23 974
Wijziging van de artikelen 650 en 651 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Arbeidstuchtrecht)

nr. 16
BRIEF HOUDENDE INTREKKING VAN HET WETSVOORSTEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 30 november 1995

Op 26 september 1995 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden van dit wetsvoorstel. Tijdens deze mondelinge behandeling bleek dat naar de mening van de Kamer het huidige recht bevredigend werkt en dat in de praktijk, in het bijzonder bij de nadere invulling van de wettelijke regeling in c.a.o.'s, niet van grote problemen is gebleken. Door de Kamer is in dit verband voorts gewezen op de samenhang met het wetsvoorstel tot vaststelling van een nieuwe titel voor het arbeidsovereenkomstenrecht als aanpassing aan de boeken 3, 5 en 6 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (wetsvoorstel 23 438). Deze benadering van het voorstel is voor mij en voor de Minister voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanleiding geweest uitstel voor nader beraad te vragen.

Ik kan u thans, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en tevens als antwoord op de door mevrouw Bijleveld-Schouten op 24 oktober jl. tijdens het ordedebat gestelde vraag als volgt berichten. De materie van de arbeidsrechtelijke boete wordt thans geregeld in de artikelen 1637u en 1637v van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek. Het hiervoor al genoemde wetsvoorstel 23 438 bevat een aanpassing van deze artikelen aan het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Dit laatste wetsvoorstel is thans gereed voor mondelinge behandeling door uw Kamer. Ik meen dan ook dat er geen bezwaar tegen bestaat, en ook de voorkeur verdient, dat een discussie over een wijziging van de regeling, die zoals zowel tijdens de schriftelijke als mondelinge behandeling is vastgesteld in de praktijk bevredigend functioneert, gevoerd wordt op basis van het voorstel tot wijziging van deze artikelen in laatstgenoemd wetsontwerp (23 438). Dat betekent tevens dat het onderhavige wetsvoorstel buiten behandeling kan blijven. Daartoe gemachtigd door de Koningin trek ik het voorstel van wet tot wijziging van de artikelen 650 en 651 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (23 974) derhalve hierbij in.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven