort uit de omstandigheid dat het statuut ook bepalingen bevat die het instituut zullen binden».

2.5. Rechtspositie studenten

De leden van de fractie van D66 vinden de uiteenzetting in de memorie van toelichting over het vinden van een werkgever na het einde van de opleiding tot adjunct-hoofdbrandmeester c.q. over het ontbreken van een opleidingsgarantie niet helemaal helder. Zij vragen of het vervallen van het Rechtspositiebesluit adspirant-beroepsbrandweerofficieren niet neerkomt op een verslechtering van de (materiële) rechtspositie van deze studenten.

2.6. Wijze van financiering en financiëel beheer

Ten aanzien van de financiële consequenties van het wetsvoorstel, die naar het zich laat aanzien over het geheel genomen niet beduidend zullen afwijken van die van de huidige situatie en naar het NIBRA toe voldoende lijken gewaarborgd om een zelfstandig functioneren mogelijk te maken, leeft er bij de leden van de CDA-fractie nog de vraag wanneer de uitkomst van het onderzoek naar de noodzakelijke aanpassingen van de huisvesting van het NIBRA en de financiële consequenties daarvan te verwachten is.

Worden de bestaande onderzoeksbudgetten op het terrein van brandweer- en rampenbestrijding en de daarbij behorende jaarlijkse onderzoeksprogramma's volledig bij het NIBRA ondergebracht of zijn er nog andere instellingen die middelen hiervoor ontvangen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

Met betrekking tot de voorgestelde wijze van financiering (artikel 18d) merken deze leden het volgende op. Doordat het NIBRA geen leningen aan mag gaan, is zij niet in staat belangrijke investeringen te plegen zonder dat de minister hiervoor de middelen beschikbaar stelt (tenzij er reserves zijn). Het gevolg kan zijn dat er kasmatig wordt gedacht en dat er geen rekening wordt gehouden met de afschrijving van duurzame goederen. De minister loopt het risico regelmatig in de positie te komen tegenvallers voor noodzakelijke investeringen te moeten oplossen. Hoe groot denkt de regering dat dit risico is? Is het idee om een leningsbevoegdheid toe te kennen en deze te koppelen aan preventief toezicht (goedkeuring van de begroting) bruikbaar?

2.7. Rechtsbescherming, openbaarheid van bestuur en Nationale Ombudsman

De leden van de fractie van D66 gaan ervan uit, dat aan het beroep tegen besluiten van het bestuur bij de rechtbank een verplichte bezwaarschriftenfase vooraf gaat. Dat betekent dat een bezwaarcommissie moet worden ingesteld. Het wetsvoorstel zegt hierover echter niets. Wat moeten deze leden hieruit afleiden? Zij bepleiten dat alsnog een bezwaarcommissie in de wet wordt opgenomen.

3. Artikelen

Artikel I, onderdeel D

artikel 18a

De leden van de CDA-fractie vragen waarom met betrekking tot de uitvoering van de huidige RBA-activiteiten in het tweede lid wordt gesproken over taken van het instituut (NIBRA) en als het gaat om de activiteiten van het huidige SBOiN in het derde lid wordt gesproken over andere werkzaamheden?

artikel 18c

De leden van de CDA-fractie vragen of zij het vijfde lid zo moeten begrijpen dat de te verstrekken informatie aan de Minister van Binnenlandse zaken beperkt blijft tot die activiteiten die de uitvoering van de wettelijke taken betreffen?

artikelen 18c, 18d, 18e

Verwijzend naar eerdere opmerkingen, vragen de leden van de CDA-fractie of het ingrijpen via een algemene maatregel van bestuur geen uitholling is van de zelfstandigheid van het NIBRA.

Artikel III, onderdeel B

De leden van de fractie van D66 vragen, of in het vierde lid, daar waar gesproken wordt over «vermogensbestanddelen, bedoeld in het eerste lid» niet beter gesproken zou kunnen worden over «registergoederen, bedoeld in het derde lid.»

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier van de commissie,

Hommes


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van Erp (VVD), V. A. M. van der Burg (CDA), Te Veldhuis (VVD), Van der Heijden (CDA), De Cloe (PvdA), voorzitter, Janmaat (CD), Van den Berg (SGP), Brinkman (CDA), Scheltema-de Nie (D66), ondervoorzitter, Apostolou (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Remkes (VVD), Gabor (CDA), Nijpels-Hezemans (AOV), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Essers (VVD), Dittrich (D66), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Cornielje (VVD), Rouvoet (RPF), Van Boxtel (D66) en Rehwinkel (PvdA).

Plv. leden: Korthals (VVD), Dankers (CDA), Van Hoof (VVD), Bijleveld-Schouten (CDA), Liemburg (PvdA), Poppe (SP), Schutte (GPV), Mulder-van Dam (CDA), Van 't Riet (D66), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Vreeman (PvdA), Verhagen (CDA), Van der Stoel (VVD), Mateman (CDA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), H. G. J. Kamp (VVD), Koekkoek (CDA), M. M. van der Burg (PvdA), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Leerkes (U 55+), Hoekema (D66) en Van Oven (PvdA).