Aan de vicevoorzitter van de Europese Commissie
Den Haag, 16 december 2021
De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen
van de Commissiemededeling inzake het uitbreidingsbeleid van de EU voor 2021 (COM(2021)644)1. De leden van de Fractie-Nanninga hebben naar aanleiding hiervan in het kader van de politieke dialoog een aantal vragen
aan de Europese Commissie.
De Mededeling van de Europese Commissie over de voortgang van kandidaat-lidstaat Turkije
om toe te treden tot de Europese Unie stemt niet bepaald vrolijk, aldus stellen de
leden van de Fractie-Nanninga. Het land heeft op verschillende beleidsterrein geen
enkele verbetering laten zien en op andere zelfs achteruitgang. Deze leden zijn vooral
benieuwd naar de consequenties die hieraan worden verbonden. Daarom stellen zij de
volgende vragen:
Is de Europese Commissie van mening dat, gelet op deze resultaten, het toetredingsproces
van Turkije kritisch bekeken dient te worden en dat harde consequenties aan deze zeer
zwakke resultaten verbonden moeten worden?
«Democratic backsliding continued during the reporting period», «Targeting of the opposition parties continued», «The serious backsliding of the judicial system observed since 2016 continued». Dit zijn enkele citaten uit de mededeling, en deze citaten laten zien hoe slecht
het gesteld is in Turkije. Als voorgaande redenen niet voldoende zijn om de toetredingsprocedure
van Turkije te pauzeren, wanneer is dit dan wel het geval? Welke criteria kunnen daarvoor
worden vastgesteld?
Als een (tijdelijke) stop of een algeheel afbreken van het Turkse toetredingsproces
tot de Europese Unie volgens de Europese Commissie niet aan de orde is, welk precedent
schept dat dan naar de mening van de Commissie? Is het niet zo dat dit een verkeerd
signaal geeft aan kandidaat-lidstaten, aangezien zij nooit hoeven te vrezen voor de
consequenties van hun falen, aldus vragen de leden van de Fractie-Nanninga.
De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken zien uw reactie met belangstelling
tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen drie maanden na dagtekening van
deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, M.G.H.C. Oomen-Ruijten