Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23901 nr. 15 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23901 nr. 15 |
Vastgesteld 4 mei 1995
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, T. Netelenbos, over de opleidingsmogelijkheid voor islamitische geestelijken (23 901, nr. 9).
De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 3 mei 1995.
De commissie brengt van dit overleg verslag uit door openbaarmaking van de vragen en antwoorden.
Is de conclusie gerechtvaardigd dat met deze brief uitvoering is gegeven aan de nadere verdieping in de vraag of een Imam-opleiding in het voortgezet onderwijs nodig en wenselijk is en zo ja, welke conclusies trekt de staatssecretaris uit haar bevindingen?
Met de brief (Kamerstuk 23 901 nr. 9) is inderdaad nadere verdieping gegeven in de vraag of een imam-opleiding in het voortgezet onderwijs nodig en wenselijk is. Ik deel daarbij de conclusies uit het advies van de Onderwijsraad. Deze geven op hoofdlijnen aan dat een dergelijke opleiding wettelijk gezien tot de mogelijkheden behoort.
Wat houdt een «Imam-opleiding op het niveau van het voortgezet onderwijs» precies in?
Een imam-opleiding in het voortgezet onderwijs houdt in dat een afgestudeerde VWO/HAVO-leerling met een specifiek schoolprogramma bestaande uit het (aangepaste) reguliere deel en een uitvoerige buitenschoolse component van een Islam-gemeenschap het predikaat imam toegekend kan worden door die gemeenschap.
Is een Imam-opleiding niet primair de verantwoordelijkheid van de Islamitische gemeenschap zelf?
Ja, de verantwoordelijkheid ligt inderdaad bij de islamitische gemeenschap(pen) zelf.
Onder welke voorwaarden kan de Islamitische gemeenschap komen tot een volwaardige Imam-opleiding in Nederland?
Een volwaardige imam-opleiding zoals beschreven in de brief, kan uitsluitend en alleen tot stand komen als een islamitische gemeenschap een overeenkomst weet te sluiten met een school voor voortgezet onderwijs. Een dergelijke overeenkomst bevat ten minste afspraken over het deel dat de school dient te regelen en een daarop afgestemd deel dat buiten de school geregeld moet worden. De afstemming kan, indien gewenst, ook via contractonderwijs geregeld worden tussen de islamitische gemeenschap(pen) en de school.
Niet uit te sluiten is ook de mogelijkheid dat een volwaardige imam-opleiding geheel buitenschools wordt opgezet vanuit de islamitische gemeenschap(pen).
Is het wel mogelijk om een Imam-opleiding binnen het voortgezet onderwijs te verzorgen, die als zodanig ook door de Moslimgemeenschappen zal worden erkend?
Neen, dat is niet mogelijk voor de gehele imam-opleiding. Het is alleen mogelijk voor zover het de binnenschoolse component betreft. Overigens is het de verantwoordelijkheid van de islamitische gemeenschap(pen) zelf om het buitenschoolse curriculum vast te stellen.
Op welke wijze zou een opleiding als bedoeld verder gestalte moeten krijgen? Met name: wie is onderwijsbevoegd; is er een controlerende rol weggelegd voor de inspectie van het onderwijs; hoe vindt financiering plaats?
Ik merk allereerst op dat het geven van godsdienstonderwijs een belangrijk aspect is van de opleiding. Voor het geven van godsdienstonderwijs zijn geen bevoegdheidseisen gesteld door de overheid. Voor de overige vakken in het binnenschoolse deel gelden de reguliere bevoegdheidsvoorschriften. De rol van de inspectie is voor zover de opleiding wordt verzorgd binnen de wettelijke kaders gelijk aan die bij de andere scholen. Zoals eerder gezegd dient de opleiding wat de binnenschoolse component betreft plaats te vinden binnen de wettelijke kaders. Voorzover het het benutten van de vrije ruimte betreft is de desbetreffende reguliere bekostiging van toepassing. De financiering van het buitenschoolse deel dient geheel onder verantwoordelijkheid van de islamitische gemeenschap(pen) plaats te vinden.
Wie stelt de normen voor een goede Imam-opleiding?
De betrokken scholen en islamitische gemeenschap(pen) kunnen in overleg, binnen de gegeven wettelijke kaders, normen voor een imam-opleiding vaststellen. Uiteraard binnen ieders eigen verantwoordelijkheid.
Worden de algemene conclusies die de Onderwijsraad trekt in zijn advies over de opleiding van Islamitische geestelijken in relatie tot het voortgezet onderwijs (blz. 10, advies Onderwijsraad, d.d. 20 oktober 1994) door de staatssecretaris onderschreven?
Ja.
Indien de vorige vraag bevestigend beantwoord wordt, is het juist dat voorstellen van Moslimgroeperingen m.b.t. het realiseren van de basis-Imam-opleiding op het niveau van het voortgezet onderwijs binnen de bestaande wettelijke kaders plaats moeten vinden? (blz. 10–11, advies Onderwijsraad)
Ja.
Welke praktische bezwaren kunnen er voortvloeien uit de invulling van de vrije ruimte in de basisvorming te behoeve van Islam-educatie?
Islam-educatie – die overigens van een geheel andere orde is dan een imam-opleiding – is mogelijk binnen de vrije ruimte. Scholen kunnen hieraan een eigen passende praktische invulling geven.
Biedt de vrije ruimte in het voortgezet onderwijs inhoudelijk voldoende ruimte om in een degelijke Imam-opleiding te voorzien?
Met de Onderwijsraad ben ik van oordeel dat de vrije ruimte die de Wet op het voortgezet onderwijs biedt niet toereikend is. Derhalve zullen er ook opleidingscomponenten door de islamitische gemeenschap(pen) zelf als buitenschoolse activiteiten moeten worden verzorgd.
Kan iedere godsdienstige groepering gebruik maken van de mogelijkheid om eigen geestelijken in de vrije ruimte in de basisvorming op te leiden, of wil de staatssecretaris daar nog enige criteria voor aanleggen?
Ik wil geen nadere criteria stellen ten aanzien van de vrije ruimte in de basisvorming. Overigens gaat het bij de imam-opleiding om de volledige vrije ruimte van de VWO/HAVO-opleiding. De vrije ruimte in de onderbouw van het voortgezet onderwijs alleen benutten is niet toereikend. Overigens kunnen islamitische gemeenschap(pen) hogere opleidingseisen stellen aan een imam. Verdere wetenschappelijke opleiding behoort tot de mogelijkheden. Elke godsdienstige groepering staat het vrij, de eigen gewenste opleidingsroutes te kiezen.
Is een minimum aan leerlingen met belangstelling voor Islam-educatie een voorwaarde voor het beschikbaar stellen van de vrije ruimte, of hangt het stellen van zo'n voorwaarde van de scholen af?
In beginsel kan elke school in het voortgezet onderwijs Islam-educatie in de vrije ruimte aanbieden. Dit zal, praktisch gezien, alleen voorkomen als er ingespeeld moet worden op een breder gedragen wensenpakket vanuit ouders en/of leerlingen. In het bijzonder zal dit voorkomen bij scholen met hogere concentraties van allochtone leerlingen met een islamitische achtergrond. De beslissingsbevoegdheid blijft bij de school.
Kan globaal worden aangegeven welke kwaliteitseisen en eindtermen er voor een opleiding voor Islamitische geestelijken binnen de vrije ruimte van de basisvorming moeten bestaan?
Op dit moment niet. Op basis van en binnen de juridische mogelijkheden kunnen islamitische gemeenschap(pen) samen met VO-scholen afspraken maken over kwaliteitseisen en eindtermen.
Kan nader toegelicht worden hoe de verantwoordelijkheden gezien moeten worden tussen enerzijds de scholen voor voortgezet onderwijs en anderzijds het onderwijs verzorgd via private gelden vanuit de Islamitische gemeenschappen?
Scholen blijven uiteraard gebonden aan de wettelijke voorschriften. Binnen het kader van die voorschriften regelt de school haar taken. De islamitische gemeenschap(pen) zijn verantwoordelijk voor het buitenschoolse curriculum. Ik ga er daarbij vanuit dat men onderlinge afspraken maakt ten behoeve van een goede afstemming.
Treedt er, bij actieve stimulering van het benutten van de in de brief genoemde mogelijkheid om Imams op te leiden op scholen voor het voortgezet onderwijs, geen vermenging op van «kerk» en staat?
Mijn intentie om goede voorlichting te geven over deze kwestie leidt niet tot een vermenging van kerk en staat. Met deze voorlichting beoog ik scholen, ouders en de islamitische gemeenschappen op de juiste wettelijke consequenties te wijzen.
Zou de staatssecretaris willen aangeven of er bij het benutten van de opleidingsmogelijkheid nog onderscheid is tussen bijzonder en openbaar onderwijs?
Terzake is geen onderscheid tussen bijzonder en openbaar onderwijs.
Kan het benutten van de opleidingsmogelijkheid door de Islamitische gemeenschap worden afgedwongen of hangt het alleen van de bereidheid van (het bevoegd gezag van) de school af?
Aangezien islamitische gemeenschappen geen eigen VO-scholen besturen hangt het kunnen verkrijgen van een imam-opleidingsmogelijkheid geheel af van de bereidheid van (het bevoegd gezag van) de school.
Bestaat er al duidelijkheid over of er scholen zijn, die bereid zijn hieraan hun medewerking te verlenen?
Er is op dit moment nog onvoldoende duidelijkheid of er scholen zijn die medewerking willen verlenen. Er zal op dit punt een verkenning plaats vinden (zie 37).
Is zo'n Imam-opleiding acceptabel voor alle richtingen binnen de Moslimgemeenschap in Nederland?
In principe staat de binnenschoolse component van de imam-opleiding open voor elke groepering binnen de aangegeven kaders. Het is mij overigens bekend dat de verschillende islamitische gemeenschappen een andere opleiding dan die van hun eigen richting niet zullen accepteren. Uiteraard zullen zowel de binnenschoolse als de buitenschoolse component slechts in overleg met de betreffende islamitische gemeenschap(pen) vorm krijgen.
Is de sunnitisch-islamitische richting de enige islamitische richting die erkend wordt? (blz. 17, advies Onderwijsraad) Zo ja, waarom? Welke van de verschillende stromingen binnen de Islam zijn vertegenwoordigd in Nederland? Hoeveel aanhang hebben deze afzonderlijke stromingen in Nederland?
Ja, dat is juist wat het basisonderwijs betreft, om de redenen die door de Onderwijsraad zijn genoemd.
In de bijlage bij deze vraag geef ik u een overzicht van de thans bij mij bekend zijnde islamitische stromingen die in Nederland voorkomen. Ik kan de aanhang van deze stromingen op dit moment niet kwantificeren. Overigens zal er bij de imam-opleiding geen sprake zijn van een erkenning door de overheid.
Heeft de staatssecretaris signalen dat ook andere groeperingen in de nabije toekomst een beroep zouden (kunnen) doen op een vergelijkbare opleiding? Bijvoorbeeld een joodse of een evangelische opleiding. Welke is haar opvatting hieromtrent?
Anders dan de Cheider-school, waar concretisering reeds heeft plaats gevonden, is mij niet bekend of er op dit moment andere religieuze groeperingen concrete plannen hebben met betrekking tot een vergelijkbare opleiding.
Bestaat inzicht in de regionale behoeften van islamitische gemeenschappen ten aanzien van Islam-educatie en mogelijke scholen voor voortgezet onderwijs die belangstelling voor de geboden mogelijkheid hebben? Welke initiatieven neemt de staatssecretaris om behoefte en belangstelling bij elkaar te brengen?
Uit een sondering van de Hogeschool Holland te Diemen bleek een eerste belangstelling bij VO-scholen voor Islam-educatie. Het gaat om scholen met een hoge concentratie moslim leerlingen. De scholen kunnen zelf onder eigen autonomie besluiten om hier programmatisch op in te spelen.
Is de staatssecretaris van mening dat, bij gebleken behoefte aan een opleiding als bedoeld, er een vervolgopleiding in hbo-verband zou moeten worden opgestart?
Binnen het kader van de Islam-educatie is verdere specialisatie via een HBO-opleiding sinds kort mogelijk. De hier geldende CROHO-procedure is gevolgd door de Hogeschool Holland te Diemen, wat zal leiden tot bekostiging van de opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de 2e graad in Islam-godsdienst met ingang van het studiejaar 1995–1996.
Voor vervolgopleidingsmogelijkheden voor een imam verwijs ik naar antwoord 12.
Is die voorbereidende Imam-opleiding ook toegankelijk voor meisjes?
Ook meisjes kunnen met deze opleiding, vast te stellen door de islamitische gemeenschap(pen) zelf, functies vervullen. Voor zover mij bekend is wordt er in de literatuur alleen gesproken over een mannelijke imam in de functie van gebedsvoorganger in een moskee. Wel komt het voor dat andere functies, behorend tot de imam-functie, wel uitgevoerd worden door vrouwen. Te denken valt hierbij o.a. aan leraar (hoca, vaize) en geestelijke verzorger.
Acht de staatssecretaris de door de Onderwijsraad aanbevolen constructie (om de gebruikelijke procedure voor het stichten van scholen voor voortgezet onderwijs te omzeilen, blz. 21, advies Onderwijsraad) toelaatbaar om te komen tot Islamitisch voortgezet onderwijs?
Het advies van de Onderwijsraad spreekt niet van het omzeilen van de wet maar van het bieden van een tijdelijke oplossingsmogelijkheid. Het gaat daarbij om het onder bepaalde voorwaarden slechts tijdelijk regelen van een gastleerlingsituatie. In het door de Onderwijsraad beschreven concrete geval bleek dat, binnen de wettelijke kaders, toelaatbaar.
Wordt in een voorkomend geval door deze constructie de identiteit van de bestaande onderwijsinstelling aangetast? Kan een school op deze wijze ook van kleur verschieten? Welke consequenties kan dit hebben voor het evenwichtig geheel van onderwijsvoorzieningen?
De identiteit van de onderwijsinstelling wordt daardoor niet aangetast waar het gaat om de wettelijke kaders terzake. De school kan alleen van kleur verschieten indien en voorzover het bevoegd gezag, binnen alle daarvoor geldende regels, de ruimte wil bieden.
Gelet op het incidentele karakter van een mogelijke regeling voor een dergelijk uitzonderingsgeval heeft zo'n situatie geen gevolg voor het evenwichtig geheel van de onderwijsvoorzieningen. Met het advies van de Onderwijsraad ben ik het eens dat de weg via art. 64 e.v. WVO de meest geëigende weg is voor het stichten van Islamitisch onderwijs.
Zal in het komende regeringsstandpunt met betrekking tot het rapport van de commissie-Van Wieringen ook aan de toelaatbaarheid van voornoemde constructie aandacht worden besteed?
De reactie op het rapport van de commissie Aanpassing scholenbestand «De school voor de samenleving» (de zogenoemde commissie Van Wieringen) is thans in voorbereiding. Ik ben bereid in de nog op te stellen reactie aandacht te besteden aan deze tijdelijke constructie.
Wordt het experiment met het zogenaamde Anadolu Imam-hatip lyceum in Turkije (blz. 37, advies Onderwijsraad) op enigerlei wijze door de Nederlandse overheid ondersteund? Op welke manier is de Nederlandse overheid betrokken bij dit experiment?
Neen. De Nederlandse overheid is op geen enkele wijze betrokken bij dit experiment.
De huidige wetgeving biedt kaders voor dans-, sport- en muziekopleidingen om vanaf jonge leeftijd een bepaalde techniek aan te leren naast reguliere vakken. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om deze kaders ook toe te passen op de basis-Imam-opleidingen?
Neen. Ik zie geen aanleiding om de wettelijke kaders voor deze genoemde opleidingen toe te passen op de opleiding-imam als het gaat om bijvoorbeeld het spreiden van het eindexamen over twee jaar met een aangepaste bekostiging. Wat de opleiding-imam betreft ga ik er van uit dat deze voor het deel van de binnenschoolse opleidingscomponent, binnen o.a. de vrije ruimte wordt verzorgd en dat de specifieke buitenschoolse opleidingscomponent door de islamitische gemeenschap(pen) zelf geschiedt.
De Onderwijsraad concludeert dat een bijzonder grote wissel wordt getrokken op het persoonlijke aanpassingsvermogen van de jongeren die deze experimentele opleiding volgen. Onderschrijft de staatssecretaris de conclusie van de Onderwijsraad in dezen?
Ja, ik heb er evenwel vertrouwen in dat de betrokkenen dit ook beseffen en daarmee rekening houden in de begeleiding van deze jongeren.
Is de staatssecretaris voornemens extra middelen in te zetten ter realisering van de Imam-opleidingen in het voortgezet onderwijs?
De imam-opleiding moet verzorgd worden binnen de wettelijke kaders en zal de daarbij behorende bekostiging krijgen. Voor extra middelen is dan ook geen noodzaak.
Deelt de staatssecretaris het standpunt dat het verzorgen van ambtsopleidingen geheel, en dus ook financieel, een verantwoordelijkheid van de betreffende religieuze groepering is?
Ik deel dit standpunt voor zover de opleiding buitenschools plaatsvindt, alsdan is het verzorgen ervan een verantwoordelijkheid van de religieuze groepering zelf.
Welke informatie zal aan alle betrokkenen bij deze aangelegenheid worden gegeven?
Ik zal duidelijke informatie laten samenstellen voor alle betrokkenen bij deze aangelegenheden. Daarmee zal ook aan het veld duidelijk zijn waar de mogelijkheden en grenzen liggen voor initiatieven met scholen in het voortgezet onderwijs (zie ook 16).
Worden naast de voorlichtende werkzaamheden door het departement ook nog andere initiatieven genomen die de totstandkoming van Islam-educatie in het voortgezet onderwijs bevorderen?
Neen. De voorlichting zal ik geheel voor eigen rekening laten samenstellen. Overigens ligt het voor de hand dat de SLO op verzoek van islamitische gemeenschap(pen), desgewenst hulp biedt bij kwesties op het terrein van de leerplanontwikkeling.
Deelt de staatssecretaris de mening dat haar interpretatie van de mogelijkheden binnen het voortgezet onderwijs ten aanzien van Islam-educatie, niet leidt tot een volwaardige Imam-opleiding, maar gezien kan worden als een voortraject tot verschillende functies?
Ja, ik deel deze visie, omdat de Islam-educatie van andere orde is dan de imam-opleiding.
Ligt er een sociaal-cultureel motief ten grondslag aan het wijzen op deze mogelijkheden? Wil de staatssecretaris met het wijzen op deze mogelijkheid en het samenstellen van duidelijke informatie hierover de integratie van de islamitische minderheid bevorderen? Zou de staatssecretaris hier explicieter over kunnen zijn?
Ja, de islamitische gemeenschappen hebben blijk gegeven van hun wens en behoefte. Daarbij is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar een imam die de Nederlandse samenleving goed kent. Juist door de imam-opleiding aan een Nederlandse school te verbinden kunnen zowel de wensen van de islamitische gemeenschap(pen) als mijn visie op inpassing in de Nederlandse multiculturele samenleving tot hun recht komen.
Aangezien ik hecht aan goede voorlichting maar ook aan het reëel benutten van de door de Onderwijsraad geschetste kaders voor Islam-educatie alsmede een imam-opleiding zal ik proberen een «terreinverkenner» aan te stellen die de lijn als door de Onderwijsraad verwoord zal communiceren met de islamitische gemeenschap(pen) en scholen en die mij bruikbare adviezen kan verschaffen over de best mogelijke aanpak.
bij antwoord 21
Islamitische groeperingen:1
1. De twee hoofdrichtingen in de islam:
a. de soennieten; zijrichting o.a. Ahmadiyyah
b. de shiiten; zijrichting o.a. alevieten.
2. In beide hoofdrichtingen kan men onderscheid maken tussen:
a. de normatieve islam;
b. de mystieke en levensbeschouwelijke stromingen;
c. de lokale islam.
3. M.b.t. de plaats van de islam binnen het overheidsbeleid van landen onderscheidt men:
a. «officiële islam»;
b. «parallelle islam».
4. Een verzameling van protestbewegingen in de islamitische wereld, die zich baseren op het politiek-mobiliserend vermogen van de islam, wordt met de term islamisme aangeduid.
Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), M. M. H. Kamp (VVD), voorzitter, De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp (CDA), Boers-Wijnberg (CDA), Huys (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks (HDRK), Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Hirsch Ballin (CDA), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk (PvdA) en Van Vliet (D66).
Plv. leden: Schutte (GPV), Dees (VVD), Valk (PvdA), Marijnissen (SP), Duivesteijn (PvdA), Beinema (CDA), Reitsma (CDA), Lilipaly (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Sipkes (GroenLinks), Bakker (D66), Van 't Riet (D66), Deetman (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Lansink (CDA), Middel (PvdA), Leerkes (U 55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD), Korthals (VVD), Van Erp (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Zuijlen (PvdA) en Verhagen (CDA).
Bron: Landman, N., Van mat tot minaret, De institutionalisering van de islam in Nederland, VU uitgeverij, Amsterdam, 1992.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23901-15.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.