23 900 IXB
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het ministerie van Financiën (IXB) voor het jaar 1995

nr. 13
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 14 februari 1995

De vaste Commissie voor Financiën1 heeft op 31 januari 1995 overleg gevoerd met de Minister van Financiën en de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking over:

– de brief van 6 december 1994 inzake het verslag van de bijeenkomsten van de ministers en de Centrale-Bankgouverneurs van de landen van de Groep van Tien, van het Development Comité en van de jaarvergadering van het IMF en de Wereldbankgroep (23 900-IXB, nr. 8);

– de brief van 10 oktober 1994 inzake het verslag van de bijeenkomst van het Interim Comité die op 2 oktober 1994 in het kader van de jaarvergadering van het IMF en de Wereldbankgroep te Madrid is gehouden (23 900-IXB, nr. 6).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer De Jong (CDA) stemde in met de Nederlandse stellingname in de discussie over de toekomst van de Bretton Woods-instellingen. IMF en Wereldbank moeten ieder hun eigen taak blijven vervullen. Zo moet het IMF zich richten op monetair toezicht, een lichte vorm van coördinatie op monetair gebied en hulp bij betalingsbalans-problemen. Nu een overgang naar een systeem met vaste wisselkoersen of doelzones niet wordt overwogen, kan het IMF zich richten op beheersing van de turbulentie op de internationale kapitaalmarkt. Ondanks mogelijke effecten op de toonzetting ervan, drong hij aan op openbaarmaking van de IMF-landenstudies. Ook kan het IMF een rol spelen bij de rapportage over externe effecten van beleidsvoornemens van aangesloten landen. Samenwerking tussen IMF en Wereldbank bij het bereiken van structurele aanpassingen in ontwikkelingslanden moet worden voortgezet. Daarbij kan het IMF de Wereldbank adviseren. De Wereldbank moet zich primair richten op armoedebestrijding in de allerarmste en de midden-inkomenslanden, via financiering van uitgaven waarin particuliere banken niet geïnteresseerd zijn. Daarbij moet het IFC niet als een gewone bank functioneren, maar als spil in de samenwerking tussen Wereldbank en particuliere markt. Naar aanleiding van discussies over het Wapenhans-rapport en kritische uitlatingen van oud-functionarissen van de Wereldbank vroeg hij aandacht voor de organisatorische opzet van deze organisatie.

Tot zijn genoegen constateerde de heer De Jong dat een aantal ontwikkelingslanden het in de discussie over trekkingsrechten aandurfde om zijn stem te verheffen tegen de G-7. Hij zou het toejuichen als dit leidde tot een doorbreking van de dominante rol van de G-7 binnen het IMF. Mede naar aanleiding van dit optreden van de ontwikkelingslanden vroeg hij om een toelichting (eventueel in de vorm van een notitie) op de «link» tussen trekkingsrechten en ontwikkelingshulp. Als zo'n «link» wordt aangebracht, mag het niet blijven bij een nominale exercitie, maar moet het gaan om een reële transfer van middelen naar ontwikkelingslanden. Ook mag het niet leiden tot substitutie van reguliere ontwikkelingshulp door rijke landen.

De heer De Jong vond dat IMF en Wereldbank moeten vasthouden aan de condities voor het verstrekken van leningen, ook als het gaat om financiering van transitielanden. Speciale aandacht vroeg hij daarbij voor de financiering van Rusland, dat in een oorlog verwikkeld is. Is het waar dat er tijdens de bijeenkomst van de G-7 te Napels in de schuldenproblematiek een doorbraak is bereikt? De multilaterale schuldenproblematiek dient van geval tot geval te worden bezien. In dat verband bepleitte hij afzwakking van de preferente status van IMF en Wereldbank als crediteur. Weliswaar kan hierdoor de «triple-A-status» in gevaar komen, maar dit kan ook gebeuren als men jarenlang een voorraad dubieuze debiteuren op de balans handhaaft. Zou het niet verstandig zijn om een verbinding te leggen met de «club van Parijs» en de «club van Londen»? Men kan bilaterale donoren wel aansporen om bij te dragen aan het wegwerken van multilaterale schulden, maar in feite is dat een «vestzak-broekzak-operatie», omdat zij ook aandeelhouder zijn van de multilaterale instellingen. Deze instellingen mogen zich aan de oplossing van dit probleem niet onttrekken, omdat zij zelf hebben toegelaten dat leningen niet werden afgelost conform de voorwaarden. Als zij het initiatief nemen, komt er wellicht een evenredige verdeling over donoren tot stand. Overigens stemde hij in met ondersteuning van het Engelse initiatief tot verkoop van een deel van de goudvoorraad van het IMF ter verlichting van de problemen van de armste schuldenlanden.

Mevrouw Roethof (D66) stelde de discussie tijdens dit algemeen overleg in het licht van de in maart aanstaande te verwachten notitie over de toekomst van de Bretton Woods-instellingen en de aandacht die haar fractie bij de behandeling van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking vroeg voor de internationale handel en de schuldenproblematiek. Met het oog hierop juichte zij de deelname van de minister van Financiën aan de herijking van het buitenlands beleid toe. In dat verband vroeg zij aandacht voor een verstandige, minder hardvochtige benadering van het schuldenvraagstuk. Dit is vooral van belang voor de landen van sub-Sahara Afrika, wier multilaterale schuldenlast sinds 1980 meer dan vervijfvoudigde. Rente en aflossing ervan worden nu betaald door bilaterale donoren als Nederland, maar toch is er minder ruimte voor armoedebestrijding en onderwijs aan vrouwen. Hoelang kan hiermee worden doorgegaan als de schuld blijft stijgen? De huidige aanpak van het schuldenprobleem roept weerstand tegen multilaterale instellingen op, omdat zij in feite bepalen hoe bilaterale hulp wordt besteed. Dit is een van de oorzaken van de in Madrid ontstane patstelling tussen de G-7 en de ontwikkelingslanden. Zij bepleitte een structurele oplossing, vergelijkbaar met het Brady-plan uit 1989. Tegen deze achtergrond oordeelde zij positief over het voorstel tot verkoop van een deel van de goudvoorraad van het IMF.

Mevrouw Roethof vroeg aandacht voor de tanende invloed van het IMF op speculatieve geldstromen. Doordat regeringen alleen letten op nationale of regionale monetaire belangen en geen oog hebben voor de toename van grensoverschrijdende investeringen door particulieren, dreigt economische onevenwichtigheid. Verder moet er rekening mee worden gehouden dat nu ook de World Trade Organisation (WTO) op het toneel is verschenen. Uit de stukken maakte zij op dat er geen steun was voor een overkoepelend orgaan dat het werk van IMF, Wereldbank en WTO zou moeten coördineren. Is er een voorstel in die richting gedaan en zo ja, door wie, en wat was de inhoud ervan? Naar aanleiding van eerdere uitspraken van de bewindslieden die erop neerkwamen dat het IMF mondiaal pas echt een sterke positie kan krijgen als de G-7 hun dominante positie verliezen en een minder naar binnen gekeerd beleid wordt gevoerd, vroeg zij hoever Nederland wenst te gaan in het afwijzen van onderonsjes tussen landen met de sterkste valuta. Hoe vallen deze uitspraken te rijmen met de Nederlandse opstelling in de SDR-kwestie (special drawing rights)? Is het geen groot nadeel dat de door de Amerikanen en Britten voorgestane allocatie een statutenwijziging vergt die zeker twee jaar in beslag neemt? Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat het versterken van de reserves van de transitielanden een politieke prioriteit van de hoogste orde is. Steunt Nederland het voorstel van de Bretton Woods-commissie om het IMF te belasten met het secretariaat van de G-7? Wat vindt Nederland van de vorming van een extern adviescomité van «private-sector individuals, familiar with the working of the financial system»? Uit diens speech van 10 december jl. voor de Koninklijke Vereniging voor Staathuishoudkunde valt op te maken dat de heer Witteveen zeer somber is over het vermogen van het IMF om haar kerntaak uit te voeren. In aanvulling op het voorstel van de Bretton Woods-commissie voor flexibele wisselkoersen lanceerde hij het idee om de Amerikaanse autoriteiten te vragen hun tekorten in de wereldkapitaalmarkten te financieren via leningen in niet-dollar valuta's. Ook aan andere landen wier valuta's in trek zijn (Japan, Duitsland) zou dit kunnen worden gevraagd. Wat vindt de minister hiervan? Dat ontwikkelingslanden meer en meer in staat zijn om particulier kapitaal aan te trekken is een goede ontwikkeling, maar dit maakt ze wel kwetsbaarder voor speculatie. Hoe oordeelt de minister in dit verband over het idee van de voorzitter van de G-24 om een noodfonds in te stellen voor landen die buiten hun schuld worden getroffen door kapitaalvlucht?

Hoewel het IMF zich ten aanzien van het GOS en ook ten aanzien van Rusland zeker van zijn beste kant heeft laten zien, en ook leningen heeft verstrekt aan republieken die nog lang niet aan de voorwaarden van «good governance» voldoen, blijven de wegen van het Fonds soms ondoorgrondelijk en ligt het gevaar van nonchalance en nalatigheid op de loer. Speciale aandacht vroeg zij voor Macedonië, dat een deel van de IMF-schuld van het vroegere Joegoslavië moet afbetalen, zonder daar ooit zelf van te hebben geprofiteerd. Zolang dat niet is gebeurd, blijven de IMF-loketten gesloten, ook al voldeed het land aan de voorwaarden van «good governance». Hoewel Nederland reeds heeft bijgedragen aan een oplossing voor dit probleem, vroeg zij de minister hierin verder te gaan, zeker ook omdat dit land ligt aan de grens van de bloedigste oorlog die Europa sinds 1945 heeft geteisterd. Is de minister in de context van de herijking bereid op zijn manier een bijdrage te leveren aan het versterken van de instrumenten van buitenlands beleid?

De heer Van der Ploeg (PvdA) uitte zich positief over het Britse voorstel voor de aanpak van de schulden van de armste landen. Hoe staat de regering hier tegenover? Wijzend op de vergaande gevolgen die aflossing van deze schulden heeft voor ontwikkelingslanden, alsmede op de door de NOVIB gehouden pleidooien op dit punt, drong hij aan op een multilaterale bezinning op de terugdringing van dit probleem. Voor de transitielanden van Midden- en Oost-Europa is deelname aan het SDR-mechanisme van groot belang. Daarom vroeg hij de minister van Financiën speciale aandacht te schenken aan een allocatie van SDR's die voordelig uitpakt voor deze landen. Hij betreurde het dat de patstelling van Madrid verhoging van de toegangslimieten en verlenging van de speciale faciliteit voor transitielanden blokkeert.

Voornaamste taak van het IMF vond de heer Van der Ploeg het bevorderen van een mondiaal geordend systeem van wisselkoersen door middel van beleidscoördinatie. Dat kan niet worden overgelaten aan de G-7 want die heeft daarvoor een te beperkte blik op de mondiale ontwikkeling. Hoe ziet de regering dit? De rol van de Wereldbank baarde hem zorgen. Deze instelling begint steeds meer te lijken op een fonds als het IMF dat zich richt op een macro-economische aanpak. Hij vroeg daarom aandacht voor een duidelijke taakafbakening tussen beide instellingen en voor een sterke coördinatie van activiteiten ervan. Een overkoepelend orgaan achtte hij hiervoor niet nodig; er is al te veel bureaucratie. Welke rol kan Nederland hierbij spelen?

De heer Van der Ploeg wees erop dat op instigatie van instellingen als de Wereldbank ontwikkelingslanden hun beleid hebben gericht op export. Het hieruit voortvloeiende overaanbod van bepaalde produkten leidde tot dalende prijzen en noopte landen (mede op aandringen van het IMF) tot structurele aanpassingen. Is het geweld in een land als Rwanda wellicht het gevolg van dit soort economische processen en zo ja, is deze relatie ook te leggen voor andere landen? De Wereldbank moet zich minder richten op het ondersteunen van allerlei economische activiteiten, maar zich bescheiden opstellen en zich meer richten op echte armoedebestrijding, op «human development» en op effectieve hulpverlening. Gedacht kan worden aan onderwijsprojecten (met name voor meisjes) want die hebben het hoogste ontwikkelingsrendement. Door hulpverlening «demand-driven» te maken, ontstaat het gevaar dat vooral de machtigen in ontwikkelingslanden er via hun lobby's van profiteren. Voor de allerarmste landen kan de Wereldbank projectfinancier zijn. Voor de midden-inkomenslanden moet de Bank meer functioneren als consultant. Verder kan de Wereldbank een coördinerende rol spelen bij de verlening van multilaterale ontwikkelingshulp.

De grote stroom particulier kapitaal die de laatste jaren naar ontwikkelingslanden vloeit, boezemde de heer Van der Ploeg vertrouwen in. Leidt dit, gecombineerd met de toenemende integratie van de mondiale kapitaalmarkt, tot een andere visie op ontwikkelingshulp? Welke waarde moet worden gehecht aan Engels onderzoek, dat uitwijst dat er geen echt verband is tussen hulpverlening en economische ontwikkeling en dat aantoont dat geoormerkte hulpverlening vaak voor andere doeleinden wordt gebruikt? Wat betekent dit voor het beleid van de Wereldbank en het verstrekken van ontwikkelingshulp? Desgevraagd benadrukte hij dat hieruit geen pleidooi voor verlaging van ontwikkelingshulp mag worden geconcludeerd; eerder het tegendeel.

Ondanks de opname van textiel en kleding in het mondiale systeem vond de heer Van der Ploeg dat de implementatie van de Uruguay-ronde te traag verloopt. Vooral de landen in Midden- en Oost-Europa kampen met de gevolgen hiervan. Om de transitielanden een eerlijke kans op ontwikkeling te geven moeten vele handelsbelemmeringen en omvangrijke specifieke exportsubsidies worden weggenomen. De onderlinge economische afhankelijkheid maakt dat invoersubstitutie en exclusief bilateralisme geen opties meer zijn. Nederland moet zich ervoor inzetten dat de transitielanden zo snel mogelijk kunnen toetreden tot de WTO. Overigens wees hij erop dat de opkomst van meer en meer handelsblokken negatieve gevolgen kan hebben voor het streven naar mondiale vrijhandel. Behoren IMF en Wereldbank hier invloed op te kunnen uitoefenen, of niet? Welke gevolgen heeft dit voor deze instellingen?

De heer Hessing (VVD) was ook van mening dat IMF en Wereldbank zich zoveel mogelijk moeten richten op het vervullen van hun oorspronkelijke functies. Ook vroeg hij aandacht voor een duidelijke afbakening van de taken van beide instellingen. Tegen deze achtergrond zette hij vraagtekens bij het voorstel tot verkoop van een deel van de goudvoorraad van het IMF, te meer daar aan deze transactie risico's zijn verbonden en er slechts een klein effect is op een heel klein deel van de totale schuldendienst. In plaats van zich te richten op aflossing van schulden kan het IMF zich beter bezighouden met de ordening van de mondiale kapitaalstromen en versterking van de surveillance-functie. Kan dit laatste ertoe leiden dat problemen als die van Mexico, eerder worden gesignaleerd? De Wereldbank moet zich vooral richten op de implementatie van nieuwe oriëntaties en op armoedebestrijding in de allerarmste landen. Men moet zich minder richten op landen die op eigen kracht voldoende buitenlands kapitaal kunnen aantrekken en een deel van de eigen middelen voor de publieke sector kunnen genereren. Hij verbaasde zich erover dat via strategische lening-operaties wordt geprobeerd om de betrokkenheid van de Bank bij de publieke sector te handhaven. Het is goed dat een particuliere-sectorstrategie wordt ontwikkeld. Wat houdt die in en kan die er op korte termijn zijn, want het kan leiden tot verkleining van de organisatie van de Wereldbank en verbetering van het management.

Gezien het grote belang hiervan voor de landen in Midden- en Oost-Europa betreurde de heer Hessing het dat door de patstelling van Madrid de verlenging van de Systemic Transformation Facility (STF) is geblokkeerd. Hoe kan dit weer vlot worden getrokken? Naast verlenging van de STF is voor deze landen ook van belang dat voortgang wordt gemaakt met de versterking van de markteconomie, de bevordering van de handel enz. Gezien de huidige situatie op de internationale kapitaalmarkt zette hij vraagtekens bij de behoefte aan SDR's, die hij beschouwde als een vorm van monetaire geldschepping. Is de minister het ermee eens dat het, gezien de geringe behoefte, goed zou zijn om hier een punt achter te zetten?

Tot zijn genoegen constateerde de heer Hessing dat de particuliere sector de laatste jaren veel meer investeert in ontwikkelingslanden. Als landen een goed financieel-economisch beleid blijven voeren en goede investeringsmogelijkheden blijven bieden, zal deze tendens ongetwijfeld worden gecontinueerd. Hierin past ook de nadruk die wordt gelegd op het «demand-driven» zijn van hulpverlening en het opzetten van «project implementation units» buiten de reguliere structuur van de publieke sector in het hulpontvangende land. Het bevreemdde hem enigszins dat van Nederlandse zijde is benadrukt dat tendensen tot vermindering van officiële hulpstromen moeten worden tegengegaan. Hulpverlening moet geen doel op zich worden, zeker niet als blijkt dat het ook (sneller) kan via de particuliere sector.

De heer Hessing vroeg naar de stand van zaken bij de samenstelling van de «task force on multilateral development banks». Welke doelen heeft deze task force en hoe denkt men die te bereiken? Past Nederland de door de heer Camdessus omschreven ingrediënten voor «high quality growth» toe in het eigen beleid? Kunnen deze ingrediënten in de plaats komen van een aantal zeer gedetailleerde criteria die uit de Nederlandse cultuur voortkomen?

Het antwoord van de bewindslieden

De minister van Financiën kondigde aan dat de nota over de Bretton Woods-instellingen in april 1995 kan worden verwacht. Hij bevestigde dat deze instellingen zich op hun oorspronkelijke doelstellingen moeten blijven richten. Tegen deze achtergrond was hij er niet voor om taken van het IMF op het gebied van internationale beleidscoördinatie over te hevelen naar de G-7. Met het beleid ten aanzien van de organisatie van de Wereldbank stemde hij in, daarbij aantekenend dat het altijd moeilijk is om te oordelen over de gewenste omvang van een organisatie. Na de reorganisatie van 1991 heeft het Wapenhans-rapport nog geleid tot inhoudelijke beleidsaanpassingen. In de afgelopen jaren zijn de exploitatiekosten van de Wereldbank gelijk gebleven. Zowel voor 1996 als 1997 is een reële reductie van 6% voorzien. Na enige strubbelingen in het verleden zijn er thans geen wrijvingen meer tussen IMF en Wereldbank. Voor een overkoepelende organisatie voor IMF, Wereldbank en WTO voelde hij niet. Dit zou slechts leiden tot meer bureaucratie. In de behoefte aan coördinatie is reeds voorzien doordat in de vertegenwoordiging van de diverse landen bij deze instellingen personele unies voorkomen en ook intern de nodige aandacht aan afstemming wordt gegeven. Het is van groot belang dat beide instellingen de conditionaliteit van hun hulpverlening strikt handhaven, omdat dit het enige instrument is om hun coördinerende en adviserende functie kracht bij te zetten. Mede om die reden zag hij niet veel in een noodfonds voor betalingsbalanssteun. Bovendien kan het IMF reeds een buitengewone voorziening in de trekkingsrechten toekennen in noodgevallen. In bijzondere gevallen zal ad hoc een oplossing moeten worden gezocht. Zo is in het geval van Mexico toegestaan om tot zelfs meer dan 300% van het quotum te trekken.

Tegen publikatie van landenrapporten ter versterking van de surveillance-functie van het IMF had de minister geen overwegend bezwaar. Hoewel het gevaar aanwezig is dat tussen het IMF en het betrokken land meningsverschillen ontstaan over de te publiceren tekst, ging hij ervan uit dat van publikatie per saldo een disciplinerende werking kan uitgaan, zeker als landen bereid zijn om onderlinge kritiek te aanvaarden. Het IMF zelf ziet nog wel de nodige problemen op dit gebied, vooral waar het gaat om ontwikkelingslanden of om zaken die politiek delicaat liggen. Uitgangspunt moet zijn dat àlle landen door het IMF beoordeeld moeten kunnen worden. De G-7 kan daar niet min of meer buiten worden gehouden. Tegen deze achtergrond stond hij buitengewoon huiverig tegenover de gedachte om het IMF het secretariaat van de G-7 te laten verzorgen. Ook zag hij niet veel in de vorming van een extern adviescomité van «senior private individuals».

Ook de minister bekende met enig genoegen te hebben geconstateerd dat de G-7 hun voorstel voor een SDR-allocatie niet zonder meer door het Interim Comité konden loodsen. Hij had niet de indruk dat hun opstelling voortvloeide uit wraakgevoelens jegens het IMF en de Wereldbank, maar uit een wat arrogante opstelling van de G-7 en een hoge ambitie bij ontwikkelingslanden betreffende de toedeling van SDR's. Hoewel Nederland, uitgaande van de eigen voorkeur, steeds heeft aangestuurd op het bereiken van een compromis, moest worden geconstateerd dat blokvorming het bereiken van overeenstemming belemmerde. Overigens uitte ook de minister twijfel over de wezenlijke noodzaak van een nieuwe SDR-allocatie voor de mondiale liquiditeitspositie. Het rechttrekken van de situatie ten opzichte van de transitielanden was het belangrijkste motief voor de Nederlandse opstelling in deze. Daarom betreurde hij het te meer dat de patstelling van Madrid de verlenging van de STF blokkeerde. Inmiddels is overigens enige verlichting geboden doordat het algemeen trekkingsrecht tot 100% quotum per jaar is verhoogd en de bestaande STF is verlengd tot april 1995. Nederland heeft intussen zijn diensten aangeboden bij het zoeken naar een compromis voor het SDR-probleem. Op dit moment is er nog weinig voortgang geboekt, maar tijdens een bijeenkomst in april aanstaande te Washington moet hierover overeenstemming worden bereikt.

In een nota over de multilaterale schuldenproblematiek, die de minister in maart aanstaande aan de Kamer hoopte te kunnen toezenden, zal nader worden ingegaan op het Engelse voorstel tot verkoop van 10% van de goudvoorraad van het IMF. Risico's hierbij kunnen worden beperkt door de opbrengst te beleggen in degelijke valuta. Op zich stond hij redelijk positief tegenover dit voorstel om de samenstelling van de reserves te veranderen, dat per jaar een paar honderd mln. dollar aan rente kan opbrengen, die kan worden gebruikt voor schuldendienstverlichting. De afspraken die de G-7 te Napels maakte over de schuldenproblematiek vormden geen echte doorbraak op dit gebied. Wel zijn in de Club van Parijs recentelijke afspraken gemaakt over de zogenaamde «Napels behandeling». Zij komen erop neer dat landen die minstens drie jaar achtereen goed aanpassings- een betalingsgedrag hebben getoond, kunnen worden beloond met een schuldreductie. Het zonder meer kwijtschelden van schulden kan neerkomen op beloning van slecht gedrag.

De minister bestreed dat IMF en Wereldbank tekort zijn geschoten bij de oplossing van problemen van Macedonië als gevolg van de verdeling van de schuld van het voormalige Joegoslavië. Veeleer werd dit veroorzaakt door het achterwege blijven van voldoende bilaterale bijdragen. Nederland treft hierbij geen blaam. Inmiddels is Macedonië weer een volwaardig lid van de Wereldbank. Dit geval toont aan dat ook overwegingen van veiligheidspolitiek een rol kunnen spelen in het beleid van de minister van Financiën. Mede vanuit die optiek is bij de EU aangedrongen op steun voor de Oekraïne. Hij was voornemens niet alleen als bewaker van de schatkist deel te nemen aan de discussie over de herijking van het buitenlands beleid, maar daarbij ook een inhoudelijke financieel-economische inbreng te leveren.

In het voorstel van de heer Witteveen zag de minister niet veel, omdat het niet afdoet aan het beslag dat het Amerikaanse tekort nu reeds legt op mondiale besparingen. Bovendien is er niet altijd een direct verband tussen wat een overheid leent en de betalingsbalanspositie van een land. Amerika moet haar tekort op de betalingsbalans primair oplossen door een betere afstemming van Amerikaanse besparingen op Amerikaanse investeringen.

Dat de opkomst van regionale handelsblokken op enigszins gespannen voet kan staan met het streven naar mondiale vrijhandel ontkende de minister niet. In navolging van GATT-directeur Sutherland oordeelde hij per saldo positief over deze ontwikkeling, mits die gepaard gaat met verlaging van de buitengrenzen van de regionale vrijhandelszones.

De minister constateerde dat monetaire autoriteiten steeds moeilijker hun rol kunnen vervullen als gevolg van de sterke groei van internationale particuliere kapitaalstromen, die meer en meer vraag- en marktgericht zijn. Publieke kapitaalstromen blijven nodig voor de ontwikkeling van projecten die onaantrekkelijk zijn voor particuliere investeerders, maar die wezenlijk zijn voor de economische ontwikkeling van een land. Hoewel het toenemend vertrouwen van particuliere investeerders in ontwikkelingslanden op zich een positieve ontwikkeling is, vormt het een extra complicatie omdat achter de particuliere kapitaalstromen een steeds diffuser wordend aantal partijen zit: liep in de jaren tachtig nog zo'n 80% van de kredieten via banken, thans is dat nog maar 25%. Ook leidt de verschuiving naar particuliere geldstromen in het geval van een crisis al snel tot het risico van kapitaalvlucht. Derhalve moet het beleid meer en meer op preventie worden gericht. Uit de problemen die Mexico heeft ondervonden, kan worden geleerd dat het vrij riskant is om te zeer te leunen op kapitaalimport en financiering van investeringen met korte leningen. Men kan zich beter richten op directe investeringen met een duurzaam karakter en op lange leningen.

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking sloot zich aan bij opmerkingen van de minister van Financiën over de rol van de Wereldbank en verwees voor een verdergaande discussie hierover naar de nota over de toekomst van de Bretton Woods-instellingen. Ook sloot hij zich aan bij opmerkingen van zijn collega over de SDR-allocatie. Desgevraagd gaf hij te kennen de door de heer Camdessus genoemde ingrediënten voor «high quality growth» te beschouwen als een goed voorbeeld van de door hem voorgestane, voortgaande ontschotting in het denken tussen Wereldbank en IMF. Effectiviteitsverlies doordat activiteiten van beide instellingen elkaar gedeeltelijk overlappen is niet altijd te vermijden, maar daar staat de winst van een gemeenschappelijke opstelling tegenover.

De Task force on multilateral development banks is inmiddels ingesteld. De Nederlandse oud-ambassadeur Hoekman heeft zitting in de groep. Hoewel met hem wel overleg wordt gepleegd, heeft hij geen specifieke instructie meegekregen. In december jl. is de task force voor het eerst bijeengekomen; de eerste rapportage wordt in de loop van 1995 verwacht. De task force is het resultaat van een politiek onderhandelingsklimaat dat zich richt op verlaging van ontwikkelingsfondsen. Dit probeert men te beargumenteren door de groep te laten studeren op mogelijkheden tot betere samenwerking tussen de diverse multilaterale ontwikkelingsbanken. Enerzijds is op het functioneren van sommige van deze instellingen wellicht het een en ander aan te merken, maar anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat een zekere competitie gunstig kan zijn voor het functioneren van dit soort instellingen. Ook kan het van belang zijn om bij hulpverlening gebruik te kunnen maken van organisaties die specifieke deskundigheid hebben ontwikkeld over de regio waarin zij actief zijn. De minister vond dat de doelstelling van de task force niet zou moeten betekenen dat deze zou adviseren tot stroomlijning van de organisatie van de Wereldbank. Over het beleids- en beheersmatige optreden van deze instelling oordeelde hij positief, terwijl hij desbetreffende kritiek van oud-medewerkers van de Wereldbank bestempelde als overmatig en niet maatgevend. Om goed te kunnen functioneren heeft een internationale organisatie een minimale omvang nodig. Duidelijk moet zijn boven welk plafond hulpverlening minder effectief wordt.

Nederland is er voor dat de Wereldbank zijn beleid richt op graduatie, op een geleidelijke toename van het aantal landen dat minder behoefte heeft aan zachte financiering door de Wereldbank. De daarbij te hanteren criteria moeten gericht zijn op de behoefte van de ontwikkelingslanden en niet op die van de kapitaalverstrekkers. Particulier kapitaal zal in het algemeen vloeien naar marktgerichte activiteiten. Om een dualistische situatie in de betrokken landen te voorkomen blijft het wenselijk om tegelijk ook voldoende publiek kapitaal in te zetten en aandacht te blijven geven aan sociale sectoren. Tegen deze achtergrond was de minister sterk voor het voeren van dialogen tussen de Wereldbank en ontwikkelingslanden over het totale ontwikkelingsbeleid. De Bank kan dan via beleidsadviezen en strategische leningen helpen bij het ontwikkelen van een beleidskader waarin de financieringsbehoefte van de particuliere en publieke sector op elkaar wordt afgestemd. Daarbij is het juist voor een multilaterale instelling als de Wereldbank goed mogelijk om in het kader van een evenwichtige behoeftebepaling ook aandacht te vragen voor de sociaal zwakkeren. Om voor het bovenbedoelde beleid voldoende steun te krijgen bij hulpverleners, moet het aantoonbaar zijn dat langs deze weg effectief hulp kan worden verleend. Gebeurt dat niet, dan zal vanuit de gedachte dat er toch voldoende particulier kapitaal vrijkomt, al snel de neiging ontstaan om minder aandacht te geven aan publieke investeringen. Het volume van de hulp zal in de toekomst moeten worden bepaald door enerzijds de behoeften en anderzijds de mogelijkheden om effectief aan deze behoeften tegemoet te komen. Vandaar dat bij de herijking van het buitenlands beleid veel aandacht zal worden besteed aan effectiviteit van hulpverlening. De betrokken multilaterale instellingen hebben overigens positief gereageerd op dit Nederlandse standpunt.

Nadere gedachtenwisseling

Mevrouw Roethof (D66) betwijfelde of de verkoop van een deel van de goudvoorraad van het IMF leidt tot een structurele oplossing voor de multilaterale schuldenproblematiek, aangezien alleen al de landen van sub-Sahara Afrika kampen met een schuld van 54 mld. dollar. Welke ideeën heeft de minister voor versterking van de surveillance-functie van het IMF? Zij wees er nog op dat het idee van de heer Witteveen zich richtte op het tegengaan van de inflatie-impuls die het beleid van de VS, Duitsland en Japan op de wereldeconomie heeft. Verwijzend naar de non-tarifaire maatregelen waarmee de Europese industrie wordt beschermd tegen externe concurrentie, zette zij vraagtekens bij het positieve effect van de vorming van regionale vrijhandelszones op de liberalisering van de wereldeconomie.

De minister van Financiën verwees voor een nadere discussie over de multilaterale schuldenproblematiek naar de desbetreffende nota. Afgezien van het probleem dat de Verenigde Staten zich het beleid niet door anderen zullen laten voorschrijven, wees hij erop dat nadere bestudering van dit idee door ambtenaren van zijn ministerie leidde tot de conclusie dat het door de heer Witteveen voorgestelde verbod op tekort-financiering in eigen valuta niet dè oplossing is voor het gesignaleerde probleem. Ten slotte wees hij erop dat regionale vrijhandelszones geleidelijk zijn ontstaan en uitgebreid en zich dynamisch ontwikkelen. Alleen al de ervaring die wordt opgedaan met het concurreren binnen een groter geheel maakt het voor landen gemakkelijker om verlaging van buitengrenzen te accepteren.

De voorzitter van de commissie,

Ybema

De griffier van de commissie,

Van Overbeeke


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), De Korte (VVD), ondervoorzitter, Van Rey (VVD), Terpstra (CDA), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Vlie- genthart (PvdA), Ybema (D66), voorzitter, De Jong (CDA), Schimmel (D66), Van Gijzel (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Hillen (CDA), Van Heemst (PvdA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Giskes (D66), H.G.J. Kamp (VVD), Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Hoogervorst (VVD), Van der Ploeg (PvdA), B.M. de Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66)

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Hofstra (VVD), Van Hoof (VVD), Hirsch Ballin (CDA), Van der Linden (CDA), Wolters (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Van de Camp (CDA), Van Zijl (PvdA), Liemburg (PvdA), Boers-Wijnberg (CDA), Crone (PvdA), Verkerk (AOV), Rosenmöller (GroenLinks), Van Rooy (CDA), M.M.H. Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Leerkes (Unie 55+), Voûte-Droste (VVD), Verspaget (PvdA), Hessing (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA).

Naar boven