23 953 (R 1524)
Goedkeuring van het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien; Luxemburg, 15 december 1989 (Trb. 1990, 121)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 juni 1995

Met belangstelling hebben ondergetekenden kennis genomen van de vragen en opmerkingen in het verslag van de vaste commissie voor Economische Zaken. De vragen beantwoorden wij als volgt.

1. Inleidende opmerkingen

De leden van de fracties van de PvdA, het CDA en de VVD vroegen welke landen het Akkoord betreffende Gemeenschapsoctrooien nog moeten ratificeren en op welke termijn de inwerkingtreding is te verwachten. Het Akkoord treedt in werking als het door de twaalf oude lid-staten van de Europese Unie is geratificeerd. Op dit moment hebben de volgende landen geratificeerd: Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Denemarken en Luxemburg. De andere zeven (oude) lid-staten moeten derhalve nog ratificeren. Voor de nieuw toegetreden staten tot de Unie geldt dat zij volgens artikel 7 van het Akkoord tot het Akkoord kunnen toetreden, waarbij een afzonderlijke overeenkomst gesloten kan worden omtrent de wijze waarop dit geschiedt.

De leden van de CDA-fractie vroegen welke consequenties de negatieve beoordeling van het Akkoord door het bedrijfsleven kan hebben voor het gebruik dat ervan zal worden gemaakt. Zoals ook in het vervolg van deze nota zal blijken, wordt het Akkoord niet verplichtend opgelegd. Het bedrijfsleven heeft de keuze tussen drie wegen: nationale octrooien, een Europees octrooi met keuze van het aantal staten waarvoor men bescherming wenst en een Gemeenschapsoctrooi, waarbij voor alle lid-staten van de Europese Unie octrooi wordt verkregen. Bij een negatieve beoordeling van het Gemeenschapsoctrooi zal in veel gevallen voor een van de andere wegen gekozen worden. In paragraaf 5 van deze nota geven wij een beoordeling van de voor- en nadelen van het Akkoord ten opzichte van nationale octrooien en Europese octrooien.

In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie kunnen wij melden dat de Nederlandse regering akkoord is gegaan met de gehele tekst van het voorliggende verdrag. Dit is gebeurd tijdens de diplomatieke conferenties van 1985 en 1989. Het verdrag kon alleen met unanimiteit gesloten worden, zodat voor alle landen gold dat zij een eindafweging dienden te maken ten opzichte van het bereikte onderhandelingsresultaat. Tijdens de diplomatieke conferentie in 1989 heeft Nederland zich nog ingespannen voor een verbetering van de regeling inzake de verdeling van de financiën over de verdragsluitende staten. Op de inhoud van deze regeling en de Nederlandse positie gaan wij in paragraaf 7 van deze nota nader in.

Met de leden van de fractie van de VVD zijn wij van mening dat de strekking van het Akkoord juist is en past in het streven naar het totstandbrengen van een interne markt. Wij maken van de gelegenheid gebruik erop te wijzen dat inmiddels verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PbEG 1994, L 11) tot stand is gekomen en dat een voorstel voor een Verordening inzake het Gemeenschapsmodel (PbEG 1994 C 29) bij het Europese Parlement en de Raad in behandeling is. Het Akkoord past in het streven om voor industriële eigendomsrechten waarvoor een registratie nodig is, een communautair systeem in het leven te roepen.

2. Het voorgestelde systeem van geschillenbeslechting

In antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie delen wij mee dat het Gemeenschappelijk Hof van Beroep in Luxemburg gevestigd zal worden. Deze leden vroegen voorts waarom niet gekozen is voor het Hof van Justitie als hoogste rechterlijke instantie. In de memorie van toelichting hebben wij reeds melding gemaakt van de overtuiging bij de meerderheid van de betrokken delegaties, dat inschakeling van het Hof van Justitie tot wijziging van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap zou nopen. Voor een goed begrip van deze discussie is het van belang te weten dat deze voorafgaand aan de diplomatieke conferentie van 1985 werd gevoerd. Nadien is de regeling van de geschillenbeslechting niet meer in discussie geweest. In het licht van de toenmalige inzichten werd een Nederlands voorstel om de rechtspleging inzake Gemeenschapsoctrooien in hoogste instantie aan het Hof van Justitie op te dragen, door de meerderheid der delegaties afgewezen. Het Verdrag van Maastricht is na de diplomatieke conferenties van 1985 en 1989 tot stand gekomen. De tekst van het Akkoord stond toen reeds vast.

De leden van de CDA-fractie vroegen zich af of de rechterlijke bevoegdheidsregeling in het Akkoord, nl. het naast elkaar bestaan van bevoegdheden voor nationale rechterlijke instanties en Gemeenschapsoctrooirechtbanken, niet te ingewikkeld is. Wij menen dat dit in de praktijk niet tot problemen aanleiding behoeft te geven. Bijna alle octrooigeschillen hebben betrekking op inbreuk- en nietigheidsvragen. De behandeling van deze vragen is voor Nederland reeds geconcentreerd bij de rechtbank en het hof te 's-Gravenhage. Deze rechtbank en dit hof zullen in de toekomst tevens functioneren als Gemeenschapsoctrooirechtbank van eerste respectievelijk tweede aanleg.

In wezen doen zij onder de werking van het Akkoord onder een andere naam hetzelfde werk als thans. Wat het proces- en bewijsrecht betreft is het Nederlandse recht van toepassing. Financiële en personele consequenties voor rechtbank en hof te 's-Gravenhage zijn naar ons oordeel niet te verwachten. Zeker niet als ook wordt bedacht, dat Gemeenschapsoctrooien een alternatief voor Europese octrooien vormen, zodat een toename van Gemeenschapsoctrooien ten koste zal gaan van het aantal nieuwe Europese octrooien. Voor de werklast van de rechterlijke macht is het Akkoord derhalve in beginsel neutraal.

De leden van de VVD-fractie stelden in een aantal vragen het geschillenbeslechtingsregime van het Akkoord aan de orde. In de eerste plaats vroegen zij naar ons oordeel over de rol van het Gemeenschappelijk Hof van Beroep in inbreuk- en nietigheidsprocedures. Aan het Gemeenschappelijk Hof is de taak toebedacht om op het terrein van inbreuk- en nietigheidsvragen een rechtsvormende en uniformerende rol te spelen. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat er verschillen in jurisprudentie tussen de verdragsluitende staten ontstaan. In het systeem van het Akkoord is dit een noodzakelijk element omdat uitspraken van nationale rechterlijke instanties die als Gemeenschapsoctrooirechtbank zijn aangewezen, gevolgen hebben in andere verdragsluitende staten. Het Gemeenschappelijk Hof speelt pas een rol als een zaak in tweede aanleg dient. Het Gemeenschappelijk Hof beslist dan als tweede feitelijke instantie. Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk. Ook in cassatie dient de Hoge Raad van deze beslissing uit te gaan. Op zichzelf wordt daardoor de procesgang niet gecompliceerder. Aangezien het Gemeenschappelijk Hof een internationaal college is, zal daarbij ook een regeling voor de talen moeten worden vastgesteld. Volgens artikel 12 van het Geschillenprotocol zal het taalgebruik geregeld worden in het reglement voor de procesvoering dat met eenparigheid van stemmen door de Administratieve Commissie goedgekeurd dient te worden.

In de tweede plaats vroegen deze leden wat de Nederlandse delegatie er destijds toe gebracht heeft te bepleiten dat het Hof van Justitie in inbreuk- en nietigheidsvragen over Gemeenschapsoctrooien zal oordelen. De reden voor dit pleidooi was dat deze oplossing eenvoudiger werd geacht omdat van een bestaande instelling gebruik zou worden gemaakt en derhalve niet een nieuwe instantie behoefde te worden «uitgedacht». Dit laatste is overigens slechts ten dele gebeurd omdat nauw is aangesloten bij de regels die voor het Hof van Justitie golden.

In de derde plaats vroegen deze leden aandacht voor het inbedden van de Gemeenschapsoctrooirechtbanken in het nationale bewijs- en procesrecht. Zij stelden dat hierdoor toch geen werkelijke harmonisatie wordt bereikt. Wij kunnen deze stelling onderschrijven omdat verschillen in nationaal bewijs- en procesrecht van invloed zullen zijn op het verloop van gerechtelijke procedures in de verschillende verdragsluitende staten. Ten tijde dat de geschillenregeling werd ontworpen, lag de gedachte aan een geüniformeerd communautair burgerlijk procesrecht buiten het gezichtsveld van de betrokken vertegenwoordigers – waaronder de Nederlandse – van de lid-staten van de Europese Gemeenschap.

Onlangs is door deskundigen uit de lid-staten een rapport opgesteld met concrete voorstellen voor harmonisatie van (delen van) het burgerlijk procesrecht. Dit rapport – dat in 1994 is uitgegeven onder de titel Rapprochement du droit judiciaire de l'Union Européenne – is onder de aandacht gebracht van de Europese Commissie. De eerste reactie van de Europese Commissie maakte duidelijk, dat er van die kant aarzelingen bestaan om het initiatief te nemen tot het doen van voorstellen voor harmonisatierichtlijnen terzake. Hoewel er dus enige beweging is op dit gebied, lijkt het niet realistisch om op korte termijn concrete resultaten te verwachten.

De leden van de VVD-fractie vroegen verder naar de verhouding tussen de Grote Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau, die in hoogste instantie beslist in verlenings- en oppositieprocedures, en het Gemeenschappelijk Hof van Beroep, dat in hoogste instantie beslist over de nietigheidsvragen met betrekking tot Gemeenschapsoctrooien. Beide instanties functioneren onafhankelijk van elkaar en zijn niet aan elkaars uitspraken gebonden. Het ligt voor de hand om aan te nemen dat de Grote Kamer van Beroep zich zal richten naar de lijn in de jurisprudentie die door het Gemeenschappelijk Hof van Beroep wordt ontwikkeld. De rechter die over de nietigheid oordeelt heeft immers het laatste woord. De verhouding tussen beide instanties is vergelijkbaar met die tussen een nationale octrooiverlenende instantie en de burgerlijke rechter.

Deze leden stelden verder een vraag over de duur van de in artikel 81, eerste lid, van het Gemeenschapsoctrooiverdrag genoemde overgangstermijn, gedurende welke naast Gemeenschapsoctrooien ook Europese octrooien aangevraagd kunnen worden. De beëindiging van deze overgangsperiode wordt pas actueel nadat het Gemeenschapsoctrooiverdrag in werking is getreden en enige ervaring met het systeem is opgedaan, hetgeen nog wel enige jaren zal duren. Naar het oordeel van het kabinet zijn twee overwegingen bij de beëindiging van de overgangstermijn van belang. In de eerste plaats is het belang van de overgangstermijn gerelativeerd door de bepaling in het Gemeenschapsoctrooiverdrag dat een Gemeenschapsoctrooi omgezet kan worden in een Europees octrooi, in het geval dat de octrooihouder verzuimd heeft tijdig in alle officiële talen van de lid-staten van de Europese Unie een vertaling gereed te hebben. In de tweede plaats dient rekening gehouden te worden met de opvattingen in het bedrijfsleven over het functioneren van het Gemeenschapsoctrooiverdrag. Naar ons oordeel is het niet verstandig te trachten het Gemeenschapsoctrooi dwingend op te leggen, indien de gebruikers van het octrooisysteem zouden laten blijken grote prijs te stellen op de beschikbaarheid van het Europese octrooisysteem.

Vervolgens stelden de leden van de VVD-fractie de vraag of het mogelijk is om het Gemeenschappelijk Hof van Beroep voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Akkoord met zijn werkzaamheden – maar dan ten behoeve van Europese octrooien – te laten beginnen. Juridisch gezien is dat niet mogelijk omdat het Gemeenschappelijk Hof door het Akkoord wordt opgericht en zijn taken aan dit Akkoord ontleent. Zonder wijziging van het Akkoord, waarvoor ook unanimiteit nodig is, is het niet mogelijk een afwijkende regeling voor het Gemeenschappelijk Hof te realiseren. Het realiseren van de suggestie van deze leden zou neerkomen op een aanvulling van het Europees Octrooiverdrag, in die zin dat de rechtspleging inzake Europese octrooien in laatste instantie wordt opgedragen aan een op te richten internationale rechterlijke instantie. Die instantie zou dan idealiter na inwerkingtreding van het Akkoord met het Gemeenschappelijk Hof van Beroep moeten fuseren. De uitwerking van deze gedachte zal naar wij verwachten veel voeten in de aarde hebben en zeer waarschijnlijk toch niet eerder tot resultaat leiden dan wanneer de inwerkingtreding van het Akkoord wordt afgewacht. Het is ook denkbaar om in afwachting van de inwerkingtreding van het Akkoord, in het kader van de Europese Octrooiorganisatie na te denken over mogelijkheden om het Gemeenschappelijk Hof van Beroep een taak toe te kennen voor Europese octrooien.

De hier aan het woord zijnde leden stelden ook de problematiek van de voorlopige en beschermende maatregelen aan de orde, die soms wel en soms geen effect hebben buiten het grondgebied van de staat waar de rechterlijke instantie die de maatregelen heeft bevolen is gevestigd. Volgens deze leden kan hieruit voortvloeien dat de gemeenschappelijke markt toch wordt opgesplitst omdat in de ene staat verboden kan zijn wat in een andere staat nog is toegestaan. De situatie waar de leden van de VVD-fractie op doelen kan zich voordoen, indien de eisende partij (i.c. de octrooihouder) kiest voor een Gemeenschapsoctrooirechtbank in het land waar de inbreuk plaats gevonden heeft. In dat geval heeft de uitspraak van de rechter alleen effect in de desbetreffende staat. Dit geldt voor voorlopige en beschermende maatregelen maar ook voor uitspraken ten gronde. Het is logisch om te bepalen dat, indien de uitspraak waarbij de rechter bijvoorbeeld een inbreuk vaststelt, een beperkte territoriale werking heeft, hetzelfde dient te gelden voor de uitspraak waarbij voorlopige of beschermende maatregelen worden bevolen. De keuze voor het adiëren van een Gemeenschapsoctrooirechtbank in de staat waar de inbreuk heeft plaatsgevonden of dreigt plaats te vinden, kan ingegeven zijn door het feit dat de inbreuk zich tot het territoir van die staat beperkt. Het heeft dan praktische voordelen, onder meer bewijsrechtelijk, om de inbreuk ook in die staat aan te vechten. De keerzijde van deze keuze is inderdaad, zoals de leden van de VVD-fractie terecht opmerkten, dat de rechthebbende niet op basis van de uitspraak kan optreden tegen inbreukmakende zaken of activiteiten in andere verdragsluitende staten. De eiser zal dus een afweging moeten maken.

Ook de leden van de fractie van D66 stelden de nadelen van het ontbreken van een uniforme communautaire rechtspleging terzake van inbreuken op Gemeenschapsoctrooien aan de orde. Het hoeft geen betoog dat ook wij van mening zijn dat een uniformering van het nationale bewijs- en procesrecht voordelen zou bieden. Zoals wij echter in antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie hebben gesteld, lag deze doelstelling buiten bereik ten tijde van het vaststellen van het Geschillenprotocol.

De leden van de fractie van D66 informeerden voorts of wij op korte termijn verbetering verwachten in de met het Akkoord voorziene ingewikkelde rechtsgang. Bij de huidige stand van zaken zijn wij sceptisch over de mogelijkheden om op korte termijn een wijziging van de regeling inzake de rechtspleging te realiseren. Wat betreft de harmonisering van het burgerlijk procesrecht is bovenstaand reeds de actuele stand van zaken gegeven. Wat betreft de keuze om in het Akkoord een nieuwe rechterlijke instantie, het Gemeenschappelijk Hof van Beroep, in te stellen, zijn wij van mening dat het niet opportuun is om na het vele werk dat gedaan is om een regeling voor inrichting en werkwijze van dit Hof te ontwerpen, energie te steken in het ontwikkelen van een andere opzet. Hierbij dient bedacht te worden, dat daarvoor het Akkoord gewijzigd dient te worden, hetgeen alleen bij unanimiteit kan geschieden.

3. Het talenregime

De leden van de CDA-fractie vroegen of voor Nederland ook het Fries de officiële taal kan zijn waarin processtukken kunnen worden ingediend. Dat is niet het geval. Het Fries is geen officiële taal in de zin van het Akkoord. Overigens zal de Friese taal wel een formele status krijgen als het wetsvoorstel betreffende de taal in het bestuurlijk verkeer (kamerstukken II 1994/95, 23 543, nr. 23) tot wet verheven zal zijn. Dit wetsvoorstel strekt zich evenwel niet uit tot de door het Akkoord bestreken terreinen.

Door de leden van zowel de PvdA-fractie als de fracties van CDA en VVD werden kritische opmerkingen over het talenregime gemaakt. De leden van de PvdA-fractie en van de VVD-fractie wezen met name op het kostenaspect van het talenregime. Zij vroegen in dit verband om een nadere aanduiding van vertaalkosten en om een vergelijking op dit punt tussen de kosten voor een Europees octrooi en een Gemeenschapsoctrooi. Wat dit laatste betreft valt op te merken dat onder het Europees Octrooiverdrag alle lid-staten, met uitzondering van Luxemburg en Monaco, eisen dat van een Europees octrooi een vertaling in een van de officiële talen van die staat wordt ingediend. Onder het Gemeenschapsoctrooiverdrag zal eveneens als eis gelden dat het octrooi in alle lid-staten in een van de officiële talen beschikbaar is. Het vertaalprobleem bestaat eveneens indien besloten wordt om nationale octrooien aan te vragen. Het vertaalprobleem stelt de industrie in totaliteit voor grote uitgaven; deze kunnen inderdaad in de honderden miljoenen guldens lopen. Deze uitgaven belasten niet alleen de Europese industrie maar ook de industrieën uit derde landen die in Europa bescherming vragen. De vertaalproblematiek voor het Gemeenschapsoctrooi wordt groter als het Akkoord ook voor Zweden en Finland (en Oostenrijk) gaat gelden.

De leden van de VVD-fractie verzochten de regering te bestuderen of het mogelijk is een oplossing te vinden voor het vertalingenprobleem. Zij vroegen daarbij of het mogelijk is om de vertaalkosten te beperken, bijvoorbeeld door voor te schrijven dat alleen de conclusies voor iedere lid-staat vertaald moeten worden. In antwoord hierop delen wij mede dat wij bereid zijn te zoeken naar wegen om de vertaalkosten van het Europese octrooistelsel te beperken. Gedacht kan worden aan de verplichting om alleen van de conclusies (en eventueel de samenvatting van het octrooischrift) een vertaling over te leggen. Een andere mogelijkheid is om voor te schrijven, dat alleen zodra een octrooihouder in rechte een beroep doet op zijn octrooi hij verplicht is een vertaling over te leggen. Deze en andere mogelijkheden zijn aan de orde geweest tijdens een strategische discussie binnen de Europese Octrooi-organisatie. Nederland heeft zich uitgesproken voor een nadere bestudering van de mogelijkheden om de vertaalkosten terug te dringen, om te beginnen die, welke verbonden zijn aan het EOV. Het betreft hier overigens een onderwerp met een politieke dimensie, namelijk de positie van de eigen taal. Dit noopt ertoe rekening te houden met de politieke realiteit. Bij de totstandkoming van het Akkoord is gebleken dat sommige Europese landen het van principieel belang vinden, dat in hun land geldige octrooien ook volledig in de landstaal beschikbaar zijn. Een ander politiek aspect van de talenkwestie is de vraag of de talen binnen de Gemeenschap verschillend behandeld mogen worden. Wij roepen wat dit betreft de discussie in herinnering die in de Tweede Kamer is gevoerd naar aanleiding van het besluit om de werktalen van het Gemeenschapsmerkenbureau te beperken tot Frans, Engels, Duits, Spaans en Italiaans. Vanuit het parlement is daarbij aangedrongen op het vermijden van regelingen waarbij de Nederlandse taal wordt achtergesteld. Zoals gezegd, is het kabinet echter bereid om ondanks de voorzienbare hindernissen constructief mee te werken aan pogingen om de vertaalkosten binnen het Europese octrooistelsel (Europees Octrooiverdrag en Gemeenschapsoctrooiverdrag) terug te brengen.

4. Gevolgen voor het bedrijfsleven

De leden van de PvdA-fractie stelden dat het Akkoord niet tegemoet komt aan de behoeften van het MKB. Zij wensten geïnformeerd te worden over de vorderingen bij het ontwikkelen van een op het MKB toegesneden Europees systeem van octrooiverlening. In antwoord hierop vermelden wij dat er binnen de Gemeenschap en binnen de Europese Octrooi-organisatie oog is voor de belangen van het MKB. Binnen de Europese Octrooi-organisatie wordt getracht het Europese octrooisysteem ook voor kleinere bedrijven aantrekkelijker te maken, onder meer door de kosten te reduceren. De discussie over de kosten van vertalingen speelt hierbij een belangrijke rol. Binnen de Europese Unie is de Europese Commissie bezig een groenboek over communautaire bescherming van gebruiksmodellen, dat wil zeggen innovatieve produkten die niet zodanig inventief zijn dat recht op octrooi wordt verkregen, voor te bereiden. Dit zou met name voor het MKB bedoeld zijn. Het is evenwel de vraag of er werkelijk behoefte is aan een Gemeenschapsgebruiksmodel. Een communautaire regeling veronderstelt dat er ondernemingen zijn die een nieuw produkt binnen de gehele Gemeenschap willen beschermen. Bij gebruiksmodellen kan daar niet zonder meer van worden uitgegaan. De vraag die zich dan laat stellen is of, nu de industrie al bij octrooien aangeeft slechts een betrekkelijk belang bij communautaire bescherming te hebben, een communautair gebruiksmodel wel levensvatbaar is. Hierbij tekenen wij aan dat hoezeer men ook eenvoud in de regeling zou willen nastreven, vanwege de internationale dimensie de procedures duurder en ingewikkelder zullen zijn dan bij nationale regelingen. De meertaligheid binnen Europa en de uiteenlopende nationale stelsels wat betreft de rechtspleging zijn factoren die complicerend en kostenverhogend werken. Het is om die reden dat naar ons oordeel zeker op de korte tot middellange termijn behoefte zal blijven bestaan aan nationale regelingen naast Europese. De organisaties van kleinere bedrijven hebben zich voor zover ons bekend in het verleden niet gemengd in de discussies over het Gemeenschapsoctrooi.

De leden van de CDA-fractie vroegen of er thans bereidheid bestaat om tot een geheel communautaire rechtspleging inzake Gemeenschapsoctrooien te komen. Het antwoord hierop is ontkennend. Ook bij de recent tot stand gekomen Verordening inzake het Gemeenschapsmerk en de in voorbereiding zijnde Verordening inzake het Gemeenschapsmodel, wordt de rechtspleging op nationaal niveau gelaten. Wij kunnen ons ook niet goed voorstellen dat waar het tot op heden niet mogelijk is gebleken om het burgerlijk procesrecht binnen de Gemeenschap te harmoniseren, het wel mogelijk zou zijn voor octrooien of voor de industriële eigendom een communautair regime te realiseren. Wat de stand van zaken betreft van de harmonisatie van de rechtspleging in civiele zaken verwijzen wij naar de in paragraaf 2 van deze memorie gegeven informatie.

De leden van de VVD-fractie wensten geïnformeerd te worden over de bezwaren van het bedrijfsleven. Naar wij hebben begrepen richten de bezwaren zich niet alleen tegen het kostbare talenregime maar ook tegen de regeling van de rechtspleging inzake Gemeenschapsoctrooien.

5. Vergelijking met het huidige systeem en een evaluatie in de toekomst

De leden van de PvdA-fractie verzochten om een overzicht van de voor- en nadelen van het Gemeenschapsoctrooi boven het Europese octrooi. Het belangrijkste voordeel van een Gemeenschapsoctrooi is dat het een recht geeft voor het gehele territoir van de Europese Unie. Anders dan een Europees octrooi valt het na verlening niet uiteen in een bundel nationale octrooien, die in ieder land, waarvoor octrooi is verleend, geadministreerd, betaald en gehandhaafd moeten worden. De houder beschikt over één octrooi in plaats van 12 of wellicht binnenkort 15 octrooien. Dit biedt voor de houders efficiency-voordelen en is uit een oogpunt van het realiseren van een interne markt in de Europese Unie van belang omdat hierdoor interstatelijke handelsbelemmeringen worden vermeden. Op het gebied van de kosten van vertalingen biedt het Akkoord geen substantiële vooruitgang omdat een Gemeenschapsoctrooi in ieder land vertaald moet worden. Wat dat betreft is de situatie gelijk aan de huidige situatie onder het Europees Octrooiverdrag. Op het terrein van de harmonisering van handhavingsmogelijkheden is op bepaalde punten ten opzichte van het Europese Octrooiverdrag vooruitgang te constateren. In de eerste plaats omdat inbreuk in één procedure voor de gehele Europese Unie kan worden bestreden. In de tweede plaats omdat per lid-staat een beperkt aantal octrooirechtbanken is aangewezen, waardoor de deskundigheid bij de behandelende rechterlijke instanties wordt bevorderd. In de derde plaats omdat de rechtspraak over nietigheidsvragen in laatste instantie aan een internationaal rechterlijk college is opgedragen. Hierdoor wordt de eenvormige beoordeling van nietigheidsvragen bevorderd.

Echte nadelen ten opzichte van de huidige situatie heeft het Gemeenschapsoctrooiverdrag niet. Wat veelal als nadeel wordt aangeduid is het ontbreken van een daadwerkelijke vooruitgang op bepaalde punten. Zo is op het gebied van de kosten van vertalingen geen werkelijke vooruitgang geboekt. Dit heeft tot gevolg dat een Gemeenschapsoctrooi uit een oogpunt van kosten pas voordelen heeft in het geval dat een aanvrager om octrooi alle of nagenoeg alle landen van de Europese Unie met zijn octrooi wil bestrijken. Is een octrooihouder slechts geïnteresseerd in octrooibescherming in bijvoorbeeld 6 of 7 lid-staten dan zal een Europees octrooi goedkoper zijn. Op het gebied van de handhaving van Gemeenschapsoctrooien is de vooruitgang betrekkelijk. De rechterlijke toetsing is primair een nationale aangelegenheid en eerst in een vervolgfase doet een communautaire instantie een uitspraak. Zoals al eerder in deze memorie is aangegeven is de kans gering dat bij de huidige stand van zaken van integratie in de Europese Unie wat dit laatste betreft op korte termijn substantiële vooruitgang kan worden geboekt.

Deze leden stelden verder enkele vragen over de noodzaak om het voorgestelde systeem te evalueren, met name op het punt van de rechtspleging. Naar ons oordeel is er zeker aanleiding om de ontwikkelingen op het gebied van communautaire rechtspleging nauwlettend te volgen. Indien de initiatieven om op dat punt tot harmonisatie te komen binnen de Europese Unie succes hebben, dient bezien te worden op welke wijze daarvan vruchten geplukt kunnen worden voor de industriële eigendom. Of dit zal moeten leiden tot geheel communautair opgezette rechtspleging is een vraag die dan zal moeten worden bezien. Communautaire rechtspleging heeft niet alleen voordelen maar ook nadelen, met name voor de gedaagde in een procedure. Deze zal voor een hem vreemde, in veel gevallen in een ander land gevestigde, instantie moeten procederen en wellicht ook een andere procestaal dan zijn eigen taal moeten toestaan. Met name voor kleinere ondernemingen die van octrooi-inbreuk beticht worden, kan dit zeer bezwaarlijk zijn. Ook het vraagstuk van de kosten zal daarbij onder ogen moeten worden gezien. Het is ons niet mogelijk op dit moment in abstracto aan te geven of over het geheel genomen sprake zal zijn van kostenbesparing of kostenverhoging. In ieder geval dient bij communautaire rechtspleging rekening gehouden te worden met vertaalkosten en de kosten van de hogere salarissen voor internationale ambtenaren. Zoals wij in antwoord op een eerdere vraag hebben gesteld, is naar ons oordeel niet te verwachten dat de nationale rechtspleging inzake Gemeenschapsoctrooien tot een extra kostenpost voor de overheid zal leiden.

Wat betreft de vraag naar de evaluatie van de werking van het Akkoord die zowel de leden van de PvdA- als de CDA-fractie stelden, is ons antwoord dat de Beperkte Commissie van de Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie het forum is waarbinnen deze evaluatie permanent zal plaatsvinden. De Beperkte Commissie is volgens artikel 13 van het Akkoord ook de instantie die een herziening van het Akkoord of een van de bijlagen voorbereidt. Een Conferentie tot herziening wordt door de Voorzitter van de Raad van de Europese Unie bijeengeroepen, indien een meerderheid der lid-staten daarom vraagt.

De leden van de CDA-fractie vroegen ook naar de wijze waarop een gemeenschappelijke regeling voor de verlening van gedwongen licenties onder Gemeenschapsoctrooien tot stand zal komen. Naar ons oordeel is de Beperkte Commissie van de Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie de meest aangewezen instantie om op dit vlak voorbereidend werk te verrichten. Elke delegatie in deze Beperkte Commissie kan verzoeken dit onderwerp op de agenda te plaatsen en voorstellen doen dan wel verzoeken het Europees Octrooibureau op te dragen een voorstel voor een regeling op te stellen. Voor de Europese Commissie en het Europees Parlement ligt hier niet een formele taak omdat het Akkoord een intergouvernementeel verdrag is, dat niet is gebaseerd op de verdragen tot oprichting van de Europese Unie.

Deze leden vroegen tevens om een nadere uitleg over de onderlinge afstemming van de verschillende levensduur van octrooien in de lid-staten. Zij betrokken hierbij de positie van het Nederlands 6-jarig octrooi. De standaard levensduur voor een octrooi is 20 jaar, gerekend van de datum van indiening van de aanvraag om octrooi. Dit is ook vastgelegd in het Europees Octrooiverdrag. Daarnaast kunnen lid-staten octrooien met een kortere levensduur verlenen, zoals bijvoorbeeld het 6-jarig octrooi. Er zijn meerdere landen met een octrooistelsel waarbij een aanvrager kan kiezen tussen een octrooi van 20 jaar en een octrooi van 6 jaar, onder andere Frankrijk en België.

Eveneens in antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie, vermelden wij dat de in artikel 81 van het Gemeenschapsoctrooiverdrag bedoelde overgangsperiode begint op het moment dat het Akkoord in werking treedt en op een voor alle verdragsluitende partijen gelijk moment zal worden beëindigd. Dit besluit moet met unanimiteit genomen worden, vanwege het eerdergenoemde intergouvernementele karakter van het Akkoord.

De leden van de CDA-fractie deelden de mening van de Raad van State dat wijziging van bepaalde termijnen in het Gemeenschapsoctrooiverdrag en wijziging van het Uitvoeringsreglement niet zonder meer aan de Beperkte Commissie kan worden opgedragen; de desbetreffende besluiten van deze Commissie zouden dan ter goedkeuring aan het parlement voorgelegd dienen te worden. Zoals wij reeds in het nader rapport hebben aangegeven, delen wij deze mening van de Raad van State niet. De daar gevolgde redenering komt in het kort op het volgende neer. Het is uiteraard zo dat een verdrag gewoonlijk door een nieuw verdrag wordt gewijzigd. Artikel 39 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (Trb. 1985, 79) herinnert ook aan die mogelijkheid. Artikel 40, eerste lid, van het Verdrag van Wenen wijst er echter ook op dat in een verdrag een andere regeling ter zake kan worden opgenomen. Bij het onderhavige verdrag is de mogelijkheid tot wijziging op twee specifieke punten anders geregeld, namelijk door middel van een besluit van de Beperkte Commissie, onderdeel van de Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie.

De Europese Octrooiorganisatie is een volkenrechtelijke organisatie in de zin van artikel 92 van de Grondwet; de Raad van Bestuur is een orgaan van die organisatie. In artikel 92 van de Grondwet is expliciet vastgelegd dat aan een dergelijke organisatie bij verdrag «bevoegdheden tot wetgeving, bestuur en rechtspraak» kunnen worden opgedragen. Wij vermogen niet in te zien, wat de wijzigingsbevoegdheid van de Beperkte Commissie inzake termijnen en het Uitvoeringsreglement anders zou zijn dan een wetgevende bevoegdheid. Deze bevoegdheid valt dus binnen de termen van artikel 92 van de Grondwet, en er is geen sprake van (wijzigings)verdragen die ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet de parlementaire goedkeuring zouden behoeven. Alle andere wijzigingen van het Akkoord zullen daarentegen neerkomen op (wijzigings)verdragen die ingevolge artikel 91 van de Grondwet de parlementaire goedkeuring behoeven, tenzij een van de uitzonderingsgronden op dit vereiste van toepassing zijn.

Wij vermelden hierbij nog dat een volstrekt vergelijkbare figuur voorkomt in het Europees Octrooiverdrag, waarbij in artikel 33 aan de Raad van Bestuur van de Europese Octrooiorganisatie de bevoegdheid wordt verleend om termijnen in het verdrag te wijzigen en wijzigingen in het Uitvoeringsreglement aan te brengen. Ook in verdragen van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom, waarbij ook het Koninkrijk partij is, wordt aan de Assemblee van verdragsluitende partijen de bevoegdheid verleend om technische aanpassingen te plegen. De internationale samenwerking zou zeer worden bemoeilijkt als ook voor aanpassing van technische bepalingen de gehele verdragsprocedure, inclusief nationale goedkeuring, gevolgd zou moeten worden.

Deze leden vroegen tevens om een jaarlijkse rapportage over de uitwerking van het Akkoord voor Nederland. Wij zeggen hierbij toe dat in het jaarverslag van het Bureau voor de Industriële Eigendom jaarlijks informatie over de werking van het Akkoord, met name voor Nederland, zal worden verstrekt. Wij hopen dat daarmee aan de wens om een jaarlijkse rapportage voldoende wordt tegemoet gekomen.

De leden van de fractie van D66 vroegen om een inschatting van de mate waarin het Europees of het Gemeenschapsoctrooi dominant zal blijken te zijn. Afgaande op de geluiden vanuit het bedrijfsleven is onze inschatting dat het Europese octrooi, zeker op de korte termijn, dominant zal blijken te zijn. Zoals wij eerder in deze nota hebben aangegeven, zal naar onze verwachting het Gemeenschapsoctrooi gebruikt worden in situaties waarin voor alle of nagenoeg alle lid-staten van de Europese Unie octrooibescherming zinvol wordt geacht.

6. Positie generieke geneesmiddelen

De leden van de fracties van PvdA, CDA en VVD stelden vragen over de positie van producenten van generieke geneesmiddelen, met name in verband met de onderzoeksexceptie in het octrooirecht. De leden van de PvdA-fractie betrokken daarbij de schriftelijke kamervragen van 22 november 1994 van de leden Witteveen-Hevinga, Oudkerk en Van der Ploeg. Wij veroorloven ons in de eerste plaats te verwijzen naar de antwoorden op deze kamervragen (Aanhangsel Handelingen II 1994/95, nr. 343). Daarin is uitvoerig ingegaan op de problematiek en is toegezegd om een bepaald aspect daarvan, namelijk het mogelijk concurrentienadeel voor de Europese generieke geneesmiddelenproducenten ten opzichte van hun concurrenten elders (met name in de Verenigde Staten van Amerika), onder de aandacht van de Europese Commissie te brengen.

De leden van de PvdA-fractie gingen in op artikel 27b van het Gemeenschapsoctrooiverdrag en de bij het verdrag behorende resolutie. Zoals de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken heeft gesteld tijdens de behandeling van de Rijksoctrooiwet 1995 in de Tweede Kamer, voelt de Nederlandse regering zich gebonden aan genoemde resolutie, waarin de lid-staten hebben uitgesproken dat zij voor het nationale octrooirecht streven naar aansluiting bij het materiële recht van het Gemeenschapsoctrooiverdrag. Om die reden en vanwege het gevaar dat onderling afwijkende regelingen in de Europese Unie kunnen leiden tot distorsies in de mededingingsverhoudingen zagen wij voor een afwijkende Nederlandse regeling geen ruimte. Naar ons oordeel is hier sprake van een problematiek met een Europese dimensie.

De leden van de PvdA-fractie wensten voorts een uiteenzetting over de onderlinge verhouding tussen de juridische instrumenten in de Europese Unie met betrekking tot octrooien op het punt van de onderzoeksexceptie. Het samenstel van regelingen laat zich als volgt schetsen. Nationale octrooien worden door nationaal recht beheerst. Europese octrooien volgen het nationale octrooiregime in de landen waar zij gelden. Het Gemeenschapsoctrooi wordt geregeerd door een eigen communautair regime. De Verordening inzake het aanvullend beschermingscertificaat is een rechtstitel sui generis, die van kracht wordt na het verstrijken van een octrooi. Het doet er hierbij niet toe of het basisoctrooi een nationaal octrooi, een Europees octrooi of een Gemeenschapsoctrooi is. De Verordening bepaalt tevens dat de beschermingsomvang, waaronder tevens de onderzoeksexceptie valt, van een certificaat gelijk is aan die van het basisoctrooi waarop het certificaat een aanvulling geeft.

De juridische situatie met betrekking tot de onderzoeksexceptie is niet in alle landen van de Europese Unie gelijk. Dit is niet zozeer het gevolg van verschil in regelgeving als wel van het feit dat in sommige landen (zoals in Nederland) de rechters reeds duidelijke uitspraken hebben gedaan en in andere landen nog niet. Ons zijn echter geen rechterlijke uitspraken in andere landen van de Europese Unie bekend, die ertoe leiden dat onderzoek in verband met markttoelating voor een generiek geneesmiddel in die landen onder de onderzoeksexceptie zou vallen. Er is sprake van een situatie waarbij de juridische situatie in een aantal landen nog niet is uitgekristalliseerd.

De leden van de CDA-fractie vroegen naar de stand van zaken bij de aanpassing van regelgeving op Europees niveau. Zoals al in de antwoorden op bovengenoemde kamervragen is vermeld, is ons van een groot enthousiasme bij andere lid-staten en de Europese Commissie om tot aanpassing te komen nog niet gebleken. Aangezien de Europese Commissie het initiatiefrecht heeft binnen de Unie, is vanuit het Ministerie van Economische Zaken de problematiek van het concurrentienadeel voor de Europese generieke geneesmiddelenindustrie onder de aandacht van de Europese Commissie gebracht, met het verzoek om deze zaak nader te onderzoeken en waar nodig initiatieven te ontplooien. De Europese Commissie heeft inmiddels aangegeven geen reden te zien voor een initiatief van haar kant.

De vragen van de leden van de VVD-fractie over dit onderwerp vinden hun beantwoording in de antwoorden op genoemde kamervragen en het hierboven gestelde.

Ten slotte vroegen de leden van de CDA-fractie in de paragraaf over generieke geneesmiddelen aandacht voor de octrooiering van genetisch materiaal. Zij vroegen daarin naar het moment waarop de Tweede Kamer de toegezegde notitie over dit onderwerp krijgt toegezonden. In de brief van de toenmalige Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 mei 1994 (kamerstukken II 1993/94, 19 744 en 22 604 (R 1435), nr. 14) is de Tweede Kamer een notitie toegezegd, nadat de richtlijn betreffende de bescherming van biotechnologische uitvindingen definitief zal zijn vastgesteld. Nu duidelijk is geworden dat deze niet zal worden vastgesteld komt deze toezegging in een ander licht te staan. Een beschrijving van de gevolgen van de richtlijn voor het Nederlandse octrooirecht heeft hierdoor geen zin meer. Indien de Tweede Kamer daarmee kan instemmen zou de eerste ondergetekende willen afzien van het schrijven van een notitie. Daarbij zij vermeld dat inmiddels in het antwoord van 16 mei 1995 op de vragen van de leden Witteveen-Hevinga, Van der Hoeven en Van Walsem van 20 maart 1995, nr. 2949505430, is ingegaan op het onderwerp biotechnologie en octrooirecht, waarbij ook de inmiddels verworpen richtlijn betreffende de bescherming van biotechnologische uitvindingen ter sprake is gebracht.

7. Financiële aspecten

De leden van de CDA-fractie gingen nader in op de financiële aspecten van het Akkoord voor Nederland. De inkomsten uit het EOV worden op zich door het Akkoord niet aangetast, zij het dat, indien als gevolg van het Akkoord minder Europese octrooien worden verleend, ook de inkomsten uit de nationale instandhoudingstaksen voor die octrooien zal afnemen. Voor Gemeenschapsoctrooien geldt dat zowel de uitgaven als inkomsten via het Europees Octrooibureau lopen. Het Gemeenschapsoctrooiverdrag bevat in artikel 20 een bepaling die regelt in welke verhouding de verdragsluitende staten delen in de tekorten cq de overschotten. Het aandeel van Nederland is daarbij op 11,8% gesteld. Ten tijde dat het Akkoord gesloten werd was dit percentage lager dan het relatieve aandeel van Nederland in de inkomsten uit Europese octrooien. Sindsdien is de situatie evenwel gewijzigd door met name twee ontwikkelingen. In de eerste plaats valt waar te nemen dat het percentage Europese octrooien dat in Nederland gelding verkrijgt afneemt; de designatie-dichtheid van Nederland neemt af. In de tweede plaats zijn in een aantal aangesloten landen de instandhoudingstaksen gestegen, terwijl zij in Nederland gelijk zijn gebleven. Het relatieve aandeel van Nederland in de inkomsten uit het EOV is om die redenen gedaald.

Het Europees Octrooibureau is verplicht om het Akkoord uit te voeren en zal dus zorg moeten dragen voor verdeling van tekorten of overschotten over de verdragsluitende staten volgens de vastgestelde verhouding.

Bij Gemeenschapsfinanciering bestaat er niet langer een financiële band tussen het Europees Octrooibureau en de lid-staten maar tussen het Europees Octrooibureau en de Europese Unie. De financiële verhouding tussen de lid-staten zal dan met name worden bepaald door het aandeel van ieder der lid-staten in de eigen middelen van de Europese Unie. Het Nederlandse aandeel beloopt thans circa 6,5%.

De leden van de CDA-fractie hadden twijfels over de uitgaven- en ontvangstenontwikkeling bij het nu voorgestelde Gemeenschapsoctrooi. Zij vroegen hoe dit ook na de overgangsperiode bewaakt kan worden. De kosten van uitvoering van het Akkoord zullen vooral door het Europees Octrooibureau gemaakt worden. Het is daarbij voor de lid-staten met name zaak er goed op toe te zien dat de opbouw van de afdelingen die speciaal belast zullen worden met uitvoering van het Akkoord gelijke tred houdt met het aanbod van werkzaamheden. Dit neemt evenwel niet weg dat in de aanloopperiode met tekorten rekening gehouden moet worden. Indien het Gemeenschapsoctrooi na verloop van tijd toch meer belangstelling zou krijgen, zouden deze tekorten weggewerkt kunnen worden.

De leden van de fractie van D66 vroegen of aangegeven kan worden hoe hoog de kosten zijn van een aanvraag om een Gemeenschapsoctrooi. Een precieze indicatie is nog niet mogelijk omdat de verschuldigde taksen nog niet zijn vastgesteld. Een Gemeenschapsoctrooi zal in ieder geval duurder zijn dan een nationaal octrooi vanwege de vertaalkosten en de veelal hogere taksen. De kosten van een Nederlandse octrooiaanvrage oude stijl worden geschat op f 15 000. In vergelijking met nationale octrooien in meerdere landen valt het Gemeenschapsoctrooi goedkoper uit. De totale kosten van een Europese octrooiaanvraag van gemiddelde lengte, waarbij acht landen worden gedesigneerd, worden inclusief de vertaalkosten geschat op ongeveer f 45 000,–. De kosten van een Gemeenschapsoctrooi zullen in dezelfde orde van grootte liggen omdat daarbij grotendeels dezelfde kostenelementen, te weten kosten van de octrooigemachtigde, taksen en vertaalkosten, een rol spelen.

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

A. van Dok-van Weele

De Minister van Buitenlandse Zaken, a.i.

H. F. Dijkstal

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven