nr. 30
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 17 mei 1999
Tijdens het Algemeen Overleg van 18 maart jl. verzocht het lid van de
Algemene Commissie voor Europese Zaken uwer Kamer, Mevrouw Karimi, om explicitering
van mogelijke «derden», die het oorlogsgeweld in Rwanda lijken
te financieren. Tevens memoreerde Mevrouw Karimi dat de gegevens over besteding
van overheidsgelden in de regio geen afdoende antwoord geven op de vraag waar
het geld voor alle gebruikte wapens vandaan komt en dat om die reden inwilliging
door betrokken landen van de eis hun defensie-uitgaven te verminderen het
geweld dan ook niet noodzakelijkerwijs zal doen afnemen.
Voor wat betreft de gewelddadigheden in Rwanda, die zich met name in het
Noordwesten concentreerden, kan ik u, mede namens mijn ambtgenote voor Ontwikkelingssamenwerking,
meedelen dat sedert december 1998 sprake is van een relatieve rust in het
land. De gewelddadigheden, die zich in Rwanda voordeden werden volgens mij
ter beschikking staande gegevens voornamelijk veroorzaakt door aanvallen van
de uit Rwanda verjaagde ex-FAR (leden van de voormalige Forces Armées
Rwandaises) en Interahamwe (bij de genocide betrokken Hutu-milities) die de
genocide willen «afmaken». Deze infiltranten zijn inmiddels grotendeels
van Rwandees grondgebied verdreven.
Voor de gewenste gegevens over de bedoelde geldstromen is de Nederlandse
regering onvermijdelijk in overwegende mate aangewezen op externe informatiebronnen,
zoals de Verenigde Naties. Voor nadere informatie betreffende mogelijke «derden»
die het oorlogsgeweld in Rwanda leken te financieren, mag ik met name verwijzen
naar het bijgevoegde rapport van de VN Onderzoekscommissie Illegale Wapenstromen
naar Rwanda, dat in november 1998 is uitgebracht. (S/1998/1096 dd. 18 november
1998). In dit rapport worden niet zo zeer de wapenstromen geschetst als wel
de bewegingen van de in 1994 uit Rwanda verjaagde ex-FAR en Interahamwe, die
de wapens dragen. De Onderzoekscommissie schat het aantal ex-FAR en Interahamwe,
waarschijnlijk versterkt met nieuwe rekruten, op 40 000 tot 50 000
man en concludeert verder dat de ex-FAR en Interahamwe zich na
hun nederlaag in 1994 met succes hebben gehergroepeerd tot een belangrijke
component van de internationale alliantie tegen de Congolese opstandelingen
en tegen Rwanda en Uganda. De Onderzoekscommissie is overtuigd dat de ex-FAR
en Interahamwe wapens en munitie hebben ontvangen van gewapende (oppositie)groepen
in Angola, Burundi, Uganda en van de regering van de DR Congo en mogelijk
van Rwandese – al dan niet met de genocide geassocieerde – opposantengroepen
uit de diaspora. Ter financiering van hun wapenhandel zouden de ex-FAR en
Interahamwe zich in de drugshandel hebben begeven, waarbij de havenplaatsen
Mombasa en Dar es Salaam als doorvoercentra worden genoemd.
Gegevens over besteding van overheidsgelden geven niet het volledige antwoord
op de vraag waar het geld voor wapens vandaan komt. Financiering van wapens
loopt immers niet noodzakelijkerwijs via het officiële defensiebudget
en zelfs niet per definitie via overheden. Diverse partijen (particulieren,
private ondernemingen enz.) kunnen om hen moverende redenen partij zijn in
een oorlog, of althans bereid zijn om wapens te leveren. De (illegale) wapenhandel
is ondoorzichtig en soms verknoopt met legitieme transacties in de private
sfeer. Zo komt het voor dat bij de verkoop van civiele goederen betaling in
wapens wordt verlangd. Inzicht te verkrijgen in dergelijke transacties is
dan ook buitengewoon moeilijk.
Ik onderschrijf de gedachte dat gevolg geven door de betrokken landen
aan de eis hun defensie-uitgaven te beperken, het geweld niet per definitie
zal doen afnemen. Om tot vermindering van het geweld te komen, is een politieke
oplossing noodzakelijk. De bij het conflict betrokken staten zullen bereid
moeten zijn de wapens neer te leggen en adequate controle uit te oefenen op
de (illegale) handel van producten, zowel importen als exporten. In uitgestrekte
gebieden met een slechte infrastructuur zoals de DR Congo is dit geen eenvoudige
zaak. Bovendien zullen ook Westerse, Oost-Europese en Aziatische en andere
landen moeten meewerken teneinde de wapenhandel naar en binnen Afrika te beperken.
In dit verband heeft Nederland in de EU voorgesteld de naleving van de
bestaande wapenembargo's alsmede de implementatie van de EU Gedragscode inzake
Wapenexporten te herbevestigen in een Politieke Verklaring, die in het bijzonder
aandacht zou moeten schenken aan de situatie in het Grote Meren Gebied. Tevens
heeft Nederland voorgesteld de illegale wapenhandel naar deze regio expliciet
aan de orde te stellen tijdens de periodieke bijeenkomsten met de Geassocieerde
Landen.
Financiering betrokkenheid Rwanda in DRC-conflict
Volgens schattingen van de Wereldbank waren de defensie-uitgaven over
1998 4,2%, hetgeen hoger is dan de voor dat jaar gestelde target van 3,8%.
Deze overschrijding is door de Rwandese autoriteiten verklaard uit de defensie-inspanningen
in noordwest Rwanda (infiltranten-oorlog) en de incorporatie van 10 000
ex-FAR soldaten in het leger. De Mid Term Review van het IMF, die in maart
jl. plaats vond, verklaarde Rwanda nog steeds «on track». Doelstelling,
overeengekomen met de Internationale Financiële Instellingen (IFI's),
is de militaire uitgaven over 1999 te beperken tot 3,9% van het BNP.
Met betrekking tot de fungibiliteit van de hulp verwijzen wij naar de
brief van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan uw Kamer van 7 december
1998, kenmerk CP-931/98. Het is overigens geenszins uitgesloten dat alle partijen
in het Congolese conflict hun oorlogsoperaties mede financieren
uit de handel in goud en andere in de regio aan te treffen grondstoffen.
De Rwandese autoriteiten hebben bij diverse gelegenheden steeds aangegeven
dat de enige reden van Rwanda's betrokkenheid bij het conflict in de DR Congo
gelegen is in de veiligheidssituatie van het eigen land. Dit werd nog eens
bevestigd door Dr. Kaberuka, Rwandees Minister van Financiën en Planning,
tijdens zijn bezoek aan Nederland op 25 maart jl. Volgens de Minister houdt
Rwanda zijn militaire uitgaven nog redelijk onder controle door beheersing
van de personele en materiële kosten. Rwanda zou ook geen kostbare militaire
uitrusting hebben. Het aanpakken van het probleem van de Interahamwe zou zijns
inziens meer aandacht moeten krijgen, ook internationaal.
De ontwikkelingen op het gebied van wapenstromen alsmede defensie-uitgaven
van de landen in de Grote Meren Regio blijft mijn nadrukkelijke aandacht houden
en in voorkomend geval zal ik Uw Kamer over nieuwe ontwikkelingen terzake
nader informeren.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen