23 960
Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Gratiewet (herziene gratieregeling en regeling schadevergoeding voorlopige hechtenis)

nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 27 maart 1995

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1

Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

In het derde lid wordt na de woorden «vonnis en arrest» ingevoegd: in een strafzaak.

2

Onderdeel B komt te luiden:

Artikel 558 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het eerste lid wordt toegevoegd:

, met uitzondering van onvoorwaardelijke geldboeten tot en met een bedrag van vijfhonderd gulden;

b. Het vierde lid vervalt.

3

Onderdeel C wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 558a komt te luiden:

Artikel 558a

1. Een verzoekschrift om gratie schort de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie wordt verzocht, op in de gevallen, waarin het verzoek betrekking heeft op een onherroepelijk vonnis of arrest met een veroordeling tot:

a° een vrijheidsstraf van zes maanden of minder, behoudens het in artikel 559, onder c bepaalde;

b° een vrijheidsstraf van zes maanden of minder, die voorwaardelijk was opgelegd en waarvan ingevolge artikel 14g of 77cc van het Wetboek van Strafrecht de tenuitvoerlegging is bevolen, behoudens het in artikel 559, onder c, bepaalde;

c° een geldboete tot een bedrag van meer dan 500 gulden, waarvan de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen.

2. De tenuitvoerlegging van een bijkomende straf die van rechtswege ingaat, wordt opgeschort gedurende acht dagen na de dag waarop de rechterlijke beslissing, waarbij zij is opgelegd in kracht van gewijsde is gegaan; een verzoekschrift om gratie dat binnen deze termijn is ingediend schort de tenuitvoerlegging op totdat op het verzoek is beslist.

3. Een verzoekschrift om gratie schort de nog niet aangevangen tenuitvoerlegging van de straf of maatregel waarvan gratie wordt verzocht, op in de gevallen, waarin een jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beslissing waarvan gratie wordt verzocht, de tenuitvoerlegging, anders dan op verzoek van de veroordeelde, nog niet is aangevangen.

4

Onderdeel D wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 559 komt te luiden:

Artikel 559

Artikel 558a blijft buiten toepassing in geval:

a° de veroordeelde zich aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis of de vrijheidsstraf heeft onttrokken;

b° de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, hetzij uit hoofde van de rechterlijke beslissing, waarbij de vrijheidsstraf, waarvan gratie wordt verzocht, werd opgelegd, hetzij uit anderen hoofde krachtens rechterlijke beslissing in Nederland of in een vreemde staat;

c° de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen voor een periode van zes maanden of minder, en de aansluitende tenuitvoerlegging van nog ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen door opschorting zou worden verhinderd;

d° het verzoekschrift om gratie betrekking heeft op een straf of straffen, dan wel maatregel of maatregelen, ten aanzien waarvan reeds eerder op een verzoekschrift om gratie is beschikt;

e° het verzoekschrift wordt ingediend op het tijdstip dat de veroordeelde tot een vrijheidsstraf zich bevindt op het grondgebied van een vreemde staat, welke staat een Nederlands verzoek om zijn uitlevering in behandeling heeft genomen of met het oog daarop zijn voorlopige aanhouding heeft gelast;

f° het verzoek betrekking heeft op straffen of maatregelen, waarvan de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen.

5

Indien het bij Koninklijke boodschap van 9 maart 1995 ingediende voorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 (wijziging van de regelingen van de invordering en inhouding van rijbewijzen en de bijkomende straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid) tot wet wordt verheven en in werking treedt, komen artikel 558a en 559 als volgt te luiden:

Artikel 558a

1. Een verzoekschrift om gratie schort de tenuitvoerlegging of ingang van de straf waarvan gratie wordt verzocht, op in de gevallen, waarin het verzoek betrekking heeft op een onherroepelijk vonnis of arrest met een veroordeling tot:

a° een vrijheidsstraf van zes maanden of minder, behoudens het in artikel 559, onder c bepaalde;

b° een vrijheidsstraf van zes maanden of minder, die voorwaardelijk was opgelegd en waarvan ingevolge artikel 14g of 77cc van het Wetboek van Strafrecht de tenuitvoerlegging is bevolen, behoudens het in artikel 559, onder c bepaalde;

c° een geldboete tot een bedrag van meer dan vijfhonderd gulden, waarvan de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen.

2. Een verzoekschrift om gratie schort de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel op in de gevallen, waarin een jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beslissing waarvan gratie wordt verzocht, de tenuitvoerlegging, anders dan op verzoek van de veroordeelde, nog niet is aangevangen.

Artikel 559

Artikel 558a blijft buiten toepassing indien:

a° de veroordeelde zich aan de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis of de vrijheidsstraf heeft onttrokken;

b° de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen, hetzij uit hoofde van de rechterlijke beslissing, waarbij de vrijheidsstraf, waarvan gratie wordt verzocht, werd opgelegd, hetzij uit anderen hoofde krachtens rechterlijke beslissing in Nederland of in een vreemde staat;

c° de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen voor een periode van zes maanden of minder, en de aansluitende tenuitvoerlegging van nog ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen door opschorting zou worden verhinderd;

d° het verzoekschrift om gratie betrekking heeft op een straf of straffen, dan wel maatregel of maatregelen, ten aanzien waarvan reeds eerder op een verzoekschrift om gratie is beschikt;

e° het verzoekschrift wordt ingediend op het tijdstip dat de veroordeelde tot een vrijheidsstraf zich bevindt op het grondgebied van een vreemde staat, welke staat een Nederlands verzoek om zijn uitlevering in behandeling heeft genomen of met het oog daarop zijn voorlopige aanhouding heeft gelast;

f° het verzoek betrekking heeft op straffen of maatregelen, waarvan de tenuitvoerlegging aan een vreemde staat is overgedragen.

Toelichting

1

Onderdeel A

De toevoeging «in een strafzaak» is opgenomen ter vermijding van misverstand: beoogd is alleen een verrekening met nog niet ten uitvoer gelegde strafzaken.

2

Onderdeel B

Ter verduidelijking is opgenomen dat voor geldboeten tot en met vijfhonderd gulden geen gratie kan worden verleend.

4

Onderdeel C en D

De leden van de fractie van de PvdA vroegen om een duidelijker redactie van de gevallen waarin aan het indienen van een verzoekschrift om gratie opschortende werking werd toegekend en de leden van de fractie van D66 vroegen waarom de terme de grace werd gehandhaafd. Naar aanleiding van deze vragen heb ik de tekst van de artikelen 558a en 559 opnieuw geredigeerd. De terme de grace dient gehandhaafd te blijven omdat de bijkomende straf van de ontzegging van de rijbevoegdheid nog steeds van rechtswege ingaat. Degene dit tot deze straf is veroordeeld en het openbaar ministerie dat met de executie van de straf is belast, kunnen de tenuitvoerlegging niet stoppen. In deze omstandigheden is het redelijk dat een verzoekschrift om gratie de tenuitvoerlegging opschort, totdat op het verzoek is beslist. In het geval dat geen opschortende werking zou worden toegekend, kan de beslissing op het gratieverzoek pas worden genomen als een deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid is verstreken.

Bij nadere overweging is het niet nodig om de terme de grace te handhaven voor de overige vonnissen, waarvan de tenuitvoerlegging wordt opgeschort als een gratieverzoek is ingediend. In die gevallen heeft het openbaar ministerie de executie zelf in de hand. In het kader van deze verdere beperking van de «terme de grace» is de redactie van de artikelen van artikel 558a en 559 herzien. In artikel 558a staan nu de gevallen bijeen, waarin aan het indienen van een verzoekschrift om gratie opschortende werking wordt verleend. In artikel 559 is aangegeven in welke gevallen artikel 558a buiten toepassing blijft, ook al zou de aard van de opgelegde straf op het eerste gezicht aanleiding geven voor de veronderstelling dat opschortende werking kan worden toegekend. Het systeem van de wet is nu als volgt: uit de inhoud van het vonnis: in het bijzonder de hoogte of duur van de opgelegde straffen en maatregelen, volgt of in beginsel opschortende werking wordt toegekend. Is er sprake van een vonnis dat niet in de categorieën van artikel 558a of 559 valt, dan wordt geen opschortende werking toegekend. In het oorspronkelijke voorstel kon onduidelijkheid bestaan over de vraag of opschortende werking toekwam aan gratieverzoeken die waren ingediend na de terme de grace, doch voor het verstrijken van een jaar, waarin de tenuitvoerlegging nog niet is aangevangen.

De beperking van de terme de grace brengt een verdere vereenvoudiging van de voorgestelde regeling mee.

5

Zoals in de Nota naar aanleiding van het verslag al uiteen is gezet, zal het handhaven van de zgn. terme de grace niet meer noodzakelijk zijn in verband met een komende wijziging van de bepalingen in de Wegenverkeerswet 1994 betreffende de tenuitvoerlegging van de bijkomende straf: ontzegging van de rijbevoegdheid. Daartoe is een verdere vereenvoudiging van de regeling opgenomen bij inwerkingtreding van deze wijziging van de Wegenverkeerswet.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven