Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23989 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23989 nr. 5 |
Vastgesteld 29 maart 1995
De vaste Commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen.
Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat dit wetsvoorstel kennelijk hoofdzakelijk ten doel heeft de wetgeving inzake het opmaken van het strafvonnis en het proces-verbaal ter terechtzitting te vereenvoudigen. Daarmee wordt aangesloten op de bestaande praktijk. Deze leden kunnen zich in hoofdlijnen in dit wetsvoorstel vinden. Het bespaart onnodig werk. De praktijk is al jaren zo en lijkt geen onoverkomelijke bezwaren op te leveren.
De bestaande wetgeving, volgens welke in veel gevallen is voorgeschreven het vonnis en het proces-verbaal geheel uit te werken, terwijl van die – bewerkelijke – stukken veelal geen enkel gebruik wordt gemaakt, is uit een oogpunt van werkbelasting en efficiency niet langer haalbaar.
De leden van de CDA-fractie achten het van belang dat het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting en het verkorte vonnis een wettelijke basis krijgen. Het onderhavige voorstel voorziet daarin en sluit aan op de praktijk. Alleen indien een rechtsmiddel wordt ingesteld, wordt het vonnis uitgewerkt dan wel verkort in handen van de verdediging gesteld. Dit verkorte vonnis dient altijd de motivering op de gevoerde verweren te bevatten.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij begrijpen dat het wetsvoorstel erop is gericht de bestaande praktijk van het verkorte proces-verbaal van de zitting en het verkorte vonnis in de wet vast te leggen.
In dat verband vragen deze leden op welke punten het wetsvoorstel afwijkt van de bestaande praktijk.
Daarnaast stellen zij dat zij het van groot belang achten dat de verscheidene betrokken beroepsgroepen de voorgestelde regeling onderschrijven.
Volgens de memorie van toelichting wordt een en ander «op hoofdlijnen» onderschreven. Daarom vragen deze leden de regering om aan te geven op welke onderdelen vooral de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten kritisch staan tegenover dit voorstel en waarom dat zo is.
De leden van de D66-fractie hebben grotendeels met instemming kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij onderschrijven de noodzaak om het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting en het verkorte vonnis een wettelijke basis te geven.
Ook zijn zij het eens met de regering dat een vereenvoudigde procedure voor de bekennende verdachte op bezwaren stuit zonder dat een duidelijk voordeel met een dergelijke regeling bereikt kan worden. Deze leden ondersteunen de regering dan ook in het schrappen van de in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog opgenomen «bekennende-verdachte-procedure».
Uit het in opdracht van de commissie Herijking Wetboek van Strafvordering verrichte praktijkonderzoek blijkt dat de wettelijke voorschriften met betrekking tot het proces-verbaal van de terechtzitting en het vonnis door de gerechten niet kan worden nageleefd bij gebrek aan capaciteit. Ook motivatie speelt hierbij een rol, voor zover het gaat om het uitwerken van een proces-verbaal en een vonnis, terwijl de veroordeelde niet in appel is gegaan, het zogenaamde werken voor het archief.
De leden van de D66-fractie achten het van belang dat de wettelijke voorschriften en de praktijk met elkaar in overeenstemming worden gebracht.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling van het wetsvoorstel, dat een codificering van de bestaande praktijk behelst, bestudeerd.
Zij hebben tevens kennis genomen van de commentaren van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Hoge Raad der Nederlanden, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), alsmede de vergadering der procureurs-generaal. Een en ander geeft hun aanleiding tot het volgende commentaar.
Zoals gezegd, wordt met dit wetsvoorstel de bestaande praktijk met betrekking tot de «kop-staart-vonnissen» gelegaliseerd.
Het nu voorliggende wetsvoorstel sluit – in tegenstelling tot een eerder voorstel – aan bij de voorstellen van de commissie-Moons hierover.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling van het wetsvoorstel kennis genomen en hebben daartegen geen principiële bezwaren.
Zij constateren wel dat het voorstel aan de reeds bestaande diversiteit van wettelijk toegestane vereenvoudigde vonnissen («stempelvonnis» en «aantekening mondeling vonnis» van politierechter onderscheidenlijk enkelvoudige appèlrechter) nog een variant toevoegt door de huidige buitenwettelijke praktijk te legaliseren.
De leden van de GPV-fractie stemmen ermee in de contra-legem praktijk van de kop-staart-vonnissen in de wet te regelen. De nu nog bestaande verschillen per ressort kunnen daarmee worden weggenomen. Tevens betuigen zij hun instemming met het vervallen van de voorgestelde bijzondere procedure voor bekennende verdachten. In het voorliggende wetsvoorstel heeft de regering ervoor gekozen de uitwerking van het vonnis overbodig te maken, tenzij een rechtsmiddel is aangewend of om uitwerking van het vonnis is gevraagd. Naar de mening van de leden van de GPV-fractie verdient de motivering van deze keuze aanvulling. Het is niet de gegroeide praktijk alleen die een keuze van de wetgever rechtvaardigt, in het bijzonder niet nu er een grondwettelijke opdracht in de zaak betrokken is.
De leden van de PvdA-fractie kunnen het te meer met de voorgestelde regeling eens zijn, nu is voorgesteld partijen in de gelegenheid te stellen, hetzij ter zitting, hetzij daarna binnen een bepaalde periode, alsnog om een volledig uitgewerkt vonnis te vragen. De omstandigheid dat de rechter het verzoek, ter zitting gedaan, van de hand kan wijzen, vormt daartegen geen doorslaggevend bezwaar, omdat de mogelijkheid van oneigenlijk gebruik van dit recht hierdoor wordt uitgesloten en voorts van de rechter een prudent gebruik van deze weigeringsbevoegdheid verwacht mag worden. Bovendien blijft altijd de mogelijkheid om na afloop van de zitting binnen een bepaalde periode om een uitgewerkt vonnis te verzoeken, zodat het de justitiabele steeds gegeven is ook zonder daarvoor hoger beroep te hoeven instellen – over een volledig uitgewerkt vonnis de beschikking te krijgen.
Inmiddels zou – ook in verband met de uitspraak in de zaak Hadjinastassiou van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (van 16 december 1992) wel verzekerd moeten zijn dat degene die appel of cassatie instelt tijdig, dat wil zeggen voordat hij gehouden is gronden aan te voeren, over het uitgewerkte vonnis kan beschikken.
Wat betreft de verdachte levert dat geen probleem op. Anders ligt dat voor het openbaar ministerie. In dat verband zouden de leden van de PvdA-fractie het wenselijk achten dat de door de Hoge Raad gesanctioneerde praktijk, inhoudende dat het aan het openbaar ministerie in de praktijk wordt toegestaan om – in afwijking van het in artikel 433 van het Wetboek van Strafvordering bepaalde – pas middelen van cassatie in te dienen binnen een maand nadat de officier van justitie metterdaad de beschikking heeft gekregen over het uitgewerkte vonnis en proces-verbaal, eveneens in de wet vast te leggen.
De leden van de VVD-fractie hechten eraan indien de regering in de nota naar aanleiding van het verslag nader verantwoordt hoe de voorstellen met betrekking tot het verkorte vonnis en het verkorte proces-verbaal passen binnen de waarborgen van artikel 121 van de Grondwet. Zij sluiten zich aan bij de vraagstelling van de Raad van State hierover.
Deze leden achten het van belang dat een strafvonnis in beginsel de bewijsmiddelen bevat, alsmede de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden. Vermelding van die informatie dient diverse doelen, zoals de overtuigingskracht van het vonnis, de preventieve werking en de maatschappelijke verantwoording van de strafrechtelijke afdoening. Mede om die redenen wordt het strafvonnis in het openbaar uitgesproken. Voornoemde leden vragen de regering uiteen te zetten of zij de vrees deelt dat die doelstellingen onder druk komen te staan, indien veelvuldig gebruik zal worden gemaakt van een verkort vonnis en een verkort proces-verbaal.
De leden van de VVD-fractie zijn beducht voor het relativeren van bestaande regels en rechtswaarborgen ten behoeve van de doelmatigheid. Er dient blijvend voor te worden gewaakt dat capaciteitsgebrek in het justitiële apparaat de rechtsstatelijke waarborgen voor de burger niet aantast. De leden van de VVD-fractie hechten immers sterk aan de waarborgen voor de verdachte in het strafproces.
Uitgangspunt van de leden van de D66-fractie voor de beoordeling van het wetsvoorstel is dat de rechten van de verdediging niet mogen worden beknot. Deze leden nemen er kennis van dat uit het onderzoek blijkt dat de verdediging in het algemeen aan een uitgewerkt vonnis voor het instellen van beroep geen behoefte heeft aangezien de verdachte bij het aantekenen van appel nog niet inhoudelijk behoeft aan te geven waarom hij het niet eens is met het vonnis waarvan beroep.
Deze leden onderschrijven dat het wetsvoorstel niet onverenigbaar is met artikel 6 EVRM en artikel 121 Grondwet.
Op zichzelf is betreurenswaardig, aldus de leden van de PvdA-fractie, dat het onderzoek waarvan de regering in de memorie van toelichting melding maakt, aangeeft dat het de zittende magistratuur en griffie kennelijk al jaren praktisch onmogelijk is hun wettelijke verplichtingen op dit punt na te komen. Dit heeft kennelijk tot verschillende «oplossingen» contra-legem geleid.
De leden van de GroenLinks-fractie onderschrijven de bevindingen van de commissie-Mevis, die een onderzoek naar de gangbare praktijk van de kop-staart-vonnissen heeft gedaan. Uit dit onderzoek blijkt dat niet alle instanties uniform handelen, reden dat een wettelijke regeling die een eenheid in normen brengt, naar de mening van deze leden gewenst is.
4. De meervoudige kamer, rechtdoende in eerste aanleg
A. De procedure op tegenspraak
4.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting
De leden van de VVD-fractie achten de inhoud van een verkort proces-verbaal uiterst beperkt (artikel 138b). Is de regering bereid te overwegen om het verkorte proces-verbaal tenminste een zodanige inhoud te geven dat daarin in grote lijnen de argumenten worden vermeld die door partijen ter zitting zijn gewisseld?
De leden van de PvdA-fractie hebben bezwaar tegen de mogelijkheid de rechter de bevoegdheid te geven het vonnis in principiële en ingewikkelde zaken eerst na vier weken uit te spreken. De voor de betrokken justitiabele wel heel elementaire uitspraaktermijn behoort in ieder geval niet om met werklast verband houdende redenen te worden opgerekt. Er ware dan voor de mogelijkheid te kiezen de uitspraaktermijn op 14 dagen te houden, maar de rechter de bevoegdheid te verlenen in dergelijke zaken het uitgewerkte vonnis eerst twee weken na de vonniswijzing (in uitge- werkte vorm) beschikbaar te doen zijn.
De leden van de D66-fractie zijn niet overtuigd door de argumenten van de regering dat het mogelijk zou moeten worden dat de rechter de bevoegdheid krijgt in sommige gevallen de uitspraaktermijn op vier weken te stellen. Bestaat zo niet het gevaar dat deze termijn een aanzuigende werking krijgt en dat de rechter mede als gevolg van capaciteitsproblemen steeds vaker pas na vier weken vonnis wijst? Deze leden hebben geconstateerd dat het advies van de NVvR op dit punt niet onverdeeld is. Wil de regering nog eens helder uiteenzetten wat de voor- en nadelen zijn van een verlenging van de uitspraaktermijn en zeggen of zij bereid is het wetsvoorstel op dit punt te heroverwegen?
In artikel 365a derde lid worden de huidige werkafspraken aangaande de te hanteren termijnen vastgelegd. De leden van de GPV-fractie vragen of de regering bereid is op de resultaten van het nader overleg te reageren met een voorstel om de wet aan te passen. Deze leden hebben de indruk dat een verkorting van de nu voorgestelde termijn in de toekomst wenselijk is.
4.2.2. De inhoud van het verkorte vonnis
De leden van de PvdA-fractie beklemtonen het belang dat de rechtszekerheid eist, dat duidelijkheid bestaat over de noodzakelijke bestanddelen van het verkorte vonnis en de status daarvan. Opneming van de volledige bewezenverklaring is gewenst, ook omdat dit van belang kan zijn voor de beoordeling van zaken van verdachten die – naast degene met betrekking tot wie een verkort vonnis wordt opgemaakt – in dezelfde strafzaak betrokken zijn, maar van wie de berechting op een ander ogenblik zou kunnen worden overwogen.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering of zij bereid is de definitie van een verkort vonnis (artikel 138a) zodanig aan te passen dat zo'n vonnis tenminste de bewijsmiddelen bevat, waarop het berust.
De leden van de D66-fractie hechten er aan dat ook in het verkorte vonnis de bewezenverklaring wordt opgenomen. Zou ook daar op bezuinigd worden, dan vrezen deze leden dat dit ten koste van de zorgvuldigheid zou gaan, gelet op de hoge werkdruk bij de zittende magistratuur. Een bewezenverklaring kan immers pas geformuleerd worden nadat de bewijsmiddelen secuur zijn langsgelopen.
Met instemming merken de leden van de GroenLinks-fractie op dat het wetsvoorstel een aantal minimumgaranties biedt waaraan het verkorte vonnis dient te voldoen, terwijl uit het praktijkonderzoek gebleken is, dat die minimumeisen niet bij alle gerechten voldoende – naar de mening van deze leden – garanties bieden. Het verkorte vonnis dient aan alle wettelijke eisen te voldoen, behoudens de opsomming en de weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen. Daarnaast wordt het vonnis in het algemeen uitgewerkt indien er een rechtsmiddel wordt aangewend, ofwel de verdachte, de benadeelde partij, of de officier van justitie daarom verzoekt. Zij constateren dat in dit opzicht het wetsvoorstel een verbetering van de bestaande praktijk betekent.
Daarbij maken zij in navolging van de NOvA wel de kanttekening dat de plicht tot uitwerking van een vonnis de rechter dwingt tot verantwoording van de gebezigde bewijsmiddelen, en daarom van invloed is op de kwaliteit en zorgvuldigheid van de rechterlijke besluitvorming.
4.2.3. De status van het verkorte vonnis
De leden van de D66-fractie achten wijziging van het verkorte vonnis principieel onjuist. Na het instellen van appel mag het verkorte vonnis slechts worden aangevuld wat betreft de opsomming en de weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen. Zou een andere constructie worden gekozen, dan werkt dat onduidelijkheid in de hand. Bij het uitwerken van het vonnis kan de verleiding gaan ontstaan, genomen beslissingen anders weer te geven. De grens tussen een andere weergave en een andere beslissing is vaag. De leden van de D66-fractie ondersteunen het regeringsstandpunt in dezen.
De leden van de GroenLinks-fractie achten het ook een verbetering dat door regeling bij wet het verkorte vonnis de status van een volwaardig processtuk krijgt, zodat zowel de verdediging als het openbaar ministerie van het vonnis kennis kunnen nemen en dat, behoudens de opsomming en de weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen, de tekst van het verkorte vonnis niet meer gewijzigd mag worden.
De memorie van toelichting roept, naar de mening van de leden van de GPV-fractie, vragen op waar deze ingaat op de status van het verkorte vonnis. De tekst van het verkorte vonnis zou naast het uitgewerkte vonnis bij de stukken gevoegd moeten worden om te kunnen controleren, of er geen veranderingen zijn aangebracht ten opzichte van de tekst van de beslissingen en motiveringen die in de verkorte versie al zijn vastgelegd. Op zichzelf beschouwd hebben deze leden daar niets tegen, maar het vertroebelt de processuele verhouding tussen beide vonnissen. Het is immers zo dat het uitgewerkte vonnis de status heeft van «vonnis waarvan beroep» en in die zin de verkorte versie terzijde stelt. Deze leden menen dat duidelijk moet komen vast te staan dat het verkorte vonnis processueel geen aparte status meer heeft en dat het uiteindelijk maar om één vonnis gaat. De bedoelde passage in de toelichting veronderstelt bovendien een andere gedachtengang dan de voorgestelde wettekst. Deze leden hebben daarom behoefte aan een nadere uiteenzetting op dit punt.
4.2.4. De termijn waarbinnen moet worden uitgewerkt
De leden van de VVD-fractie vinden het noodzakelijk dat de betrokken burger, ook los van de appelbeslissing, de beschikking kan krijgen over een uitgewerkt proces-verbaal en vonnis. Dat artikel 365c eerste lid die mogelijkheid biedt, juichen deze leden toe.
De leden van de VVD-fractie merken echter op dat er geen maximum termijn wordt gegeven voor het uitwerken van bedoelde stukken. Dat betekent dat de verdachte die appel overweegt zijn beslissing niet kan baseren op de overwegingen van de rechtbank in het uitgewerkte vonnis, omdat bij het ontvangen van het uitgewerkte vonnis de appeltermijn verstreken zal zijn. Daarom vragen deze leden de regering te reageren op de stelling dat, met dit wetsvoorstel, veelal hoger beroep wordt ingesteld en vervolgens, nadat is kennisgenomen van de gronden van het vonnis in eerste aanleg, het appel wordt ingetrokken. Acht de regering die gang van zaken aanvaardbaar?
De leden van de D66-fractie vinden dat een vonnis zo snel mogelijk moet worden uitgewerkt, als er appel is aangetekend. In zijn algemeenheid stellen deze leden dat strafprocessen in Nederland lange tijd in beslag nemen. Voor de acceptatie van een opgelegde beslissing is een snel onherroepelijk worden van de uitspraak en een vlotte tenuitvoerlegging van belang. Door gebrek aan rechters en ondersteunend personeel heeft de praktijk zich moeten behelpen met werkafspraken, zoals door de regering verwoord. Desondanks menen de leden van de D66-fractie dat in de wettekst van artikel 365a derde lid Sv tot uitdrukking zou moeten komen dat aanvulling zo snel mogelijk dient te geschieden na het aanwenden van het rechtsmiddel en dat de in de wettekst geformuleerde termijnen van vier respectievelijk drie maanden uiterste termijnen zijn.
Wat betreft de sanctie op het niet naleven van deze termijnen kunnen de D66-fractieleden zich vinden in hetgeen de regering daarover naar voren heeft gebracht.
In de artikelen 365c, 378, 395, 415 jo 365c en 426f wordt de mogelijkheid gecreëerd dat de beledigde partij mag vragen dat het verkorte proces-verbaal dan wel vonnis wordt uitgewerkt. Wordt hiermee niet het kind met het badwater weggegooid, zo vragen de leden van de D66-fractie. De beledigde partij heeft belang bij een bewezenverklaring om deze bij voorbeeld aan de verzekeringsmaatschappij over te leggen of om zelf een civiele procedure tegen de veroordeelde te beginnen. Een uitwerking van de bewijsmiddelen lijkt niet noodzakelijk. Als beledigde partijen veelvuldig van het hun in deze artikelen verleende recht gebruik zullen gaan maken, dan kan dat de werklast van de rechters en het ondersteunend personeel aanmerkelijk verzwaren.
Wil de regering gemotiveerd meedelen of zij bereid is in te gaan op de suggestie van de NVvR om te volstaan met het aan de beledigde partij toekennen van de bevoegdheid vastlegging van het proces-verbaal te verzoeken van voor hem/haar relevante onderdelen van de ter terechtzitting afgelegde verklaringen?
De leden van de GPV-fractie merken op dat de suggestie in de memorie van toelichting dat de appelrechter de zaak zou kunnen terugwijzen bij een vonnis dat niet aan de wettelijk eisen voldoet, een afwijking vormt van de rechtspraak tot nu toe. Daarin is alleen bij materiële gebreken in de eerste aanleg verwijzing geïndiceerd. Een gebrekkig opgemaakt vonnis blijft daarmee een vonnis en vormt geen aanwijzing dat de rechter ten onrechte een beslissing op de hoofdzaak heeft gegeven. Deze leden vragen waarom gekozen is voor verwerping van de geldende rechtspraak op dit punt.
De leden van de GPV-fractie hebben enkele vragen over de uitwerking van een verkort vonnis op verzoek, neergelegd in artikel 365c eerste lid. Deze leden menen dat een uitgewerkt vonnis de officier van justitie weinig extra's te bieden heeft. Voor de verdediging ligt de zaak op een belangrijk punt anders. Voor de beoordeling van de bewijsbeslissing heeft men een uitgewerkt vonnis nodig, omdat alleen dan een uitgewerkte motivering van de bewezenverklaring wordt opgemaakt. Het verdedigingsbelang bij een inzage in de bewijsvoering ligt vooral in de overweging of appel zal worden ingesteld. Dat is blijkens de memorie niet de reden van de voorgestelde regeling. Welke overwegingen liggen dan wel aan deze opzet ten grondslag, zo vragen deze leden. De leden van de GPV-fractie menen voorts dat als de regering ervoor kiest een uitwerking op verzoek van de verdachte te regelen teneinde een overweging van het hoger beroep te vergemakkelijken, er geen speciale reden is om de verdediging die mogelijkheid niet meteen op de zitting te geven. Naar de opvatting van deze leden steunen de resultaten van het praktijkonderzoek van Mevis deze opvatting. Het verkrijgen van een uitgewerkt vonnis was blijkens dit onderzoek geen reden voor het instellen van appel.
De leden van de GPV-fractie stellen vast dat de termijnen in het voorgestelde artikel 365c klaarblijkelijk geen verbinding hebben met het overwegen van appel, aangezien de termijn voor hoger beroep in de regel zal zijn verstreken voordat de verdediging het uitgewerkte vonnis in handen heeft. De memorie van toelichting bevestigt de ontkoppeling van uitwerking vonnis en rechtsmiddel, maar geeft niet aan welk belang dwingt tot een regeling zoals nu wordt voorgesteld. Deze leden verzoeken de regering dit alsnog te doen.
De aparte vermelding van de raadsman in artikel 365c komt de leden van de GPV-fractie, gelet op artikel 331 eerste lid Sv, overbodig voor. Bovendien zijn zij van mening dat niet de suggestie gewekt moet worden dat de raadsman een zelfstandige bevoegdheid heeft in het strafproces. Als dat wel de bedoeling van de regering is, dan moet toch eerst de discussie gevoerd worden over de inpassing van de vertegenwoordiging in het strafproces, zo menen deze leden. Deze leden vragen de regering in dit verband welke stappen inmiddels zijn ondernomen naar aanleiding van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaken Lala en Pellatoah op dit punt.
4.2.5. De mate van uitwerking na instellen van een rechtsmiddel
De leden van de PvdA-fractie vragen of niet toch wenselijk is de verplichting tot uitwerking van een vonnis in geval van appel op enigerlei wijze te sanctioneren. Zo niet dan blijkt het immers ook in de huidige situatie mogelijk dat rechtbanken een vonnis niet geheel uitgewerkt naar het Gerechtshof sturen. Het Gerechtshof is dan gedwongen dergelijke zaken geheel opnieuw te behandelen ook in gevallen waarin dit wellicht niet nodig zou zijn geweest.
Indien in geval van een niet uitgewerkt vonnis de hogere instantie verplicht zou zijn de zaak terug te verwijzen, zou deze nog wel voorkomende praktijk immers al snel worden beëindigd.
De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering een antwoord te geven op de vraag of ook die veroordeelde aanspraak kan maken op een aangevuld vonnis en proces-verbaal, die eerst na zeer geruime tijd – enkele jaren – appèl aantekent van een verstekvonnis, waaraan een dagvaarding is voorafgegaan die hem of haar niet in persoon is betekend.
Worden de gegevens die noodzakelijk zijn om de aangevulde documenten op te stellen, zolang bewaard?
5. De meervoudige kamer, rechtdoende in appel
De vraag van de leden van de GPV-fractie richt zich op een thans bestaande praktijk bij de Hoven. Alweer enige tijd geleden hebben deze de praktijk geadopteerd, mede gestimuleerd door de cassatiepraktijk, om alle beroepen vonnissen standaard te vernietigen. Dientengevolge kunnen gebreken uit de eerste aanleg die door de appelrechters over het hoofd zijn gezien, niet meer tot cassatie leiden. Dat kan op de griffiers en rechters in eerste aanleg de indruk geven dat zij toch nog voor de prullenbak werken. Is de indruk overigens juist dat thans een kentering bij de Hoven waar valt te nemen? Kan de regering haar standpunt geven over de verhouding tussen enerzijds de nu vastgelegde verplichting voor de eerste instantie om een vonnis volledig uit te werken in geval van appel en anderzijds de genoemde praktijk, die eventuele onzorgvuldigheid bij de tweede instantie in haar controletaak sanctioneert.
6. De enkelvoudige kamer, rechtdoende in eerste aanleg
Ten aanzien van de artikelen 379 en 396 zijn de leden van de VVD-fractie geïnteresseerd om te vernemen in welke gevallen de rechter kan vaststellen dat geen redelijk belang gediend is met een schriftelijk vonnis. Deze leden kunnen zich voorstellen dat dit mede van de individuele omstandigheden van de veroordeelde afhankelijk is. Zij vragen of de rechter wel over voldoende informatie zal beschikken om in dit verband tot een oordeel te komen. Op welke wijze dient een veroordeelde achteraf zijn verzoek om een schriftelijk vonnis te motiveren, indien hij geen appèl heeft ingesteld?
In dit verband vragen de leden van de VVD-fractie tevens of belanghebbenden bij een afwijzende beslissing door de kantonrechter of de enkelvoudige kamer bij de rechtbank op hun verzoek om schriftelijk vonnis, daartegen kunnen opkomen bij enige hogere instantie en zo ja, bij welke.
Daarbij verwijzen deze leden naar het door hen bij artikel 365 eerste lid opgemerkte.
8. Werklasteffecten van het wetsvoorstel
De leden van de CDA-fractie wensen te vernemen of deze vereenvoudiging van het strafprocesrecht in de toekomst nog werkbesparing zal opleveren of dat dit voorstel slechts de bestaande praktijk legaliseert (bladzijde 12 memorie van toelichting «weinig effect»).
Is de regering van plan verder na te denken over werkbesparing bij het openbaar ministerie en de zittende magistratuur? En hoe reageert zij op de reactie van de NVvR in de brief van 19 januari 1995 waarin gesteld wordt dat «de voorgestelde regeling een te ruime mogelijkheid biedt aan rechterlijke autoriteiten tot het vragen van uitwerking van processen-verbaal en vonnissen met alle werklastverzwaring van dien?» Gaarne krijgen deze leden hierop een uitvoerige reactie.
De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering nader te verwoorden of en zo ja in hoeverre het wetsvoorstel efficiency-winst oplevert. Zij kunnen zich voorstellen dat die winst uiterst beperkt zal blijven, omdat de strafrechter en/of de griffier hoe dan ook uitgebreid aantekeningen zal dienen te houden van de gang van zaken ter terechtzitting en van de overwegingen van het vonnis. De mogelijkheid blijft immers aanwezig dat bij appèl of op speciaal verzoek alsnog een aangevuld vonnis en proces-verbaal dienen te worden opgesteld. Heeft de regering overwogen hoe en in welke vorm de daarvoor relevante gegevens dan wel bouwstenen dienen te worden bewaard?
Een vraag van de leden van de SGP-fractie is of van het wetsvoorstel een vermindering van de werklast te verwachten valt.
Wordt onder het begrip «verkort vonnis» mede begrepen het «verkort arrest», zo vragen de leden van de SGP-fractie.
De leden van de GPV-fractie plaatsen enkele kanttekeningen bij de opzet van het wetsvoorstel. Was het niet beter geweest als was gekozen voor een opzet vergelijkbaar met die in wetsvoorstel 19 488? Dan was inpassing in het stelsel van het Wetboek van Strafvordering nog mogelijk geweest. De voorliggende opzet spoort echter niet met de systematische uitgangspunten van het wetboek. Zo zijn de plaats en inhoud van artikel 138a gebaseerd op de veronderstelling dat een vonnis ook thans een uitspraak is. Uit het Wetboek van Strafvordering blijkt evenwel dat een vonnis een einduitspraak bevat, naast andere op te nemen delen. Om deze discrepantie tussen dit voorstel en het Wetboek van Strafvordering op te heffen, zou naar de mening van de leden van de GPV-fractie niet alleen de formulering van artikel 138a moeten worden gewijzigd, maar zou de bepaling in haar geheel verplaatst moeten worden naar titel VI afdeling 4 van boek 2 van het Wetboek van Strafvordering. Ook geven zij in overweging artikel 365a eerste lid aan te vullen.
Hetgeen hierboven is opgemerkt over de plaatsing van artikel 138a in deze titel, geldt mutatis mutandis ook voor dit artikel. Welk belang is gediend met plaatsing in de betekenistitel en waarom is niet gekozen voor een aanvulling bij artikel 326 Sv, zo vragen de leden van de GPV-fractie.
De leden van de PVDA-fractie vragen of op niet nakoming van de in het nieuwe zesde lid vervatte bepaling geen nietigheid zou moeten worden gesteld.
Het is de leden van de GPV-fractie niet duidelijk waarom het enkele feit van aanhouding een volledig proces-verbaal noodzakelijk maakt. De wettelijke regeling is immers gebaseerd op de gedachte dat één onderzoek plaatsvindt, dat door onderbreking op verschillende tijdstippen kan vallen, maar waarvan uiteindelijk één proces-verbaal wordt vastgesteld. Inpassing van het voorgestelde zesde lid in deze structuur brengt met zich mee dat bij schorsing voor het gehele onderzoek een volledig proces-verbaal moet worden vastgesteld. Is dat inderdaad de bedoeling van de aanvulling? Waarom kan niet worden volstaan met het verkorte proces-verbaal, waarin steeds de redenen voor schorsing zullen zijn opgenomen ex artikel 277 vijfde lid in verbinding met het voorgestelde artikel 138b?
Uit de memorie van toelichting blijkt dat voor verstekzaken aansluiting is gezocht bij de regeling van artikel 378 vierde lid Sv, merken de leden van de GPV-fractie op. Materieel gaat het om gevallen waarin de appeltermijn niet aanvangt meteen na het uitspreken van het vonnis, maar pas later. Bij een wijziging van de regeling voor de appeltermijn (Wet Wijziging Termijnen, S91, 663), artikel 408 eerste lid, is echter een uitbreiding gegeven aan die gevallen. Ook als de dagvaarding niet in persoon is betekend, kan de appeltermijn van veertien dagen ingaan na de einduitspraak, namelijk als zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit, dat de zitting aan de verdachte van tevoren bekend was. Toen en nu worden de aansluitende bepalingen niet hieraan aangepast. De leden van de GPV-fractie vragen daarom of er duidelijkheid verschaft kan worden over wat daarvan de reden is.
Zij zien niet in waarom de verplichting van het derde lid van dit artikel ook geldt voor de uitwerkingen op verzoek (ex artikel 365c). Als er geen verbinding bestaat met het instellen van een rechtsmiddel, wat is het belang van de verzoekers of de rechtspleging in het algemeen bij de uitwerking van het proces-verbaal?
Als opgemerkt hebben de leden van de PVDA-fractie bezwaar tegen de voorgestelde bepaling (zie ook de artikelen 379 en 396 tweede lid onder b). Zij stellen voor te bepalen dat in ieder geval altijd na 14 dagen uitspraak zal worden gedaan, maar de rechter daarbij de bevoegdheid krijgt te bepalen dat afgifte van een uitgewerkt vonnis eerst 14 dagen na die uitspraak zal volgen.
De leden van de D66-fractie zijn er niet van overtuigd dat de uitspraaktermijn voor een uitgewerkt vonnis op vier weken dient te worden gesteld. Zij verwijzen naar hetgeen zij de regering gevraagd hebben op dit punt.
De leden van de GPV-fractie vragen of dit artikel zo moet worden begrepen dat een rechter die moeite heeft om de uitspraak binnen veertien dagen klaar te hebben, «veroordeeld» is tot het maken van een volledig vonnis? Is het bekend dat thans wegens de krappe termijn van veertien dagen verschillende uitwegen worden gehanteerd, zoals het uitstellen van de formele sluiting van het onderzoek ter zitting, hoewel het onderzoek ter zitting wel voltooid had kunnen worden? Is de regering bereid om, indien dat noodzakelijk blijkt, de rechterlijke macht te voorzien van de nodige middelen om de voorgestelde regeling zodanig uit te voeren, dat deze uitwegen tot het verleden gaan behoren?
De leden van de PvdA-fractie achten de in het wetsvoorstel voorgestelde termijnen waarbinnen het vonnis moet worden uitgewerkt, niet onredelijk. Toch zal de termijn van drie maanden wat betreft personen die zich in voorlopige hechtenis bevinden – zeker in gevallen waarbij tot een relatief korte vrijheidsstraf is veroordeeld – al snel als kwellend worden ervaren. Daarbij moet bedacht worden dat juist door deze categorie appellanten de doorstroming van Huis van Bewaring naar gevangenis wordt verstopt. Deze leden vragen of niet in alle gevallen waarin in eerste instantie tot een vrijheidsstraf van 12 maanden of minder is veroordeeld, een termijn van maximaal een maand in aanmerking genomen zou kunnen worden.
Is de regering bereid de formulering aan te scherpen, zoals door de leden van de D66-fractie hiervoor verwoord is, zo vragen zij.
De leden van de VVD-fractie hebben moeite zich een voorstelling te maken van de situatie, waarin het aangevulde vonnis door de voorzitter van het gerecht wordt ondertekend, bij ontstentenis van de rechter die het vonnis heeft gewezen. Hoe kan de voorzitter op adequate wijze controleren of het vonnis volledig en op correcte wijze is aangevuld?
De leden van de GPV-fractie stellen voor ter vermijding van de schijn van twee vonnissen in een strafzaak de tekst «het aangevulde vonnis» te vervangen door «de aanvulling bedoeld in artikel 365a tweede lid».
Gelet op het bij artikel 426d tweede lid voorgestelde, vragen de leden van de VVD-fractie hoe de regering de aantekening van het vonnis in het proces-verbaal van de zitting zal uitdrukken.
Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Groenman (D66), Korthals (VVD), Janmaat (CD), De Hoop Scheffer (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M. M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (AOV), Rabbae (GroenLinks), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD), O. P. G. Vos (VVD).
Plv. leden: Koekkoek (CDA), Van den Berg (SGP), Van Vliet (D66), Dees (VVD), Marijnissen (SP), Biesheuvel (CDA), Hirsch Ballin (CDA), Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Van Heemst (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Boogaard (AOV), Sipkes (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Te Veldhuis (VVD), Van Boxtel (D66), Van der Heijden (CDA), Apostolou (PvdA), Versnel-Schmitz (D66), Leerkes (U55+), Van den Doel (VVD), Weisglas (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23989-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.