23 714
Wijziging van, onder meer, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met invoering van gezamenlijk gezag voor een ouder en zijn partner en van gezamenlijke voogdij

nr. 24
GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID J. M. DE VRIES C.S. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 13

Ontvangen 19 maart 1997

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

I

In onderdeel F wordt artikel 253w vervangen door:

Artikel 253w

De ander die met de ouder gezamenlijk het gezag uitoefent, is verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud jegens het kind dat onder zijn gezag staat. Nadat een rechterlijke beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag in kracht van gewijsde is gegaan of na het overlijden van de ouder met wie tot het tijdstip van overlijden het gezag gezamenlijk werd uitgeoefend, blijft deze onderhoudsplicht gedurende de termijn dat het gezamenlijk gezag heeft geduurd, bestaan, tenzij de rechter in bijzondere omstandigheden op verzoek van de ouder of de ander een langere termijn bepaalt. Zij eindigt uiterlijk op het tijdstip dat het kind de leeftijd van eenentwintig jaren heeft bereikt. Artikel 404 is van overeenkomstige toepassing.

II

In onderdeel I wordt artikel 282, zesde lid, tweede volzin, vervangen door:

Artikel 253w is, zolang de gezamenlijke voogdij voortduurt, ten aanzien van hen beiden van overeenkomstige toepassing.

Toelichting

Voorgesteld wordt om de onderhoudsplicht van de partner van de ouder die samen met de ouder het gezag uitoefent, na beëindiging van het gezamenlijk gezag door rechterlijke beslissing of door overlijden van de ouder, niet slechts een jaar te laten voortduren, maar als hoofdregel minimaal te laten voortduren gedurende de termijn dat het gezamenlijk gezag heeft geduurd. De rechter kan in bijzondere situaties van de hoofdregel afwijken en een langere termijn vaststellen. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin twee vrouwen hebben besloten om gezamenlijk vanaf de geboorte het gezag over een kind uit te oefenen. De uitoefening van het gezamenlijk gezag is zo belangrijk en heeft zoveel gevolgen dat dit een verderstrekkende onderhoudsplicht dan in het wetsvoorstel is neergelegd, rechtvaardigt. Deze onderhoudsplicht eindigt uiterlijk wanneer het kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt. Dan eindigt in principe ook de onderhoudsplicht van de ouder.

Voor twee voogden die gezamenlijk de voogdij uitoefenen, geldt de onderhoudsplicht tijdens het bestaan van de gezamenlijke voogdij (artikel 282, zesde lid).

J. M. de Vries

M. M. van der Burg

Dittrich

Naar boven