23 987
Uitbreiding van de Europese Unie

nr. 101
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 7 oktober 2009

De vaste commissie voor Europese Zaken1 heeft enkele vragen en opmerkingen over de brief van de minister en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken over een avis-aanvraag inzake Albanië (23 987, nr. 100) ter beantwoording aan de regering voorgelegd. Deze vragen, alsmede de daarop op 5 oktober 2009 gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie

Waalkens

Adjunct-griffier van de commissie

Mittendorff

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

De leden van de CDA-fractie danken de minster en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken voor het toezenden van de brief over de avis aanvraag Albanië. Deze leden delen de inzet van de regering om, mede gezien het krachtenveld in de EU, in te stemmen met een avis aanvraag. De aanvraag van het avis mag wat de leden van de CDA-fractie betreft niet leiden tot oneigenlijke verwachtingen aan Albanese zijde. Uiteindelijk toetsen deze leden op criteria alvorens er verdere stappen worden ondernomen; daarom willen de leden van de CDA-fractie geen data voor vervolgstappen in het avis. Die voorwaarden waar Albanië uiteindelijk aan moet voldoen zijn wat betreft deze leden nu nog onvoldoende. De leden van de CDA-fractie hebben daarom nog enkele opmerkingen.

Een avis aanvraag moet geen automatisme zijn en niet automatisch uitmonden in een kandidaat-lidmaatschap. Op dit punt steunen de leden van de CDA-fractie de inzet van de regering. De verplichtingen in relatie tot de SAO dienen eerst nagekomen te worden. Voor deze leden zijn de aanpak van georganiseerde misdaad, het bestrijden van corruptie en het realiseren van een stabiele rechtsstaat kernelementen die moeten worden gerealiseerd. Tevens zijn deze leden van mening dat alle landen op de Balkan verantwoordelijk zijn voor een stabiele regio. Zij vragen hoe de regering de rol van Albanië duidt in relatie tot Kosovo en de andere buurlanden. Voorts vragen zij of er sprake is van samenwerking op de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, mensenhandel en terrorisme. Wordt deze regionale verantwoordelijkheid meegenomen als onderzoeksitem in de avis aanvraag? Het OVSE/ODHIR rapport is kritisch over de rol en functioneren van politieke partijen; tevens is er kritiek op de financiering van politieke partijen. Op welke wijze wordt hier in het avis aandacht voor gevraagd, zo vragen de leden van de CDA-fractie. De aankondiging dat Albanië eenzijdig de Euro wil invoeren en de effecten hiervan op de eurozone dienen wat de leden van de CDA fractie betreft ook in het avis te worden beoordeeld.

De leden van de PvdA-fractie blijven, als het gaat om lidmaatschapaanvragen, van mening dat een consistente implementatie van de uitbreidingsstrategie van 2006 nu belangrijker is dan ooit. Uitgangspunt van deze strategie is dat het tempo van toenadering tot de EU afhankelijk is van de mate waarin de noodzakelijke hervormingen in de individuele landen worden doorgevoerd. Belangrijk is ook de absorptiecapaciteit van de Unie. Het eindoordeel van de OVSE kan een beeld schetsen van de huidige interne situatie, die het uitgangspunt is voor de omvang van de benodigde hervormingen. Landen die een EU lidmaatschapaanvraag doen krijgen immers te maken met het implementeren van EU-regelgeving. Een les die in het verleden geleerd is, is dat de EU zorgvuldig met lidmaatschapsaanvragen moet omgaan. Dit is zowel in het belang van de EU als in het belang van de aanvragende landen. De leden van de PvdA-fractie constateren dat de regering dezelfde mening is toegedaan. Wel verzoeken de leden van de PvdA-fractie de regering duidelijkheid te verschaffen over de opmerking in de brief dat met inachtneming van het krachtenveld in Brussel Nederland kan instemmen met een verzoek van de Raad om de Commissie te vragen een advies te schrijven over de Albanese lidmaatschapsaanvraag. De leden van de PvdA-fractie vragen wat zich in dat krachtenveld afspeelt.

De leden van de VVD-fractie hebben een aantal vragen geformuleerd naar aanleiding van de beoordeling van het in gang zetten van een adviesaanvraag voor Albanië.

Deze leden vragen de regering naar haar beoordeling van het feit dat de OVSE in haar final report van 14 september jl. over de parlementsverkiezingen van 29 juni spreekt van het feit dat vooruitgang op procesmatig gebied is «overschaduwd» door de politisering van de technische aspecten van het proces (p.1).

De leden van de VVD-fractie vragen de regering verder naar haar beoordeling van het feit dat de OVSE concludeert dat de uitvoering van de verkiezingen in Albanië niet voldoen aan haar hoogste standaarden terwijl dit wel het uitgangspunt zou moeten zijn voor een land dat eerder dit jaar lidmaatschap van de Europese Unie heeft aangevraagd (p.1).

Voorts vragen deze leden of de Albanese regering reeds heeft gereageerd op de maar liefst 31 aanbevelingen die de OVSE doet in haar verslag (p.28 e.v.). Zij vragen wanneer wordt verwacht dat zij dit zullen doen of dat dit onderdeel wordt van het uiteindelijke advies.

De minister spreekt in de brief aan de kamer van 18 september over «waarneembare progressie die Albanië de laatste jaren heeft doorgemaakt». De leden van de VVD-fractie vragen op welke vooruitgang de minister duidt en waarom dit een advies rechtvaardigt.

Volgens de leden van de VVD-fractie kan worden vastgesteld dat de vooruitgang is beperkt tot betere registratie van de stemmers en een verbeterd juridisch kader voor de verkiezingen. Er zijn echter ook nog steeds ernstige tekortkomingen zoals de extreme politisering van de technische aspecten van de verkiezingen door de politieke partijen wat aangeeft dat zij niet gecommitteerd aan vrije en eerlijke verkiezingen. De leden van de VVD-fractie vragen of de regering deze mening deelt.

Voorts stellen de leden van de VVD-fractie de volgende vragen naar aanleiding van het OVSE-verslag van 14 september over de parlementsverkiezingen in Albanië van 29 juni 2009.

Zij vragen hoe de regering het feit beoordeelt dat de Centrale Verkiezings Commissie (CEC) van Albanië vaak was verdeeld langs de lijnen van politieke meerderheid/politieke minderheid (p. 1).

Zij vragen hoe de regering het feit beoordeelt dat partijen in Albanië hun recht om leden van de CEC leden te vervangen, op een onredelijke, buitensporige manier hebben gebruikt (p.1, 2).

Zij vragen hoe de regering de vaststelling beoordeelt dat druk is uitgeoefend, met name op werknemers in de publieke sector en op studenten, om niet deel te nemen aan activiteiten van de oppositie, waarbij vaak is gedreigd met ontslag. (p. 2, 13).

Zij vragen hoe de regering het gebruik van officiële gelegenheden, zoals het in gebruik nemen van nieuwe infrastructuur, voor campagnedoeleinden beoordeelt (p. 2, 13, 14).

Zij vragen hoe de regering de onderbouwde beweringen van het gebruik van overheidsfaciliteiten door de DP voor haar politieke campagne beoordeelt (p. 2).

Zij vragen hoe de regering de mate van onafhankelijkheid van de media in Albanië beoordeelt. Is de hervorming van de publieke omroep, die in sterke mate afhankelijk is van overheidsgeld, tot stilstand gekomen (p. 2), zo vragen deze leden.

Zij vragen hoe de regering de mate waarin omroepen in Albanië voorafgaande aan de verkiezingen zorg hebben gedragen voor een verscheidenheid aan informatie beoordeelt (p. 3).

Zij vragen hoe de regering het onvoldoende effectief optreden tegen de eventualiteit van herhaaldelijk stemmen door dezelfde persoon (bijv. door het niet steeds naleven van «inking procedures») beoordeelt (p. 3).

Zij vragen hoe de regering het herhaaldelijk voorkomen van kennelijk dezelfde handtekeningen op de kiezerslijst beoordeelt (p. 3).

Zij vragen hoe de regering het gegeven beoordeelt dat politieke partijen zich hebben bemoeid met het tellen van stemmen, met name daar waar de resultaten van de verschillende partijen niet ver uit elkaar leken te lopen (p. 3).

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering het niet tellen van de verkiezingsbussen in een aantal centra voor het tellen (BCC’s) beoordeelt (p. 4).

Is het Centraal Verkiezings Committee herhaaldelijk niet effectief opgetreden wanneer er problemen waren gerezen resp. gerapporteerd in centra voor het tellen van de stemmen (p. 4 en 8), zo vragen deze leden.

Voorts vragen de leden van de VVD-fractie of politieke partijen zich soms niet hebben gehouden aan de letter en de opzet van de kieswet (p.5).

Ook vragen deze leden of de Albanese kieswet nog onduidelijke en vage bepalingen bevat (p. 6).

De leden van de VVD-fractie vragen of de bepaling dat de twee grootste politieke partijen het recht hebben om elk één van de via loting geselecteerde rechters (voor het behandelen van klachten over de verkiezingen) mogen verwijderen, op gespannen voet staat met de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht (p. 6).

Deze leden vragen hoe de regering het veelvuldig gebruik van het onbeperkte recht van politieke partijen om leden van de «mid level» en «lower level» verkiezingscommissies te vervangen (p. 7) beoordeelt.

Zij vragen of er binnen het Centraal Verkiezings Committee (CEC) vaak onenigheid was tussen personen die de politieke meerderheid vertegenwoordigden en personen die de politieke minderheid vertegenwoordigden en of daardoor de taak van het CEC om de verkiezingen op een neutrale en efficiënte wijze te laten verlopen in het gedrang is gekomen (p. 8).

Deze leden vragen of het regelmatig is voorgekomen dat aspirant-stemmers werden weggestuurd omdat hun naam niet voorkwam op de lijst van stemmers (p. 10).

Zij vragen hoe de regering de beschuldigingen van de Albanese oppositie beoordeelt dat sprake is geweest van manipulatie bij het verspreiden van identiteitsbewijzen voorafgaande aan de verkiezingen (identiteitsbewijzen die nodig waren om deel te nemen aan de verkiezingen) (p. 10, 11).

Zij vragen hoe de regering het gegeven beoordeelt dat veel oppositiepartijen een groot wantrouwen aan de dag hebben gelegd in de autoriteiten en de organisatie van de verkiezingen (p. 12).

Zij vragen hoe de regering het gegeven beoordeelt dat de kwaliteit van de media in Albanië wordt geschaad door bemoeienis van politici, economische lobby’s en media-eigenaren met politieke en economisch belangen (p. 15).

Zij vragen hoe de regering het gegeven beoordeelt dat de publieke omroep in Albanië, de RTSH, afhankelijk is van financiering door de staat en dat bij wisselingen van de politieke macht, ook de personele samenstelling van de publieke omroep wordt gewijzigd (p. 16).

Zij vragen hoe de regering het gegeven beoordeelt dat in de twee weken voor de verkiezingscampagne de (op dat moment door de OVSE gemonitorde) publieke omroeporganisaties in de journaals en de actualiteitenrubrieken op een onevenwichtige en partijdige wijze berichtten over de twee belangrijkste politieke partijen (p. 17).

Zij vragen naar de beoordeling van de regering van de in Albanië geldende regels omtrent het minimum aantal vrouwen dat o.m. het nationale parlement moet worden gekozen en het feitelijke resultaat dat in dat opzicht is geboekt (p. 18, 19).

Zij vragen hoe de regering het kopen van stemmen zoals dat in de Roma-gemeenschappen in Albanië zou hebben plaatsgevonden beoordeelt (p. 19).

Deze leden vragen of de CEC niet is ingegaan op een aantal klachten van de SP omtrent mogelijke onregelmatigheden in o.m. de Tirana, Berat en Shkodër regio’s (p. 26, 27) en wat het oordeel van de regering daarover is.

Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie hoe de regering het afwijzen van acht formele klachten, die zijn ingediend door kleinere partijen en een onafhankelijke kandidaat, beoordeelt (p. 27).

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de minister en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken waarin zij melden te kunnen instemmen met een verzoek van de Raad aan de Commissie om een advies te schrijven over de Albanese EU-lidmaatschapsaanvraag. Daarnaast hebben deze leden kennisgenomen van het OVSE rapport over de recente verkiezingen in Albanië. De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat uitbreiding van de EU Nederland niet ten goede komt. Om deze reden hebben deze leden al eerder aangegeven op dit moment tegen eventuele toetreding van Albanië, dan wel ieder ander land, te zijn. Specifiek hebben de leden van de PVV-fractie de volgende vragen ten aanzien van Albanië.

Ten aanzien van corruptie:

In de aanbevelingen van het OVSE rapport ten aanzien van de parlementaire verkiezingen van 28 juni jl. lezen de leden van de PVV-fractie onder andere dat bemoeienis van politieke partijen bij de selectie van rechters die hogere beroepen over het verkiezingsproces beoordelen, afgeschaft moet worden. Niet alleen achteraf, maar ook vooraf oefenen politieke partijen druk uit door studenten en werknemers te manipuleren. Zelfs regeringspartijen doen hier aan mee. De leden van de PVV-fractie vragen welke stappen worden ondernomen tegen deze verkiezingsmanipulatie door de zittende regering. Voorts vragen zij de regering hen nader in te lichten over de verdere effectiviteit van de aanpak van corruptie in Albanië in 2009. De leden van de PVV-fractie vragen of deze net zo effectief was als in 20081.

Ten aanzien van politieke partijen:

De leden van de PVV-fractie lezen in de brief van de regering dat met name het functioneren van de politieke partijen tijdens en voorafgaand aan de verkiezingen kritiek heeft ontvangen. Er kunnen dus wel regeltjes opgesteld worden, maar de partijen zelf gaan hier niet goed mee om.

De leden van de PVV-fractie vragen of dit weergeeft dat de Albanese samenleving gewoon nog niet klaar is voor eerlijke democratische verkiezingen. Dit is een essentiële voorwaarde voor het toetredingsproces lezen deze leden in de brief van de regering. De leden van de PVV-fractie vragen of zij hieruit mogen afleiden dat Albanië eerst moet laten zien dat zij lessen heeft getrokken uit het afgelopen verkiezingsproces, alvorens toetreding mogelijk is. Voorts vragen deze leden of dat betekent dat het land eerst een keer succesvolle verkiezingen moet hebben gehouden, die wel aan de hoogste standaarden voldoen.

In de informatie op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken lezen de leden van de PVV-fractie dat het «gepolariseerde politiek klimaat» in Albanië echte voortgang in de uitvoering van hervormingen in de weg staat2. Het ODIHR-rapport (zie pag. 12) bevestigt dat het politieke klimaat nog steeds «vergaand gepolariseerd» is. De leden van de PVV-fractie achten dit verwarrend. Zij vragen of de afgelopen verkiezingen uitwijzen dat de situatie is veranderd en of de uitvoering van hervormingen nu wel goed mogelijk is.

De leden van de SP-fractie zijn onaangenaam verrast door het besluit van de regering om het verzet te staken tegen een verzoek vanuit de Raad aan de Europese Commissie om een advies (avis) over de lidmaatschapsaanvraag van Albanië op te stellen. De regering ziet in het OVSE/ODIHR rapport over de recente verkiezingen geen aanleiding om zich hier langer tegen te verzetten. Echter in de geannoteerde agenda voor de RAZEB van 14 en 15 september jl. gaf de regering aan naast dit rapport ook te willen wachten op de reguliere voortgangsrapportages van de Europese Commissie die half oktober a.s. worden verwacht. Deze leden zijn van mening dat dit een verstandige werkwijze is. Zij zien geen reden waarom hierop niet gewacht kan worden en zouden graag vernemen van de regering waarom andere landen dit moment niet kunnen afwachten.

Daarnaast vermoeden zij dat de aankomende voortgangsrapportage voldoende redenen zal geven om het perspectief op soepele en snelle toetredingsonderhandelingen met Albanië uit te sluiten. Daarom is het opstellen van een advies in hun ogen prematuur en zal het enkel de kans vergroten dat een proces wordt ingezet waarbij wensdenken de boventoon zal voeren en er druk wordt uitgeoefend om de toetredingscriteria soepel te hanteren. De recente opstelling van de overige lidstaten met betrekking tot het nemen van vrijwaringsmaatregelen tegen Bulgarije en Roemenië bevestigt dit. De leden worden daarin ook gesterkt door de in het verslag van de RAZEB van 27 juli jl. vermelde intentie van de meerderheid van lidstaten om met dit «gebaar» naar Albanië de indruk weg te nemen dat de EU met twee maten meet, gezien de snelle behandeling van de lidmaatschapsaanvraag door IJsland.

De leden van de SP-fractie verzoeken de regering dan ook alsnog haar standpunt te wijzigen en niet in te stemmen met het vragen van een advies. De leden zijn zich bewust van het geschetste krachtenveld waarin Nederland tamelijk geïsoleerd staat, maar zien daarin geen reden dat Nederland haar eigen oordeel moet laten varen. Daarnaast geeft de regering aan dat er een meningsverschil ligt met de Commissie en overige lidstaten of deze stap op basis van unanimiteit of meerderheidsbesluitvorming kan worden genomen. De leden van de SP-fractie zijn er sterk voorstander van dat de lidstaten volledig in controle zijn van het toetredingsproces en zouden hier graag duidelijkheid over verkrijgen. Zij moedigen de regering dan ook aan om haar verzet gepaard te laten gaan met het huldigen van het standpunt dat daarmee ook het advies niet kan worden aangevraagd en opgesteld, wat desnoods ook met juridische middelen moeten worden verdedigd.

II Reactie van de regering

De regering dankt de leden van de fracties van het CDA, de PvdA, de VVD, de PVV en de SP voor hun inbreng. De zorgen over de door ODIHR geconstateerde tekortkomingen worden in algemene zin door de regering gedeeld. Tegelijkertijd concludeert ODIHR ook dat het Albanese verkiezingsproces aan de meeste OVSE normen heeft voldaan. Er is lof voor het werk van de centrale kiescommissie in Albanië, de kiezersregistratie en de relatieve rust waarmee de campagne werd gevoerd. De regering wil de punten die de orde zijn gesteld als volgt beantwoorden.

De regering is met de CDA fractie van mening dat het verzoek aan de Europese Commissie een avis te formuleren geen automatisme is. Ook bij het beoordelen van de vraag of de Commissie kan starten met het schrijven van een avis zal de potentiële kandidaat-lidstaat zorgvuldig langs de meetlat van de toetredingscriteria moeten worden gelegd. Het wekken van onterechte verwachtingen moet worden voorkomen en het geven van data voor vervolgstappen is dan ook zeker niet aan de orde. De voortgang die het land in kwestie boekt is en blijft leidend, conform ook de uitgangspunten in de aangescherpte uitbreidingsstrategie die de Europese Raad in december 2006 vaststelde.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de rol van Albanië in relatie tot de buurlanden, in het bijzonder Kosovo. Daarbij informeren zij naar de mate van samenwerking in de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, mensenhandel en terrorisme. Albanië heeft zich ontwikkeld van een land dat een risico vormde voor de regionale stabiliteit tot een land dat een stabiliserende invloed uitoefent op zijn buren (met name op etnisch Albanese groepen in Kosovo en Macedonië). Sinds april 2009 is het land NAVO-lid. Het draagt – mede in die hoedanigheid – bij aan de strijd tegen het internationale terrorisme. Albanië werkt voorts samen met zijn buurlanden (inclusief het aan de andere kant van de Adriatische zee gelegen Italië) aan het bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit, waaronder mensenhandel. De regionale verantwoordelijkheid waaraan de leden van de CDA-fractie refereren is vastgelegd in de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst (SAO), die de EU en Albanië in 2006 tekenden en die in 2009 in werking is getreden. Desgevraagd bevestigde de Europese Commissie voornemens te zijn aan dit thema expliciet aandacht te besteden in het avis. Hetzelfde geldt voor de door de leden van de CDA-fractie gesignaleerde kritiek op de financiering van politieke partijen.

Ten aanzien van de door minister-president Berisha geuite aankondiging eenzijdig de Euro te willen invoeren, is de regering van oordeel dat dit een te snel opgelaten proefballon is in reactie op de devaluatie van de Albanese Lek. Inmiddels heeft minister-president Berisha publiekelijk afstand genomen van zijn suggestie, nadat de directeur van de Albanese Centrale Bank had aangegeven dat het Albanese bancaire systeem hier nog niet voor is uitgerust.

Op de vraag van de leden van de fracties van de PvdA en de SP naar het krachtenveld in Brussel rond het verzoek aan de Commissie een avis op te stellen kan de regering meedelen dat 25 van de 27 lidstaten reeds in juli 2009 konden instemmen met het voorstel van het voorzitterschap om de Commissie te vragen te starten met het schrijven van het avis. Nederland en een andere lidstaat stelden dat besluitvorming in de Raad over de avis-aanvraag pas aan de orde kan zijn nadat een internationaal oordeel over het verloop van de parlementsverkiezingen in Albanië (die op 28 juni jl. plaatsvonden) beschikbaar zou zijn. Dat oordeel is op 14 september geveld door ODIHR. Daarmee is de weg vrijgemaakt voor een avis-aanvraag. Zoals de regering stelde tijdens het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer van 10 september hoeft het besluit van de Raad om de Commissie te vragen te starten met het avis niet per definitie te worden genomen door de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB), ofschoon Nederland er wel de voorkeur aan zou geven om het besluit door de RAZEB te laten nemen. Procedureel zou dit besluit ook kunnen worden genomen door een andere Raadsformatie. Het voorzitterschap heeft de besluitvorming voorlopig aangehouden en aangekondigd de kwestie nogmaals te willen agenderen in Coreper alvorens te besluiten over behandeling in Raadskader.

In antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de algemene appreciatie van de regering van het rapport van ODIHR diene het volgende: vastgesteld kan worden dat ODIHR tastbare vooruitgang heeft geconstateerd inzake kiezer-registratie, het juridische kader, het stemmen zelf, het tellen van de stemmen en het omgaan met geschillen naar aanleiding van de verkiezingen. ODIHR kwalificeert deze vooruitgang als «substantieel». Het verdient overigens vermelding dat de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa tot vergelijkbare conclusies is gekomen in haar verslag eind september. Zowel ODIHR als de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa stellen tegelijkertijd dat deze vooruitgang is overschaduwd door negatieve gebeurtenissen die hoofdzakelijk verband houden met de attitude van deelnemende politieke partijen. De regering vindt dit een zorgwekkende constatering. De regering is echter van oordeel dat deze constatering niet de conclusie kan rechtvaardigen dat de verkiezingen in Albanië per saldo een achteruitgang hebben ingehouden. Veeleer is sprake van een betreurenswaardige «gemiste kans» aan de buitenwereld te laten zien dat verkiezingen in Albanië in overeenstemming met de hoogste standaarden voor democratische verkiezingen gehouden kunnen worden. De nieuw aangetreden Albanese regering heeft laten weten zich bewust te zijn van de noodzaak de tekortkomingen aan te pakken. In haar avis zou de Commissie nader ingaan op de geconstateerde tekortkomingen en de Albanese reactie op de aanbevelingen in dit verband van ODIHR.

De leden van de VVD-fractie verwezen tevens naar specifieke tekortkomingen zoals genoemd in het rapport van ODIHR over de verkiezingen in Albanië. De regering ondersteunt dan ten volle de aanbevelingen die ODIHR naar aanleiding van deze verkiezingen aan de Albanese autoriteiten en andere groepen in de Albanese samenleving heeft gedaan. Nederland verwacht dat Albanië deze aanbevelingen ter harte neemt. Dit is immers in het belang van Albanië zelf, mede met het oog op de voorwaarden die zijn verbonden aan een succesvolle EU-toenadering. Daarnaast heeft Albanië de ambitie om in 2012 het voorzitterschap van de OVSE te vervullen. Nederland heeft een positieve grondhouding ten aanzien van deze ambities, maar acht het daarbij van belang dat Albanië de OVSE-standaarden, met inbegrip van eerlijke en vrije verkiezingen, naleeft. Minister Verhagen heeft en marge van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 24 september gesproken met zijn Albanese ambtgenoot Meta. Minister Verhagen onderstreepte bij die gelegenheid dat Albanië aan alle criteria voor toetreding moet voldoen en goede voorbeelden moet tonen van concrete vooruitgang. Minister Verhagen onderkende de vorderingen die Albanië de laatste jaren heeft geboekt op het gebied van rechtstaat en democratisering, maar stelde tegen minister Meta ook dat het ODIHR-rapport heeft aangetoond dat er nog ruimte is voor verbetering. Albanië heeft aan de meeste OVSE normen voldaan, doch Albanië is er nog niet in geslaagd aan de hoogste standaarden te voldoen. Minister Verhagen sprak de verwachting uit dat Albanië in de toekomst wel aan deze hoogste standaarden zal voldoen en stelde dat de EU en Nederland bereid zijn Albanië daarbij te assisteren.

De leden van de PVV-fractie zeggen van mening te zijn dat uitbreiding van de EU Nederland niet ten goede komt. Om deze reden hebben deze leden al eerder aangegeven op dit moment tegen eventuele toetreding van Albanië, dan wel ieder ander land, te zijn. De regering hecht eraan te memoreren dat Albanië bij de lancering in 1999 van het Stabilisatie- en Associatieproces een geconditioneerd EU-lidmaatschapsperspectief heeft gekregen. Dit perspectief is meerdere malen bevestigd, ondermeer in de Stabilisatie- en Associatieovereenkomst waaraan de Tweede en Eerste Kamer in oktober 2007 unaniem (dus inclusief de PVV fractie in de Tweede Kamer) hun goedkeuring hebben gegeven. Als Albanië aan alle toetredingscriteria voldoet, dan kan het lid worden van de Europese Unie. Maar op dit moment voldoet Albanië nog niet aan de criteria om lid te kunnen worden.

Het antwoord op de vraag van de leden van de PVV-fractie over het bestrijden van verkiezingsmanipulatie is gelijk aan het antwoord op de vragen van de leden van de VVD-fractie over de specifieke tekortkomingen die door ODIHR zijn geconstateerd: de regering ondersteunt ten volle de aanbevelingen die ODIHR terzake heeft gedaan en gaat ervan uit dat Albanie deze aanbevelingen ter harte neemt. Overigens hecht de regering eraan – gelet op het gebruik van het woord verkiezingsmanipulatie door de PVV-fractie – te benadrukken dat ODIHR deze verkiezingen heeft gekwalificeerd als in overeenstemming met de meeste OVSE-beginselen en zichtbare voortgang heeft geconstateerd in relatie tot eerdere verkiezingen.

De PVV-fractie vraagt voorts naar de aanpak van corruptie in Albanië in 2009. De regering is van mening dat Albanië voortgang heeft geboekt op het terrein van corruptiebestrijding. Het feit dat het land in de afgelopen jaren forse sprongen heeft gemaakt op de ranglijst van Transparency International bevestigt deze positieve trend. Albanië heeft een begin gemaakt met de implementatie van de anti-corruptie strategie en het actieplan die zijn opgesteld in overeenstemming met het Europees Partnerschapsdocument. Daarnaast is wetgeving aangenomen die de publieke aanbestedingsregels versterkt. Dit neemt niet weg dat corruptie een probleem blijft in Albanië. De Albanese autoriteiten zullen zich aanzienlijke inspanningen moeten getroosten teneinde corruptie te blijven bestrijden. Nederland zal, ook in EU-kader, streng blijven toezien op de bereikte voortgang terzake.

In reactie op de vraag van de leden van de PVV-fractie in hoeverre de Albanese samenleving klaar is voor eerlijke en democratische verkiezingen en hoe dit vraagstuk zich verhoudt tot het EU-toenaderingsproces van Albanië stelt de regering dat geconstateerd kan worden, dat de afgelopen verkiezingen weliswaar in overeenstemming zijn met de meeste OVSE-beginselen, maar nog niet aan de hoogste standaarden hebben voldaan. De regering stelt eveneens vast dat deze verkiezingen beter zijn verlopen dan voorgaande verkiezingen in het land. Er is dus sprake van vooruitgang. Wat de regering betreft moet Albanië inderdaad eerst aantoonbaar lering hebben getrokken uit het afgelopen verkiezingsproces. Het is echter naar het oordeel van de regering niet noodzakelijk dat dit gebeurt, voordat de Raad de Commissie verzoekt om een avis inzake de lidmaatschapsaanvraag van Albanië te formuleren. De regering brengt in dit verband, mede in reactie op de inbreng van de leden van de SP-fractie, in herinnering dat een verzoek aan de Commissie een advies uit te brengen over een lidmaatschapsaanvraag geenszins een onomkeerbare stap richting EU lidmaatschap impliceert. De Raad zal zich na publicatie van het avis beraden over eventuele vervolgstappen. Pas als de Raad unaniem van oordeel is dat vervolgstappen in de rede liggen, kan de status van kandidaat-lidstaat worden toegekend. De Raad besluit vervolgens bij eenparigheid van stemmen of en wanneer toetredingsonderhandelingen daadwerkelijk van start kunnen gaan. Het overgrote deel van de lidstaten beschouwt het verzoek van de Raad aan de Commissie om een avis dan ook louter als een technisch onderzoek van de Commissie dat uit dien hoofde met enkelvoudige meerderheid kan worden genomen. In tegenstelling tot de SP-fractie zien de Commissie en de meeste lidstaten het avis niet als een kwalitatief nieuwe stap in het toetredingstraject.

In antwoord op de vraag van PVV naar de haalbaarheid van de uitvoering van hervormingen merkt de regering op dat het politieke klimaat in Albanië nog immer vergaand gepolariseerd is. Dit is te betreuren, aangezien een gepolariseerd politiek klimaat doorgaans niet bijdraagt aan het tempo van de hervormingen. Het EU-voorzitterschap heeft op 17 september in een verklaring alle politieke partijen aangemoedigd om een constructieve politieke dialoog na te streven. Niettemin heeft Albanië in de afgelopen jaren – ondanks de politieke tegenstellingen – wel degelijk voortgang geboekt bij hervormingen die moeten leiden tot een democratisch bestel. Deze voortgang had evenwel nog groter kunnen zijn, indien persoonlijke tegenstellingen in de politiek waren overbrugd. De nieuwe coalitie die voor het eerst bestaat uit een coalitie van partijen op de rechtervleugel van het politieke spectrum (DP, Republikeinse Partij en PJI/Cham Partij) en een partij van de linkervleugel (SMI), heeft de wens geuit oude tegenstellingen terzijde te schuiven en samen te werken aan de integratie van Albanië in Europa.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Atsma (CDA), Van Bommel (SP), ondervoorzitter, Van der Staaij (SGP), Waalkens (PvdA), voorzitter, Ormel (CDA), Van Velzen (SP), Nicolaï (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Van Dijk (CDA), Blom (PvdA), Eijsink (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Jonker (CDA), Irrgang (SP), De Roon (PVV), Boekestijn (VVD), Pechtold (D66), Ten Broeke (VVD), Gill’ard (PvdA), van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) en Peters (GL).

Plv. leden: Jager (CDA), De Wit (SP), Van der Vlies (SGP), Vos (PvdA), Van Heugten (CDA), Lempens (SP), Snijder-Hazelhoff (VVD), Schermers (CDA), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Knops (CDA), Jacobi (PvdA), Samsom (PvdA), Kuiken (PvdA), Teeven (VVD), Spies (CDA), Roemer (SP), Wilders (PVV), Meeuwis (VVD), Van der Ham (D66), Van der Burg (VVD), Besselink (PvdA), Van Leeuwen (SP), Ouwehand (PvdD), Voordewind (CU) en Vendrik (GL).

XNoot
1

Zie Transparency International Corruption Index 2008.

XNoot
2

http://www.minbuza.nl/dsresource?objectid=buzabeheer:47334&versionid=&subobjectname=

Naar boven