nr. 11
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 21 december 1994
Tijdens het Plenaire Debat op 17 november j.l. over de Rijkswet ter goedkeuring
van het Verdrag (inclusief Akte, Bijlagen en Protocollen) inzake de toetreding
van Finland, Noorwegen, Oostenrijk en Zweden tot de Europese Unie, heb ik
toegezegd schriftelijk te zullen terugkomen op een aantal vragen van de geachte
afgevaardigde Van Oven (PvdA) ten aanzien van de positie van de overzeese
rijksdelen met het oog op de bekrachtiging van dit Verdrag.
Met betrekking tot deze kwestie wenste hij te weten waarom in het verleden
een aantal keren was gekozen voor een opzet met bekrachtiging voor het gehele
Koninkrijk, terwijl sinds het Verdrag van Maastricht (in feite sinds de Griekse
toetreding) de lijn wordt aangehouden dat alleen voor Nederland wordt bekrachtigd.
Waarom werd hier geen consistent beleid gevoerd, zo was zijn vraag. In dit
kader stelde hij eveneens aan de orde de voortgang die wellicht ten aanzien
van dit onderwerp was gemaakt in de werkgroep die door de Rijksministerraad
is ingesteld om de gevolgen van de Unie-vorming voor de overzeese rijksdelen
te onderzoeken.
Ter zake kan ik thans het volgende berichten:
Vanaf het begin hebben de verdragen die in EG-kader zijn tot stand gekomen
alleen in volle omvang voor het Rijk in Europa gegolden. Zo is het EEG-Verdrag
destijds alleen bekrachtigd voor het Rijk in Europa (en Nederlands Nieuw-Guinea).
Aangezien het Verdrag van Maastricht voortbouwt op de samenwerking zoals tot
dat moment in EG-kader ontwikkeld, is ook de binding van het Koninkrijk aan
de samenwerking in het kader van de Unie beperkt tot het Rijk in Europa.
Reeds in de beginjaren zestig is ten aanzien van de Nederlandse Antillen,
toen nog inclusief Aruba, gekozen voor de status van land en gebied overzee,
zulks in de zin van de associatieregeling van het Vierde Deel
van het EG-Verdrag. Om dit mogelijk te maken is in 1962 een wijziging van
het EEG-Verdrag tot stand gebracht.
Omdat de territoriale betrokkenheid van het Koninkrijk aan de Unie-samenwerking
beperkt is tot het Rijk in Europa, heeft de Regering gekozen voor een bekrachtiging
van het Toetredingsverdrag (ook) alleen voor het Rijk in Europa. Zulks in
navolging van eerder verdragen, waaronder het Verdrag van Maastricht.
Dat, zoals de geachte afgevaardigde constateert, de verdragspraktijk van
het Koninkrijk in het verleden op dit punt niet steeds consistent is geweest,
is op zich juist. Inderdaad zijn het Verdrag tot wijziging van het EG-Verdrag
van 1962, het Fusieverdrag van 1967 en het Toetredingsverdrag van 1972 met
betrekking tot Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, destijds voor
het gehele Koninkrijk bekrachtigd. Het feit echter dat, voorheen, EG-Verdragen
een aantal keren voor het gehele Koninkrijk zijn bekrachtigd, doet niet af
aan het uitgangspunt dat, uiteindelijk, steeds beoogd is alleen het Rijk in
Europa in volle omvang aan de EG- (nu Unie-)samenwerking te binden. Daar komt
bij dat de – hierboven weergegeven – territoriale betrokkenheid
van het Koninkrijk bij de samenwerking in het kader van de Europese Unie,
voortvloeit uit de regeling van de territoriale werkingssfeer van (artikel
227 van) het EG-Verdrag zelf.
Dat de Regering, vervolgens, ter zake van de goedkeuring van het Verdrag
van Maastricht besloten heeft de rijkswetprocedure toe te passen, houdt verband
met het feit dat de materie van dat verdrag aan aangelegenheden raakte die
als Koninkrijksaangelegenheden in de zin van (artikel 3 van) het Statuut voor
het Koninkrijk zijn aan te merken. In dit verband valt te denken aan het gemeenschappelijk
buitenlands- en veiligheidsbeleid, de samenwerking op het gebied van justitie
en binnenlandse zaken, en het Europese Burgerschap. De toepassing van de rijkswetprocedure
dient ertoe de overzeese gebieden op adequate wijze te betrekken bij de interne
goedkeuringsprocedure van het Koninkrijk. Omdat de werkingssfeer van de materie
van het Verdrag van Maastricht thans door de toetreding wordt uitgebreid,
is voor de goedkeuring van het onderhavig Toetredingsverdrag voor toepassing
van dezelfde procedure gekozen.
Na de goedkeuring, door de Staten-Generaal, van het Toetredingsverdrag
zal de bekrachtiging van dit Verdrag alleen voor het Rijk in Europa plaatsvinden.
De status van de Nederlandse Antillen en Aruba als land en gebied, in de zin
van artikel 277, lid 3, van het EG-Verdrag, blijft door deze gang van zaken
ongewijzigd.
Tenslotte informeerde de geachte afgevaardigde naar de stand van de werkzaamheden
in de werkgroep die zich heeft beraden over de gevolgen van het Verdrag van
Maastricht voor de overzeese rijksdelen. Ter zake kan ik berichten dat de
werkgroep zijn werkzaamheden reeds heeft beëindigd, doch de behandeling
van het rapport in de Rijksministerraad is nog niet afgerond. De Rijksministerraad
zal kunnen besluiten hoe de belangen van de Nederlandse Antillen en Aruba
in het kader van de Unie het beste kunnen worden behartigd.
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
M. Patijn