23 720
Regels met betrekking tot de geestelijke verzorging in instellingen in de zorgsector en in justitiële inrichtingen (Wet geestelijke verzorging zorginstellingen en justitiële inrichtingen)

nr. 11
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

's-Gravenhage, 8 februari 1996

Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel geestelijke verzorging zorginstellingen en justitiële inrichtingen (wetsvoorstel nr. 23 720) op 7 februari jl. is er door de Tweede Kamer op aangedrongen de geestelijke verzorging in de krijgsmachtbij formele wet te verankeren. Daarbij is de vraag aan de orde geweest of de gewenste wettelijke verankering zou moeten plaatsvinden in het bovengenoemde wetsvoorstel dan wel in de wetten waarin de positie van het militaire personeel van de krijgsmacht is geregeld.

Op verzoek van enkele fracties van de Tweede Kamer geven wij u hierbij de visie van het kabinet op dit punt.

Zoals tijdens de behandeling van het wetsvoorstel is uiteengezet, zijn wij er geen voorstander van om de geestelijke verzorging in de krijgsmacht onder de werking van het wetsvoorstel geestelijke verzorging zorginstellingen en justitiële inrichtingen te brengen. De geestelijke verzorging bij Defensie kan niet op één lijn worden gesteld met de geestelijke verzorging in zorginstellingen en justitiële inrichtingen waar het veelal gat om personen die zelf niet of minder goed in staat zijn dan wel niet in staat (kunnen) worden gesteld om te voorzien in de geestelijke verzorging van hun keuze.

Geestelijke verzorging bij Defensie wordt daarentegen gezien als onderdeel van de reguliere personeelszorg, samen met maatschappelijke dienstverlening en psychologische begeleiding. Deze zorg bij de krijgsmacht kent een tweeledige functie. Ten eerste wordt op deze wijze voor de individuele militair inhoud gegeven aan artikel 6 van de Grondwet dat betrekking heeft op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

In de tweede plaats is het met het oog op de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht noodzakelijk dat de militair ook door middel van geestelijke verzorging wordt voorbereid en begeleid bij zijn operationele taken, zoals bij crisisbeheersings- en vredesoperaties, humanitaire operaties, langdurige oefeningen en buiten hun woonplaats tewerkgestelde militairen.

Gelet op dit specifieke karakter van de geestelijke verzorging in de krijgsmacht achten wij de door de PvdA-fractie voorgestelde verbreding van het bovengenoemde wetsvoorstel niet wenselijk, maar geven wij er de voorkeur aan om de geestelijke verzorging bij Defensie te regelen in wetgeving het militair personeel betreffende. Wij zeggen U toe op korte termijn met een daartoe strekkend voorstel te komen.

Naar onze overtuiging wordt op deze wijze recht gedaan aan de wens van de Tweede Kamer om de geestelijke verzorging in de krijgsmacht bij wet in formele zin te regelen.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

De Staatssecretaris van Defensie,

J. C. Gmelich Meijling

Naar boven