Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal1994-199523806 nr. 6

23 806
Inwerkingtreding van en aanpassing van wetgeving aan de Douanewet (Invoeringswet Douanewet)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 9 juni 1995

De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling van het wetsvoorstel kennis genomen. Het valt hun op dat zowel de Raad van State als de FENEX, op verschillende gronden, hebben gepleit voor intrekking van (onderdelen van) artikel 22 AWR (thans artikel 22a e.v.). Zij vragen nader in te gaan op de hierbij aangevoerde argumenten.

Voor een nadere uiteenzetting van de redenen welke pleiten voor het handhaven van de in deze vraag bedoelde afzonderlijke regelingen ten behoeve van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij respectievelijk de produktschappen, moge ik hier kortheidshalve naar het slot van onderdeel 1 van de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel inzake de Douanewet verwijzen (Kamerstukken II 1994/95, 23 716, nr. 6).

Ook de leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling van het wetsvoorstel kennis genomen. Zij vragen om de relaties tussen de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Invorderingswet 1990 en de Douanewet nog eens systematisch uiteen te zetten opdat duidelijk wordt welke aspecten van de in- en uitvoer betrekking hebben op de Douanewet, de AWR en de Invorderingswet 1990.

Evenals met betrekking tot de andere rijksbelastingen het geval is, wordt voor de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer onderscheid gemaakt tussen de heffings- en de invorderingsfase. Het heffingstraject wordt voor zover de communautaire douanewetgeving daartoe de ruimte laat, onderworpen aan de regelgeving in de AWR; het op de heffingsfase aansluitende invorderingstraject (met inbegrip van een eventueel in dat kader verlangde zekerheidstelling) valt onder dezelfde voorwaarde onder het regime van de Invorderingswet 1990. De toepasbaarheid van AWR en Invorderingswet 1990 voor douanedoeleinden als zodanig, wordt daarbij gerealiseerd door uitbreiding in genoemde wetten van onder meer het begrip rijksbelastingen, en voorts – afgezien van de gevallen waarin een produktschap of de Minister van Economische Zaken dan wel Landbouw, Natuurbeheer en Visserij bevoegd is – door in de Douanewet als douaneautoriteiten in de zin van de communautaire douanewetgeving de inspecteur respectievelijk de ontvanger aan te wijzen. Daarnaast vervult de Douanewet een schakelfunctie tussen communautair en nationaal niveau in die zin, dat daarin de communautaire controle-bevoegdheden van de inspecteur nader worden omlijnd en de sancties bij overtreding van de communautaire douanewetgeving zijn neergelegd (met dien verstande dat bij de invordering van belang zijn de strafrechtelijke bepalingen in de Invorderingswet 1990).

De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van harmonisatie en inzichtelijkheid van wetgeving. Zij wensen tegelijkertijd met nadruk naar voren te brengen dat de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven zoveel mogelijk teruggedrongen moet worden. De leden vragen of deze herziening van de wet daaraan een voldoende bijdrage levert.

Ik deel op zichzelf volledig de opvatting van deze leden dat de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven zoveel mogelijk moet worden teruggedrongen. De herziening van de nationale douanewetgeving, waarvan dit wetsvoorstel deel uitmaakt, biedt daarvoor echter geen geschikt kader. De administratieve lasten in verband met de rechten bij in- en uitvoer vloeien immers in overwegende mate rechtstreeks uit de communautaire wetgeving voort.

De leden van de fractie van het CDA merken voorts op dat het «bedrag aan rechten» conform de AWR wordt aangemerkt als een belastingaanslag. Geldt deze terminologie, zo vragen zij, ook voor heffingen die worden vastgesteld door bijvoorbeeld de Minister van Economische Zaken, de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij of een produktschap?

Dit is inderdaad het geval. Artikel 1, tweede lid (nieuw), van de AWR bepaalt dat voor de toepassing van die wet onder rijksbelastingen tevens worden verstaan rechten bij invoer en rechten bij uitvoer als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, van de Douanewet. Ieder bedrag aan rechten wordt ingevolge artikel 22a (nieuw) van de AWR vastgesteld door middel van een uitnodiging tot betaling. Een dergelijke uitnodiging (in voorkomend geval ingevolge ontwerp-artikel 22a, tweede of derde lid, niet afkomstig van de inspecteur maar van een van de door de leden bedoelde ministers of van een produktschap) is op grond van artikel 2, derde lid, onderdeel e (nieuw), van de AWR steeds ook een belastingaanslag. Voor de toepassing van de Invorderingswet 1990 wordt, na inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel, de uitnodiging tot betaling eveneens aangemerkt als een belastingaanslag, ongeacht of de uitnodiging tot betaling is vastgesteld door de inspecteur of een van de bedoelde ministers of produktschappen.

De leden van de CDA-fractie constateren dat in een bepaalde situatie als bevoegde rechter zowel de Tariefcommissie als het College van Beroep voor het bedrijfsleven kan optreden. Zij doelen daarbij op het geval, omschreven in het voorgestelde artikel 30d, tweede lid, van de AWR. Onder verwijzing naar de memorie van toelichting vragen de leden wanneer deze situatie nader zal worden geregeld en wat de aard van de herziening zal zijn.

In de memorie van toelichting is meegedeeld dat de bedoelde samenloop van bevoegdheden vooralsnog niet nader zou worden geregeld, in afwachting van de totstandkoming van de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie (Kamerstukken II 1993/94, 23 806, nr. 3, blz. 8).

In dit kader moge ik in herinnering roepen de discussienota van 29 april 1994 van de toenmalige Minister van Justitie over de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie (Kamerstukken II 1993/94, 23 701, nr. 2, onderdeel 4.4, blz. 21). In de nota wordt erop gewezen dat er in een aantal gevallen, met name vanwege de Europeesrechtelijke dimensie, sprake is van inhoudelijke samenhang tussen zaken welke thans vallen onder de competentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, en zaken die thans behoren tot de bevoegdheid van de Tariefcommissie. Ter zake wordt aangekondigd dat hieraan bij de voltooiing van de herstructurering van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming aandacht zal worden besteed. Bij deze herstructurering zal de onderhavige samenloopproblematiek tot een oplossing worden gebracht.

Vervolgens ga ik in op de punten uit het commentaar van de FENEX van 6 september 1994 die specifiek op het onderhavige wetsvoorstel betrekking hebben.

Ik deel niet de mening van de FENEX dat de regeling, voorzien in ontwerp-artikel 22b, onderdeel b, van de AWR, ingevolge welke in voorkomend geval op één aanslagbiljet meer dan één uitnodiging tot betaling wordt opgenomen, aan de duidelijkheid en de doorzichtigheid van hetgeen wordt gevorderd afbreuk zou doen. De gegevens van de afzonderlijke uitnodigingen tot betaling zullen op het aanslagbiljet worden vastgelegd door middel van evenzovele afzonderlijke «aanslagregels». Aldus wordt in dezen geheel aangesloten bij de bestaande praktijk onder de Wet inzake de douane en de In- en uitvoerwet. Met andere woorden, de verschillende belastbare feiten waarop een aanslagbiljet inzake rechten bij in- en uitvoer betrekking kan hebben, zullen in de nieuwe wettelijke structuur duidelijk herkenbaar blijven.

De FENEX informeert naar de mogelijkheid om uit hoofde van artikel 243 van het Communautair douanewetboek bij de ontvanger bezwaar aan te tekenen. Terecht wordt erop gewezen dat die bepaling aan iedere persoon het recht van beroep toekent tegen een beschikking van de douaneautoriteiten die hem rechtstreeks en individueel raakt.

Ik merk dienaangaande het volgende op. Ingevolge artikel 245 van genoemd wetboek dienen de lid-staten zelf de bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure vast te stellen. Zij zijn daarbij naar mijn oordeel niet verplicht om aan het instellen van beroep bij de onafhankelijke rechter steeds een bezwaarfase vooraf te laten gaan. Wat de rechtsbescherming tegen beslissingen van de ontvanger betreft, ligt het voor de hand aan te sluiten bij het stelsel van rechtsbescherming dat geldt voor de invordering van rijksbelastingen. De rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer worden in de Invorderingswet 1990 aangemerkt als rijksbelastingen; zie artikel XL, onderdeel B.1, van het wetsvoorstel. Dit betekent in het door de FENEX genoemde voorbeeld – indien de verhaalsmogelijkheden met betrekking tot een bij de ontvanger gestelde zekerheid te gering worden geacht en deze een aanvullende of vervangende zekerheid eist – dat de Invorderingswet 1990 niet zelf in een regeling voorziet maar belanghebbende tegen bedoelde eis beroep kan instellen bij de burgerlijke rechter.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend