Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal1994-199523963 nr. 5

23 963
Intrekking van de Vestigingswet detailhandel en wijziging van de Drank- en Horecawet en van de Vestigingswet Bedrijven 1954

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 12 april 1995

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Uit het verslag van de vaste commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer leiden wij af dat de leden van de verschillende fracties over het algemeen positief staan tegenover de strekking van het voorliggende wetsvoorstel. Dit verheugt ons zeer, omdat mede door dit wetsvoorstel de weg wordt bereid voor het realiseren van een sober en daarmee sterk gedereguleerd vestigingsbeleid.

De leden van de fracties van VVD en CDA herinneren in dit verband aan de door hen betuigde instemming met de door het vorige kabinet reeds gepresenteerde voornemens ter modernisering van het vestigingsbeleid. De leden van de PvdA-fractie stemmen in zijn algemeenheid in met het intrekken van de Vestigingswet detailhandel en kunnen zich in beginsel eveneens verenigen met het opnemen van vestigingseisen in een te wijzigen Vestigingswet Bedrijven 1954. Evenals de leden van voornoemde fracties hebben de leden van de fracties van D66 en het GPV met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Wel hebben leden van de verschillende fracties nog een aantal vragen ten aanzien van de concrete uitwerking van dit wetsvoorstel. De leden van de SGP-fractie geven aan hun twijfels te hebben over de wijze waarop de vereenvoudiging van de vestigingseisen in dit wetsvoorstel concreet wordt uitgewerkt.

Ons inziens dient de concrete beantwoording van de in het verslag gestelde vragen te worden beschouwd in het perspectief van het geheel van maatregelen ter vereenvoudiging van de vestigingswetgeving. Die maatregelen dragen sterk bij aan het verwezenlijken van de doelstellingen van het nieuwe vestigingsbeleid: eenvoudiger toetreding tot de markt, betere marktwerking, grotere concurrentie en zoveel mogelijk administratieve lastenverlichting voor ondernemers. Met het oog daarop achten wij het van belang kort de hoofdlijnen te schetsen waarlangs de wijzigingen in het vestigingsbeleid worden uitgewerkt.

Over de beleidsvoornemens met betrekking tot de vestigingswetgeving is na langdurig overleg overeenstemming bereikt met de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties (RCO). Aan die voornemens is steun gegeven in het overleg op 17 maart 1993 met de vaste commissie voor het midden- en kleinbedrijf van de Tweede Kamer (kamerstukken II 1992/93, 22 964, nr. 3). Het voorliggende wetsvoorstel staat in dit verband niet op zich zelf maar vormt een noodzakelijke tussenstap voor de inhoudelijke modernisering van het vestigingsbeleid. Deze wordt in hoofdzaak uitgewerkt in een nieuw vestigingsbesluit dat zal zijn gebaseerd op de Vestigingswet Bedrijven 1954. Het nieuwe vestigingsbesluit vervangt alle 31 op basis van laatstgenoemde wet bestaande vestigingsbesluiten. In die besluiten zijn nu nog 84 verschillende vormen van bedrijfsuitoefening geregeld. Het nieuwe vestigingsbesluit zal tevens in de plaats komen van de 4 vestigingsregelingen die nu nog apart zijn opgenomen in de Vestigingswet detailhandel en in de Drank- en Horecawet voor het cafébedrijf, restaurantbedrijf en slijtersbedrijf. De drie verschillende wetten, waarin in totaal dus 88 vestigingsregelingen zijn vastgelegd, bevatten binnen het vestigingsbeleid ten dele uiteenlopende regelingen. Elk van die bestaande regelingen kent nog een afzonderlijke, zeer gedetailleerd geformuleerde bedrijfsomschrijving met talrijke uitzonderings- en samenhangsbepalingen. Kern van het voorliggende wetsvoorstel is dat de vestigingseisen in één wet worden geïntegreerd. Op de motieven hiervoor wordt uitgebreid ingegaan in paragraaf 3, waar de door verschillende fracties gestelde vragen worden beantwoord over de modernisering van de vestigingseisen voor het café-, restaurant- en slijtersbedrijf.

Het geheel van maatregelen ter vereenvoudiging van de verouderde vestigingswetgeving heeft een vergaande deregulering tot gevolg. Overeenkomstig het resultaat van het gevoerde overleg met de RCO en met de vaste commissie van de Tweede Kamer zal voor een aantal sectoren géén vestigingsregeling gelden omdat een dergelijke regeling daar niet (meer) nodig geacht wordt. De vestigingsregelingen die blijven bestaan worden samengevoegd in één overzichtelijk vestigingsbesluit. Daarin worden de vestigingseisen in vrijwel alle gevallen verlaagd. Bovendien vervallen daarin de ingewikkelde, gedetailleerde en daarmee moeilijk uitvoerbare bedrijfsomschrijvingen. Zij maken plaats voor eenvoudige omschrijvingen. Door het vervallen van vestigingsregelingen en het verlagen en actualiseren van vestigingseisen in vestigingsregelingen die blijven bestaan, worden voor (aspirant-)ondernemers de drempels voor toetreding tot de markt verlaagd. Ook worden vele schotten in de vestigingsregelingen verwijderd, door het afschaffen van de voor elke vorm van bedrijfsuitoefening verschillende eisen van vakbekwaamheid. Tevens worden de eisen van handelskennis voor veel bedrijfsuitoefeningen geüniformeerd. Een en ander betekent voor ondernemers een aanzienlijke vergroting van de mogelijkheid tot parallellisatie.

In de uitwerking van de afspraken over de modernisering wordt voor een brede categorie van bedrijfsuitoefeningen voorzien in uitsluitend eisen van algemene ondernemersvaardigheden. Voor 4 clusters van bedrijven wordt daarenboven voorzien in specifiek daarop afgestemde eisen van bedrijfstechniek. De eisen van algemene ondernemersvaardigheden en van bedrijfstechniek vervangen de verouderde eisen van handelskennis. Voor 3 sectoren zullen bovendien nog eisen van vaktechniek gelden. Deze strekken ter vervanging van de verouderde eisen van vakbekwaamheid. In totaal zullen dus slechts 8 verschillende vergunningen bestaan in plaats van de 88 verschillende vergunningen voor alle thans geregelde bedrijfsuitoefeningen. Met één zgn. clustervergunning kan een ondernemer binnen een cluster een scala aan bedrijfsuitoefeningen verrichten, zonder voor elke uitbreiding van het bedrijf opnieuw een diploma te moeten behalen of een nieuwe of tweede vergunning aan te moeten vragen.

Voorafgaand aan de fase van de modernisering van het vestigingsbeleid die vorm krijgt in het voorliggende wetsvoorstel en in het bovengenoemde nieuwe vestigingsbesluit, zijn overigens reeds twee andere onderdelen van de moderniseringsvoornemens gerealiseerd.

In 1993 is in alle bestaande vestigingsbesluiten op grond van de Vestigingswet Bedrijven 1954 het zogenaamde inrichtingsbegrip afgeschaft (Stb. 1993, 475). Daardoor is het mogelijk gemaakt dat een ondernemer kan volstaan met één vergunning voor zijn gehele onderneming, ongeacht het aantal filialen dat tot de onderneming behoort. Dit betekent reeds een wezenlijke lastenverlichting voor ondernemers.

Eveneens in 1993 is door middel van een tweetal ministeriële regelingen een aanzienlijke verlaging gerealiseerd van de voor rechtmatige bedrijfsuitoefening geldende ervaringseisen (Stcrt. 1993, 78 en 118). Daarmee is een toetredingsdrempel voor startende ondernemers verlaagd. De ervaringseisen zijn zoveel mogelijk gelijkgesteld aan de eisen van op dit gebied relevante EEG-richtlijnen.

Als sluitstuk van de modernisering van het vestigingsbeleid zal tenslotte de Vestigingswet Bedrijven 1954 worden herzien. In paragraaf 4 van deze nota gaan wij daarop nader in.

Tegen bovengeschetste achtergrond worden hieronder de meer specifieke vragen beantwoord die door leden van verschillende fracties zijn gesteld over de concrete uitwerking van het voorliggende wetsvoorstel.

Waaruit blijkt dat de administratieve lasten van de ondernemers worden verminderd, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De wijzigingen in de vestigingswetgeving hebben tot gevolg dat de administratieve lasten voor ondernemers in verschillende opzichten worden verminderd. Voor een groot aantal bedrijfsuitoefeningen zullen geen vestigingseisen meer gelden zodat daarvoor geen vergunning meer aangevraagd behoeft te worden. Door de afschaffing van het zogenaamde inrichtingsbegrip zijn voorts geen vergunningen meer vereist voor afzonderlijke filialen. Voor de meeste van de bedrijfsuitoefeningen die wel geregeld blijven zullen lagere vestigingseisen gelden, zodat een vergunning in die sectoren eenvoudiger verkregen wordt. Voor de desbetreffende bedrijfsuitoefeningen behoeft een ondernemer minder tijd en kosten te besteden aan de vereiste opleiding. Door het uniformeren van vestigingseisen voor clusters van bedrijven wordt bovendien de mogelijkheid tot parallellisatie vergroot. Het vrijwel geheel vervallen van vakbekwaamheidseisen betekent voor de vestigingswetgeving dat de aan de beheerdersfunctie te stellen eisen verdwijnen. Daardoor behoeven minder gegevens verschaft te worden voor het verkrijgen van een vergunning en zullen nauwelijks nog wijzigingen in die gegevens verwerkt behoeven te worden. Tenslotte zal, anders dan in de huidige situatie het geval is, voor alle bedrijfsuitoefeningen steeds de Kamer van Koophandel met de vergunningverlening belast zijn en zal uitsluitend de Sociaal-Economische Raad belast zijn met de afgifte van ontheffingen en met de afgifte van verklaringen die als bewijsstuk gelden voor het voldoen aan de vestigingseisen. Ook hiermee wordt aanzienlijk meer overzichtelijkheid gebracht in de uitvoeringspraktijk, waarin thans nog verschillende instanties zijn belast met de uitvoering van de vestigingswetgeving voor specifieke branches.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts of kan worden aangegeven hoeveel arbeidsplaatsen vrijkomen door het intrekken van het Besluit registratie vestigingsvergunningen en -ontheffingen 1990.

Zoals in paragraaf 4 van de memorie van toelichting is aangegeven wordt vanwege de herschikking van de wetgeving o.a. het Besluit registratie vestigingsvergunningen- en -ontheffingen opnieuw vastgesteld. Het nieuwe besluit zal inhoudelijk niet wezenlijk afwijken van het huidige besluit. De registratie van vergunningen en ontheffingen blijft als zodanig dan ook bestaan, zodat hier geen sprake is van het vrijkomen van arbeidsplaatsen.

De leden van de GPV-fractie vragen of de beoogde intrekking van de Vestigingswet detailhandel in een aantal specifieke gevallen niet ten koste gaat van een verhoogd risico voor de volksgezondheid. Daarbij denken zij bijvoorbeeld aan eisen die gesteld zouden kunnen worden aan contactlensspecialisten en opticiens. Deze leden vragen of het geen aanbeveling verdient om voor deze beroepen vaktechnische eisen te blijven stellen totdat in de loop van 1996 duidelijkheid zal kunnen worden geboden over de vraag of deze beroepen binnen het kader van de Wet op de beroepen individuele gezondheidszorg (BIG) zullen vallen.

In antwoord op deze vragen merken wij allereerst op dat de intrekking van de Vestigingswet detailhandel verband houdt met het voornemen de vestigingseisen voor de detailhandel onder de werkingssfeer te brengen van de Vestigingswet Bedrijven 1954. Het is dus niet zo dat geen vestigingseisen meer zullen gelden voor de detailhandel, ook wanneer die gepaard gaat met de bedrijfsuitoefening van de door de leden van de GPV-fractie genoemde contactlensspecialisten en opticiens.

Het verdient naar ons oordeel geen aanbeveling in de vestigingswetgeving vaktechnische eisen voor genoemde bedrijfsuitoefeningen te stellen in verband met het door deze leden veronderstelde risico voor de volksgezondheid. De Vestigingswet Bedrijven 1954 is qua doelstelling evenmin als wat betreft systematiek geschikt voor het stellen van eisen ter bescherming van de volksgezondheid. Deze wet beoogt immers de kwaliteit van het ondernemerschap te vergroten en dus zijn de daarin opgenomen eisen uitsluitend gericht op het waarborgen van die kwaliteit. Belangen met het oog op bijvoorbeeld de volksgezondheid of de bescherming van consumenten kunnen derhalve in dat wettelijk kader geen bescherming vinden. Vanuit deze principiële invalshoek verdient het naar onze mening geen aanbeveling om in afwachting van verdere ontwikkelingen in het kader van de wet BIG vaktechnische eisen te stellen.

Ten algemene geldt in dit verband dat de bescherming van specifieke belangen in verband met de volksgezondheid plaats zal kunnen vinden binnen een daarop specifiek gericht wettelijk kader. De te wijzigen Drank-en Horecawet vormt bijvoorbeeld een uitwerking van het stellen van specifieke volksgezondheidseisen. Zo wordt door middel van het voorliggende wetsvoorstel voorzien in het stellen van eisen van sociale hygiëne op basis van de Drank- en Horecawet.

In de afschaffing van vakbekwaamheidseisen in de vestigingswetgeving is overigens geen aanleiding gevonden over te gaan tot het opstellen van specifiek beschermende regelgeving. Dit houdt verband met het feit dat relevante algemene belangen van volksgezondheid of van consumentenbescherming reeds voldoende worden beschermd door andere regels dan vestigingsregels. Met name gaat een belangrijke preventieve werking uit van de wetgeving en jurisprudentie met betrekking tot civielrechtelijke produktaansprakelijkheid. Ook wordt wat betreft die andere regels gewezen op de krachtens de Warenwet geldende voorschriften. Voorts bood de vestigingswetgeving in de praktijk – overeenkomstig het hiervoor geschetste karakter van die wetgeving – ook geen betekenisvolle bescherming voor bovengenoemde belangen. Mede daardoor is er geen grond voor het oordeel dat sprake zou zijn van een wezenlijke lacune in de bescherming van volksgezondheidsbelangen door het vervallen van vakbekwaamheidseisen in de vestigingswetgeving.

2. Modernisering vestigingseisen voor de detailhandel

De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering de in de vorm van zogenaamde vliegende winkels uitgeoefende vorm van bedrijvigheid beoordeelt. Zij wijzen daarbij op al of niet gefingeerde faillissementsverkopingen die plaatsvinden in daartoe afgehuurde horecaruimten. Deelt de regering de opvatting van vertegenwoordigers uit de detailhandel dat hier sprake is van oneerlijke concurrentie, zo vragen deze leden. Verder vragen zij een oordeel over het gegeven dat de consumentenbescherming wordt uitgehold door vliegende winkels. Is het waar, zo vragen zij, dat de activiteiten van vliegende winkels de laatste jaren sterk zijn toegenomen?

Het verschijnsel van zogenaamde vliegende winkels is een vorm van detailhandel die in de praktijk steeds meer voorkomt. Dit heeft echter niets van doen met de modernisering van de vestigingswetgeving, aangezien de ondernemers die op een dergelijke wijze werken vanuit vestigingswettelijke optiek onder hetzelfde regime vallen als ondernemers die over een vaste vestiging beschikken (sedentaire detailhandel). In dit wetsvoorstel is het regime voor beide categorieën eveneens hetzelfde. Op grond van de Drank- en Horecawet is het verboden detailhandel uit te oefenen in een horecagelegenheid waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Van dit verbod kan op basis van die wet echter ontheffing worden verleend. Vanuit het perspectief van de Drank- en Horecawet vinden verkopingen via zogenaamde vliegende winkels in afgehuurde horecaruimten alleen plaats, indien de desbetreffende activiteit zodanig is georganiseerd dat daarin voor het publiek geen aanleiding kan zijn gelegen in verleiding te komen om alcoholhoudende drank te consumeren. De verkoopruimten alsmede de ruimten bestemd voor de doorloop van het publiek behoren alcoholvrij te blijven. Indien niet aan dergelijke voorwaarden is voldaan of kan worden voldaan, verleent de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geen ontheffing van het algemene verbod dat in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet geen kleinhandel in andere goederen dan drank mag plaatsvinden. In het kader van het beleid inzake ontheffingen als bedoeld in artikel 44 van de Drank- en Horecawet is er – gelet op de tekst van de wet – geen ruimte om het plaatselijke voorzieningenniveau in de overwegingen te betrekken. De afweging kan uitsluitend plaatsvinden in het licht van het hiervoor bedoelde verleidingsmotief. Een aanvraag om een ontheffing kan dus niet worden geweigerd uit overwegingen, ontleend aan concurrentiebeleid. «Vliegende winkels» kunnen onder omstandigheden leiden tot een beperkte vermindering van consumentenbescherming, doordat in sommige gevallen de verkoper achteraf niet eenvoudig te traceren is. Daarbij moet echter worden aangetekend dat het consumenten doorgaans vooraf duidelijk zal zijn dat het om een zogenaamde vliegende winkel gaat. Verder geldt ook met betrekking tot een dergelijke bedrijfsuitoefening onverkort de verplichting om over een vestigingsvergunning voor de detailhandel te beschikken. Indien een ondernemer in het bezit is van die vergunning, is er vanuit de vestigingswetgeving bezien geen belemmering om de detailhandel, waar dan ook, uit te oefenen.

3. Modernisering vestigingseisen horecabedrijf

De leden van de PvdA-fractie geven aan er vooralsnog niet geheel van overtuigd te zijn dat de vestigingseisen voor het cafébedrijf, restaurantbedrijf en het slijtersbedrijf in twee afzonderlijke wetten geregeld moeten worden. Deze leden vragen de regering de mogelijkheid van één wet aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Zij wijzen er daarbij op dat een startende ondernemer gediend is met een zo eenvoudig mogelijke regeling, dat deregulering en vermindering van administratieve lastendruk zeker ook moeten gelden voor de nieuwe vestigingswetgeving, en dat met het opnemen van vestigingseisen in één wet een samenhangende benadering met de droge horeca beter tot haar recht kan komen. De leden van de VVD-fractie lijkt het op het eerste gezicht vreemd dat de vergunning voor de vestiging van een horecabedrijf of slijtersbedrijf bij twee loketten moet worden aangevraagd. Zij vernemen graag in hoeverre kan worden ingegaan op de wensen van het Overlegplatform Drank- en Horecawet, dat ervoor pleit de vestigingseisen en de zedelijkheidseisen in één wet onder te brengen. Ervan uitgaande dat drank- en horecazaken niet onder het zogenaamde basisbedrijf vallen en voor die zaken dit wetsvoorstel dus niet geldt, vragen de leden van de D66-fractie of de regering het niet eenvoudiger en doelmatiger vindt deze bedrijven apart te regelen in de (blijvend) bestaande Drank- en Horecawet. Daarbij wijzen zij erop dat sancties toch per artikel in de Drank- en Horecawet gedifferentieerd zouden kunnen worden. De leden van de SGP-fractie achten het neerleggen van vestigingseisen in twee afzonderlijke wetten vanuit het oogpunt van vereenvoudiging van wetgeving bepaald geen fraaie constructie. Het is deze leden volstrekt onduidelijk, hoe de regering tot het oordeel kan komen dat de splitsing in twee vergunningen slechts op het eerste gezicht omslachtig lijkt, doch nauwelijks een lastenverzwaring betekent voor de ondernemer. Zij vragen waarom geen aansluiting is gezocht bij de bestaande procedure, waarin de gemeente als vergunningverlenend gezag verplicht is de Kamer van Koophandel om advies te vragen. Ook de leden van de GPV-fractie geven aan, een regeling waarbij gewerkt wordt met twee vergunningen, omslachtig te vinden.

Het voorgaande samenvattend, komt het de leden van de verschillende fracties merkwaardig voor dat de vestigingseisen en de volksgezondheidseisen voor het café- en restaurantbedrijf en het slijtersbedrijf gespreid worden over twee wetten en dat een horeca-ondernemer of slijter twee vergunningen moet aanvragen.

In reactie op het voorgaande wijzen wij er allereerst op dat voor een helder begrip onderscheid dient te worden gemaakt tussen de verschillende eisen die thans in de Drank- en Horecawet zijn vastgelegd. Deze wet bevat namelijk zowel volksgezondheidseisen als vestigingseisen. Waar de leden van de PvdA-fractie aangeven er nog niet geheel van overtuigd te zijn dat de vestigingseisen voor het cafébedrijf, restaurantbedrijf en slijtersbedrijf in twee afzonderlijke wetten geregeld moeten worden, wordt door hen kennelijk gedoeld op de vestigingseisen enerzijds èn op de volksgezondheidseisen anderzijds. In het voorliggende wetsvoorstel staat immers juist centraal dat de vestigingseisen in één vestigingswet geïntegreerd worden, te weten de voor alle overige bedrijfsuitoefeningen reeds geldende Vestigingswet Bedrijven 1954. Onder het begrip vestigingseisen in de zin van de sociaal-economische vestigingswetgeving worden alleen verstaan de eisen van handelskennis en van vakbekwaamheid, zoals die thans nog voor 84 bedrijfsuitoefeningen zijn opgenomen in de Vestigingswet Bedrijven 1954, voor de detailhandel in de Vestigingswet detailhandel en voor horecabedrijven en slijters in de Drank- en Horecawet. De keuze om de vestigingseisen van de Drank- en Horecawet af te splitsen en – evenals de vestigingseisen voor de detailhandel – onder de werkingssfeer van Vestigingswet Bedrijven 1954 te brengen, is ingegeven door verschillende motieven.

Vanuit het oogpunt van eenvoud en effectiviteit van regelgeving is het wenselijk de voor veel bedrijfsuitoefeningen gelijkluidende nieuwe vestigingseisen niet in onderling afwijkende regelingen maar in één algemene vestigingswet te regelen. Op die wijze kan de grootst mogelijke parallellisatievrijheid voor ondernemers doelmatig gerealiseerd worden. Ook het cafébedrijf, restaurantbedrijf, slijtersbedrijf en de detailhandel zijn ingedeeld in de gezamenlijke categorie van bedrijfsuitoefeningen waarvoor alleen eisen van algemene ondernemersvaardigheden zullen gelden. Daarmee vallen al deze bedrijfsuitoefeningen in de categorie van bedrijven waarvoor door de Kamer van Koophandel één vestigingsvergunning per onderneming (niet per inrichting) zal worden verleend, indien aan de desbetreffende eisen is voldaan.

Een duidelijke organisatie van de uitvoering van de vestigingswetgeving wordt eveneens bevorderd met de integratie van de vestigingseisen in één vestigingswet. Anders dan de verbrokkelde uitvoeringsorganisatie onder de huidige regelgeving, zal volgens het voorliggende voorstel de Kamer van Koophandel voor alle bedrijfsuitoefeningen belast zijn met de uitvoering van de vestigingswetgeving. Dat geldt dus ook voor de nu nog uitgezonderde horecabedrijven en slijters. Een belangrijke overweging hiervoor is dat de Kamer van Koophandel, gelet op de bestaande kennis en ervaring, bij uitstek geschikt is te toetsen of een ondernemer voldoet aan de desbetreffende vestigingseisen.

Vanuit andere perspectieven, zoals bijvoorbeeld die van volksgezondheid of milieubescherming, zullen de voor bepaalde bedrijfsuitoefeningen per inrichting te stellen eisen moeten worden opgenomen in daarop toegesneden specifieke regels. Zo zijn met het oog op de belangen van volksgezondheid en milieubescherming voor in casu de horecabedrijven reeds eisen gesteld op grond van de Drank- en Horecawet respectievelijk de Wet milieubeheer en het daarop gebaseerde Besluit horecabedrijven milieubeheer. De gemoderniseerde vestigingswetgeving biedt voor dergelijke eisen geen plaats, gelet op de doelstelling en systematiek van deze wetgeving. Cruciaal hierbij is eveneens dat de nieuwe vestigingswetgeving slechts eisen per onderneming (niet per inrichting) stelt, terwijl de Drank- en Horecawet juist eisen per inrichting stelt.

Het uiteenlopende karakter en de afwijkende doelstellingen van enerzijds de vestigingseisen en anderzijds de volksgezondheidseisen vormen voorts een belangrijke overweging voor het integreren van de vestigingseisen in één vestigingswet. Er bestaat een essentieel verschil tussen de persoon aan wie de vestigingseisen gesteld worden en de persoon aan wie de volksgezondheidseisen gesteld worden. Ingevolge de nieuwe vestigingswetgeving worden vestigingseisen nog alleen gesteld aan de bedrijfsleider op ondernemingsniveau, dus aan degene die algemene leiding geeft aan de onderneming. De volksgezondheidseisen blijven daarentegen op grond van de Drank- en Horecawet onverminderd van kracht voor elke bedrijfsleider of beheerder in een afzonderlijke inrichting. Deze fundamentele verschillen zijn nadrukkelijk naar voren gekomen door het gewijzigde vestigingsbeleid. Daaraan kan het meest eenvoudig en helder recht worden gedaan door de eisen uitsluitend te regelen in de daarop toegesneden wetgeving, in casu de Vestigingswet Bedrijven 1954 en de Drank- en Horecawet.

Van belang in dit verband is voorts dat er op grond van de Drank- en Horecawet ook nu geen sprake is van één loket voor het indienen van aanvragen om beschikkingen op grond van de Drank- en Horecawet. Indien horeca-ondernemers en slijters niet beschikken over de aangewezen vestigingsdiploma's, zijn zij onder de huidige Drank- en Horecawet reeds verplicht bij de Kamer van Koophandel aanvragen in te dienen om een ontheffing van de vestigingseisen en om een verklaring van handelskennis of van vakbekwaamheid. Ter illustratie dient in dit verband dat in de praktijk in ongeveer 25% van alle gevallen via de Kamer van Koophandel een ontheffing of verklaring aangevraagd dient te worden. Ook in dit opzicht is de huidige uitvoeringspraktijk ingewikkeld. Bovendien moeten gemeenten eerst altijd de Kamer van Koophandel om advies vragen over handelskennis en vakbekwaamheid, alvorens een vergunning kan worden verleend. De integratie van de vestigingseisen in de Vestigingswet Bedrijven 1954 zorgt voor een vereenvoudiging van de bestaande ingewikkelde uitvoeringspraktijk. Ingevolge dit wetsvoorstel zal steeds de Kamer van Koophandel zijn aangewezen voor het aanvragen van alle beschikkingen in verband met de vestigingseisen en zal de vertragende adviesverplichting komen te vervallen. Daarmee wordt de uitzondering die op dit punt voor de horeca en slijters bestaat, recht getrokken.

Op zichzelf is overigens de procedure bij de Kamer van Koophandel voor de behandeling van aanvragen om vestigingsvergunningen bijzonder eenvoudig. Voor de nieuwe vestigingswetgeving is namelijk noch het uitbreiden van een onderneming met filialen noch het in dienst nemen van een nieuwe beheerder relevant. De ondernemer hoeft in de genoemde situaties geen nieuwe vestigingsvergunning voor het basisbedrijf aan te vragen omdat de bestaande vergunning van kracht blijft. Dit geldt niet voor de Drank- en Horecawet: voor een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet is een afzonderlijke vergunning op grond van die wet vereist. Daarenboven wordt het aanvragen van de gemeentelijke vergunning per inrichting echter wel eenvoudiger en wellicht sneller, omdat in het kader van de Drank- en Horecawet de advisering door de Kamers van Koophandel aan de gemeenten niet langer aan de orde is. Voor de onderneming met filialen – hierbij valt ook te denken aan slijterijketens – werkt het sneller omdat veranderingen in het beheer per filiaal geen nieuwe toets aan de vestigingseisen inhoudt, zoals thans nog wel het geval is in het kader van de gemeentelijke vergunningverlening.

Als bijkomend voordeel van het onder de Vestigingswet Bedrijven 1954 brengen van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf zien wij voorts de mogelijkheid die ontstaat om een landelijk dekkende registratie van vestigingsvergunningen en -ontheffingen bij de Kamer van Koophandel te realiseren. De vergunningen en de ontheffingen van handelskennis en vakbekwaamheid die op basis van de huidige Drank-en Horecawet worden afgegeven, worden nu niet verplicht in het register van de Kamer van Koophandel opgenomen. Het is met het oog op bijvoorbeeld het civielrechtelijke groepsactierecht echter van groot belang dat burgers en maatschappelijke organisaties op eenvoudige en goedkope manier een volledig en openbaar register betreffende vestigingsbevoegdheden kunnen raadplegen.

Van belang is ten slotte dat de afsplitsing van de vestigingseisen van de Drank- en Horecawet en de integratie van die eisen in de Vestigingswet Bedrijven 1954 geen enkele consequentie heeft voor alle reeds geldende vergunningen en ontheffingen op basis van de Drank- en Horecawet. Deze worden op grond van het overgangsrecht automatisch (mede) beschouwd als vergunningen respectievelijk ontheffingen ingevolge de Vestigingswet Bedrijven 1954.

Het voorgaande samenvattend, zien wij met name de volgende argumenten voor het concentreren van de vestigingseisen in de Vestigingswet Bedrijven 1954:

– overzichtelijke en eenvoudige regeling van nieuwe vestigingseisen waaraan één brede vestigingsvergunning is gekoppeld, die mogelijkheden tot parallelliseren biedt;

– verschillend toepassingsbereik van enerzijds vestigingseisen (per onderneming, bedrijfsleider) en anderzijds volksgezondheidseisen (per inrichting, bedrijfsleider, beheerder);

– efficiënte uitvoeringsorganisatie voor vestigingswetgeving, waarbij de Kamer van Koophandel is aangewezen als instantie waar niet alleen aanvragen om ontheffing van vestigingseisen en aanvragen om een verklaring van handelskennis of van vakbekwaamheid moeten worden ingediend, maar ook aanvragen om een vestigingsvergunning.

Met de leden van de verschillende fracties zijn wij het volledig eens dat een ondernemer zoveel mogelijk ontzien moet worden bij het opleggen van wettelijke verplichtingen die de ondernemingsmogelijkheden beperken. Evenmin moet een ondernemer dus belast worden met onnodige procedures. De hierna volgende uiteenzetting heeft dan ook mede betrekking op de stelling van de leden van de SGP-fractie en de GPV-fractie dat zij de voorgestelde regeling omslachtig vinden. Eveneens gaan wij in op de in dit verband door de leden van de PvdA-fractie gestelde vraag bij welke instelling – gemeente of Kamer van Koophandel – de verzoeken om een vestigingsvergunning en een Drank- en Horecawetvergunning moeten worden ingediend. Op het punt van samenwerking van gemeente en Kamer van Koophandel vragen deze leden verder of de regering kan aangeven in hoeverre de redenering over die samenwerking gevolgen kan hebben voor andere sectoren. De leden van de D66-fractie vragen welke concrete maatregel de regering voor ogen staat om de één-loket-gedachte ook bij de Drank- en Horecawetvergunning in te voeren indien met twee vergunningen moet worden gewerkt.

Wij zijn van oordeel dat een heldere regeling van de aanvraagprocedures voor de vestigingsvergunning en de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet het meest eenvoudig wordt bereikt door het feitelijk reeds bestaande twee loketten-stelsel te vereenvoudigen. Zoals hiervoor reeds is aangegeven, vormt de Kamer van Koophandel voor verschillende aangelegenheden immers ook nu al het aangewezen loket voor horeca-ondernemers en slijters. Niet alleen is de Kamer van Koophandel voor die ondernemers al de aangewezen uitvoeringsinstantie wat betreft de inschrijving in het handelsregister, maar ook als het gaat om het indienen van aanvragen om een ontheffing van de vestigingseisen, om een verklaring van handelskennis en om een verklaring van vakbekwaamheid. Gegeven dit feitelijk reeds bestaande twee loketten-stelsel en de daarnaast in alle gevallen geldende adviesverplichting, is het voor de uitvoering van de gewijzigde vestigingswetgeving doelmatiger indien de procedure om zowel een vestigingsvergunning als een ontheffing of een verklaring te krijgen, bij de Kamer van Koophandel wordt geconcentreerd. Uitgangspunt is dat de Kamer van Koophandel voor alle ondernemers – dus óók voor de nu nog uitgezonderde horeca-ondernemers en slijters – dient als uitvoeringsinstantie voor aangelegenheden met betrekking tot de vestigingswetgeving. Indien een ondernemer een horecabedrijf, een slijterij of een filiaal start is hij – zoals gezegd – toch al verplicht zich bij de Kamer van Koophandel te melden om zijn onderneming in het handelsregister te laten inschrijven. In dat geval kan hij tegelijk zijn aanvraag(-gegevens) indienen voor een vestigingsvergunning. Omdat wijzigingen ten aanzien van de beheerder of de inrichting niet meer relevant zijn voor de vestigingsvergunning, zal een ondernemer zich niet vaak opnieuw tot de Kamer van Koophandel behoeven te wenden voor een vernieuwing van zijn vestigingsvergunning. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt blijven deze wijzigingen wel van belang voor gemeentelijke Drank- en Horecawetvergunningen. Een en ander maakt duidelijk dat de wijziging die voor de ondernemer optreedt door de splitsing van de vestigingseisen en de volksgezondheidseisen, niet als ingrijpend of omslachtig aan te merken is. De keus voor gelijkgeschakelde procedures bij de gemeente en de Kamer van Koophandel wordt voorts ingegeven door de bezwaren die kleven aan het bij één loket indienen van aanvragen van vergunningen waarop verschillende instanties beslissen. Zo'n procedurele variant is door ons nadrukkelijk ook bezien. Een daaraan verbonden nadeel is echter dat de aanvraag waarop wordt beslist door de instantie waar die aanvraag niet is ingediend, telkens doorgestuurd moet worden door de andere instantie. In een dergelijke procedure zou de besluitvorming over de afgifte van de twee vergunningen onvermijdelijk achter elkaar geschakeld zijn. In de praktijk betekent dit dat een aanvrager langer moet wachten op de benodigde toestemmingen. Dit zou overigens betekenen dat afgeweken wordt van het in de Algemene wet bestuursrecht vastgelegde beginsel dat aanvragen worden ingediend bij het orgaan dat bevoegd is daarop te beslissen. Een bezwaar daartegen is ook dat onnodige uitvoeringslasten zouden ontstaan, doordat meer administratieve handelingen zijn gemoeid met de afhandeling van aanvragen. De genoemde bezwaren zullen in beginsel ook gelden voor andere sectoren, indien verschillende uitvoeringsinstanties onderling van elkaar afhankelijk zijn doordat benodigde besluiten achter elkaar geschakeld zijn.

Als wijze van eenvoudige en snelle afhandeling van aanvragen verdient het ons inziens derhalve de voorkeur indien de bij de gemeente en bij de Kamer van Koophandel in te dienen aanvragen om een Drank- en Horecawetvergunning respectievelijk een vestigingsvergunning gelijktijdig worden behandeld.

Voor zover een (aspirant-)horeca-ondernemer of slijter in de aanvangsfase overigens nog niet vertrouwd is met de gewijzigde procedure en deze zijn aanvraag van een vestigingsvergunning indient bij het gemeenteloket, dient de gemeente de aanvraag van de vestigingsvergunning onverwijld door te zenden naar de tot afgifte van die vergunning bevoegde Kamer van Koophandel. De gemeente is daartoe verplicht krachtens de Algemene wet bestuursrecht. Het is echter in het belang van aanvragers dat hun verzoeken zo spoedig mogelijk afgehandeld worden. Door aanvragen bij de daarvoor aangewezen instantie in te dienen kunnen aanvragers dit eigen belang uiteraard het best dienen. Tenslotte geldt ook hier dat de gewijzigde procedure geen enkele consequentie heeft voor alle reeds geldende vergunningen en ontheffingen op grond van de Drank- en Horecawet, omdat deze krachtens overgangsrecht ook in de nieuwe situatie hun geldigheid behouden.

Anders dan de leden van de D66-fractie veronderstellen vallen horecabedrijven en slijters wèl onder het zgn. basisbedrijf in de zin van de vestigingswetgeving, omdat voor die bedrijven krachtens deze wetgeving alleen eisen van algemene ondernemersvaardigheden gelden en geen eisen van bedrijfstechniek of van vaktechniek. Gelet op de hiervoor reeds uiteengezette argumenten achten wij het doelmatig de voor veel bedrijven gelijkluidende vestigingseisen te regelen binnen één wettelijk kader. Zoals deze leden aangeven zouden bij blijvende regeling van de vestigingseisen binnen de Drank- en Horecawet, de sancties kunnen worden gedifferentieerd naar gelang het betreft de verschillende eisen. Daarmee zou echter de onwenselijke situatie blijven bestaan waarin de uniforme vestigingseisen geregeld zijn binnen verschillende wettelijke regelingen met alle gevolgen – zoals hiervoor aangegeven – van dien. Bovendien zouden dan de vestigingseisen voor horecabedrijven en slijters geregeld blijven binnen de hiervoor minder passende doelstelling en systematiek van de Drank- en Horecawet.

In antwoord op de vraag van de leden van de SGP-fractie waarom geen aansluiting is gezocht bij de huidige verplichte adviesprocedure die voor gemeenten geldt bij de toetsing aan de vestigingseisen, wijzen wij allereerst op hetgeen hiervoor is aangegeven omtrent de onwenselijkheid van toetsing van gelijkluidende vestigingseisen door verschillende uitvoeringsinstanties en gerechtelijke instanties. Bovendien vergt deze procedure veel tijd. Voor het uitbrengen van advies aan de gemeente geldt namelijk een minimum-termijn van zes weken. Het tijdsverloop dat aldus gemoeid is met de volgtijdelijke bemoeienis van twee instanties met één vergunning is voor aanvragers van vergunningen uiteraard nadelig.

Voor het in één wet opnemen van volksgezondheidseisen en vestigingseisen is door de leden van de PvdA-fractie als bijkomend argument naar voren gebracht dat daardoor een samenhangende benadering met de droge horeca beter tot haar recht kan komen.

Wij kunnen deze stelling niet onderschrijven. Omdat de droge horeca in de besluitvorming over de vereenvoudiging van de vestigingseisen gerangschikt is als een niet complex bedrijf, worden aan de droge horeca vanuit de vestigingswetgeving geen eisen gesteld. Dit betekent dat het al dan niet in de Drank- en Horecawet regelen van de vestigingseisen niet relevant is voor de bedoelde samenhangende benadering van de droge horeca. De Drank- en Horecawet regelt de bedrijfsmatige verstrekking van alcoholhoudende drank. De droge horeca valt derhalve niet onder het vergunningstelsel van deze wet. Zodoende is het materieel natuurlijk wel zo dat de Drank- en Horecawet een verbod op alcoholverstrekking in de droge horeca tot gevolg heeft. Overigens is het in het kader van het alcoholmatigingsbeleid ook noodzakelijk het onderscheid tussen de droge en de natte horeca te handhaven. Gelet op de systematiek van de Drank- en Horecawet zou het laten vervallen van dit onderscheid immers tot gevolg hebben dat cafetaria's, ijssalons, tea-rooms en coffeeshops op dezelfde wijze behandeld zouden moeten worden als horeca-ondernemingen waar bier wordt getapt of wijn of gedistilleerd wordt verstrekt. Mede vanuit de optiek van de jeugdbescherming, openbare orde, verkeersveiligheid en criminaliteitspreventie zou dit ongewenst zijn.

Met betrekking tot de door de leden van de PvdA-fractie opgeworpen vragen over de wenselijkheid en mogelijkheid om de «natte» en de «droge» horeca onder één regeling te brengen, merken wij bovendien nog het volgende op. Zoals bekend wordt gewerkt aan een integrale wijziging van de Drank- en Horecawet. Voor het laatst bij brief van 26 oktober 1993 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aan de Tweede Kamer mededeling gedaan van de voortgang van het wetgevingstraject terzake. Wij menen dat de fundamentele vraag of er één integrale regeling voor de «natte» en de «droge» horeca dient te komen, bij gelegenheid van de voorbereiding en discussie omtrent dat wetsvoorstel dient te worden beantwoord. Wij zullen bij het opstellen van het wetsvoorstel over dit punt in ieder geval ook opnieuw overleg voeren met het Overlegplatform Drank- en Horecawet van de alcoholbranche, nu immers van daaruit ook de vraag om een dergelijke integrale regeling is gekomen.

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts of de regering hun visie deelt dat de drugs- en gokverslavingsproblematiek waarmee de «droge» horeca geconfronteerd wordt, het stellen van vestigingseisen betreffende volksgezondheid rechtvaardigt. Zij vragen tevens of de regering bereid is hierover overleg te voeren met de Bond van coffeeshophouders. Deze leden vragen verder of de regering op de hoogte is van de zgn. AHOJG-criteria, zoals gesteld door de gezamenlijke Procureurs-Generaal van het Ministerie van Justitie.

Voor de oplossing van de drugs- en gokverslavingsproblematiek is het stellen van eisen van algemene ondernemersvaardigheden aan de droge horeca niet geschikt omdat deze eisen worden gesteld vanuit een heel andere doelstelling en derhalve niet gericht zijn op de genoemde problematiek. Met betrekking tot de gokverslavingsproblematiek heeft de Tweede Kamer eind 1994 een motie aangenomen waarin de regering is verzocht te bevorderen dat in de loop van 1996 (uiterlijk 1 juli 1996) voor de laagdrempelige horeca – dat is mede de droge horeca – de zogenaamde nul-optie (geen enkele kansspelautomaat) zal worden ingevoerd. De daartoe strekkende regelgeving zal worden voorbereid nu het advies van de Commissie kansspelautomaten onder voorzitterschap van de heer E.H.T.M. Nijpels onlangs aan het kabinet is aangeboden.

Met betrekking tot de aanpak van de drugsproblematiek mogen wij verwijzen naar de nota over het drugbeleid die de regering vóór de zomer aan de Tweede Kamer zal aanbieden. Zoals de Minister van Justitie en de tweede ondergetekende in de brief aan de Tweede Kamer van 31 januari 1995 (kamerstukken II 1994/95, 24 077, nr. 1) meedeelden, is nadere regulering van het softdrugsbeleid één van de beleidsopties die op hun consequenties worden beoordeeld. Als de uitkomsten van deze beoordeling en het daarop volgend debat in de Tweede Kamer daartoe aanleiding geven, is de regering zonodig en desgewenst bereid hierover overleg te voeren met de belanghebbenden.

Vooruitlopend hierop moet nog het volgende worden benadrukt. Als er in de droge horeca of in inrichtingen in de zin van de Drank- en Horecawet (klein-)handel in hard drugs plaatsvindt, beschikken gemeente, politie en Openbaar Ministerie over instrumenten en bevoegdheden om adequaat op te treden. In die gevallen waar (klein-)handel in soft drugs geschiedt in inrichtingen in de zin van de Drank- en Horecawet kan het bevoegd gezag hieraan eveneens een eind maken, onder meer op grond van artikel 11 van de Drank- en Horecawet. Het gedoogbeleid ten aanzien van de (klein-)handel in soft drugs in coffeeshops, zijnde een tot de droge horeca gerekende gelegenheid, mag overigens niet betekenen dat aldaar het verstrekken van alcoholhoudende drank is toegestaan. Bovendien dienen gokkasten te verdwijnen uit de coffeeshops, hetgeen zal geschieden na het in werking treden van bovenbedoelde, in voorbereiding zijnde wijziging van de regelgeving krachtens de Wet op de kansspelen.

De regering is vanzelfsprekend bekend met de AHOJG-criteria, die vorig jaar de status van een formele richtlijn van de vergadering van Procureurs-Generaal hebben gekregen.

Komt het volksgezondheidsaspect niet te zeer in het geding door de verlaging van toetredingsdrempels die het gevolg is van de overheveling van de vestigingseisen voor het cafébedrijf, het restaurantbedrijf en het slijtersbedrijf naar de Vestigingswet Bedrijven 1954, zo vragen de leden van de GPV-fractie. Deze leden vragen voorts op basis waarvan de aparte vergunning in verband met de volksgezondheidseisen wordt verleend.

De verlaging van de vestigingseisen staat – wij wezen daarop reeds eerder – los van de volksgezondheidseisen. Laatstgenoemde eisen blijven onverkort gehandhaafd en worden aangevuld met eisen die aan bedrijfsleiders en beheerders worden gesteld met betrekking tot kennis en inzicht ten aanzien van sociale hygiëne. Door de verlaging van de vestigingseisen komt het volksgezondheidsaspect dan ook niet in het geding. Bovendien is de in artikel 5 van de Drank- en Horecawet voorziene bepaling ten aanzien van kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne geen facultatieve maar een dwingende bepaling. Daarin wordt niet gesproken over eisen die bij algemene maatregel kunnen worden gesteld, maar over bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Overigens wijzen wij er in dit verband op dat de Drank- en Horecawet onverkort gehandhaafd blijft voor zover die wet geen betrekking heeft op vestigingseisen. Ook het Besluit inrichtingseisen Drank- en Horecawet, waarin volksgezondheidseisen zijn opgenomen, blijft gelden.

De leden van de D66-fractie vragen of de regering het ermee eens is dat voor horeca- en slijtersbedrijven niet kan worden gesproken van lagere toetredingsdrempels voor startende ondernemers, gezien de extra eisen die gesteld zullen blijven worden in de Drank- en Horecawet (hygiëne, inrichting, zedelijkheid etc.).

De lagere toetredingsdrempels worden met name gerealiseerd door het stellen van minder en lagere vestigingseisen en het beperken van de schotten die in de vestigingsregelingen tussen verschillende bedrijfsuitoefeningen bestaan. Over het algemeen worden de eisen van vakbekwaamheid afgeschaft. Dit is óók het geval voor horeca-ondernemers en voor slijters. In plaats van de vakbekwaamheidseisen worden op basis van de Drank- en Horecawet aan bedrijfsleiders en beheerders eisen gesteld over kennis en inzicht met betrekking tot sociale hygiëne. Voor deze eisen is aansluiting gezocht bij enerzijds het onderdeel vakbekwaamheid van het Besluit vestigingseisen Drank- en Horecawet (voorzover dit betrekking heeft op sociaal-hygiënische aspecten) en anderzijds in de huidige tijdgeest passende eisen van openbare volksgezondheid. In de opleidingen voor het horeca- en slijtersbedrijf wordt thans al aandacht besteed aan de educatie op het gebied van sociale hygiëne. Bedrijfsleiders en beheerders die geen vakbekwaamheidsdiploma hebben behaald, dienen deel te nemen aan een korte cursus betreffende de eisen ten aanzien van sociale hygiëne. Het bewijs van deelname kan worden aangemerkt als het voldoen aan deze eisen. De eisen op basis van de Drank- en Horecawet zijn uit volksgezondheidsoogpunt gesteld en beogen dus niet de kwaliteit van het ondernemerschap te vergroten. Op die volksgezondheidseisen heeft de modernisering van de vestigingswetgeving dan ook geen betrekking. Uit het voorgaande blijkt dat per saldo ook voor horeca-ondernemers en slijters gesproken kan worden van lagere toetredingsdrempels, maar dat dit vanwege de gehandhaafde en aangescherpte volksgezondheidseisen voor hen in mindere mate geldt dan voor andere ondernemers.

Deze leden vragen of de regering iets kan zeggen over de toekomstige waarde van een verklaring van vakbekwaamheid voor het horecabedrijf, zoals die tot op heden ingevolge artikel 41 van de Drank- en Horecawet kan worden afgeven door het Bedrijfschap Horeca, in samenhang met de in artikel XI, tweede lid, van het wetsvoorstel neergelegde regeling, waaruit volgt dat een dergelijke verklaring, ook als die tijdig is aangevraagd, na invoering van de wet niet meer kan worden verleend.

Met het oog op de toekomstige waarde van de verklaring van vakbekwaamheid is in de bijgevoegde nota van wijziging geregeld dat een aanvraag om een verklaring van vakbekwaamheid waarop op 1 januari 1996 nog niet beslist is, zal worden beoordeeld volgens het recht dat gold vóór 1 januari 1996. Zo wordt voorkomen dat na 1 januari 1996 bij gebreke aan vakbekwaamheidseisen niet meer op dergelijke aanvragen zou kunnen worden beslist. Een dergelijke verklaring zal als bewijsstuk kunnen dienen voor de nieuwe eisen van sociale hygiëne.

In hoeverre is de toetsingsprocedure bij de Kamer van Koophandel gebonden aan een termijn en welke rol zal de Kamer van Koophandel spelen bij de constatering dat een bedrijf bij de inschrijving in het handelsregister niet voldoet aan de geldende vestigingseisen, zo vragen de leden van de VVD-fractie.

De Kamer van Koophandel is voor het behandelen van een aanvraag van een vestigingsvergunning op grond van de vestigingswetgeving gebonden aan de termijn van twee maanden. Voor een inschrijving in het handelsregister gelden de bepalingen van de Handelsregisterwet. Kort gezegd komen zij erop neer dat de secretaris van een Kamer van Koophandel na een summier onderzoek tot inschrijving in het handelsregister moet overgaan. Het onderzoek heeft alleen betrekking op hetgeen volgens de Handelsregisterwet is bepaald. Vragen die met die wet niets van doen hebben, bijvoorbeeld of een ondernemer wel een milieuvergunning of een vestigingsvergunning heeft, dienen slechts om de inschrijvingsplichtige ondernemer van advies te kunnen dienen. Zij hebben voor de inschrijving in het handelsregister echter geen gevolg.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de bestaande Drank- en Horecawet in stand blijft in afwachting van het initiatief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Welke verhinderingen bestaan er voor een modernisering van deze wetgeving, zo vragen zij.

In zowel de memorie van toelichting op het voorliggende wetsvoorstel als deze nota is uiteengezet dat in dit voorstel uitsluitend de vestigingseisen voor horecabedrijven en slijters, die op grond van de Drank- en Horecawet zijn gesteld, worden overgeheveld naar de Vestigingswet Bedrijven 1954. De huidige Drank- en Horecawet heeft niet alleen betrekking op vestigingswettelijke bepalingen, maar ook en voornamelijk op eisen die aan horeca-ondernemers en slijters worden gesteld uit een oogpunt van volksgezondheid. Dit betekent dat de Drank- en Horecawet, voor zover deze niet op de vestigingswettelijke component betrekking heeft, onverkort van kracht blijft. Wat betreft artikel 5 van die wet zal zelfs sprake zijn van een aanscherping. Met het nu voorliggende wetsvoorstel is op het genoemde onderdeel alvast enige uitvoering gegeven aan de modernisering van de Drank- en Horecawet. Benadrukt wordt in dit verband dat de tweede ondergetekende momenteel een integrale wijziging van de Drank- en Horecawet voorbereidt. Van verhindering voor modernisering van de Drank- en Horecawet is derhalve geen sprake.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de status van diploma's die in het buitenland behaald zijn, zowel wat betreft diploma's die door de afzonderlijke EU-lidstaten erkend zijn als wat betreft diploma's die door niet-lidstaten erkend zijn. In hoeverre zijn die diploma's al dan niet geldig in het nieuwe vestigingsregime, zo vragen zij. Voorts wensen deze leden een toelichting op de regeling ten aanzien van behaalde diploma's die vrijstelling geven.

Diploma's die in het buitenland behaald zijn staan over het algemeen niet op de lijst van aangewezen bewijsstukken in het kader van de vestigingswetgeving. Buitenlandse diploma's worden individueel beoordeeld op inhoud en niveau. Indien een dergelijk diploma wordt beoordeeld als gelijkwaardig of nagenoeg gelijkwaardig aan de als bewijsstuk aangewezen diploma's, kan dit door middel van een ontheffing leiden tot legalisatie van de bedrijfsuitoefening. Bij de beoordeling wordt geen onderscheid gemaakt tussen diploma's behaald binnen of buiten het grondgebied van de Europese Unie. Daarnaast geven specifieke Europese richtlijnen mogelijkheden om op basis van ervaring, opgedaan in één van de EU-lidstaten, in andere lidstaten de desbetreffende bedrijven te kunnen uitoefenen. De Europese richtlijnen inzake de erkenning van beroepsopleidingen zijn niet van toepassing op de activiteiten die onder een van de bedoelde specifieke richtlijnen vallen. Wat betreft de geldigheid van diploma's onder het nieuwe vestigingsregime, merken wij voorts nog op dat in het verleden behaalde diploma's aangewezen kunnen worden als bewijsstuk in het kader van de vestigingswetgeving, indien bij die diploma's inhoudelijk voldoende overeenkomsten aanwezig zijn met de gemoderniseerde vestigingseisen. Diploma's die niet (meer) beantwoorden aan de gestelde eisen kunnen echter in combinatie met andere feiten of omstandigheden ertoe leiden dat, indien gewichtige belangen daartoe aanleiding geven, een ontheffing wordt verleend om zonder vergunning een in de vestigingswetgeving geregeld bedrijf uit te oefenen.

Ten aanzien van de opsporing en controle vragen de leden van de VVD-fractie, in welke mate de Economische Controledienst op dit moment ingrijpt op het gebied van de volksgezondheidseisen. Verder vragen zij in welke mate groepsacties verwacht kunnen worden.

De naleving van de Drank- en Horecawet wordt vrijwel geheel door de politie gecontroleerd. De Economische Controledienst begeeft zich niet op het terrein van de volksgezondheid en neemt de controle op het bezit van vergunningen alleen als onderdeel mee bij een uitgebreid onderzoek naar wetsovertredingen. Het groepsactierecht dat als bijzondere mogelijkheid in de Vestigingswet Bedrijven 1954, de Vestigingswet detailhandel en de Drank-en Horecawet was opgenomen, is bij wet van 6 april 1994 (Stb. 269) als algemene bevoegdheid opgenomen in het Burgerlijk Wetboek en geschrapt uit onder meer de genoemde drie wetten. Wat betreft de vraag in welke mate groepsacties verwacht kunnen worden, merken wij op dat het groepsactierecht reeds sinds oktober 1990 in de genoemde drie wetten opgenomen was en als zodanig dus niet een door de modernisering van de vestigingswetgeving geïntroduceerde mogelijkheid is. Mede daarom is het niet waarschijnlijk dat deze modernisering grote invloed heeft op de mate waarin groepsacties ingesteld zullen worden.

Is het waar, zo vragen de leden van de PvdA- en van de D66-fractie, dat de inhoud van de nieuwe opleiding en examens met betrekking tot algemene ondernemersvaardigheden aanzienlijk zwaarder is dan die van de huidige opleidingen en examens voor het diploma handelskennis voor het horecabedrijf. En zo ja, welke argumenten heeft de regering dan daarvoor. Verder vragen zij hoe het overgangsregime eruit ziet wat betreft de geldigheid van het nu nog geldende diploma. De leden van de D66-fractie vragen of de regering bereid is voor hen die in het verleden het diploma handelskennis horecabedrijf dan wel de middenstandsdiploma's voor het slijtersbedrijf hebben behaald, het vestigen van een horecabedrijf mogelijk te maken, zonder dat zij eerst in het bezit dienen te zijn van het nieuwe diploma algemene ondernemersvaardigheden. De leden van de VVD-fractie vragen in dit verband naar de inhoud van een brief van de regering aan het Bedrijfschap Horeca, die als inhoud zou hebben dat een groot aantal horeca-ondernemers in 1995 (opnieuw) examen moet doen. Zij vragen om hoeveel ondernemers het hierbij gaat en wat de gevolgen zullen zijn voor de individuele ondernemer die niet slaagt voor het examen, terwijl deze een nog lopende zaak heeft. Verder vragen deze leden of voor alle branches geldt dat indien ondernemers na 1 januari 1996 een onderneming willen beginnen, zij opnieuw het diploma algemene ondernemersvaardigheden moeten halen, omdat dan op basis van het diploma handelskennis geen vergunningen meer kunnen worden afgegeven. Deze leden geven aan dat het hier eerder lijkt op het aanbrengen van meer regulering dan op het toegankelijker maken van de markt voor startende ondernemers en zij vragen in dit verband in hoeverre dit wetsvoorstel is getoetst op de gevolgen voor het bedrijfsleven, de zgn. bedrijfseffectenrapportage. De leden van de D66-fractie vragen of de regering van mening is dat ondernemers die enige tijd voor de inwerkingtreding van de wet de benodigde diploma's hebben behaald, daarmee ook na de inwerkingtreding van de wet een bedrijf moeten kunnen vestigen in bijvoorbeeld de horeca.

De wijziging van de vestigingswetgeving beoogt in belangrijke mate mede de toetredingsmogelijkheden voor startende ondernemers te vergemakkelijken. Die wijziging heeft zeker niet de bedoeling een belemmering op te werpen voor degenen die de gerechtvaardigde verwachting hebben met een recent behaald handelskennisdiploma voor de horeca een bedrijf te kunnen beginnen. Het huidige handelskennisdiploma voor het café- en restaurantbedrijf voldoet op zich echter niet aan de nieuwe eisen van algemene ondernemersvaardigheden. Anders dan de huidige handelskennisdiploma's voor vrijwel alle andere vormen van bedrijfsuitoefening, zijn de handelskennisdiploma's voor de horeca te laag. Zonder een overgangsregeling zou dat betekenen dat een startende ondernemer die vóór 1996 zijn handelskennisdiploma heeft behaald, na 1 januari 1996 opnieuw een diploma, en dan afgestemd op de eisen van algemene ondernemersvaardigheden, zou moeten halen. Zonder nadere voorziening zou dus een probleem rijzen voor de ondernemers die nog niet vóór 1 januari 1996 zijn gestart. Met het oog op deze situatie is echter voorzien in een royale overgangsregeling, waarbij twee mogelijkheden zullen worden gecreëerd. Als eerste zal een handelskennisdiploma voor het restaurant- en cafébedrijf, behaald na 1 januari 1991 en voor 1 januari 1996, zijn geldigheid voor de vestigingswetgeving behouden tot 1 januari 1998 en recht geven op een vestigingsontheffing. Als tweede mogelijkheid zal het bedoelde handelskennisdiploma, samen met één jaar aangetoonde ervaring in een vergunningplichtig bedrijf op het niveau van bedrijfsleider, óók recht geven op een ontheffing. Deze tweede mogelijkheid is niet in de tijd beperkt. De ministeriële regelingen waarin de ontheffingverlening wordt geregeld, zullen in deze zin worden aangepast. De laatste mogelijkheid biedt ook ondernemers die al een bedrijf hebben, maar na 1 januari 1996 veranderen van bijvoorbeeld rechtsvorm of een nieuw bedrijf beginnen, een eenvoudige oplossing.

Een en ander is overigens niet van belang voor degenen die vóór 1 januari 1996 met een bedrijf zijn gestart en een vergunning of ontheffing hebben gekregen. Zij kunnen krachtens het in de Vestigingswet Bedrijven 1954 vastgelegde overgangsrecht hun bedrijf gewoon voortzetten. Voor de ondernemers die reeds vóór 1 januari 1996 rechtmatig een bedrijf uitoefenen is er dus geen enkel probleem.

Wat betreft de toetsing van het voorliggende wetsvoorstel aan de gevolgen voor het bedrijfsleven, verwijzen wij naar de beschouwing in paragraaf 1 over de vermindering van administratieve lasten van ondernemers als gevolg van het pakket van maatregelen waaruit de vereenvoudiging van de vestigingswetgeving is opgebouwd. Uit die beschouwing blijkt dat de wijziging van de vestigingswetgeving vele positieve effecten heeft ten aanzien van deregulering en vermindering van administratieve lasten voor ondernemers.

De leden van de VVD-fractie vragen een nadere beschouwing ten aanzien van het algemene overgangsrecht in verband met de overgangstermijn van 18 maanden.

Het overgangsrecht zoals dat nu volgens de Vestigingswet Bedrijven 1954 geldt, houdt in dat een ieder die een niet vergunningplichtig bedrijf uitoefende voordat een vestigingsbesluit van kracht wordt waarin die bedrijfsuitoefening wel vergunningplichtig wordt, zonder meer een overgangsvergunning krijgt. Volgens het huidige, ruime overgangsrecht is het al mogelijk dat een ondernemer die naar genoegen kan aantonen dat hij tenminste één dag voor het in werking treden van een vestigingsbesluit een bedrijf heeft geleid, een overgangsvergunning krijgt. Die ondernemer hoeft dan niet aan de eisen te voldoen. Omdat als resultaat van het over de modernisering met alle betrokkenen gevoerde overleg onder het nieuwe vestigingsbesluit ook zes tot nu toe niet geregelde bedrijfsuitoefeningen zullen vallen (audiciens, pannendekkers, aanbrengers van systeemplafonds, schoonmakers, steigerbouwers en voetverzorgers), is het wenselijk de overgangstermijn aan te passen. Met een ongewijzigd overgangsrecht zou de instroom naar de brede bevoegdheid tot uitoefening van het basisbedrijf wel heel gemakkelijk zijn. Een ondernemer die zou kunnen aantonen vóór 1 januari 1996 één dag een schoonmaakbedrijf te hebben gehad, heeft na 1 januari 1996 een vergunning nodig en zou op grond van het overgangsrecht zonder meer een vergunning voor het gehele basisbedrijf krijgen. Juist omdat in het nieuwe systeem veel bedrijfsuitoefeningen onder het basisbedrijf worden gebracht, achten wij het niet onredelijk dat hier een langere termijn geldt. Voorgesteld wordt dat een ondernemer moet aantonen al 18 maanden een (vergunningvrij) bedrijf te hebben uitgeoefend, alvorens hij in het basisbedrijf kan «instromen» zonder aan de eisen te hoeven voldoen.

4. Algemene herziening vestigingswetgeving

Is het kabinet voornemens nog deze kabinetsperiode met verdergaande voorstellen te komen dan zoals voorgenomen en ingezet in de vorige kabinetsperiode, zo vragen de leden van de PvdA-fractie. De leden van de VVD-fractie wensen te vernemen wanneer de algehele wijziging van de Vestigingswet Bedrijven 1954 tegemoet kan worden gezien.

Nadat de reeds ingezette voorstellen gerealiseerd zullen zijn en vervolgens – overeenkomstig daarover met het bedrijfsleven gevoerd overleg – per 1 januari 1996 in werking treden, zal een algehele herziening van de Vestigingswet Bedrijven 1954 zijn beslag moeten krijgen. Indien geen vertraging optreedt zou de nieuwe wet in de loop van 1998 in werking kunnen treden. Het is daarbij de bedoeling om de wet aan te passen wat betreft o.a. systematiek en terminologie. Ook van die gelegenheid zal uiteraard gebruik worden gemaakt de wet te vereenvoudigen voor vergunningplichtigen en uitvoeringsinstanties, daar waar nog meer technische vereenvoudigingen mogelijk zijn of waar de administratieve lasten voor ondernemers nog meer kunnen worden verlicht.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering inzicht te geven in aspecten van de vereenvoudiging van de vestigingseisen zoals sociale concurrentie.

Met het aspect van zogenaamde sociale concurrentie bij de vereenvoudiging van de vestigingseisen wordt kennelijk gedoeld op regelingen zoals cao's, waarin gebruik wordt gemaakt van bedrijfsomschrijvingen die ontleend zijn aan de verschillende thans geldende vestigingsbesluiten. Niet is in te zien hoe de vereenvoudiging van de vestigingswetgeving wat dit betreft zou kunnen leiden tot een vorm van sociale concurrentie, nu die vereenvoudiging geenszins inhoudt dat partijen bij desbetreffende regelingen niet meer vrij zouden zijn die materiiële bedrijfsomschrijvingen te blijven hanteren.

De leden van de PvdA-fractie zijn geïnteresseerd in de stand van zaken van het tot stand komen van erkenningsregelingen en in de rol die het Ministerie van Economische Zaken in dit proces speelt, afgezien van de financiële ondersteuning van de totstandkoming ervan. Zij vragen welke eisen worden gesteld aan organen die certificaten afgeven. Verder vragen deze leden of zich al eens strijdigheden hebben voorgedaan met het beginsel van mededinging.

Bij het Ministerie van Economische Zaken zijn in de loop van 1994 ruim 30 verzoeken ingediend om ondersteuning bij het onderzoek naar de haalbaarheid van of het opzetten van een erkenningsregeling. Die verzoeken zijn niet beperkt tot sectoren waarvoor vestigingswetgeving geldt. Daarnaast zijn circa 600 exemplaren verspreid van het handboek voor het opzetten van erkenningsregelingen, dat met financiële steun van het Ministerie van Economische zaken is opgesteld door het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf.

Een certificerende instelling moet voldoen aan eisen die de Raad voor de Certificatie heeft opgesteld. Die eisen betreffen onder meer de onafhankelijkheid, betrouwbaarheid en deskundigheid van de instelling. De Raad verleent een instelling die aan de eisen voldoet de bevoegdheid produkten of produktieprocessen te keuren. Erkenningsregelingen kunnen worden beschouwd als een eerste stap naar certificatie. Tot nu toe zijn bij de beoordeling door het Ministerie van Economische Zaken van daartoe voorgelegde erkenningsregelingen op aspecten van vrije mededinging, onwenselijke bepalingen aangepast of geschrapt, na overleg met de instantie die het concept van de erkenningsregeling had opgesteld. Het ministerie is betrokken bij een erkenningsregeling als deze regeling kan worden aangemerkt als een mededingingsregeling.

De leden van de CDA- en de SGP-fractie vragen of gespecificeerd kan worden aangegeven welke vormen van bedrijfsuitoefening onder het in voorbereiding zijnde vestigingsbesluit zullen vallen en welke takken van bedrijvigheid daarvan zullen worden uitgezonderd. Zij vragen voorts naar de rechtvaardigingsgrond voor het uitzonderen van bepaalde vormen van bedrijfsuitoefening en op welke wijze dan kan worden voorzien in een regeling daarvoor. In dit verband vragen zij of het niet juist de bedoeling is dat een ieder die een bedrijf uitoefent of wil gaan uitoefenen, tenminste moet beschikken over een algemeen ondernemersdiploma.

Voor de bedrijfsuitoefeningen die onder het nieuwe Vestigingsbesluit bedrijven zullen vallen, verwijzen wij naar het in de bijlage bij deze nota opgenomen overzicht. Deze ontwerp-algemene maatregel van bestuur zal verder in procedure gebracht kunnen worden zodra de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel, dat mede voor dat besluit de wettelijke basis vormt, voldoende is gevorderd.

Het is ingevolge het gemoderniseerde vestigingsbeleid zeker niet zo dat een ieder die een bedrijf uitoefent of wil gaan uitoefenen over een algemeen ondernemersdiploma zou moeten beschikken. Zoals in de inleiding is uiteengezet zal er voor een aantal bedrijfsuitoefeningen die als niet complexe bedrijven worden beschouwd geen enkele vestigingseis meer gelden. Voor de categorie van gemiddeld complexe bedrijven gelden eisen van algemene ondernemersvaardigheden en voor de meer complexe bedrijven gelden daarenboven eisen van bedrijfstechniek en, in een enkel geval, eisen van vaktechniek.

II. ARTIKELEN

Artikel II, onderdeel B en C

De leden van de PvdA-fractie vragen of ook aan de «droge» horeca eisen van sociale hygiëne worden gesteld. Wat wordt precies onder die eisen verstaan, zo vragen de leden van de PvdA-, CDA- en GPV-fractie.

Deze eisen vinden hun basis in de Drank- en Horecawet en zullen worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Deze zullen niet voor de droge horeca gelden omdat, zoals reeds uiteengezet is, de Drank- en Horecawet op dit onderdeel geen regels bevat voor gelegenheden waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt. Met het begrip sociale hygiëne wordt gedoeld op aspecten die de openbare volksgezondheid betreffen. Uit het oogpunt daarvan zijn in de Drank- en Horecawet algemene verbodsbepalingen opgenomen ten aanzien van de distributie van alcoholhoudende drank onder het publiek en is er een vergunningstelsel voor slijters en horecabedrijven waar alcoholhoudende drank wordt verstrekt. In dat kader worden eisen gesteld ten aanzien van de inrichtingen waarin het tappen of slijten van alcoholhoudende drank plaatsvindt en worden aan bedrijfsleiders en beheerders eisen gesteld ten aanzien van zedelijk gedrag en minimum-leeftijd. Aan deze zedelijkheids- en leeftijdseisen worden toegevoegd eisen van sociale hygiëne, op grond waarvan van bedrijfsleiders en beheerders kennis en inzicht wordt vereist ten aanzien van een aantal facetten die specifiek verbonden zijn aan de uitoefening van hun bedrijf. Die eisen strekken ertoe negatieve gevolgen van de bedrijfsuitoefening voor de openbare volksgezondheid te voorkomen. Zij hebben betrekking op kennis en inzicht van de fysieke, geestelijke en sociale gevolgen van het verstrekken van alcoholhoudende drank, al dan niet in combinatie met andere verslavende produkten. Voorts hebben de eisen betrekking op kennis en inzicht ten aanzien van andere activiteiten die in de inrichting kunnen plaatsvinden en in enig opzicht tot gevaar voor de volksgezondheid kunnen leiden. Dit betreft het gebruik van kansspelautomaten, het gedrag van bezoekers van de inrichting en de technische en bouwkundige voorzieningen van de inrichting zelf.

Artikel III, onderdeel C en D

Naar aanleiding van de in het wetsvoorstel opgenomen wijziging van enkele overgangsbepalingen van de Vestigingswet Bedrijven 1954, vragen de leden van de CDA-fractie of een aantal voorbeelden kan worden gegeven waarbij er sprake is van onrechtmatige bedrijfsuitoefening. Tevens vragen zij in hoeverre met het voorgestane overgangsregime kan worden voorkomen dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de overgangsbepalingen.

De huidige artikelen 25 en 27 van de Vestigingswet Bedrijven 1954 voorzien in overgangsrecht ter verkrijging van een vergunning, voor degenen die bij het in werking treden van een vestigingsbesluit reeds het in dat besluit aangewezen bedrijf uitoefenen. De omstandigheid dat het aangewezen bedrijf reeds werd uitgeoefend kan ingevolge genoemde artikelen echter niet worden aangetoond met een beroep op handelingen die zijn verricht in strijd met de Vestigingswet Bedrijven 1954. Voorgesteld wordt om hieraan de Vestigingswet detailhandel en de Drank- en Horecawet toe te voegen, aangezien de detailhandel en het café-, restaurant- en slijtersbedrijf op grond van het voorliggende wetsvoorstel eveneens onder de werking van de Vestigingswet Bedrijven 1954 worden gebracht. Ingevolge de wijziging van de overgangsbepalingen zal de omstandigheid dat in het verleden het aangewezen bedrijf reeds werd uitgeoefend dus evenmin kunnen worden aangetoond met een beroep op handelingen die zijn verricht in strijd met de Vestigingswet detailhandel of de Drank- en Horecawet. Voorbeelden van onrechtmatige bedrijfsuitoefening in het verleden zijn in dit verband het hebben uitgeoefend van de detailhandel respectievelijk het café-, restaurant- of slijtersbedrijf zonder dat voldaan was aan de door de desbetreffende wetten gestelde vestigingseisen: een ondernemer was bijvoorbeeld niet in het bezit van een door de Minister van Economische Zaken aangewezen ondernemersdiploma of hij dreef onrechtmatig een café omdat hijzelf de vereiste diploma's niet had en daarom met een schijnbeheerder of schijnbedrijfsleider werkte. De wijziging van de artikelen 25, derde lid, en 27, derde lid, voorkomt oneigenlijk gebruik van de overgangsbepalingen doordat geen overgangsvergunning op basis van de Vestigingswet Bedrijven 1954 zal kunnen worden verkregen met een beroep op bedrijfsuitoefening in het verleden die in strijd was met de Vestigingswet detailhandel of de Drank- en Horecawet.

Artikel V

De technische aanpassingen die worden aangebracht in de Wet op de erkende onderwijsinstellingen houden verband met de verwijzing naar de Vestigingswet detailhandel in een tweetal artikelen van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen. Die verwijzing wordt geschrapt – dit naar aanleiding van een desbetreffende vraag van de leden van de PvdA-fractie – omdat de Vestigingswet detailhandel wordt ingetrokken. Dit heeft voor de Wet op de erkende onderwijsinstellingen overigens geen inhoudelijke consequenties, omdat die wet tevens een soortgelijke verwijzing naar de Vestigingswet Bedrijven 1954 bevat en laatstgenoemde wet zich tengevolge van het voorliggende wetsvoorstel ook uitstrekt over de detailhandel.

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

BIJLAGE

I. Bedrijfsuitoefeningen waarvoor vestigingseisen gelden

1. Om het zogenaamde basisbedrijf te mogen uitoefenen moet worden voldaan aan de eisen van algemene ondernemersvaardigheden. Tot het basisbedrijf worden de volgende bedrijfsuitoefeningen gerekend:

– bandenservicebedrijf

– bestratingsbedrijf

– betonstaalvlechtbedrijf

– dakbedekkingsbedrijf

– detailhandel1

– horecabedrijf

– hoveniersbedrijf

– kappersbedrijf

– metaalbewerkingsbedrijf

– natuursteenbedrijf

– plafondbedrijf

– reisbureaubedrijf

– schildersbedrijf

– schoonheidsverzorgingsbedrijf

– schoonmaakbedrijf

– steigerbouwersbedrijf

– stukadoorsbedrijf

– tandtechnisch laboratoriumbedrijf

– tegelzettersbedrijf

– terrazzobedrijf

– voegbedrijf

– voetverzorgingsbedrijf

2. Om het bouwbedrijf te mogen uitoefenen moet worden voldaan aan de eisen van algemene ondernemersvaardigheden en aan de op het bouwbedrijf afgestemde eisen van bedrijfstechniek. Tot het bouwbedrijf worden de volgende bedrijfsuitoefeningen gerekend:

– aannemersbedrijf op het gebied van de burgerlijke en de utiliteitsbouw

– aannemersbedrijf op het gebied van de grond-, water- en wegenbouw

– metselaarsbedrijf

– sloopbedrijf

– timmerbedrijf

3. Om het installatiebedrijf te mogen uitoefenen moet worden voldaan aan de eisen van algemene ondernemersvaardigheden en aan de op het installatiebedrijf afgestemde eisen van bedrijfstechniek. Tot het installatiebedrijf worden de volgende bedrijfsuitoefeningen gerekend:

– centrale-verwarmingsbedrijf

– elektrotechnisch installatiebdrijf2

– gasfittersbedrijf

– kasverwarmingsbedrijf

– koeltechnisch bedrijf

– loodgietersbedrijf

– luchtbehandelingsbedrijf

– waterfittersbedrijf

4. Om het vervoermiddelenbedrijf te mogen uitoefenen moet worden voldaan aan de eisen van algemene ondernemersvaardigheden en aan de op het vervoermiddelenbedrijf afgestemde eisen van bedrijfstechniek. Tot het vervoermiddelenbedrijf worden de volgende bedrijfsuitoefeningen gerekend:

– autobedrijf

– carrosseriebouwbedrijf

– carrosserieherstelbedrijf1

– landbouwmechanisatiebedrijf

– motorfietsbedrijf

5. Om het levensmiddelenbedrijf te mogen uitoefenen moet worden voldaan aan de eisen van algemene ondernemersvaardigheden en aan de op het levensmiddelenberijf afgestemde eisen bedrijfstechniek. Tot het levensmiddelenbedrijf worden de volgende bedrijfsuitoefeningen gerekend:

– banketbakkersbedrijf/broodbakkersbedrijf2

– poeliersbedrijf

– slagersbedrijf2

– visbewerkingsbedrijf

II. Bedrijfsuitoefeningen waarvoor geen vestigingseisen gelden3

– autospuitbedrijf

– begrafenisbedrijf

– behangersbedrijf

– bloemenschikbedrijf

– bontwerkersbedrijf

– bromfietsbedrijf

– chemisch wasbedrijf

– consumptie-ijsbereidersbedrijf

– elektro-aansluitbedrijf

– elektrotechnisch reparateursbedrijf

– fietsherstellersbedrijf

– fotografisch bedrijf

– foto-afwerkbedrijf

– galvano-technisch bedrijf

– graveerbedrijf

– herenmaatkledingbedrijf

– hoefsmidsbedrijf

– hondentoiletteerbedrijf

– kachelsmidsbedrijf

– landbouwsmidsbedrijf

– landbouwspuitbedrijf

– maatschoenmakersbedrijf

– meubelmakersbedrijf

– meubelstoffeerdersbedrijf

– naaimachinebedrijf

– natwasbedrijf

– radio-, tv-installateur-reparatiebedrijf

– reportage-fotografisch bedrijf

– schoenherstellersbedrijf

– uurwerkherstellersbedrijf

– veilinghoudersbedrijf

– vloerenleggersbedrijf

– woningstoffeerdersbedrijf


XNoot
1

Onder de detailhandel vallen bedrijfsuitoefeningen in het kader waarvan roerende zaken aan particulieren worden verkocht. Onder het basisbedrijf vallen tevens bedrijfsuitoefeningen die gepaard gaan met uitoefening van detailhandel, zoals de algemene ambulante handel, het audiciensbedrijf, de gespecialiseerde ambulante handel, het goud- en zilversmidsbedrijf, de kleinhandel in gebruikte- en ongeregelde goederen, het orthopedisch schoenmakersbedrijf, het opticiensbedrijf, het slijtersbedrijf.

XNoot
2

Voor deze bedrijfsuitoefeningen gelden tevens eisen van vaktechniek.

XNoot
2

Voor deze bedrijfsuitoefeningen gelden tevens eisen van vaktechniek.

XNoot
3

Voor zover geen detailhandel wordt uitgeoefend.