Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 23761 nr. 6 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1995-1996 | 23761 nr. 6 |
Vastgesteld 24 mei 1996
De vaste commissie voor Justitie,1 belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen tijdig zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie hebben met genoegen kennis genomen van het wetsvoorstel registratie van een samenleving en kunnen in grote lijnen hiermee instemmen.
Bij de behandeling van de notitie «Leefvormen in het familierecht» op 25 maart 1996 hebben zij al te kennen gegeven principieel te kiezen voor openstelling van het huwelijk voor homoseksuele paren, inclusief de relatie tot kinderen.
Tevens hebben deze leden toen al naar voren gebracht dat er zo spoedig mogelijk een einde moet komen aan de onrechtvaardige verschillen in rechtsgevolgen op privaat- en publiekrechtelijk gebied en ten opzichte van derden, tussen gehuwde paren en homo- en lesbische paren die geen huwelijk mogen sluiten. De huidige, vaak schrijnende situaties die hieruit voortvloeien, moeten zo snel mogelijk worden beëindigd.
De mogelijkheid die dit wetsvoorstel biedt voor twee mensen van hetzelfde geslacht om hun lotsverbondenheid publiekelijk kenbaar te maken en hun samenleving officieel te laten erkennen via registratie, is een goede oplossing op korte termijn, maar laat de keuze van deze leden voor openstelling van het huwelijk voor twee mensen van hetzelfde geslacht onverlet.
Deze leden zijn overigens van mening dat ook nadat deze openstelling van het huwelijk wettelijk is geregeld, er behoefte zal zijn aan de mogelijkheid van registratie als alternatief voor het huwelijk en deze derhalve behouden dient te blijven.
Overigens zijn de leden van de PvdA-fractie van mening dat de naamgeving «registratie van een samenleving» niet zo gelukkig is en zij stellen voor om de terminologie te veranderen in het «aangaan» of «erkenning» of desnoods «registratie» van «partnerschap». Zij verzoeken de regering om met een voorstel voor een andere term te komen, zonodig na overleg met de meest betrokken maatschappelijke of belangenorganisaties.
Dit wetsvoorstel heeft veel gevolgen voor verscheidene wetten. Een deel daarvan is reeds geregeld in dit wetsvoorstel, te weten Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Daarnaast moeten nog afzonderlijke wetswijzigingen worden voorbereid van de overige boeken van het Burgerlijk Wetboek en van diverse andere wetten. Gestreefd werd naar indiening van deze wetsvoorstellen bij de Staten Generaal in het voorjaar 1995, zoals in de memorie van toelichting staat. De leden van de PvdA-fractie willen graag vernemen wanneer de regering op dit moment verwacht dat deze wetsvoorstellen bij de Tweede Kamer zullen worden ingediend. Kan een opsomming worden gegeven van alle wetten die moeten worden aangepast met daarbij een tijdschema? Dit geldt bij uitstek voor de wetswijzigingen op het gebied van successie, erfrecht, belastingen en naturalisatie.
Kan al duidelijkheid worden verschaft ten aanzien van de exacte gevolgen van registratie van een samenleving voor de fiscale en sociale zekerheidswetgeving? Zo nee, wanneer kan deze duidelijkheid er dan wel naar verwachting komen?
Tenslotte wensen de leden van de PvdA-fractie inzicht te verkrijgen in de situatie ten aanzien van registratiemogelijkheid in andere landen. In de Scandinavische landen en IJsland is deze al wettelijk geregeld. Hoe staat het met de ontwikkeling in België en Frankrijk? Is bekend of in andere landen ook de discussie al is begonnen? Is namens de regering in EU-verband, bij voorbeeld in de commissie familierecht, deze problematiek al aan de orde gesteld en wat waren de reacties?
Heeft de regering het voornemen om met de Scandinavische landen en IJsland tot een Verdrag tot erkenning van samenlevingsregistratie te komen? Zijn hiervoor al gesprekken begonnen?
Wanneer denkt de regering dat Nederland tot erkenning zal overgaan van in Denemarken, Zweden en Noorwegen geregistreerde partner- schappen?
Heeft de regering al stappen ondernomen om de Haagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht te verzoeken om haar voorgenomen onderzoek naar de mogelijkheden om een verdrag op te stellen over het toepasselijk recht op ongehuwde paren uit te breiden tot de geregistreerde partnerschappen, mogelijk samen met de Scandinavische landen?
De leden van de PvdA-fractie gaan ervan uit dat de registraties die nu al door gemeenten worden uitgevoerd en vastgelegd in zogenoemde samenlevingsregisters, niet automatisch overgaan in het officiële registers. Zij nemen aan dat ieder paar dat zijn samenleving wil laten registreren hiervan opnieuw aangifte zal moeten doen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Worden betrokkenen op de hoogte gesteld van deze mogelijkheid?
Kan overigens een globale schatting worden gemaakt van het aantal registraties dat zal worden aangevraagd het eerste jaar en de daarop volgende jaren? Wat zijn de ervaringen in de Scandinavische landen op dit punt?
De leden van de PvdA-fractie hebben van de VNG vernomen dat er wel degelijk meerkosten voortvloeien uit de registratie bij de burgerlijke stand; niet zozeer de registratie zelf, waarvoor immers leges kan worden geheven, maar de kosten van aanpassing van de wet GBA, het Logisch Ontwerp (LO) en de gemeentelijke applicaties. Is het juist dat de minister van Justitie op grond van bestuurlijke afspraken deze kosten van aanpassing moet betalen, aangezien zij degene is die de wijziging veroorzaakt? Zijn al voorbereidende werkzaamheden getroffen om deze aanpassingen op tijd te realiseren? Wanneer zal een en ander zijn aangepast? Wat is het exacte tijdschema van dit veranderingsproces? Zal dit wetsvoorstel niet eerder in werking kunnen treden dan het tijdstip waarop deze aanpassingen gereed zullen zijn?
Kan een schatting worden gemaakt van de kosten van leges die de burger zal moeten betalen, zowel voor de registratie als de beëindiging? Hoe vrij zijn de gemeenten in het vaststellen van de hoogte van de leges?
De rechtsgevolgen van een samenlevingsregistratie zijn vrijwel gelijk aan die van het huwelijk. Het belangrijkste verschil betreft de relatie ten opzichte van kinderen. De leden van de PvdA-fractie blijven van mening dat kinderen van een geregistreerd homopaar dezelfde juridische bescherming moeten kunnen krijgen als de kinderen van een geregi- streerd heteropaar.
In het geval van de zogenoemde «DUO-moeders» is het naar hun mening niet verdedigbaar dat de partner van de (biologische) moeder geen juridisch ouderschap kan verkrijgen als het een vrouw is en wel als het een man is, door middel van erkenning.
Een ander verschil zit in de onmogelijkheid van naamsoverneming door de partner. Het argument dat daaraan geen behoefte is, lijkt de leden van de PvdA-fractie weinig doorslaggevend. Waarom wordt deze keuze niet gewoon aan de partners zelf overgelaten? Zou het overigens niet te overwegen zijn om artikel 1:9 eerste lid BW te schrappen, aangezien dan iedereen de vrije keuze heeft om de naam van zijn of haar partner over te nemen? Zoals bekend was deze mogelijkheid van naamsoverneming tot 1970 dan ook niet in de wet opgenomen. Kan niet naar deze situatie worden teruggegaan?
Verder horen deze leden graag waarom bij samenlevingsregistratie geen aanverwantschap ontstaat. Wat zijn hiervan exact de gevolgen?
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel dat beoogt de invoering in Boek I BW te regelen van de mogelijkheid bepaalde leefverbanden te doen registreren.
Met het wetsvoorstel wordt niet het advies van de Commissie-Kortmann gevolgd. Deze commissie stelde voor twee registratievormen te introduceren: een registratie in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) met vooral publiekrechtelijke rechtsgevolgen en een registratie bij de burgerlijke stand met ook privaatrechtelijke rechtsgevolgen. De «lichte registratie» zou zich hebben moeten richten tot degenen die wel een gezamenlijke huishouding voeren, maar aan hun relatie niet de rechtsgevolgen van het huwelijk willen verbinden. Op deze wijze zouden tevens de huidige materiele criteria voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding kunnen worden vervangen door het formele criterium van de registratie, wat een belangrijke verbetering van de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van de betrokken regelingen had kunnen meebrengen.
Het vorige kabinet heeft al bij de indiening van dit wetsvoorstel gesteld deze gedachte niet te zullen volgen omdat het verwachtte dat het slechts een geringe bijdrage zou leveren aan beoogde bestrijding van fraude, onder meer omdat het mogelijk zou zijn dat men zich in strijd met de werkelijkheid opgeeft als geregistreerd of juist niet als geregistreerd al naar gelang dat voordeel zou opleveren. Dat neemt niet weg dat het andere effect, namelijk een minder privacy aantastende methode van werken bij de sociale zekerheidsinstanties, ook niet wordt bereikt en dat betreuren de leden behorend tot de CDA-fractie.
Misbruik of oneigenlijk gebruik van leefvormen zouden worden tegengegaan door uitvoeringsmaatregelen en harmonisatie van leefvormenbepalingen. De leden van de CDA-fractie vragen of daarmee de gedachte van een lichte registratie definitief van de baan is en of deze aangekondigde maatregelen inmiddels zijn uitgevoerd en of zij het beoogde effect hebben. Bovendien willen zij worden geïnformeerd over de wijze waarop dit probleem, van oneigenlijk gebruik van leefvormen in overheidsregelingen, in de ons omringende Europese landen wordt aangepakt. Kennen deze landen enige vorm van registratie voor heteroseksuele paren naast dan wel als alternatief voor het huwelijk?
Het wetsvoorstel van het vorige kabinet opende de mogelijkheid van een «zware registratie» voor personen tussen wie een huwelijksbelemmering bestaat, hetzij op grond van bloedverwandschap, hetzij omdat zij van dezelfde kunne zijn. Het opende deze mogelijkheid juist niet voor personen van verschillend geslacht omdat voor hen reeds zo'n mogelijkheid bestaat, namelijk het huwelijk. De registratie bij de burgerlijke stand krijgt immers grotendeels dezelfde rechtsgevolgen, privaatrechtelijk zowel als publiekrechtelijk, als een huwelijk. De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat deze keuze van het vorige kabinet een logische en consequente was.
Bij nota van wijziging neemt dit kabinet het voorstel tot een «zware registratie» over met dien verstande dat de mogelijkheid van registratie wordt uitgebreid tot twee personen van verschillend geslacht en de mogelijkheid voor registratie voor nauwe bloedverwanten wordt geschrapt.
De registratie blijft grotendeels dezelfde rechtsgevolgen als een huwelijk houden. De verschillen die er zijn, houden verband met de afstamming dus met de kinderen die in een relatie geboren kunnen worden.
Dit onderscheid is voor deze leden een belangrijke reden geweest om de «zware registratie» juist niet open te stellen voor mensen die kunnen trouwen. Kinderen die in zo'n relatie geboren worden, komen immers niet automatisch in een juridische afstammingsrelatie met de beide ouders te staan.
De leden van de CDA-fractie vinden dit een lacune en achten dit niet in het belang van het kind.
Bovendien plaatsen zij vraagtekens bij de redenering dat de openstelling van de registratie voor heteroseksuele paren een uitvloeisel zou zijn van het gelijke-behandelingsbeginsel. Gelijke behandeling houdt in dat men gevallen gelijk behandelt voor zover zij gelijk zijn en ongelijk naar de mate waarin zij niet gelijk zijn. Op het punt van de afstammingsrelatie is er een wezenlijk punt van verschil tussen homoseksuele en heteroseksuele paren. In het ene geval is er in principe altijd een derde betrokken bij het verwekken van kinderen die in zo'n relatie opgroeien en in het andere geval is dat nu juist als regel niet het geval. Dat in het bijzonder rechtvaardigt een eigen regeling voor paren van hetzelfde geslacht die wel met het huwelijk vergelijkbare rechten jegens elkaar en naar derden introduceert, maar geen automatische afstammingsgevolgen kent.
De regering schrapt met de nota van wijziging de registratie voor nauwe bloedverwanten met als motivering dat het misbruikgevoelig zou zijn en dat er geen behoefte aan zou bestaan. Hoewel de leden van de CDA-fractie inzien dat er afbakeningsproblemen kunnen ontstaan, zeker bij de registratie van bloedverwanten, wijzen zij op de ontwikkelingen in bij voorbeeld de sociale zekerheidsregelingen, zij denken daarbij aan de AOW en de ABW, die bloedverwanten meer en meer in dezelfde positie brengen als gehuwden en andere samenlevenden en die dus ook op andere punten zoals pensioen- en erfrecht, dus de kernrechten die met registratie worden bereikt, het zouden rechtvaardigen hen in een vergelijkbare positie te brengen en dus de registratie wel voor hen open te stellen.
De leden van de CDA-fractie plaatsen ook vraagtekens bij de redenering dat de regeling de mogelijkheid zou creëren tot bevoordeling van het ene kind boven het andere. Zij achten het te rechtvaardigen indien bij voorbeeld een dochter bij de nalatenschap als gevolg van registratie wordt bevoordeeld als zij haar moeder heeft verzorgd.
Ook wordt gesteld dat aan de registratie voor bloedverwanten nauwelijks behoefte zou bestaan. Bij die stelling plaatsen de leden van de CDA-fractie vraagtekens. Is die behoefte onder bloedverwanten dan wel onder paren van hetzelfde geslacht ooit geïnventariseerd?
Is bekend hoeveel bloedverwanten op grond van de ABW dan wel de AOW als samenwonenden (zullen) worden aangemerkt?
Het lijkt toch juist te veronderstellen dat zij die voor AOW of ABW als gehuwd worden behandeld (en er «nadeel» van ondervinden), ook naar de voordeelkant zoals (nabestaande)pensioenen, fiscus, erfrecht en successie als gehuwd wensen te worden behandeld?
Hoe verhoudt zich de (veronderstelde) behoefte aan registratie van bloedverwanten zich tot de behoefte aan registratie van paren van hetzelfde geslacht?
Hoeveel gemeenten «sluiten» thans homoverbintenissen en hoeveel homoparen hebben tot nu toe gebruik gemaakt van die mogelijkheid?
Dit wetsvoorstel omvat alleen de regeling van de registratie, de beëindiging daarvan en de overige wijzigingen in verband met de invoering van deze registratie in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de regeling van de procedure voor de ontbinding van de geregistreerde samenleving. Voor het bereiken van de overige rechtsgevolgen zal afzonderlijke aanpassingswetgeving moeten worden opgesteld. Om welke wetten gaat het en welke planning is er voor dat wetgevingsproces?
De leden van de CDA-fractie stemmen in met het uitgangspunt de registratie alleen gevolgen te laten hebben voor de verhouding van de partners en daaraan geen gevolgen te verbinden voor de verhouding tot kinderen. Op basis van de registratie alleen ontstaat bij voorbeeld geen onderhoudsplicht van de geregistreerde partner tegenover de kinderen van de ander. Dit is terecht anders dan de situatie van een stiefouder en een stiefkind, waar wel een onderhoudsplicht ontstaat aangezien door het huwelijk aanverwantschap ontstaat tussen de stiefouder en het stiefkind.
In zijn commentaar op het wetsvoorstel en bij de hoorzitting heeft het COC gematigd positief gereageerd op de invoering van de registratie. Die terughoudende reactie wordt vooral ingegeven door het feit dat de registratie geen huwelijk is en ook geen huwelijk wordt genoemd. Het wekt dan bij de leden van de CDA-fractie wat verwondering indien vervolgens in een adem wordt gesteld dat aan het huwelijk zoals wij dat thans kennen, met bij voorbeeld een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor huishouding en bestuur en een onderhouds- en een samenlevingsplicht, eigenlijk weinig behoefte bestaat bij de achterban van het COC en dat het eigenlijk een geïndividualiseerd stelsel voorstaat.
Ten aanzien van de eisen en consequenties die de registratiemogelijkheid voor niet Nederlanders zal gaan krijgen, zijn in de commentaren en op de hoorzitting die de vaste commissie voor Justitie heeft gehouden verstrekkende opmerkingen gemaakt. Het verzoek van de commissie het voorstel voor advies en commentaar op het punt van de IPR-consequenties voor te leggen aan de Staatscommissie voor IPR-aangelegenheden is tot nu toe niet gehonoreerd. Een van de argumenten was dat de Staatscommissie niet over notities maar over wetvoorstellen adviseert. De leden van de CDA-fractie zien nu met belangstelling uit naar het commentaar van de Staatscommissie IPR over dit wetsvoorstel.
Met belangstelling nemen de leden van de VVD-fractie kennis van het gewijzigde wetsvoorstel.
Het wetsvoorstel beoogt de keuzevrijheid op het terrein van leefvormen te vergroten voor heterosexuele paren. Het stelt homosexuele en lesbische paren (eindelijk) in staat aan hun duurzame relatie de derdenwerking te geven, die thans ontbreekt. Deze leden stemmen met dit voornemen van harte in. Immers, het voorstel is een invulling van het politieke voornemen te komen tot gelijke behandeling van relaties.
De Kamer gaf onlangs bij de behandeling van de notitie Leefvormen in meerderheid blijk vervolgstappen te willen zetten op dit terrein.
Wanneer zal de regering de Kamer informeren over haar standpunt inzake de aanvaarde moties?
Idealiter zien deze leden in de nabije toekomst drie leefvormen waaraan de overheid gevolgen verbindt, wettelijk verankerd: alleenwonenden, geregistreerden en gehuwden.
Deze keuze roept bij deze leden de volgende vragen op.
Geeft het onlangs door de staatssecretaris van justitie in ontvangst genomen boek over alleenwonenden de regering een extra stimulans de Kamer een notitie aan te bieden over de positie van alleenwonenden, waarbij vooral aandacht wordt besteed aan de sociaal-economische situatie van oudere alleenwonende vrouwen? Zo nee, waarom niet?
Zal de regering ter gelegenheid van de stelseldiscussie Sociale zekerheid ingaan op de vraag welke publieke consequenties de regering, mede gezien dit wetsvoorstel, nog wenst te verbinden aan het samenlevingscontract? Dit contract is in essentie immers uitsluitend een afspraak tussen de contractpartners zonder derdenwerking. Voor nadere argumentatie verwijzen deze leden naar het op 25 maart 1996 gevoerde debat over de notitie Leefvormen.
De leden van de VVD-fractie vragen in welk stadium de harmonisatie van leefvormbepalingen zich bevindt, zoals vermeld in de memorie van toelichting onder 1, 23 761, nr. 3, bladzijde 2.
Wanneer zal de regering de Kamer in kennis stellen van de voorstellen tot «kappen van dor hout» in de huidige huwelijkswetgeving?
Zal de gelijke behandeling in de Algemene nabestaandenwet voor geregistreerden ingaan op het moment dat dit wetsvoorstel als wet in het Staatsblad verschijnt of zal de werking van dit wetsvoorstel met terugwerkende kracht tot 1 juli 1996 worden ingevoerd?
Gaat registratie in de GBA nu wel plaatsvinden?
Geeft de aanvaarding van de moties na het debat van 25 maart 1996 en de indiening van het wijzigingsvoorstel inzake adoptie de regering aanleiding het standpunt verwoord in de memorie van toelichting onder 3 inzake kinderen te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Is het overigens de bedoeling de memorie van toelichting aan te passen, waar die nu niet meer de lading dekt?
Op grond waarvan meent de regering aan geregistreerden het huidige huwelijksgoederenregime toe te kennen, terwijl het de bedoeling is dit regime te wijzigen?
Wat is haar oordeel over de rede van prof. mr A.J.M. Nuytinck van 15 februari jl.?
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Deze leden zijn van mening dat er zo snel mogelijk een wettelijke mogelijkheid tot registratie van een samenleving moet komen. Er is een maatschappelijke behoefte aan registratie van niet-huwelijkse samenlevingsvormen gebleken. Dit blijkt ook uit het feit dat vele gemeenten al zijn overgegaan tot het instellen van een samenlevingsregister. Door de registratie wettelijk te regelen, kunnen ook relaties van twee personen van hetzelfde geslacht met rechtskracht tegenover derden vorm worden gegeven. Het voorstel van de regering kan in grote lijnen de goedkeuring van de leden van de D66-fractie wegdragen. Wel hebben deze leden nog enkele vragen en opmerkingen.
Dit wetsvoorstel omvat de regeling van de registratie, de beëindiging daarvan en de overige wijzigingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de registratie.
In een aantal fiscale wetten, zoals de Successiewet, worden samenwoners gelijk gesteld met gehuwden. Als criterium geldt dan meestal het hebben van een gezamenlijke huishouding. In de memorie van toelichting (bladzijde 2) merkt de regering op dat deze wetten nog afzonderlijk zullen worden aangepast aan dit wetsvoorstel. Betekent dit ook dat de samenlevingsverbanden waarop het materiële criterium van toepassing is, niet meer in aanmerking zouden kunnen komen voor de in die wetten gegeven faciliteiten?
In een aantal wetten leidt aanverwantschap tot een fiscale faciliteit. Door de registratie ontstaat echter geen aanverwantschap. Zal bij de aanpassing van die wetten de desbetreffende faciliteit ook voor een geregistreerd paar gaan gelden?
Op welke termijn zal de afzonderlijke aanpassingswetgeving die nodig is (zoals op het gebied van de belastingwetgeving en het nationaliteitsrecht) gereed zijn?
Volgens de memorie van toelichting zijn de financiële consequenties van de invoering van de registratie van te verwaarlozen betekenis (bladzijde 3). Volgens de VNG echter dient de registratie opgenomen te worden in de GBA. Hiervoor zullen de wet GBA, het Logisch Ontwerp (LO) en de gemeentelijke applicaties moeten worden aangepast. Rechtvaardigt dit wel het standpunt dat de financiële consequenties van de invoering van een samenlevingsregister te verwaarlozen zijn? Wie moet de kosten van deze aanpassing dragen? Hoeveel tijd zal de wijziging van het Logisch Ontwerp en GBA in beslag nemen?
De regering merkt in de memorie van toelichting (bladzijde 3) op dat zij geen grond ziet om aan het karakter van het huwelijk te tornen door andere relaties van twee personen daarvan deel te laten uitmaken. Ten overvloede merken de leden van de D66-fractie hier op dat het voorstel met betrekking tot de registratie van een samenleving deze leden niet ver genoeg gaat. Deze leden zijn voorstander van de openstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht. Al bij de behandeling van de notitie Leefvormen (22 700 nr. 5) hebben deze leden gezegd dat de argumenten van de regering om niet tot openstelling van het huwelijk voor twee personen van hetzelfde geslacht over te gaan, zoals het argument dat dit zal leiden tot juridische problemen in het internationale verkeer, hen niet hebben kunnen overtuigen. De motie-Van der Burg/Dittrich, strekkende tot openstelling van het huwelijk, werd met royale meerderheid op 16 april 1996 door de Tweede Kamer aangenomen. In de visie van de leden van de D66-fractie dient de mogelijkheid van registratie te bestaan naast die van het huwelijk.
In verband met de internationale erkenning van de registratie van een samenleving vragen de leden van de D66-fractie de regering te bekijken of aansluiting kan worden gezocht bij het Deens-Noors-Zweeds verdrag inzake de erkenning van geregistreerde partnerschappen. Ook zijn deze leden van mening dat de wetgeving in de verscheidene landen, met het oog op de wederzijdse erkenning van geregistreerd partnerschap, niet te veel van elkaar zou moeten afwijken. Heeft de regering hiervoor aandacht gehad bij de opstelling van het wetsvoorstel?
De kosten die gemeenten maken voor de registratie zullen, zoals ook het geval is bij een huwelijk, via gemeentelijke leges worden doorberekend aan de burger. Zullen hiervoor dezelfde tarieven gaan gelden als bij een huwelijk? Wordt de vaststelling van de leges aan de gemeenten overgelaten? Dienen de gemeenten ook kosteloos gelegenheid te geven tot het registreren, zoals dit ook geldt voor de huwelijksvoltrekking?
Veel paren van gelijk geslacht hebben al eerder een handtekening bij een van de 111 gemeenten met een trouwregister gezet. Zij hebben echter niet getekend voor de rechtsgevolgen die straks aan de wettelijke registratie worden verbonden. Is er evenwel een mogelijkheid dat deze paren door de gemeenten worden benaderd om hun registratie te laten omzetten? Geldt het betalen van (dezelfde) leges ook voor deze paren? Of is de regering bereid ten aanzien van deze groep een gunstiger legesregeling te bedingen?
Bij nota van wijziging heeft de regering de registratiemogelijkheid mede opengesteld voor twee personen van verschillend geslacht die zich liever willen laten registreren dan huwen. De leden van de D66-fractie onderschrijven deze wijziging. In hun ogen leden komt de gelijkwaardigheid van de registratie aan het huwelijk hierdoor tot uitdrukking.
Verder wordt in de nota van wijziging afgezien van registratie door twee personen die niet kunnen huwen wegens te nauwe verwantschap. Ook met deze wijziging kunnen de leden van de D66-fractie instemmen.
Tijdens de behandeling van de notitie Leefvormen hebben de leden van de D66-fractie een opmerking gemaakt over de naamgeving. Deze leden hebben voorgesteld aan te haken bij de wetgeving in de Scandinavische landen en de naamgeving «registratie van een samenleving» te veranderen in «registratie van partnerschap». Nu in het wetsvoorstel geen regeling meer is opgenomen voor bloedverwanten die wegens een te nauwe bloedverwantschap geen huwelijk mogen aangaan, ligt het in de ogen van deze leden ook meer voor de hand de naamgeving te veranderen in «registratie van partnerschap». De registratie is immers door deze wijziging meer opgeschoven in de richting van het huwelijk. Tijdens de behandeling van de notitie Leefvormen is al gezegd dat nog onderzocht zou moeten worden of op dit punt nog een wijziging nodig is. Is de regering bereid de naamgeving overeenkomstig te veranderen en zo ja, zal het wetsvoorstel op dit punt worden gewijzigd?
De leden van de GroenLinks-fractie hebben met teleurstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. Dit beoogt tegemoet te komen aan de behoefte van hen die publiekelijk uitdrukking willen geven aan een duurzame lotsverbondenheid, maar dit niet door middel van een huwelijk kunnen of willen doen. Deze registratie behoort – in de visie van de regering – slechts open te staan voor personen tussen wie een huwelijksbelemmering bestaat, hetzij op grond van bloedverwantschap, hetzij omdat zij van dezelfde kunne zijn. Ten onrechte, naar de mening van het woord zijnde leden, blijft de regering vasthouden aan het aloude uitgangspunt dat het huwelijk in de Westerse samenleving een duurzame verbintenis tussen een man en een vrouw is. En te gemakkelijk lijkt zij zich neer te leggen bij jurisprudentie van Hoge Raad en het Straatsburgse Hof van Justitie, waarin wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van discriminatie jegens homoseksuele paren indien het burgerlijk huwelijk voor hen niet openstaat.
Teleurstellend vinden deze leden dat onvoldoende gehoor wordt gegeven aan een nadrukkelijke wens uit de samenleving om het burgerlijk huwelijk met al zijn rechtsgevolgen voor mensen van dezelfde kunne mogelijk te maken.
Hoewel voor de leden van de GroenLinks-fractie het huwelijk niet «heilig» is en zij zich kunnen vinden in het standpunt van de Emancipatieraad, willen zij niemand ervan weerhouden een dergelijk contract te sluiten. Zij achten het onrechtvaardig dat mensen van dezelfde kunne deze keuzemogelijkheid wordt onthouden.
De leden van de GroenLinks-fractie zouden overigens de voorkeur geven aan een zogenoemd «blokkendoosmodel» in plaats van het burgerlijk huwelijk, met een scala aan keuzemogelijkheden van de rechtsgevolgen, variërend van de plaats van de samenwoning, de onderhoudsplicht tot en met het juridisch vastleggen van sociaal ouderschap. Dit komt grotendeels overeen met de notitie Leefvormen die door de Emancipatieraad is uitgegeven, waarnaar de leden van de Groenlinks-fractie dan ook verwijzen.
Niettemin zijn zij verheugd over de aanvaarding van de motie-Van der Burg/Dittrich (22 700, nr. 9) waarin de wens staat om het wettelijk huwelijksverbod voor twee mensen van hetzelfde geslacht op te heffen.
Zij gaan er dan ook vanuit dat de regering gevolg geeft aan de uitvoering daarvan.
De leden van de RPF-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit wetsvoorstel.
Het voorstel betreft een te verwachten vervolg op het onlangs gehouden debat over de notitie Leefvormen en heeft ook overigens een lange geschiedenis. Deze leden memoreren dat zij bij de genoemde gelegenheid en bij andere, eerdere gelegenheden, zich nimmer overtuigd hebben getoond van de noodzaak of wenselijkheid van de registratie van samenlevingsvormen buiten het huwelijk. De meerderheid van de Kamer heeft zich nu achter het kabinetsvoorstel geschaard om daartoe toch over te gaan. Het nu voorliggende wetsvoorstel roept bij de aan het woord zijnde leden een aantal vragen op.
Allereerst vragen deze leden de regering nader in te gaan op de noodzaak van dan wel de meerwaarde van dit wetsvoorstel, mede in het licht van de huidige mogelijkheden om aan samenleven juridische gevolgen te verbinden.
Zij wijzen er op dat het nu al heel goed mogelijk is om tot een uitdrukkelijk gesloten, al dan niet schriftelijk vastgelegde overeenkomst te komen. De inhoud van zo'n overeenkomst kan zeer variëren, van samen delen tot samen zelfstandig. Met andere woorden: tal van onderliggende betrekkingen, rechten en verplichtingen kunnen worden overeengekomen. Deze wederzijdse betrekkingen kunnen ook gevolgen hebben voor de gemeenschappelijke boedel, wederzijdse onderhoudsplicht en nabestaandenverzekeringen. Ook de belastingregelgeving en sociale zekerheidswetgeving houden hiermee rekening.
Welke feitelijke meerwaarde levert de voorgestelde registratie?
Verder vragen deze leden naar de behoefte aan zo'n registratie. Een groot aantal Nederlanders leeft min of meer duurzaam, maar ongehuwd samen. Hoewel de onderlinge relatie dus, buiten het huwelijk om, in vergaande mate geregeld en vastgelegd kan worden, blijkt slechte een kleine minderheid van zo'n 10% daarvoor te kiezen, blijkens een WODC-rapport uit 1986. De registratie blijft vrijwillig. Wat brengt de regering ertoe te veronderstellen dat een groot aantal personen de gang naar het stadhuis zal maken, zeker waar een belangrijk deel van degenen die zich zouden kunnen laten registreren, ook de mogelijkheid heeft om te huwen. Waarom zouden zij wel zich laten registreren en een groot aantal met het huwelijk overeenkomende rechtsgevolgen daarmee aanvaarden, waar zij het huwelijk zelf afwijzen? Het samenwonen buiten registratie en huwelijk om blijft immers gewoon bestaan.
De noodzaak wordt overigens gerelativeerd, nu de regering op bladzijde 3 van de memorie van toelichting erkent dat van een wezenlijke bijdrage aan de bestrijding van fraude, ook bij meer verplichte vormen van registratie (bij het GBA bij voorbeeld) niet gesproken kan worden.
Deze leden stellen vast dat, als de rechtsgevolgen van de registratie wettelijk zijn vastgelegd in juridische zin, in beginsel meer duidelijkheid kan optreden over de aard en gevolgen van het samenwonen. Maar dit voordeel is heel relatief, als slechts een klein deel zich registreert en ook overigens op «huwelijkse» voorwaarden van de hoofdregel kan worden afgeweken.
De leden van de RPF-fractie vragen of de regering een toelichting kan geven op de juridische implicaties van dit wetsvoorstel op de niet-geregistreerde samenlevingsvormen. De rechtsgevolgen van deze samenlevingsvormen worden, indien deze niet staan beschreven, veelal bepaald door de materiële inhoud. Op die wijze kunnen soms «huwelijkse» verplichtingen als de onderhoudsplicht, al dan niet na «scheiding», worden afgeleid. Blijft deze situatie hetzelfde of zal het effect zijn dat de niet-geregistreerde samenlevingsvormen als het ware oppervlakkiger gezien zullen worden?
De leden van de SGP-fractie hebben met teleurstelling van dit wetsvoorstel kennisgenomen. Voor de achterliggende motivering van deze eerste reactie verwijzen zij naar hun bijdrage tijdens het overleg over de notitie Leefvormen op 27 maart 1996 (22 700, nr. 16, bladzijde 35–38).
Zich beperkend tot dat deel van de notitie Leefvormen dat het onderwerp van dit wetsvoorstel uitmaakt, maken zij bezwaar tegen een rechtsvorm voor twee-relaties die de regering als gelijkwaardig alternatief voor het huwelijk presenteert. Zij menen dat dit bezwaar wordt geaccentueerd door de op 7 september 1995 ontvangen nota van wijziging, aangezien de voorgestelde registratievorm daarin ook wordt opengesteld voor twee personen van verschillend geslacht. Acht de regering deze zienswijze juist?
Deze leden kunnen de ratio van het wetsvoorstel, voorzover het ten doel heeft het tegengaan van fraude, misbruik en oneigenlijk gebruik van leefvormen, onderschrijven. Vanuit dit vertrekpunt bezien, konden zij enig begrip opbrengen voor de in het destijds op 17 januari 1992 door de Commissie voor de Toetsing van wetgevingsprojecten (Commissie-Kortmann) aangeboden advies, met de «lichte»registratie in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens, aan welke registratievorm vooral publiekrechtelijke rechtsgevolgen zouden worden verbonden. In iets mindere mate geldt dit voor de eveneens door de commissie voorgestelde registratie van een notariële akte in de registers van de burgerlijke stand. Waarom is deze registratievorm in het wetsvoorstel, zoals dat aan de Raad van State is voorgelegd, geschrapt?
Deze leden tekenen bezwaar aan tegen de stelling van de regering, voorkomend in de notitie Leefvormen in het familierecht (22 700, nr. 5, bladzijde 5), dat registratie naast het huwelijk staat en in vrijwel alle opzichten als gelijkwaardig aan het huwelijk moet worden beschouwd. Bovendien kunnen zij deze stelling niet rijmen met de op bladzijde 5 van de memorie van toelichting voorkomende stelling dat het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat er geen keuze is tussen huwelijk en registratie. Zou deze laatste stelling al juist zijn geweest, kan dit dan ook nog gesteld worden na de wijzigingen die in het voorstel zijn aangebracht door de nota van wijziging? Wordt het alternatieve, al dan niet gelijkwaardige, karakter van de registratie van de ten opzichte van het huwelijk onder andere niet scherp geïllustreerd door de (wijziging van) de voorgestelde artikelen 42, 43 en 44?
Deze leden begrijpen ook niet waarom registratie van nauwe bloedverwantschappen (broers en zusters en degenen die in opgaande en neergaande lijn bloedverwant zijn) bij nota van wijziging is geschrapt. Geldt het motief van het tegengaan van fraude in deze gevallen niet? Niet overtuigend achten deze leden het formele argument dat (te) nauwe bloedverwantschap, evenals voor het huwelijk, een beletsel voor registratie oplevert. Juist in situaties als hier bedoeld, kunnen zij zich voorstellen dat er behoefte bestaat aan een registratievorm, in het bijzonder omdat hier de registratie geen alternatief voor een huwelijk is.
Deze leden vragen in dit verband een toelichting op de op bladzijde 5 van de memorie van toelichting voorkomende mededeling dat de mogelijkheid van registratie als een «sociaal voordeel» moet worden beschouwd. Wat is het argument om relaties als hiervóór bedoeld dit sociaal voordeel te onthouden? Is het standpunt van de regering hierover in overeenstemming te achten met het uitgangspunt dat registratie alleen mogelijk is voor degenen voor wie een huwelijksbelemmering bestaat?
Deze leden plaatsen een groot vraagteken bij de op bladzijde 1 van de memorie van toelichting voorkomende stelling dat het openen van de mogelijkheid van registratie in de publiekrechtelijke sfeer ertoe leidt dat de huidige materiële criteria voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding kan worden vervangen door het formele criterium van de registratie. Zij verbinden hieraan de vraag of de materiële criteria, ook na introductie van de registratie, niet noodzakelijk blijven voor al die gevallen van niet geregistreerde leefvormen.
Naar aanleiding van de summiere mededeling op bladzijde 3 van de memorie van toelichting dat de invoering van de registratie te verwaarlozen financiële consequenties zal hebben, vragen deze leden of er inzicht bestaat in de eventuele positieve en negatieve effecten voor de belasting van de ambtenaren van de burgerlijke stand. Wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van vrij frequente mutaties?
Over de nog in te dienen aanpassingswetgeving bevat bladzijde 2 van de memorie van toelichting enige mededelingen. Destijds (juni 1994) bestond het voornemen om deze aanpassingswetgeving in het voorjaar van 1995 in te dienen. Wat is de stand van zaken op dit ogenblik?
De leden van de GPV-fractie zijn weinig gelukkig met de inhoud en strekking van dit wetsvoorstel dat een wettelijke regeling biedt voor de registratie van een samenleving. Deze leden zijn, anders dan de regering, van opvatting dat voor een dergelijke wettelijke regeling niet als uitgangspunt kan gelden dat de registratie van een samenleving zoveel mogelijk dezelfde rechtsgevolgen zou moeten hebben als het huwelijk. Wat rechtvaardigt dan nog een aparte registratie van samenlevingsvormen als ook de weg van het huwelijk open staat om publiekelijk kenbaar te maken dat men zorg en verantwoordelijkheid voor elkaar aanvaardt, zo vragen deze leden. Het door de regering gehanteerde uitgangspunt in dit wetsvoorstel verdraagt zich naar de opvatting van de leden van de GPV-fractie slecht met een geschiedenis waarin de huwelijkse verbintenis van een man en een vrouw sinds jaar en dag het fundament vormt van het familierecht. Die eenheid, het huwelijk, vormt de tijdloze kern van de samenleving, niet alleen van de Nederlandse samenleving maar in die van vrijwel alle landen in de wereld. De verbintenis van een man en een vrouw zoals die in de schepping tot uitdrukking is gebracht, zal dan ook door de overheid moet worden geëerbiedigd indien zij ook andere samenlevingsverbanden in het personen- en familierecht een plaats wil geven. Deze leden zien echter in de voorgestelde zware vorm van registratie een eerste en beslissende stap naar een volledige gelijkstelling van (geregistreerde) samenlevingsvormen aan het huwelijk. Dit beoordelen de leden van de GPV-fractie als een ongewenste ontwikkeling; het staat op gespannen voet met het uitgangspunt van de regering om niet aan het karakter van het huwelijk te tornen.
De leden van de GPV-fractie zouden zich overigens kunnen voorstellen dat de regering kiest voor een wettelijk stelsel waarin rechtsgevolgen aan samenlevingen worden verbonden. Het is immers belangrijk dat mensen verantwoordelijkheid voor elkaar nemen indien zij een relatie hebben. Dat zou naar het oordeel van deze leden dan ook gestalte kunnen krijgen in een algemene wettelijke regeling waarbij uit het enkele feit van samenwoning rechtsgevolgen voortvloeien. Degenen die een niet-huwelijkse tweerelatie zijn aangegaan, worden dan gestimuleerd hun wederzijdse en maatschappelijke verplichtingen na te komen. Het enkel verbinden van rechtsgevolgen aan een geregistreerde samenleving komt daaraan onvoldoende tegemoet. Immers, de rechtsgevolgen treden dan pas in nadat registratie heeft plaatsgevonden, al dan niet in de rechtsgevolgen beperkt door het opmaken van een notariële akte. De leden van de GPV-fractie vragen waarom niet is gekozen voor een algemeen geldend systeem dat appelleert aan de plicht om zorg en verantwoordelijkheid voor elkaar te dragen. Verworden de familierechtelijke regelingen daarmee niet tot een keuzemenu waarbij men naar believen kan kiezen uit het huwelijk, registratie van een samenlevingscontract of een geheel vrijblijvende vorm van samenleving?
De leden van de GPV-fractie realiseren zich dat de wetgever niet kan regelen hoe mensen met elkaar relaties aangaan. Het geheel van individuele keuzen is echter wel van grote betekenis voor de samenleving als geheel. Zo kan en mag het niet zo zijn, dat ten gevolge van individuele keuzen onderlinge zorg op anderen wordt afgewenteld waar een onderlinge zorgplicht zou moeten gelden. Die zorgplicht mag niet vrijblijvend worden ingevuld maar moet ook metterdaad verplichtingen scheppen, in maar – zo nodig – ook na beëindiging van een relatie. De bestaande wetgeving gaat in een aantal gevallen al uit van het bestaan van zo'n zorgplicht, maar tot nu toe niet systematisch. Het zou duidelijke voordelen hebben die zorgverplichtingen aan alle samenlevingen te verbinden. Daarbij past naar de mening van deze leden niet burgers een vrije keus te laten tot registratie van hun samenleving. Deze leden opperen daarom de mogelijkheid de wettelijke regeling zodanig te wijzigen dat rechten en plichten reeds voortvloeien uit een samenleving als zodanig. De leden van de GPV-fractie erkennen dat controle op de feitelijke samenlevingssituatie in een dergelijk systeem tot problemen kan leiden als beide partners niet aan de bewijsvoering willen meewerken. Maar die problemen moeten naar het oordeel van deze leden niet worden overdreven, al was het maar omdat de huidige praktijk al vaak tot zulke problemen leidt. Diegenen die de vermogensrechtelijke rechtsgevolgen die de wet aan samenlevingen verbindt, niet wensen kunnen die rechtsgevolgen matigen dan wel bijstellen in de door hen gewenste zin, in een notariële akte die vervolgens kan worden geregistreerd in de GBA. Ook kan het voor één van de samenwoners juist van belang zijn dat de in de wet genoemde rechtsgevolgen intreden. Ook in die situatie zal de bewijsvoering weinig of geen problemen opleveren. Deze leden vragen een reactie op een dergelijke wettelijke regeling en vragen voorts hoe de regering oordeelt over de mogelijkheden tot handhaving en controle alsmede de kosten die uit een dergelijke opzet voortvloeien.
De leden van de GPV-fractie zijn niet op voorhand tegen registratie van samenlevingsvormen, maar menen dat bijzondere eisen mogen worden gesteld aan de rechtsgevolgen die uit registratie voortvloeien en de wijze waarop de registratie tot stand komt. Voor het maken van een duidelijk onderscheid tussen het huwelijk en registratie van samenlevingsvormen hanteren deze leden drie belangrijke uitgangspunten.
Ten eerste mogen alleen vermogensrechtelijke rechtsgevolgen aan een registratie worden verbonden om daarmee de onderlinge zorgverplichtingen vast te leggen. Familierechtelijke rechtsgevolgen mogen naar de opvatting van deze leden alleen aan het huwelijk worden verbonden.
Ten tweede verzetten de leden van de GPV-fractie zich tegen registratie van samenlevingsvormen door ambtenaren van de burgerlijke stand. Daarmee wordt immers ten onrechte een inhoudelijke gelijkwaardigheid aan het huwelijk gesuggereerd. Registratie in de GBA is naar de opvatting van deze leden voldoende.
Ten derde moet een wettelijke regeling van de aan samenlevingen verbonden rechtsgevolgen een algemeen geldend karakter hebben dat dus niet enkel afhankelijk is van de registratie van een samenleving.
De leden van de GPV-fractie zouden graag een nadere uitwerking zien van de kosten die samenhangen met registratie in de GBA en registratie in de burgerlijke stand. Waaruit valt het verschil in kosten te verklaren? Kan ook een vergelijking worden gemaakt met het signaleringssysteem dat ten behoeve van de SILA bestaat? Voor welk deel kunnen de kosten van registratie in de GBA worden bekostigd uit leges die samenlevenden verschuldigd zijn voor de registratie van hun samenleving? Waarom is de regering in afwijking van het standpunt van de VNG van mening dat registratie in een afzonderlijk samenlevingsregister moet plaatsvinden in plaats van in de GBA? Kan de voorgestelde registratiesytematiek wel functioneren indien geen registratie van samenlevingen in de GBA plaatsvindt? Voorts vragen deze leden de stelling dat invoering van een samenlevingsregister niet of nauwelijks tot extra kosten leidt te staven nu de VNG daarover een geheel andere opvatting heeft. Kan er ook sprake zijn van financiële gevolgen op maatschappelijk en individueel niveau?
De leden van de GPV-fractie zijn geïnteresseerd in de voortgang en resultaten van de in de memorie van toelichting aangekondigde maatregelen om het misbruik en oneigenlijk gebruik van leefvormen tegen te gaan, zoals de koppeling van bestanden, harmonisatie van leefvormbepalingen en de aanpassingswetgeving. Binnen welke tijd denkt de regering dat die maatregelen zijn verwezenlijkt? Worden de effecten van de maatregelen ook gemeten?
Bij herhaling vermeldt de regering in de memorie van toelichting dat de registratie geen gevolgen heeft voor de verhouding tot kinderen. Betekent dit, zo vragen de leden van de GPV-fractie, dat direct of indirect geen familierechtelijke rechtsgevolgen aan de registratie kunnen worden verbonden? Deze leden zouden graag een schematisch overzicht ontvangen van de rechtsgevolgen die respectievelijk uit het huwelijk en uit registratie (kunnen) voortvloeien.
De aanvankelijke betrokkenheid van de notaris bij de registratie van een samenleving is op voorspraak van de Koninklijke Notariële Broederschap (KNB) en de Raad van State niet in het voorstel van wet opgenomen. Een dragende motivering daarvoor ontbreekt. Immers, de KNB uitte bezwaren tegen een onderzoeksplicht voor de notaris indien registratie bij de ambtenaar van de burgerlijke stand zou plaatsvinden. Dit zou anders zijn indien aan de notaris ook de registratie zou worden opgedragen. Heeft de regering van de KNB een nadere reactie ontvangen op de nu voorgestelde regeling tot registratie van een samenleving? Zouden de bezwaren tegen een rol van de notaris bij registratie vervallen indien gekozen zou worden voor een algemeen wettelijk stelsel waarin de rechtsgevolgen van een samenleving niet uit registratie maar uit het enkele feit van samenwoning zouden voortvloeien? Het inschrijven in de GBA van een notariële akte, waarin de afwijking van de wettelijke rechtsgevolgen van registratie wordt geregeld, zou zonder tussenkomst van een ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen plaatsvinden. Is voorts niet een stelsel denkbaar waarin een samenleving door een notaris kan worden geregistreerd, indien de daarvoor noodzakelijke en door de burgerlijke stand geautoriseerde stukken worden overgelegd? Zou daarmee de onderzoeksplicht van de notaris geheel komen te vervallen?
De leden van de GPV-fractie zijn geïnteresseerd in de inhoud en systematiek van de wettelijke regelingen voor registratie van samenlevingen in Denemarken, Noorwegen en Zweden. In hoeverre wijken deze wettelijke regelingen af van dit voorstel van wet? Is het juist dat de wettelijke regeling in deze Scandinavische landen aan EU-burgers geen mogelijkheid tot registratie van een samenleving geeft?
De leden van de GPV-fractie beklemtonen dat zij de term «samenleven als waren zij gehuwd» graag vervangen zouden zien door de term «levensgezellen», omdat eerstgenoemde term teveel ziet op het huwelijk en seksuele gemeenschap veronderstelt en daarmee een criterium geeft dat te sterk in de privésfeer ligt en moeilijk bewijsbaar is. Voorts vragen deze leden op welke wijze een meer ondubbelzinnige terminologie in de sociale en belastingwetten zal worden doorgevoerd.
Voorts vragen de leden van de GPV-fractie of een uniforme materiële omschrijving van (geregistreerde) samenlevingsvormen in het voorstel van wet kan worden gemist. Een dergelijke omschrijving kan wellicht van belang zijn voor de verwijzingstechniek in latere aanpassingswetgeving. Deze leden stellen voor dat onder samenwoning wordt verstaan elk samenwonen van twee personen waarbij een duurzame gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd met uitzondering van nauwe bloedverwanten. Daaraan zou bij voorbeeld een termijn van zes maanden kunnen worden verbonden.
Verdient artikel 1:80 BW huidig geen redactionele aanpassing, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
De leden van de PvdA-fractie zien voorshands niet in waarom een partner die geen EU-onderdaan is, minstens één jaar direct voorafgaand aan de samenlevingsregistratie in het bezit moet zijn geweest van een rechtsgeldige verblijfstitel en bovendien in die periode een woonplaats in Nederland moet hebben gehad. Zij zijn het met de regering eens dat schijnregistraties moet worden voorkomen, overeenkomstig schijnhuwelijken. Maar de noodzaak voor het inbouwen van een «wachtjaar» gaat hun voorshands te ver. Waarom is het hebben van een rechtsgeldige verblijfstitel voor de partner die geen EU-onderdaan is, niet voldoende? Vindt de regering het ook onlogisch dat een Nederlander die tijdelijk in een niet EU-land werkt en verblijft, niet in Nederland mag trouwen met iemand uit het land waar hij werkt of verblijft, tenzij deze partner eerst gedurende een jaar in Nederland woont met een geldige verblijfstitel?
Waarom is het niet mogelijk om een regeling te maken overeenkomstig hetgeen inmiddels wettelijk is vastgelegd ter voorkoming van schijnhuwelijken?
Is de regering het eens met de gedachten van professor Jessurun d'Oliveira dat Nederland op grond van het Unierecht niet verplicht is te differentiëren tussen Unie-nationalen en anderen? Hebben de Scandinavische landen dit onderscheid ook aangebracht in hun regelgeving ten aanzien van geregistreerd partnerschap? Welke regeling hebben deze drie landen getroffen om schijnregistratie te voorkomen? Waarom is het Deense systeem niet overgenomen dat registratie toestaat, mits één van de partners de Deense nationaliteit bezit?
Hoe denkt de regering over het idee van Professor Jesserun d'Oliveira dat beter aansluiting kan worden gezocht bij het internationaal huwelijksrecht, waarbij het primaire aanknopingspunt voor het sluiten van een huwelijk in Nederland is dat tenminste een van de betrokkenen de Nederlandse nationaliteit bezit of in Nederland zijn/haar gewone verblijfplaats heeft? Met andere woorden, bij een van beide partners moet dus een reële band met Nederland bestaan, die toepasselijkheid van het materiële Nederlandse partnerschapsrecht kan dragen.
Het niet toelaten tot samenlevingsregistratie van een minderjarige als zij zwanger is, lijkt de leden van de PvdA-fractie niet juist. De reden dat registratie niet is bedoeld voor paren met kinderen wegens het feit dat hieruit geen rechtsbetrekking tot kinderen voortvloeit, snijdt volgens hen geen hout. Bovendien overtuigt het argument dat een meerderjarigheidsverklaring mogelijk is, hen evenmin. Wat is er nu tegen een samenlevingsregistratie voor een zwangere minderjarige? Een persoon is toch vrij om te kiezen voor registratie of het aangaan van een huwelijk? De mannelijke partner van de minderjarige toekomstige moeder kan het kind toch erkennen en daarmee het juridische ouderschap verwerven? Het is toch niet de bedoeling van de regering dat de moeder eerst het kind baart en daardoor meerderjarig wordt om vervolgens de samenleving te kunnen laten registreren, als geen sprake is van een meerderjarigheidsverklaring?
Tenslotte kunnen de leden van de PvdA-fractie instemmen met het laten vallen van het verplichte zogenoemde «treurjaar» na overlijden van een huwelijkspartner. Zij zien overigens niet in waarom in de huidige tijd het «treurjaar» bij het aangaan van een huwelijk nog wél gehandhaafd zou moeten worden.
De ratio achter deze bepaling (artikel 1:34 BW) zit in het belang van het kind, omdat hertrouwen «kroostverwarring» zou kunnen veroorzaken. Deze leden onderkennen het dilemma tussen enerzijds het belang om onzekerheid over de vraag uit welk huwelijk een kind voortkomt, uit te sluiten en anderzijds het belang van de vrouw om vrij een nieuw huwelijk te sluiten. Toch kunnen zich merkwaardige situaties voordoen, aangezien de biologische vader een ander kán zijn dan de (overleden) juridische vader. Dan toch zou een huwelijk met de biologische vader pas een jaar na het overlijden van de ex-echtgenoot mogen plaatsvinden. In wiens belang is dit uitstel? Zou het niet zo kunnen zijn dat de moeder bij de geboorteaangifte laat weten wie de vader is van het kind, van haar overleden echtgenoot of haar huidige man? Immers, zij – en niet de wetgever – weet wie de vader van haar kind is.
De leden van de PvdA-fractie zijn het op hoofdlijnen eens met de wijze van totstandkoming (en beëindiging) van een partnerschapsregistratie. Wel hebben zij daarover nog enkele vragen.
Deze leden zien niet direct in waarom getuigen bij een huwelijksvoltrekking wél een verplichte rol spelen en niet bij de registratie van een samenleving. Waarom zou bij registratie het hebben van getuigen niet als mogelijkheid kunnen worden vastgelegd in de wet? Dit kan van belang zijn aangezien getuigen op basis van artikel 79 een rol spelen bij het bewijzen van het bestaan van een registratie, indien de officiële registratie op de een of andere wijze is verdwenen. Aangezien dit artikel ook van toepassing is op registratie, lijkt dat de leden van de PvdA-fractie logisch.
Enigszins overeenkomstig het voorgaande zou naar de mening van deze leden het openlijk uitspreken van het «ja-woord» ook mogelijk moeten kunnen zijn bij registratie. Waarom is dit niet als «kan-bepaling» opgenomen in dit wetsvoorstel? Aan een kerkelijke inzegening behoeft een samenlevingsregistratie niet vooraf te gaan. Dit komt de leden van de PvdA-fractie niet onjuist voor. In deze lijn vragen deze leden of deze wettelijke verplichting bij het huwelijk wel moet worden gehandhaafd. Overweegt de regering ook hierin verandering aan te brengen? Zo niet, welke zijn haar overwegingen om hiertoe niet over te gaan?
Welke reden ligt ten grondslag aan het voornemen het huidige artikel 74 niet volledig van toepassing te verklaren op geregistreerden, vragen de leden van de VVD-fractie.
De leden van de D66-fractie merken op dat in het wetsvoorstel een onderscheid wordt gemaakt tussen Nederlanders en mensen die de nationaliteit van een van de lidstaten van de Europese Unie bezitten enerzijds en mensen die niet de nationaliteit van een van de Unie-landen bezitten anderzijds. Volgens de regering is het tegengaan van registratietoerisme en schijnregistraties een valide argument om voorwaarden aan de registratie te stellen. Er is dan ook in de ogen van de regering geen sprake van discriminatie tussen enerzijds Nederlanders en EU-onderdanen en anderzijds burgers uit derde landen. Is de voorwaarde van het hebben van een rechtsgeldige verblijfstitel niet voldoende om schijnregistraties tegen te gaan? Is het noodzakelijk om daarnaast ook nog als voorwaarde te stellen dat degene die noch de Nederlandse nationaliteit, noch de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie bezit, gedurende een tijdvak van tenminste een jaar voorafgaande aan de registratie van de samenleving woonplaats in Nederland heeft?
Er is in het wetsvoorstel geen aansluiting gezocht bij het internationale huwelijksrecht. Als primair aanknopingspunt voor de registratie is bij voorbeeld niet geëist dat een van de betrokkenen de Nederlandse nationaliteit bezit of in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft. Volgens de regering dwingt niets ertoe om een analogie met de competentieregeling ter zake van het huwelijk te zoeken. Kan de regering dit nader toelichten? Het geregistreerde partnerschap wordt immers als gelijkwaardig alternatief voor het huwelijk beschikbaar gesteld? Het gaat om een instituut dat qua vormgeving en rechtsgevolgen erg op het huwelijk lijkt. Ook bij de registratie gaat het om een verandering van status geregistreerd door de burgerlijke stand. Is het dan niet logischer dat in beginsel de regels van internationaal privaatrecht analoog kunnen worden toegepast? In het huidige wetsvoorstel moet nu immers een stukje internationaal privaatrecht in Boek 1 worden opgenomen.
Is het niet mogelijk voor het tegengaan van schijnregistraties dezelfde regeling te laten gelden als bij het tegengaan van schijnhuwelijken, door artikel 53, derde lid, van overeenkomstige toepassing te verklaren op registraties?
Waarom wordt in het wetsvoorstel niet bepaald aan welke criteria de akte moet voldoen?
Zal de systematiek van het samenlevingsregister zo veel mogelijk aansluiten bij die van het huwelijk?
Artikel 53, eerste lid, is niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Moet artikel 41 niet ook in het zevende lid worden opgenomen nu de registratie van hen die niet kunnen huwen omdat zij te nauw verwant zijn niet meer mogelijk is?
Artikel 31, tweede lid is niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Een zwangere minderjarige vrouw mag wel huwen maar geen geregi- streerde relatie aangaan wegens het feit dat er bij de registratie geen gevolgen zijn voor de verhoudingen van de kinderen tot de geregistreerde partner van de moeder (bladzijde 6 memorie van toelichting). Gaat dit niet voorbij aan de relatie die op dat moment een stabiel geregelde juridische basis behoeft? Hoe wordt gecontroleerd of de minderjarige vrouw zwanger is?
Waarom is artikel 44, eerste lid onderdeel g, voor zover dit ziet op de ontheffing bedoeld in artikel 41, niet van overeenkomstige toepassing verklaard?
Artikelen 63 en 64 zijn van overeenkomstige toepassing verklaard, met uitzondering van het vereiste omtrent de getuigen.
De regering acht getuigen overbodig bij het afsluiten van het geregi- streerd partnerschap. Dezen hebben in functionele zin geen betekenis meer en hebben vooral een ceremonieel karakter. Bij het huwelijk zijn de getuigen echter wel gehandhaafd. Evenals het huwelijk is ook de registratie een belangrijke stap in iemands leven. Zij die zich laten registreren, hebben behoefte aan een publieke daad. Ook bij de regi- stratie kan daarom behoefte bestaan aan enig ceremonieel. De leden van de D66-fractie vragen de regering waarom aan personen die zich laten registreren, niet een keuzemogelijkheid wordt gegeven. Door het weglaten van allerlei huwelijksfranje (zoals het ja-woord, getuigen) lijkt het er meer op dat de ontwerpers dachten bezig te zijn met een alternatief voor mensen die niet willen trouwen.
De leden van de SGP-fractie zouden, indien mogelijk, nader geïnformeerd willen worden over de mogelijkheid van «registratie-toerisme», die de regering «zeer wel denkbaar» acht, nu een dergelijke registratie in weinig andere landen, zelfs niet veel EG-landen, bestaat. Zijn er ervaringen bekend van landen die de registratie wèl kennen wat betreft het bedoelde toerisme?
De leden van de GPV-fractie hebben grote bezwaren tegen de van-toepassing-verklaring van de artikelen die betrekking hebben op de plaats waar de registratie kan worden aangegaan. De registratie van een samenleving vertoont dan alle kenmerken van een huwelijkssluiting, iets dat onvoldoende recht doet aan het bijzondere karakter van het huwelijk. Deze leden vragen waarom registratie in de GBA niet volstaat voor het publiekelijk tot uitdrukking brengen dat twee personen voor elkaar een duurzame verantwoordelijkheid op zich willen nemen. De leden van de GPV-fractie menen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand geen taak behoort te hebben en dat enig ceremonieel aan beide partners moet worden overgelaten.
Zoals ook in het debat over de notitie Leefvormen naar voren is gebracht, zijn de leden van de PvdA-fractie van mening dat een discussie over de rechten en plichten gekoppeld aan het huwelijk – en in de toekomst ook aan de registratie – zeer wenselijk is. Hierbij zou het recente advies van de Emancipatieraad getiteld «Drie scenario's voor leefvormen» een goede rol moeten spelen.
De staatssecretaris van Justitie heeft tijdens genoemd debat over de notitie Leefvormen naar voren gebracht dat bezinning en discussie daarover zinvol zijn, maar dat haar nog niet exact voor ogen stond op welke wijze dit zou moeten gebeuren. De leden van de PvdA-fractie zouden graag vernemen welke gedachten hierover nú leven bij de regering, of de regering van plan is zelf initiatieven te nemen of dat zij initiatieven van derden, bij voorbeeld van de Emancipatieraad of een andere organisatie, (financieel) zou willen ondersteunen.
Op korte termijn zouden deze leden willen weten of de regering zich al heeft verdiept in de noodzaak van de wettelijke plicht tot samenwonen, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten (artikel 1:83 BW) en de basisregeling van het huwelijksgoederenrecht te weten: trouwen in gemeenschap van goederen, tenzij gekozen wordt voor trouwen onder huwelijkse voorwaarden (artikel 1:84 BW). Zijn de voor- en nadelen van deze regelingen al geïnventariseerd? Is het mogelijk om voor de plenaire behandeling van dit wetsvoorstel hierover een standpunt te ontvangen van de regering?
De leden van de VVD-fractie vragen of de zorgplicht voor kinderen conform de artikelen 81, 82 en 84 niet van toepassing is? Zo nee, waarom niet?
Is het in de ogen van de regering nog wel noodzakelijk een eis van samenwoning op te nemen (artikel 83)? In de Deense wet inzake het geregistreerd partnerschap is geen plicht tot samenwonen opgenomen, zo merken de leden van de D66-fractie op.
Waarom zijn artikel 92a, artikel 99, eerste lid onder b, artikel 134 onder b, die zien op de scheiding van tafel en bed, niet uitgezonderd? Scheiding van tafel en bed is immers voor geregistreerden niet mogelijk.
De kosten van levensonderhoud van kinderen worden uitgesloten van de kosten van de huishouding (artikel 84). Volgens de KNB ontstaat hierdoor bij de problematiek van de aansprakelijkheid voor huishoudschulden een geheel nieuwe problematiek, namelijk die van de huishoudschulden ten behoeve van de kinderen waarvoor de partner niet verantwoordelijk is. De vraag is volgens de KNB uit welk potje de huishoudschulden ten behoeve van de kinderen betaald moeten worden in geval van een algehele gemeenschap van goederen. Kan de regering hierop reageren?
De geregistreerde samenleving en de vermogensrechtelijke gevolgen daarvan vormen een afgeleide van het huwelijksvermogensrecht. Dit betekent dat de algehele gemeenschap van goederen automatisch van toepassing is, tenzij de registranten bij de notaris een akte analoog aan de huwelijkse voorwaarden hebben laten opmaken. De leden van de D66-fractie vragen de regering of, gelet op de wensen van veel samenwonenden, de van rechtswege ontstane algehele gemeenschap van goederen wel het optimum is. Deze leden zouden liever het systeem waarin ieder de eigen goederen en vermogens behoudt, als geldende norm zien in plaats van de algehele gemeenschap van goederen. Deze leden zijn daarom blij met de toezegging van de regering bij de behandeling van de notitie Leefvormen dat zij bereid is de aspecten die verbonden zijn aan het huwelijksvermogensrecht nader te onderzoeken. Wel vragen deze leden op welke termijn dat onderzoek zal plaatsvinden. Wordt bij dit onderzoek ook bekeken of binnen de regeling der huwelijkse voorwaarden verbeteringen (zoals op het terrein van de bestuursverdeling) mogelijk zijn?
De leden van de GPV-fractie vragen welke benaming wordt gegeven aan de voorwaarden waaronder wordt afgeweken van de wettelijke gemeenschap van goederen in geval van registratie van een samenleving.
Deze leden merken op dat diegenen die niet tot registratie van hun samenleving overgaan, vrijwel dezelfde lusten van het huwelijk in een samenlevingscontract kunnen laten vastleggen, terwijl de lasten – die ook aan registratie verbonden zijn – daaruit kunnen worden weggelaten. Dit laatste nu stuit op bezwaren van de leden van de GPV-fractie omdat zij juist menen dat samenlevenden zich niet moeten kunnen onttrekken aan zorgverplichtingen die samenhangen met samenleven. Welke is de opvatting van de regering daarover? Zouden ook samenlevingscontracten niet moeten worden geregistreerd, bij voorbeeld om de kenbaarheid daarvan voor derden te vergroten?
Beëindiging van een geregistreerde samenleving kan in geval van wederzijds goedvinden plaatsvinden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een notariële akte óf van een onderhandse akte die is geaccordeerd door een advocaat. De leden van de PvdA-fractie willen duidelijkheid over de criteria waaraan zo'n akte moet voldoen. Wat zijn overigens de overwegingen om twee mogelijkheden te introduceren? Wat is het voordeel van de ene akte boven de andere? Spelen hierbij de voordelen van een notariële akte, zoals de vaste dagtekening, de controle op de handtekeningen, een executoriale titel en de notariële bewaarplicht geen enkele rol?
Deze leden willen graag inzicht krijgen in de gemiddelde kosten die met het opstellen van zo'n akte en de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand zijn gemoeid. Komen mensen voor deze kosten in aanmerking voor rechtshulp op grond van de Wet op de rechtsbijstand?
Tenslotte willen deze leden graag weten hoe zich deze vorm van beëindiging verhoudt tot de adviesaanvrage met betrekking tot het echtscheidingsprocesrecht aan de Commissie-De Ruiter? Maakt de beëindiging van de samenlevingsregistratie deel uit van deze adviesaanvrage?
De plicht tot betaling van alimentatie ontstaat ook na beëindiging van de samenlevingsregistratie, onder dezelfde voorwaarden als na beëindiging van een huwelijk. Op zich zelf kunnen de leden van de PvdA-fractie zich onder de huidige omstandigheden hierin wel vinden. Zij vragen wel een reactie op de opmerking van de KNB dat alimentatie ook zou moeten beëindigen indien sprake is van een «geregistreerde samenleving, dan wel een samenleving met een ander als ware deze geregistreerd».
Zijn de artikelen 161 en 161a niet van toepassing, zo vragen de leden van de VVD-fractie.
De leden van de D66-fractie stellen vast dat de gelijkschakeling tussen huwelijk en geregistreerde samenleving niet wordt gevolgd ten aanzien van de beëindiging. Beëindiging van de registratie van een samenleving kan ook buiten de rechter om geschieden. Dit houdt onder meer verband met het feit dat de registratie geen gevolgen heeft in de verhouding tot kinderen. De regeling inzake de beëindiging kan in grote lijnen de goedkeuring van de leden van de D66-fractie wegdragen.
Beëindiging met wederzijds goedvinden kan ook plaatsvinden via een akte die medeondertekend is door een advocaat. Mist deze akte niet de voordelen van een notariële akte (vaste dagtekening, controle op de handtekeningen, een executoriale titel en de notariële bewaarplicht), zo vragen ook deze leden.
Kan de regering toelichten waarom het instituut van scheiding van tafel en bed niet geldt voor de geregistreerde samenleving? Er is in de visie van de regering toch sprake van een plicht tot samenwonen?
Kan de regering toelichten waarom artikel 158 niet van overeenkomstige toepassing is verklaard in artikel 80d?
Welk regime geldt er in de tussenliggende periode wanneer de partijen wier geregistreerde samenleving is beëindigd, met elkaar in het huwelijk treden?
De leden van de GPV-fractie vinden het opmerkelijk dat voor de notaris wel bij het einde van een samenleving een rol is weggelegd maar niet bij het begin van een samenleving. Voorts is ook afgezien van betrokkenheid van de rechter bij beëindiging van de samenleving met wederzijds goedvinden. Is een en ander wel consistent te noemen nu de regering als uitgangspunt hanteert dat de gevolgen van de geregistreerde samenleving zoveel mogelijk overeenstemmen met die van het huwelijk?
De leden van de GPV-fractie zijn er niet van overtuigd dat bij de beëindiging van een registratie een rol voor een advocaat kan zijn weggelegd bij het opmaken van de daartoe strekkende akte. Behoort het opmaken van akten die betrekking hebben op de onderlinge rechten en plichten tussen samenwonenden en de beëindiging daarvan niet bij uitstek tot de taak van notarissen? Ook menen deze leden dat de onafhankelijke positie van de notaris ten opzichte van beide contracterende partners en de voordelen van een notariële akte, zoals de vaste dagtekening en de notariële bewaarplicht, tot heroverweging van dit voorstel aanleiding geven. Aan welke criteria moet een dergelijke akte overigens voldoen?
De artikelen inzake alimentatie zijn onverkort van toepassing op geregistreerde samenlevingen die worden beëindigd, zo lezen de leden van de GPV-fractie in de toelichting op het wetsvoorstel. Voorts maakt de toelichting melding van de mogelijkheid dat in een notariële akte tussen partners kan worden vastgelegd dat bij beëindiging van de registratie geen alimentatieplicht bestaat maar dat dit aan een eventueel verhaal van de bijstand niet in de weg staat. Hoe verhoudt dat zich tot de alimentatieplicht van personen die hun huwelijk hebben beëindigd? Is het niet wenselijk in de wet zonder meer op te nemen dat de onderlinge zorgverplichtingen die ten tijde van registratie van een samenleving zijn aangegaan, ook na beëindiging daarvan leiden tot alimentatieverplichtingen op de in de wet beschreven wijze en dat daarvan niet bij notariële akte kan worden afgeweken?
De leden van de D66-fractie vragen de regering of zij kan toelichten waarom artikel 9 niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de registratie van een samenleving? Waaruit blijkt dat aan deze mogelijkheid onder geregistreerden weinig behoefte bestaat?
De aanvulling onder 6 (naast het niet gehuwd zijn moet als voorwaarde voor wijziging van de geboorteakte in verband met transseksualiteit ook het niet geregistreerd zijn gelden) vinden de leden van de D66-fractie onduidelijk, aangezien registratie ook openstaat voor twee personen van hetzelfde geslacht. Kan de regering deze aanvulling nader toelichten?
Waarom is naast de zinsnede «als waren zij gehuwd» aan het slot van artikel 160, niet ook opgenomen de zinsnede «als hadden zij hun samenleving doen registreren»? Nu eindigt immers de alimentatieverplichting niet bij een niet-geregistreerde samenleving van twee personen van hetzelfde geslacht (vgl. HR 29 april 1994, NJ 1994, 625). Is dit de bedoeling geweest van de regering?
De leden van de SGP-fractie stellen nog de vraag waarom bij de benoeming van een curator, bewindvoerder of mentor geen volgorde van voorkeur zou moeten (mogen?) worden aangehouden.
Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie hoeveel jaar na inwerkingtreding deze wet zal worden geëvalueerd.
Samenstelling: Leden: V. A. M. van der Burg (CDA), voorzitter, Schutte (GPV), Korthals (VVD), Janmaat (CD), De Hoop Scheffer (CDA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van de Camp (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), ondervoorzitter, M. M. van der Burg (PvdA), Scheltema-de Nie (D66), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Zijlstra (PvdA), Aiking-van Wageningen (Groep Nijpels), Rabbae (GroenLinks), J. M. de Vries (VVD), Van Oven (PvdA), Van der Stoel (VVD), Dittrich (D66), Verhagen (CDA), Dijksman (PvdA), De Graaf (D66), Rouvoet (RPF), B. M. de Vries (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Van Vliet (D66).
Plv. leden: Koekkoek (CDA), Van den Berg (SGP), Van Blerck-Woerdman (VVD), Marijnissen (SP), Biesheuvel (CDA), Bremmer (CDA), Doelman-Pel (CDA), Van Traa (PvdA), Van Heemst (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Rehwinkel (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Boogaard (Groep Nijpels), Sipkes (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Middel (PvdA), Passtoors (VVD), Van Boxtel (D66), Van der Heijden (CDA), Apostolou (PvdA), Vacature D66, Leerkes (U55+), Van den Doel (VVD), Weisglas (VVD), De Koning (D66).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23761-6.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.