Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23960 nr. 5 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23960 nr. 5 |
Vastgesteld 21 december 1994
De vaste Commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie hebben met instemming kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij beschouwen dit als een gerechtvaardigde poging de efficiëntie van het strafvorderlijk systeem te vergroten.
De leden van de CDA-fractie vinden het terecht dat een aantal in de praktijk naar voren gekomen knelpunten met dit wetsvoorstel wordt weggenomen.
De uiteenzetting van de drie situaties waarin thans wel opschortende werking toekomt aan gratieverzoeken van veroordeelden, laat zien dat de regeling een grillige en in de opvatting van de leden van de CDA-fractie een ongewenste uitwerking kan hebben. Vraag die rijst waarom niet is volstaan met het wegnemen van deze drie knelpunten.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Zij stellen naar aanleiding daarvan in de navolgende onderdelen de volgende vragen en plaatsen de volgende kanttekeningen.
De leden van de D66-fractie hebben met instemming kennis genomen van dit wetsvoorstel.
Zij achten het van groot belang dat strafvonnissen sneller en effectief ten uitvoer worden gelegd. Nu gebeurt het te vaak dat de tenuitvoerlegging van een opgelegde straf pas lange tijd na de rechterlijke uitspraak plaatsvindt. Het indienen van een gratieverzoek kan een effectieve tenuitvoerlegging van strafvonnissen vertragen, omdat het in veel gevallen de tenuitvoerlegging van de straf opschort. Op grond van deze overwegingen kunnen deze leden instemmen met dit wetsvoorstel, dat de vertraging van de tenuitvoerlegging beperkt.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel. De reden voor indiening is volgens de regering dat in de praktijk een aantal knelpunten naar voren is gekomen met betrekking tot de opschortende werking die wordt toegekend aan het indienen van een verzoekschrift om gratie.
Deze leden delen de opvatting dat de huidige regeling inzake het verlenen van opschortende werking vrij willekeurig is. Ontvluchting uit voorlopige hechtenis wordt als het ware beloond, door aan het gratieverzoek opschortende werking toe te kennen, terwijl gedetineerden die in voorlopige hechtenis verblijven, geen opschortende werking krijgen op het verzoek. De thans voorgestelde wijziging maakt aan die willekeur niet echt een einde, terwijl wel vastgesteld moet worden dat de regeling wordt ingeperkt. Om een goed oordeel te kunnen vellen over de gevolgen van het voorstel, vragen de leden van de GroenLinks-fractie het volgende.
Hoeveel gratieverzoeken worden er gemiddeld per jaar ingediend? Op hoeveel van de ingediende verzoeken volgt een positieve beslissing?
Hoewel ook deze leden het streven naar een voortvarende executie onderschrijven, geven zij vooralsnog de voorkeur aan opschorting van executie als een gratieverzoek is ingediend. Dat geldt ook voor het geval dat korte vrijheidsstraffen zijn opgelegd. Immers, indien gunstig op het gratieverzoek wordt beschikt, dient tot schadevergoeding te worden overgegaan.
Tenslotte gebruiken de leden van de GroenLinks-fractie deze gelegenheid om de regering te vragen enkele gedachten te wijden aan het mogelijk verlenen van collectieve gratie bij bijzondere gelegenheden, zoals de viering van de vijftigste herdenkingsdag van de bevrijding van de bezetting van Nederland door de nazi's.
Met de voorgestelde vernieuwing van het gratierecht kunnen de leden van de PvdA-fractie zich verenigen. De voorgestelde wijzigingen maken het gratierecht praktischer toepasbaar zonder aan de principes daarvan af te doen.
Wat betreft artikel 559 tweede lid merken de leden van de PvdA-fractie op dat de termijn van één jaar wellicht in de huidige omstandigheden kort is. Welk percentage van de lopende vonnissen wordt binnen een jaar na het onherroepelijk worden daarvan geëxecuteerd?
In het wetsvoorstel wordt de mogelijkheid tot gratieverlening voor geldboeten tot en met een bedrag van 500 gulden uitgesloten. Ter motivering daarvan wordt verwezen naar het huidige consumptieniveau en de perceptiekosten. Dat zijn inderdaad in de visie van de leden van de CDA-fractie goede gronden.
Kan de regering inzicht geven in het aantal malen dat voor zo'n boetebedrag gratie is verzocht en hoe vaak zo'n verzoek is gehonoreerd?
In de memorie van toelichting wordt gesteld dat bij lange vrijheidsstraffen reeds met de executie kan wordt aangevangen, omdat deze straffen in de praktijk zelden in hun geheel worden kwijtgescholden. Aangezien de duur van een beslissing op een gratieverzoek ongeveer zes maanden is, wordt dit de grens voor automatische opschortende werking. Het beginnen met de executie van een korter durende straf kan maken dat een gunstige beslissing op het gratieverzoek niet meer het gewenste resultaat heeft. Deze redenering kunnen de leden van de CDA-fractie wel volgen maar met de gekozen termijnen hebben zij moeite. Indien de beslissing gemiddeld zes maanden duurt, kan een gunstige beslissing toch ook bij vrijheidsstraffen tot zes maanden nooit meer effect hebben?
De leden van de CDA-fractie vragen of een versnelling van de procedure tot de mogelijkheden behoort en wat daarvoor nodig zou zijn. Bovendien willen zij weten hoe vaak in het algemeen gratie wordt verleend en of er een uitsplitsing kan worden gemaakt in gevallen waarin sprake is van opschortende werking en gevallen waarin dat niet het geval is. Ook willen zij een overzicht ontvangen van de gronden waarop gratie wordt verleend.
Het voorstel om bij aansluitende tenuitvoerlegging van diverse vrijheidsstraffen ook geen automatische opschortende werking toe te kennen, komt de leden van de CDA-fractie praktisch en aanvaardbaar voor. Een toelichting willen zij nog hebben op het maximum van zes maanden. Het komt hun voor dat bij een hoger maximum dan zes maanden de opschortende werking kan worden ingeperkt vanuit de al eerder aangevoerde overweging dat dan een positief gratiebesluit nog effect kan sorteren. Vraag is wel bij executie van meer straffen of het gunstig beoordeelde gratieverzoek ook kan worden verrekend met een van de opvolgende straffen.
Met betrekking tot de opschortende werking van een verzoek tot gratie delen de leden van de VVD-fractie het uitgangspunt dat deze beperkt dient te worden tot die gevallen waarin aan de opschortende werking een duidelijke functie toekomt.
Deze leden oordelen het ongepast, indien aan een veroordeelde die uit voorlopige hechtenis is ontvlucht dan wel aan hem die zich aan de executie heeft onttrokken, lichtvaardig, op grond van een verzoek tot gratie, opschortende werking zou worden verleend.
Zij verzoeken de regering uiteen te zetten of zij van mening is dat aan een veroordeelde bij verstek, aan wie de dagvaarding niet in persoon is betekend, eveneens het recht op opschortende werking moet worden onthouden, indien hij op vrije voeten is, omdat de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis voorwaardelijk is geschorst.
Deze leden gaan akkoord met de vaststelling van een minimale geldsom beneden welke geen gratie kan worden gevraagd. Zij vragen de regering nader uiteen te zetten op welke gronden zij voor een minimum bedrag van f 500 heeft gekozen. Staat dat bedrag in enig verband met de ambtelijke kosten van de gratieprocedure? Hoe hoog zijn die kosten? Heeft de regering ook overwogen aansluiting te zoeken bij de appelgrens in civiele procedures van f 1500?
De regering deelt mede dat zij als uitgangspunt streeft naar een aansluitende tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en naar een verbetering van de inning van geldboeten. Op welke wijze worden vrijheidsbenemende straffen nu geëxecuteerd?
Wat is de gemiddelde tijd tussen het onherroepelijke vonnis of arrest en de executie van vrijheidsstraffen? Is er sprake van een wachttijd? Binnen welke periode worden geldboeten geïnd? Welke executiemaatregelen worden getroffen voor de inning van geldboeten die niet binnen de gemiddelde betalingstermijn zijn voldaan?
De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het voornemen om voor vrijheidsstraffen die korter zijn dan zes maanden opschortende werking te verlenen, indien de veroordeelde gratie verzoekt. Die termijn wordt rechtstreeks gerelateerd aan de termijn voor de behandeling van een verzoek tot gratie. Uit het oogpunt van de bevordering van een snelle executie van vrijheidsstraffen vragen de leden van de VVD-fractie of het mogelijk is de termijn van behandeling tot drie maanden te bekorten om als rechtstreeks gevolg ook de opschortende werking tot vrijheidsstraffen voor een gelijke termijn te verminderen. Welke garantie is er dat het verzoek tot gratie binnen zes maanden wordt afgewikkeld? Is de regering bereid maatregelen te overwegen in de zin dat de gratie wordt geacht te zijn verleend, indien niet binen zes maanden is beslist?
Ziet de regering geen aanleiding om, mede voor een doelmatige afwikkeling van de procedure, in een apart artikel te regelen bij welke instanties (Kabinet van de Koningin, minister van Justitie, parket van de officier van justitie en griffie van de rechtbank) een schriftelijk verzoek om gratie kan worden ingediend?
De leden van de VVD-fractie ondersteunen het voornemen van de regering om een prikkel te formuleren, gericht op het voortvarend executeren van vrijheidsstraffen. Zij vragen de regering waaraan zij de overtuiging ontleent dat de executie binnen een jaar kan plaatsvinden. Werkt die termijn bovendien niet als prikkel ten opzichte van de veroordeelde om na een jaar gratie aan te vragen, indien de executie van de vrijheidsstraf nog niet heeft plaatsgevonden? Wat is de invloed van die termijn, indien de executie is uitgesteld op verzoek van de veroordeelde wegens hem persoonlijk betreffende omstandigheden? Is in dat geval artikel 559 derde lid sub a van toepassing, met als gevolg dat er geen opschortende werking is?
De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor de uitzondering om ingevolge artikel 559 derde lid sub c geen opschortende werking toe te staan, in geval van aaneensluitende tenuitvoerlegging van verscheidene korte vrijheidsstraffen, die in totaal de duur van zes maanden niet te boven gaan.
Zij vragen de regering uiteen te zetten hoe zij het risico van schadeclaims schat, indien voor één van de straffen alsnog achteraf gratie zou worden verleend. Gaat de regering er vanuit dat het openbaar ministerie in die gevallen ambtshalve ingevolge artikel 560 a een vorm van voor-controle dan wel beoordeling van de risico's uitoefent? Welke criteria dienen volgens de regering te worden gehanteerd bij de vaststelling van een redelijke vergoeding, indien het achteraf ten onrechte verbeurd verklaarde voorwerp niet meer kan worden teruggegeven? Zijn ten deze de normen van artikel 119 Sv. van toepassing?
De leden van de D66-fractie stellen vast dat de aanleiding voor een herziening van de bepalingen met betrekking tot de gratie, de constatering is dat de huidige regeling in de praktijk een aantal knelpunten oplevert. Deze knelpunten komen vooral voort uit het feit dat in een groot aantal gevallen opschortende werking wordt toegekend aan het indienen van een verzoek om gratie. Deze opschortende werking heeft niet in alle gevallen een duidelijke functie.
In het geval dat een straf van langere duur is opgelegd en het niet te verwachten valt dat het gratieverzoek leidt tot een algehele kwijtschelding van de opgelegde straf, is het moeilijk in te zien wat het nut is van de opschortende werking. Mede daarom ondersteunen de leden van de D66-fractie het standpunt van de regering dat de opschortende werking van een verzoekschrift tot gratieverlening wordt beperkt tot die gevallen waarin aan die opschortende werking een duidelijke functie toekomt. Er moet immers tevens belang worden gehecht aan een voortvarende en effectieve executie van straffen.
De leden van de D66-fractie vragen in navolging van het advies van het Landelijk Executie Overleg aan de regering waarom de «terme de grace» van 8 dagen in artikel 558a Sv gehandhaafd is nu de regeling van de opschortende werking wordt herzien. Kan de regering uiteenzetten of er in de voorgestelde regeling nog behoefte is aan die «terme de grace»?
Een van de voorgestelde wijzigingen is het uitsluiten van de mogelijkheid van gratieverlening voor geldboeten tot en met een bedrag van f 500. Als een van de argumenten voor deze wijziging wordt aangevoerd dat het, mede gelet op het huidige consumptieniveau, voor veroordeelden niet onoverkomelijk moet worden geacht bedragen van deze hoogte te voldoen. Ook de afweging van het belang van de veroordeelde bij kwijtschelding tegen de zwaarte en de kosten van de procedure heeft tot deze wijziging aanleiding gegeven. Een zware procedure als het gratieverzoek zou gereserveerd moeten blijven voor substantiële straffen.
De leden van de D66-fractie stemmen in met de voorgestelde wijziging. In voorkomende gevallen kan het openbaar ministerie immers altijd nog gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 561 derde lid Sv en uitstel van betaling verlenen of betaling in termijnen toestaan. Daarbij bestaat zelfs de mogelijkheid voor de officier van justitie de betaaltermijnen zodanig ruim te nemen dat effectief van kwijtschelding zou kunnen worden gesproken. Uiteraard dient van een dergelijke mogelijkheid slechts spaarzaam gebruik te worden gemaakt.
Een andere wijziging is het terugdringen van het aantal gevallen waarin opschortende werking aan het indienen van een gratieverzoek wordt toegekend. Hierdoor wordt een snellere tenuitvoerlegging van de vrijheidbenemende straffen en een effectievere inning van de geldboeten verwezenlijkt. In dat kader verzoeken de leden van de D66-fractie de regering de overwegingen te geven waarom zij tot de keuze komt een termijn van één jaar te hanteren in artikel 559 tweede lid Sv.
Gratie kan worden verleend indien omstandigheden aan het licht komen die, waren zij op het tijdstip van de beslissing bekend geweest, tot het opleggen van een andere straf of maatregel of tot het afzien daarvan zouden hebben geleid. Verder is gratieverlening mogelijk, indien aannemelijk is dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend. In de praktijk is echter gebleken dat van de opschortende werking die aan het indienen van een gratieverzoek is verbonden, in een aantal gevallen misbruik wordt gemaakt in die zin dat veroordeelden pogen te bereiken dat de executie van de opgelegde straf zo lang mogelijk wordt uitgesteld.
De leden van de D66-fractie onderschrijven dat niet van de gratieregeling gebruik mag worden gemaakt met een ander doel dan waarvoor de regeling bestemd is. Dat dit wel gebeurt, blijkt uit het feit dat veel gratieverzoeken zijn gebaseerd op omstandigheden die reeds door de rechter bij de strafoplegging zijn betrokken, waardoor de beoordeling van het gratieverzoek geen ander inzicht oplevert. Om dit oneigenlijk gebruik tegen te gaan, bestaat er bij de leden van de D66-fractie geen bezwaar tegen het onthouden van de opschortende werking aan gratieverzoeken in een aantal gevallen. Dit geldt in het bijzonder voor de lange vrijheidsstraffen. Zij worden immers zelden in hun geheel kwijtgescholden. De regering merkt terecht op dat deze afweging, om met de executie reeds een aanvang te maken, niet opgaat bij de tenuitvoerlegging van korte vrijheidsstraffen. De regering legt de grens bij vrijheidsstraffen met een duur van zes maanden, aangezien de gemiddelde duur van de beslissing op een gratieverzoek zes maanden bedraagt. De leden van de D66-fractie achten het overigens wel van groot belang dat de duur van de gratieprocedure zo veel mogelijk in tijd beperkt wordt. Het duurt al gauw maanden voordat de adviezen van politie, openbaar ministerie en de rechter die het vonnis heeft gewezen, zijn verzameld, voordat de uiteindelijke beslissing op het gratieverzoek kan worden genomen. Deze leden hebben de indruk dat voornamelijk bureaucratische oorzaken de lange afhandelingsduur verklaren.
In 1993 zijn er 7633 gratiebeslissingen genomen. Blijkens opgave van de minister bij de begrotingsbehandeling van Justitie blijkt dat daarvan in 1413 gevallen onvoorwaardelijke gratie is verleend en in 1060 gevallen een voorwaardelijke gratie. De leden van de D66-fractie zouden graag van de regering vernemen in hoeveel van de al dan niet voorwaardelijke gevallen van toewijzing de reden daarvan is gelegen in medische of psycho-sociale problematiek. Werd bij de gratieverzoeken die een dergelijke grondslag hadden, een deskundigenrapport overgelegd? Heeft het ministerie van Justitie die rapportage gecontroleerd, bij voorbeeld door middel van een contra-expertise?
Als een veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf heeft te ondergaan, worden deze straffen indien het enigszins mogelijk is aaneensluitend ten uitvoer gelegd. Deze regel is neergelegd in artikel 15 vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht. Mede om die reden kunnen de leden van de D66-fractie zich vinden in de overweging van de regering om in het geval van meer kortere vrijheidsstraffen die in totaal de duur van zes maanden niet te boven gaan, een uitzondering te maken op het principe dat een korte vrijheidsstraf niet wordt geëxecuteerd alvorens op het gratieverzoek is beslist. Ter aanvulling wijst de regering erop dat in aperte gevallen alsnog schorsende werking kan worden verleend. De regering verwijst hierbij naar het huidige artikel 560a Sv. In de nieuwe regeling zal deze bepaling echter niet meer in artikel 560a zijn opgenomen, maar in artikel 559a tweede lid Sv. Beter ware het dus om in de memorie van toelichting naar deze nieuwe bepaling te verwijzen.
De leden van de D66-fractie stemmen er mee in dat geen gratie kan worden verleend met betrekking tot de maatregel ex artikel 36 f Sr. Zij onderschrijven de argumenten die het Landelijk Executie Overleg en de NVvR hebben aangevoerd.
De leden van de GroenLinks-fractie staan afwijzend tegenover het voorstel om de mogelijkheid van gratieverlening voor geldboeten tot en met een bedrag van f 500 uit te sluiten. Te gemakkelijk wordt verondersteld dat het voor veroordeelden niet onoverkomelijk is een dergelijk bedrag te voldoen.
3. Aanpassing van de regeling voor de schadevergoeding voorlopige hechtenis
De leden van de PvdA-fractie kunnen zich geheel verenigen met de voorgestelde compensatiemogelijkheden die in het kader van de regeling voor schadevergoeding voor de tijd dat betrokkene ten onrechte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, worden voorgesteld. Deze leden vragen slechts waarom niet meteen de mogelijkheid om schadevergoeding te vragen voor de tijd dat men ten onrechte in verzekering heeft gezeten, geïntroduceerd zou kunnen worden.
Hoewel er veel voor te zeggen valt toekenning van schadevergoeding voor ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis ook in mindering te kunnen laten brengen van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog moet ondergaan, dient bij die beslissing in de ogen van de leden van de CDA-fractie ook te worden meegewogen of het uit het oogpunt van bejegening ook verantwoord is, strafverkorting te geven. Zij vragen of die afweging ook expliciet wordt gemaakt.
Met betrekking tot het voorstel om het door de rechter toegekende bedrag van de schadevergoeding aanstonds te laten verrekenen met nog openstaande aan de Staat verschuldigde geldbedragen, rijst de vraag bij de leden van de CDA-fractie welke bezwaar dan wel verweermiddelen de verzoeker om schadevergoeding ten dienste staan om de juistheid van de vordering en de verrekening te betwisten.
Artikel 90 derde lid, zoals voorgesteld, maakt het mogelijk dat, indien de rechter tot het toekennen van schadevergoeding heeft besloten, het aldus verschuldigde bedrag wordt verrekend met geldboeten en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen. De leden van de VVD-fractie onderschrijven dit uitgangspunt. Zij vragen in hoeverre de rechter bij de beoordeling van de eventueel verschuldigde schadevergoeding bekend mag worden verondersteld met de anderszins door de betrokkene aan de Staat verschuldigde geldboeten dan wel geldsommen. Wordt hierbij ook gedoeld op privaatrechtelijke vorderingen?
Acht de regering de mogelijkheid aanwezig en aanvaardbaar dat de rechter zich bij de toekenning van de schadevergoeding mede zal laten leiden door de eventuele wetenschap over de hoogte van voornoemde schulden?
Heeft de rechter ook de bevoegdheid om de verrekening van de schadevergoeding in eerste instantie ten gunste te laten komen aan de gelaedeerde civiele partij? Is de regering bereid dit actief te bevorderen?
De leden van de VVD-fractie vragen uiteen te zetten welk bedrag de regering voor de toekenning van schadevergoeding in deze zin heeft begroot. Constateert zij in toenemende mate de toekenning van schadevergoeding? Indien dit het geval is, kan zij daarvoor een oorzaak aanwijzen?
De praktische implementatie van artikel 90 vierde lid, zoals voorgesteld, aan de hand waarvan de rechter in staat wordt gesteld detentiedagen te verrekenen, vervult de leden van de VVD-fractie met grote zorg. Blijkens de memorie van toelichting houdt de regering geheel terecht rekening met de mogelijkheid dat het in voorkomende gevallen uit het oogpunt van bejegening beter zou kunnen zijn geen strafverkorting te geven, gezien de ernst van de feiten en de wijze waarop de straf ten uitvoer wordt gelegd. Tevens signaleert de regering dat met de strafoplegging mogelijk preventieve effecten kunnen zijn beoogd.
De leden van de VVD-fractie vragen uiteen te zetten welke criteria de rechter naar het oordeel van de regering dient te hanteren, alvorens verrekening van detentiedagen toe te staan.
Tevens vragen deze leden hoe de rechter die over de verrekening besluit, van de bijzondere feiten en omstandigheden van het vonnis waarvoor een vrijheidsstraf is bepaald, op de hoogte zal kunnen komen. Zij wijzen erop dat de politierechters over het algemeen mondeling vonnis wijzen en de schriftelijke motivering door de meervoudige kamers veelal zeer beperkt is, zodat daaruit weinig bijzondere feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Dit probleem is nog sterker aan de orde als schadevergoeding en vonnis niet in hetzelfde arrondissement tot stand zijn gekomen.
De schadevergoedingsregeling wordt in het voorstel verruimd in die zin dat het mogelijk wordt gemaakt dat de dagen die de verdachte te lang of ten onrechte in voorlopige hechtenis heeft gezeten, in mindering worden gebracht op de vrijheidsstraf die betrokkenen nog moeten ondergaan. De leden van de D66-fractie onderschrijven de noodzaak van deze verruiming. Daarbij merken zij op dat hier aan de rechter een discretionaire bevoegdheid toekomt. Deze vorm van schadevergoeding betekent een meer reële compensatie voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Het is immers niet logisch dat de staat zowel de kosten moet dragen van de ten onrechte ondergane voorlopige hechtenis als ook de schadevergoeding moet betalen. Daarnaast blijkt uit de jurisprudentie dat er behoefte bestaat aan een dergelijke verrekeningsmogelijkheid en dat deze optie ook al wordt toegepast.
De leden van de D66-fractie staan positief tegen de compensatiemogelijkheid van de schadevergoeding met nog openstaande aan de Staat verschuldigde geldbedragen. Wel vragen deze leden de regering waarom deze verrekeningsmogelijkheid beperkt wordt tot geldbedragen waartoe de verzoeker werd veroordeeld na een procedure. Een verzoeker kan toch schulden jegens de Staat hebben zonder dat er van een procedure sprake is geweest? Te denken valt bij voorbeeld aan een schriftelijke schuldbekentenis (al dan niet in de vorm van een notariële akte) met betrekking tot een belastingschuld.
Deze leden stemmen in met de door de regering voorgestelde beroepsmogelijkheid van beslissingen over de reis- en verblijfskosten. Welke consequenties heeft dit voor de cassatiemogelijkheden die de verzoeker onder het huidige wettelijke regime heeft?
De leden van de GroenLinks-fractie onderschrijven de gedachte om de regeling voor de schadevergoeding na ondergane voorlopige hechtenis, te verruimen zodat, indien betrokkene dat wenst, een andere aan hem opgelegde vrijheidsstraf wordt verminderd met de reeds ondergane detentie.
De leden van de D66-fractie stellen vast dat in de memorie van toelichting wordt vermeld dat het wetsvoorstel geen financiële consequenties met zich meebrengt. Verwacht mag echter worden dat het aantal verzoeken om toepassing van de schorsingsbevoegdheid, gelet op de beperking van de opschortende werking, wel toeneemt. Dat blijkt ook uit het advies van de NVvR. Deze leden verzoeken de regering op dit punt expliciet in te gaan.
Wat betreft het voorgestelde artikel 559 derde lid, (beschrijving van de gevallen waarin het gratieverzoek GEEN opschortende werking heeft) vragen de leden van de PvdA-fractie waarom de formulering van een dergelijk negatief lid noodzakelijk is, nu in de overige leden van dit voorgestelde artikel kennelijk slechts de gevallen worden genoemd waarin wél opschortende werking aan het indienen van het gratieverzoek wordt verbonden. Fraaier ware wellicht het onthouden van opschortende werking als uitgangspunt te nemen (in het eerste lid) en daarop de uitzonderingen te formuleren.
De leden van de D66-fractie vinden de memorie van toelichting op het derde lid onduidelijk.
Met betrekking tot artikel 559a tweede lid wensen de leden van de PvdA-fractie op te merken dat het de vraag is of de minister van Justitie een zelfstandige bevoegdheid zou moeten worden verleend om eigener beweging van de voorgestelde regeling af te wijken. Dat zal immers opnieuw tot aparte verzoeken en eventueel zelfs procedures daarover aanleiding kunnen geven. Is de mogelijkheid die het openbaar ministerie ter beschikking staat om onherroepelijke straffen (al of niet gedeeltelijk) niet ten uitvoer te leggen hier niet voldoende, gezien de mogelijkheid voor de minister van Justitie het openbaar ministerie ex artikel 5 R.O. aanwijzingen te geven?
Wat betreft artikel 560 is onduidelijk of de instemming die de veroordeelde aan een door een derde voor hem ingediend gratieverzoek moet verlenen, al of niet aan een termijn gebonden is, aldus de leden van de PvdA-fractie. Uit de tekst blijkt dit niet. Dit brengt het risico met zich mee dat gratieverzoeken die wél opschortende werking hebben, niet in behandeling zouden kunnen worden genomen, zolang niet vast zou staan óf de betrokkene daarmee in zou stemmen. Aldus zou de veroordeelde opnieuw een mogelijkheid worden gegeven door eigen actie de executie van een hem opgelegde vrijheidsstraf te frustreren.
De leden van de PvdA-fractie zouden er voor voelen het woord «indien» in artikel 560 te vervangen door «zolang».
Zien de leden van de D66-fractie het goed dat het in de praktijk niet voorkomt dat een gratieverzoek met betrekking tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geheel zal worden toegewezen, nadat de verzoeker een gedeelte van die straf reeds heeft uitgezeten? Zal met andere woorden de gratiëring zich in die gevallen altijd beperken tot het strafrestant?
Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Groenman (D66), Korthals (VVD), Janmaat (CD), De Hoop Scheffer (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), M. M. van der Burg (PvdA), Aiking-van Wageningen (AOV), Rabbae (GroenLinks), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD) en O. P. G. Vos (VVD).
Plv. leden: Koekkoek (CDA), Van den Berg (SGP), Van Vliet (D66), Dees (VVD), Marijnissen (SP), Biesheuvel (CDA), Hirsch Ballin (CDA) Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Vreeman (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Van Heemst (PvdA), Boogaard (AOV) Sipkes (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Middel, (PvdA), Te Veldhuis (VVD), Van Boxtel (D66), Van der Heijden (CDA), Apostolou (PvdA), Versnel-Schmitz (D66), Leerkes (U55+), Van den Doel (VVD) en Weisglas (VVD).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23960-5.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.